Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6237

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
CV EXPL 13-6219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging ruim 5 jaar na definitieve uitval wegens ernstige gezondheidsklachten niet kennelijk onredelijk. Werkneemster ontvangt IVA-uitkering met aanvulling op grond van de CAO tot 75% van het salaris van het jaar voordat zij ziek werd. Op grond van het in deze procedure aangevoerde kan niet worden geconcludeerd dat werkgever een verwijt kan worden gemaakt van de arbeidsongeschiktheid.

Vordering werkgever in reconventie van teveel betaalde vergoedingen wegens rechtsverwerking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Rolnummer: 1417483 CV EXPL 13-6219

Vonnis van: 23 september 2013

F.no.: 025

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [geboorteplaats]

eiseres in conventie/verweerster in reconventie

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. A.W. Brantjes/mr. Y.D. Kouwenberg

t e g e n

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde in conventie/eiseres in reconventie

nader te noemen ABN Amro

[gemachtigde]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 28 februari 2013 inhoudende de vordering van [eiser] met producties;

- de conclusies van antwoord en van eis in reconventie van ABN Amro met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] met producties.

Daarna is bij tussenvonnis van 3 juni 2013 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Deze zitting heeft op 26 juli 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn [eiser] bij haar gemachtigde en namens ABN Amro [gemachtigde] en de gemachtigde.

Bij schrijven van 22 resp. 20 augustus 2013 hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

[eiser], geboren op [geboortedatum], is op 2 februari 1987 in dienst van (de rechtsvoorgangster van) ABN Amro getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO ABN Amro (hierna de CAO) van toepassing.

1.2.

[eiser] heeft binnen de bank verschillende functies bekleed. In 1998 werd zij bevorderd tot [functie]. In deze functie diende zij periodiek naar het hoofdkantoor in Amsterdam te reizen. In 2000 en in 2001 was [eiser] tijdens een dergelijke dienstreis betrokken bij een auto-ongeval.

1.3.

Sinds 1992 lijdt [eiser] aan hartklachten. Met ingang van januari 2004 is [eiser] wegens deze klachten arbeidsongeschikt geraakt.

1.4.

In de periode maart 2004 tot oktober 2006 heeft [eiser] eerst op arbeidstherapeutische en later vanaf april 2006 op re-integratiebasis haar werkzaamheden gedeeltelijk verricht, een aantal keer onderbroken door volledige uitval.

1.5.

Naar aanleiding van een verzoek van 27 maart 2006 aan het UWV is de re-integratietermijn van [eiser] met een jaar verlengd verlengd.

1.6.

In de “Beoordeling arbeidsgeschiktheid” van 9 november 2006 heeft de bedrijfsarts, naar aanleiding van het advies van de behandelend cardioloog, bericht dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid sinds 5 oktober 2006.

1.7.

[eiser] ontvangt sinds [datum] een IVA-uitkering. Deze wordt op grond van de CAO door ABN Amro tot 75% van het door [eiser] in 2003 ontvangen salaris (SV-loon voorlaatste ziektejaar) aangevuld. Daarnaast heeft zij recht op premievrije voortzetting pensioenopbouw en personeelscondities op hypotheken en betaaldiensten en recht op andere sociale voorzieningen.

1.8.

Bij verzoek van 23 februari 2012 heeft ABN Amro UWV Werkbedrijf toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst van [eiser] te mogen opzeggen. Na verkregen ontslagvergunning in mei 2013 is de arbeidsovereenkomst met [eiser] tegen 1 september 2012 opgezegd.

1.9.

Bij brief van 27 februari 2012 heeft ABN Amro aan [eiser] bericht dat zij vanaf januari 2007 ten onrechte vervoersbudget, woon-werkvergoeding en bovenwettelijke vakantie-uren heeft ontvangen. ABN Amro liet weten de hiermee gemoeide bedragen van € 48.825,50 bruto en € 4.244,73 netto als onverschuldigd betaald terug te vorderen.

1.10.

[eiser] heeft hiertegen bij monde van haar gemachtigde bezwaar gemaakt. Daarbij is tevens verzocht om [eiser] inzicht te verschaffen in haar inkomenspositie door middel van een toelichting op de verschillende op haar van toepassing zijnde regelingen.

Vordering en verweer

In conventie

2.

[eiser] vordert:
a. een verklaring voor recht dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;
b. veroordeling van ABN Amro om op grond van artikel 7:681 BW aan haar te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en tevens een bedrag van € 10.000,00 netto wegens immateriële schade, een en ander te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2012;
c. veroordeling van ABN Amro tot betaling van € 1.000,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met BTW en wettelijke rente vanaf 28 februari 2013, met veroordeling van ABN Amro in de kosten van de procedure inclusief nakosten.

3.

[eiser] baseert zich op artikel 7:681 lid 1 en 2 onder b BW. Zij stelt dat de gevolgen van het ontslag voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van ABN Amro ten tijde van de opzegging. [eiser] stelt dat ABN Amro bovendien een verwijt valt te maken ten aanzien van het ontstaan van haar arbeidsongeschiktheid. [eiser] wijst hierbij op de onvoldoende bezetting vanaf 1998 van de afdeling vermogensbeheer in Den Haag, waardoor sprake was van een onverantwoord hoge werkdruk. Ook functioneerden de computersystemen slecht. Ten slotte ontbrak het aan commerciële en administratieve ondersteuning vanuit het hoofdkantoor. Daarnaast heeft ABN Amro lang gewacht alvorens de op advies van de Arbodienst benodigde ergonomische aanpassingen door te voeren na het auto-ongeluk van [eiser] in 2000.
Voorts stelt [eiser] dat ABN Amro in 2004, voordat zij definitief uitviel, onvoldoende adequaat heeft ingegrepen om de werkomstandigheden op de afdeling waar [eiser] toen werkzaam was te verbeteren. Dit ondanks alle verzoeken van [eiser] daartoe. Samenvattend stelt [eiser] dat sprake was van een ongezonde werkomgeving.

4.

Ook in de periode tussen 2004 en 2006 heeft ABN Amro onvoldoende oog gehad voor de belastbaarheid van [eiser] op de momenten dat zij haar werk – gedeeltelijk – hervatte. [eiser] maakt ABN Amro het verwijt dat de re-integratieinspanningen van ABN Amro onvoldoende en zelfs contra-productief zijn geweest voor haar gezondheid. Er werd te veel van [eiser] gevraagd. Ondanks haar ziekte en het feit dat zij vanaf april 2006 maar 10 tot 12 uur werkte, moest zij de gebruikelijke compliance-examens afleggen, werd van haar verwacht dat zij haar werkzaamheden in Rotterdam hervatte, ondanks de extra reistijd en kreeg zij dezelfde targets opgelegd als haar collega’s.

5.

[eiser] stelt dat zij gedurende haar re-integratie ook heeft geleden onder de druk ontslagen te worden en haar inkomsten te verliezen. Volgens [eiser] benadrukte de door ABN Amro ingeschakelde bedrijfsarts, [naam], herhaaldelijk dat na twee jaar ziekte ontslag zou volgen. [eiser] heeft deze opstelling ervaren als een negatieve stressor. Ook ABN Amro heeft zich, bij monde van [naam 1], haar leidinggevende in 2005, in zodanige zin uitgelaten. Op haar verzoek om een andere bedrijfsarts is niet ingegaan. Dat haar gezondheid werd besproken in verband met de aanstelling van [naam 2], die haar verving, omdat deze duidelijkheid moest krijgen over zijn positie, heeft [eiser] ook als belastend ervaren.

6.

[eiser] stelt dat haar schade is gelegen in inkomensschade, pensioenschade en immateriële schade. Haar IVA-uitkering, voor blijvende arbeidsongeschiktheid, is gebaseerd op haar inkomen uit 2003. [eiser] gaat ervan uit dat haar IVA-uitkering slechts tot haar 63e jaar op grond van de CAO zal worden aangevuld, mits de betreffende bepalingen niet wijzigen. De bijdrage voor thuiszorg is al achteruitgegaan.

7.

ABN Amro voert gemotiveerd verweer. Voor zover van belang zal dit verweer hierna aan de orde komen.

In reconventie

8.

ABN Amro vordert veroordeling van [eiser] tot betaling van € 48.825,50 bruto en
€ 4.244,73 netto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2012, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

9.

ABN Amro stelt hiertoe dat zij in februari 2012 heeft geconstateerd dat [eiser] vanwege haar langdurige arbeidsongeschiktheid ten onrechte vergoedingen in het kader van het vervoersbudget, bovenwettelijke vakantieuren en voor woon-werkverkeer ontving.

10.

[eiser] voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van rechtsverwerking. Bovendien heeft ABN Amro vanaf 2007 een veelvoud aan correcties op het salaris van [eiser] toegepast, zodat het de vraag is of ten onrechte uitbetaalde bedragen niet reeds zijn verrekend. [eiser] verwijst naar een aantal brieven van salarisadministrateur [bedrijf] en ABN Amro uit 2007. Ook in 2012 zijn correcties toegepast in verband met de woon-werkvergoeding (zie de brief van 23 maart 2012 van de gemachtigde van [eiser]) en de vervoerskosten (zie de brief van 24 juni 2012 van de gemachtigde van [eiser]).

Beoordeling

In conventie

11.

Bij de beantwoording van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is geldt als uitgangspunt dat eerst aan de hand van alle omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, moet worden vastgesteld dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, vóórdat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding eventueel aan de werknemer toegekend moet worden. Daarbij is het enkele feit dat geen of een geringe voorziening voor de werknemer getroffen is, niet voldoende om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Ook dan hangt het af van alle vast te stellen omstandigheden of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag gegeven is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

12.

[eiser] lijdt aan ernstige gezondheidsklachten, die er toe hebben geleid dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. [eiser] ontvangt op grond van de WIA een IVA-uitkering, welke door ABN Amro wordt aangevuld. [eiser] verwijt ABN Amro dat zij arbeidsongeschikt is geraakt doordat de bank een ongezonde werkomgeving heeft laten ontstaan en laten voortduren. [eiser] stelt dat haar gezondheid aanvankelijk leed onder het feit dat ABN Amro onvoldoende voorzieningen in de zin van de Arbo trof. Nadien zou haar gezondheid zijn geschaad door de te grote werkdruk al gevolg van structurele onderbezetting. Ten slotte heeft ABN Amro haar niet goed begeleid bij haar re-integratie, nadat ze wegens hartklachten volledig was uitgevallen, aldus [eiser].

13.

ABN Amro betwist gemotiveerd het bestaan van een causaal verband tussen de werkomstandigheden en de arbeidsongeschiktheid van [eiser]. ABN Amro wordt in dit standpunt gevolgd. Wellicht kan achteraf de conclusie worden getrokken dat de veeleisende functies die [eiser] in het verleden bij ABN Amro heeft bekleed in gezondheidsopzicht mogelijkerwijs minder geschikt voor haar waren. Niet is komen vast te staan echter dat de werkomstandigheden en onvoldoende aanpassing daarvan door ABN Amro hebben geleid tot de uiteindelijke definitieve uitval van [eiser]. [eiser] heeft ook geen enkele medische verklaring in het geding gebracht waaruit enig causaal verband valt af te leiden.

14.

Vanzelfsprekend behoort ABN Amro als goed werkgever er zorg voor te dragen dat een afdeling voldoende is bemand. Echter, bij vrijwel elk bedrijf doen zich periodes van relatieve onderbezetting voor. Ook hier geldt dat, zelfs als de stelling van [eiser] dat ABN Amro onvoldoende reageerde op haar verzoek om meer mensen voor haar afdeling juist is, daaruit niet kan worden afgeleid dat dit (mede) heeft geleid tot haar uiteindelijke definitieve uitval.

15.

Evenmin is gebleken dat ABN Amro is tekortgeschoten bij de re-integratie van [eiser] na 2004. Ook hier wreekt zich naar het zich laat aanzien dat [eiser] trachtte om zo goed mogelijk te voldoen aan de niet geringe eisen van haar functie, in een bij uitstek zakelijke en op resultaat gerichte omgeving. Hoe begrijpelijk ook dat [eiser] streefde naar herstel in haar oude functie, mede om inkomensterugval te voorkomen, achteraf dringt de gedachte zich op of zij daarbij niet te veel van zichzelf heeft gevergd. Dat betekent nog niet dat ABN Amro daarin een onverantwoorde of zelfs verwijtbare rol heeft gespeeld.

16.

[eiser] verwijt ABN Amro onder meer dat de bedrijfsarts al te nadrukkelijk wees op beëindiging van het dienstverband na twee jaar ziekte. Ook zouden verschillende functionarissen van de ABN Amro te veel zijn vooruitgelopen op het einde van het dienstverband. Hoewel er begrip is voor de vrees van [eiser] voor beëindiging van het dienstverband, moet uit het feit dat ABN Amro [eiser] uiteindelijk tot 2012 in dienst heeft gehouden worden afgeleid dat ABN Amro niet heeft gestreefd naar beëindiging van het dienstverband op zo kort mogelijke termijn. Ook hier geldt dat het misschien wenselijk was geweest indien sommige betrokken personen zich wat diplomatieker hadden opgesteld, maar daaruit volgt niet dat sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van ABN Amro.

17.

Slotsom is dat op grond van hetgeen [eiser] in deze procedure heeft aangevoerd, ABN Amro geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en de noodzaak tot beëindiging van het dienstverband. Rest de vraag of de gevolgen van de beëindiging voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van ABN Amro bij het einde van het dienstverband. ABN Amro stelt terecht dat de inkomensachteruitgang van [eiser] zijn oorzaak vindt in de arbeidsongeschiktheid en geen verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst. Vanwege de duurzaamheid van haar arbeidsongeschiktheid ontvangt [eiser] immers sinds januari 2007 een IVA-uitkering, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de ontvanger niet meer aan het werk komt. Een voortdurend dienstverband wordt daarmee zinledig. Niettemin heeft ABN Amro, om niet geheel duidelijke redenen, het dienstverband nog 5 jaar laten voortduren. Het uitstel van het ontslag en ook het uiteindelijke ontslag hadden geen invloed op de hoogte van de aanvulling op haar uitkering die ABN Amro overeenkomstig de CAO aan [eiser] tot haar 63e jaar zal voldoen. Hieruit volgt dat [eiser] qua inkomenspositie niet in een nadeliger positie is gebracht door de opzegging van het dienstverband. [eiser] heeft gesteld dat dit bijvoorbeeld niet geldt voor de bijdrage voor Thuiszorg. Werknemers van ABN Amro hebben recht op 100% vergoeding, terwijl [eiser] inmiddels nog maar
€ 13,00 ontvangt. Het moge zo zijn dat er verschil is in de hoogte van sociale regelingen voor werknemers en oud-werknemers. Dit enkele voorbeeld kan echter niet leiden tot de conclusie dat voldaan is aan het zogenaamde gevolgencriterium inzake kennelijk onredelijk ontslag. Andere omstandigheden die dienen te leiden tot een ander oordeel zijn gesteld noch gebleken.

18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. De vordering wordt derhalve afgewezen.

In reconventie

19.

Met [eiser] wordt geoordeeld dat uit de door haar in het geding gebrachte brieven van [bedrijf] en ABN Amro uit 2007 betreffende verrekening met haar salaris (producties 42A, B, C, D en E bij conclusie van antwoord in reconventie), salarisspecificaties uit 2007 en 2008 met correcties (productie 43), e-mails die [eiser] in 2012 aan ABN Amro zond met betrekking tot correcties vervoerkosten (producties 44 en 45), de brief van ABN Amro van 7 augustus 2012 in verband met de uitdiensttreding van [eiser] op 1 september 2012 betreffende de uitbetaling van niet genoten vakantie-uren (productie 46) en de salarisspecificatie van oktober 2012 met de uitkering van verlofuren en correcties (productie 47), blijkt dat ABN Amro in de loop der jaren een veelvoud aan correcties op de salarisbetalingen van [eiser] heeft uitgevoerd. Bij brief d.d. 27 februari 2012 kondigde ABN Amro ineens aan dat zij € 48.825,00 bruto en € 4.244,73 netto over de voorafgaande jaren onverschuldigd betaald had. [eiser] heeft hiertegen geprotesteerd. Vervolgens heeft ABN Amro noch het moment van opzegging in mei 2012 noch het moment van de eindafrekening bij het einde van het dienstverband op 1 september 2012 aangegrepen om tot een definitieve correctie te komen. Ter zitting heeft ABN Amro desgevraagd verklaard geen voorbehoud te hebben gemaakt bij de eindafrekening. Eerst nadat [eiser] een procedure aanhangig maakte stelde ABN Amro een vordering in. Deze gang van zaken leidt tot het oordeel dat ABN Amro haar recht om thans nog eventueel te veel betaalde bedragen tijdens het dienstverband terug te vorderen heeft verwerkt. [eiser] van haar kant heeft actief geprobeerd op de hoogte te raken van de stand van zaken. Naar aanleiding van de berichten van ABN Amro en de verrekeningen die blijkens voormelde opsomming hebben plaatsgevonden, ook nog in het kader van de eindafrekening, mocht [eiser] erop vertrouwen dat het daarbij zou blijven. De vorderingen worden derhalve afgewezen.

In conventie en reconventie

20.

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vorderingen af;

In reconventie

wijst de vorderingen af;

In conventie en reconventie

compenseert de kosten.

Aldus gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.