Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6267

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
C/13/539534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident; rechtbank Amsterdam heeft geen rechtsmacht nu geen sprake is van geldige forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo en er ook overigens geen aanknopingspunt is om rechtsmacht Nederlandse rechter aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/539534 / HA ZA 13-414

Vonnis in incident van 11 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijfsnaam 1] ,

gevestigd te [plaatsnaam 1],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.W. Snoeker te Utrecht,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

[bedrijfsnaam 2] ,

gevestigd te [plaatsnaam 2] (België),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Ellens te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 maart 2013.

  • -

    de akte overlegging producties van [bedrijfsnaam 1], met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.

[bedrijfsnaam 1] hanteert als handelsnaam “[handelsnaam ]” en exploiteert een onderneming die zich met name toelegt op de organisatie van evenementen op binnenwater schepen.

2.2.

[bedrijfsnaam 2] is een Belgisch evenementenbureau.

2.3.

In de hoofdzaak vordert [bedrijfsnaam 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling tot betaling door [bedrijfsnaam 2] van (primair) € 33.751,07, dan wel (subsidiair) € 29.558,18, dan wel (meer subsidiair) van de door [bedrijfsnaam 1] gemaakte kosten en door haar gederfde winst nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

2.4.

[bedrijfsnaam 1] legt aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag dat zij met [bedrijfsnaam 2] een overeenkomst heeft gesloten, inhoudende dat [handelsnaam ] voor een opdrachtgever van [bedrijfsnaam 2] (L’Oreal) een kerstfeest zou organiseren op één van haar schepen. [bedrijfsnaam 2] heeft de boeking vervolgens geannuleerd, uit hoofde waarvan [bedrijfsnaam 1] schade heeft geleden. Op grond van de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is [bedrijfsnaam 2] gehouden die schade (gedeeltelijk) te vergoeden, zo stelt [bedrijfsnaam 1].

3 Het geschil in incident

3.1.

[bedrijfsnaam 2] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij stelt daartoe kort gezegd dat zij gevestigd is in België en dat de te leveren diensten door [bedrijfsnaam 1] ook in België zouden worden geleverd. Zij stelt voorts dat nooit een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] en in elk geval niet ten aanzien van een forumkeuze. Op grond van de regels van internationale bevoegdheid is derhalve niet de Nederlandse, maar de Belgische rechter bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen, aldus [bedrijfsnaam 2].

3.2.

[bedrijfsnaam 1] voert kort gezegd als verweer dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarvan haar algemene voorwaarden deel uit maken. In die algemene voorwaarden is een forumkeuze opgenomen voor de rechtbank Amsterdam, op grond waarvan deze rechtbank rechtsmacht heeft. Ook overigens geldt dat de rechtbank Amsterdam rechtsmacht heeft, nu de vordering van [bedrijfsnaam 1] ziet op schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad en de schade in Nederland is geleden, aldus nog steeds [bedrijfsnaam 1].

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in incident

4.1.

In de onderhavige zaak dient de rechtsmacht te worden vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Vo).

4.2.

Artikel 23 EEX-Vo vereist voor een geldige forumkeuze een overeenkomst tussen partijen die voldoet aan één van de vormvoorschriften als omschreven in het eerste lid. Dat een overeenkomst wordt verlangd, betekent volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (gewezen ten aanzien van artikel 17 EEX-Verdrag, maar ook van belang ten aanzien van artikel 23 EEX-Vo) dat de forumkeuzeclausule het voorwerp moet zijn geweest van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt.

Volgens het Hof van Justitie hebben de vormvoorschriften ten doel te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat. De voorwaarden voor de geldigheid van forumkeuzeclausules moeten strikt worden uitgelegd.

4.3.

Op grond van artikel 23 lid 1 sub a EEX-Vo is een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht geldig, indien deze is gesloten bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst.

4.4.

[bedrijfsnaam 1] ontleent de bevoegdheid van deze rechtbank aan haar algemene voorwaarden. De algemene voorwaarden luiden, voor zover thans van belang, als volgt:

“(…)

artikel 1 toepasselijkheid

(…)

1.2

Deze Algemene Voorwaarden zijn van toepassing op al onze aanbiedingen en op alle overeenkomsten met onze opdrachtgevers, tenzij hiervan uitdrukkelijk en schriftelijk door partijen is afgeweken.

(…)

artikel 2 offertes; tot stand komen van boekingen

2.1

Al onze aanbiedingen zijn vrijblijvend, tenzij in de offerte een termijn voor aanvaarding is genoemd. (…)

2.4

De offerte van [handelsnaam ] geldt als geaccepteerd en de opdrachtgever zal zijn gebonden zodra tussen partijen overeenstemming bestaat over de essentialia van de overeenkomst: (…) Partijen zullen vervolgens in goed onderling overleg de details van het evenement vastleggen.

(…)

artikel 11 toepasselijk recht en forum

(…)

11.2

Alle geschillen die uit deze overeenkomsten voortvloeien en die niet in goed onderling overleg tussen partijen kunnen worden opgelost zullen worden voorgelegd aan de Rechtbank te Amsterdam. ”

4.5.

[bedrijfsnaam 1] stelt dat deze algemene voorwaarden gelden, omdat er op de verschillende offertes, die per e-mail aan [bedrijfsnaam 2] zijn verzonden, naar wordt verwezen met de zin: “Our general conditions are in use for all our services”. [bedrijfsnaam 2] heeft deze algemene voorwaarden telkens ontvangen en zonder protest behouden, aldus [bedrijfsnaam 1]. Vervolgens is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, hetgeen blijkt uit een e-mail van [naam 1] van [bedrijfsnaam 2] van 26 oktober 2012 aan [naam 2] van [bedrijfsnaam 1] ([handelsnaam ]), waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

I have the great pleasure to confirm you the gala event on the [handelsnaam ] of the 19/12/12 for our client L’Oreal in Brussels.

We would like to organize a boat inspection with L’Oreal (…)”

4.6.

[bedrijfsnaam 2] stelt zich op het standpunt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de rechtbank Amsterdam als bevoegde rechter, rechtstreeks, noch middels toepassing van algemene voorwaarden, nu er geen schriftelijke overeenkomst is gesloten op de wijze als in artikel 23 lid 1 EEX-Vo bepaald. Nu op grond van artikel 5 EEX-Vo de rechter te Brussel (België) rechtsmacht heeft om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen, is deze rechtbank daartoe niet bevoegd, aldus nog steeds [bedrijfsnaam 2].

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat partijen een schriftelijke/elektronische overeenkomst hebben gesloten waarin uitdrukkelijk naar (één van) de offerte(s) wordt verwezen en waaruit de akkoordverklaring van [bedrijfsnaam 2] met die offerte(s) blijkt. Zo uit de e-mail van 26 oktober 2012 (zie hiervoor rechtsoverweging 4.5) al aanvaarding van de offerte kan worden afgeleid, is die aanvaarding stilzwijgend geschied. Een dergelijke stilzwijgende aanvaarding van een offerte, welke offerte verwijst naar algemene voorwaarden met een forumkeuzeclausule, is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat sprake is van een forumkeuzebeding dat voldoet aan de schriftelijkheidseis van artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo. Zoals het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 14 december 1976 (zaak 24/76, Colzani/Rüwa, NJ 1977, 446) heeft overwogen, is aan het schriftelijkheidsvereiste niet voldaan bij indirecte of stilzwijgende verwijzingen naar vorige correspondentie, omdat in dat geval geen zekerheid bestaat dat de forumkeuzeclausule daadwerkelijk deel uitmaakt van het eigenlijke contract.

4.8.

In het onderhavige geval kan dan ook niet worden aangenomen dat de forumkeuze is overeengekomen bij “schriftelijke overeenkomst” als bedoeld in artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo. Voorts is gesteld noch gebleken dat de forumkeuze is overeengekomen bij een “schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst” als bedoeld in hetzelfde artikel 23 lid 1 sub a EEX-Vo. De conclusie moet dan ook zijn dat er geen forumkeuze is gedaan die beantwoordt aan de schriftelijkheidseis van artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo.

4.9.

Evenmin is gesteld of gebleken dat tussen partijen handelwijzen gebruikelijk zijn geworden, waaruit zou volgen dat een forumkeuze voor deze rechtbank zou zijn overeengekomen, dan wel van een gewoonte in de branche in de internationale handel, zodat evenmin sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 onder b, respectievelijk c EEX-Vo.

4.10.

Gelet op de vestigingsplaats van [bedrijfsnaam 2] in België kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter evenmin op artikel 2 EEX-Vo worden gestoeld. Ook artikel 5 EEX-Vo schept geen bevoegdheid. [bedrijfsnaam 2] heeft onbetwist gesteld dat de te leveren diensten in Brussel verstrekt hadden moeten worden, nu daar het evenement zou worden gehouden. Dat de vordering van [bedrijfsnaam 1] in de hoofdzaak ziet op schadevergoeding voor schade die in Nederland zou zijn geleden, zoals [bedrijfsnaam 1] stelt, doet daaraan niet af. Een en ander betekent dat onder artikel 5 EEX-Vo de Belgische, en niet de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt. De incidentele vordering van [bedrijfsnaam 2] zal dan ook worden toegewezen.

4.11.

[bedrijfsnaam 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident (begroot op 1 punt x tarief II = € 452,00 aan salaris advocaat), alsmede in het door [bedrijfsnaam 2] betaalde griffierecht van €1.836,00, nu deze kosten nodeloos zijn gemaakt.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen;

5.2.

veroordeelt [bedrijfsnaam 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van [bedrijfsnaam 2] tot op heden begroot op € 2.288,00;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.1

1 type: JMS coll: