Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6179

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
27-12-2013
Zaaknummer
C-13-535929 - HA ZA 13-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil, ligging erfgrens, fout bij meting kadaster? Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/535929 / HA ZA 13-195

Vonnis in hoofdzaak van 4 september 2013

in de zaak van

1 [eiser 1]

2. [eiser 2]

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P-H.C. Eijssen,

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.P. Wellenberg.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. Eisers in conventie, verweerders in reconventie worden gezamenlijk [eisers gezamelijk] genoemd. Gedaagden in conventie en eisers in reconventie worden gezamenlijk [gedaagden gezamenlijk] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 januari 2013 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 24 april 2013 waarin een gerechtelijke plaatsopneming en een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming en comparitie, gehouden op 19 juli 2013,

  • -

    de brief van [gedaagden gezamenlijk] van 5 augustus 2013 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de brief van [eisers gezamelijk] van 6 augustus 2013 naar aanleiding van het proces-verbaal en de reactie van [gedaagden gezamenlijk] daarop.

1.2.

De rechtbank acht de correcties van de zijde van partijen op het proces-verbaal als neergelegd in de genoemde brieven juist en verstaat dat het proces-verbaal in combinatie met deze overweging moet worden gelezen. Enige uitzondering hierop is de (door [gedaagden gezamenlijk]) gesteld ter zitting gemaakte opmerking dat ‘de dakoverstek groter dan 40 centimeter lijkt te zijn’. Deze opmerking is naar het oordeel van de rechtbank niet ter zitting gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Partijen zijn buren. [eisers gezamelijk] is eigenaar van de nieuwbouwwoning plaatselijk bekend als [adres]. [gedaagden gezamenlijk] is eigenaar van de nieuwbouwwoning plaatselijk bekend als [adres]. De woningen staan naast elkaar. De achtertuinen worden gescheiden door een schutting.

2.2.

In of omstreeks mei 2007 heeft [projectontwikkelaar] (hierna: de projectontwikkelaar) van de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente) een perceel bouwgrond gekocht, plaatselijk bekend als [bouwgrond], kadastraal bekend als gemeente [gemeente], [kadastraalnummer] gedeeltelijk.

2.3.

De projectontwikkelaar heeft op haar beurt aan [gedaagden gezamenlijk] een deel van dat perceel bouwgrond verkocht en zich verplicht om daarop een woning te realiseren tegen betaling van € 343.310,35. De projectontwikkelaar en [gedaagden gezamenlijk] hebben daartoe op

17 december 2007 een koop- aannemingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat, voor zover hier van belang:

De ondernemer (de projectontwikkelaar, rechtbank) verkoopt aan de verkrijger ([gedaagden gezamenlijk], rechtbank) (…) een perceel grond ter grootte van circa 210 m2 overeenkomstig de bij de notaris gedeponeerde situatietekening aangeduid met het [bouwnummer] gelegen op de locatie [bouwgrond] (…)

2.4.

Enige maanden later heeft de projectontwikkelaar ook aan [eisers gezamelijk] een deel van dat perceel bouwgrond verkocht en zich verplicht om daarop een woning te realiseren tegen betaling van € 280.594,78. De projectontwikkelaar en [eisers gezamelijk] hebben daartoe op

19 januari 2008 een koop-aannemingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat, voor zover hier van belang:

De ondernemer (de projectontwikkelaar, rechtbank) verkoopt aan de verkrijger ([eisers gezamelijk], rechtbank) (…) een perceel grond ter grootte van circa 162 m2 overeenkomstig de bij de notaris gedeponeerde situatietekening aangeduid met het [bouwnummer] gelegen op de locatie [bouwgrond] (…)

2.5.

Op de in die koop-aannemingsovereenkomsten bedoelde situatietekening ([bouwgrond]) zijn blijkens de legenda erfgrenzen ingetekend. De erfgrens tussen de percelen met [bouwnummer] (van [gedaagden gezamenlijk]) en [bouwnummer] (van [eisers gezamelijk]) is op de tekening in het verlengde van de zijgevel van de woning van [eisers gezamelijk] ingetekend die zich het dichtst bij de woning van [gedaagden gezamenlijk] bevindt. Partijen twisten over de vraag of de ingetekende erfgrenzen al dan niet indicatief zijn.

2.6.

Bij akte van levering van 18 januari 2008 heeft de projectontwikkelaar aan [gedaagden gezamenlijk] geleverd “een perceel grond uitmakende een aaneengesloten gedeelte ter grootte van circa twee are en tien centiare (…) van het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer], overeenkomstig de aan deze akte gehechte situatietekening aangeduid met [bouwnummer], (…), plaatselijk nog onbekend te [gemeente], of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door de Landmeetkundige Dienst van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers (hierna: het Kadaster, rechtbank) zal worden bepaald.

Gemelde situatietekening is eveneens gehecht aan een akte van levering van achtentwintig september tweeduizend zeven, voor mij notaris verleden en bij afschrift ingeschreven ten kantore van gemelde dienst van het Kadaster en de Openbare Registers in Register Hypotheken 4 twee oktober tweeduizend zeven in deel [nummer] [bouwnummer].

2.7.

Bij akte van levering van 4 maart 2008 heeft de projectontwikkelaar aan

[eisers gezamelijk] geleverd “een perceel grond uitmakende een aaneengesloten gedeelte ter grootte van circa één are en tweeënzestig centiare (…) van het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer], overeenkomstig de aan deze akte gehechte situatietekening aangeduid met [bouwnummer], (…), plaatselijk nog onbekend te [gemeente], of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door [het Kadaster] zal worden bepaald.

Gemelde situatietekening is eveneens gehecht aan een akte van levering van achtentwintig september tweeduizend zeven, voor mij notaris verleden en bij afschrift ingeschreven ten kantore van gemelde dienst van het Kadaster en de Openbare Registers in Register Hypotheken 4 twee oktober tweeduizend zeven in deel [nummer] [bouwnummer].

2.8.

In september 2008 heeft de projectontwikkelaar de woningen van partijen opgeleverd. Partijen hebben toen hun intrek in hun eigen woning genomen. De schutting stond er op dat moment nog niet. Deze is enige tijd later in onderling overleg bij wijze van erfafscheiding geplaatst.

2.9.

Bij brief van 28 mei 2009 heeft het Kadaster [eisers gezamelijk] het volgende geschreven:

In bijgevoegde lijst treft u een opgave van het perceel waarvan een gedeelte door u werd overgedragen c.q. verkregen. Om van dit gedeeltelijke perceel in de kadastrale registratie een geheel perceel te maken meet het Kadaster de nieuwe grenzen. Vooraf moeten echter de verkrijger en de vervreemder aan de landmeter, [naam 1], de nieuwe grenzen aanwijzen. Deze aanwijzing zal plaatsvinden op vrijdag 12 juni 2009. (…) Ik verzoek u hierbij aanwezig te zijn.

2.10.

[gedaagden gezamenlijk] heeft een soortgelijke uitnodiging ontvangen.

2.11.

Op 12 juni 2009 heeft de landmeter,[naam 1], een meting verricht. [eiser 1] en [gedaagde 1] waren daarbij aanwezig. Een vertegenwoordiger van de projectontwikkelaar was niet aanwezig. Over het verloop van de kadastrale meting verschillen partijen van mening. Informatie van deze aanwijs en de gegevens van de meting staan vermeld op het veldwerk gemeente [gemeente] [kadastraalnummer].

2.12.

Het Kadaster heeft partijen vóór de zomer van 2010 bericht dat het perceel van [eisers gezamelijk] [kadastraalnummer] heeft en dat de oppervlakte ervan 170 m2 is en dat het perceel van [gedaagden gezamenlijk] [kadastraalnummer] heeft en dat de oppervlakte ervan 225 m2 is.

2.13.

Geen van partijen heeft tegen deze vaststelling door het Kadaster bezwaar gemaakt.

2.14.

In de zomer van 2010 is een kadastrale kaart (voor het eerst) met ingetekende bebouwing beschikbaar gekomen. Daarop is te zien dat zich tussen de woning van

[eisers gezamelijk] en de op die kaart ingetekende erfgrens met het perceel van [gedaagden gezamenlijk] een smalle strook grond bevindt. Deze strook grond is ongeveer 44 centimeter breed (hierna: de strook grond).

2.15.

Bij brief van 2 september 2010 heeft [naam 2], makelaar van de projectontwikkelaar (hierna ook: de verkoopmakelaar) het Kadaster het volgende geschreven:

Betreft: Kadastrale grens tussen gemeente [gemeente], [kadastraalnummer]

(…)

Recent is de kadastrale kaart (zie bijlage) van bovengenoemde percelen beschikbaar gekomen. Helaas zijn de in het Kadaster opgenomen grenzen tussen genoemde percelen niet in overeenstemming met de ten tijde van de verkoop contractueel overeengekomen perceelsgrenzen (zie bijlage voor contracttekening) dat wil zeggen in het verlengde van de buitenmuur.

Vriendelijk verzoeken wij u om de kadastrale registratie in overeenstemming te brengen met de destijds overeengekomen erfgrenzen. (…)

2.16.

Bij brief van 14 september 2010 heeft het Kadaster hierop als volgt geantwoord:

“(…) Naar aanleiding van uw verzoek heb ik het volgende overwogen. Een kadastrale grens moet overeenstemmen met de grens zoals die door de belanghebbenden aan de landmeter van het kadaster is aangewezen. De nieuwe grenzen zijn door de belanghebbenden eensluidend aangewezen. Op de mede-ingeschreven tekening, die trouwens alleen een indicatieve functie heeft, staan de grenzen zo aangegeven als ze thans zijn gevormd. U gaf aan dat er meerdere verkooptekeningen in omloop zijn geweest. Welke van de tekeningen bij het Kadaster is ingeschreven is bij het Kadaster niet bekend. Het Kadaster heeft op basis van de verkregen gegevens de kadastrale grenzen vastgesteld en de percelen gevormd. Van deze perceelsvorming hebben de belanghebbenden vervolgens een kennisgeving ontvangen. Tegen deze perceelsvorming kon gedurende zes weken bezwaar worden ingediend. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, waarmee de perceelsvorming definitief is geworden. Van een kennelijke fout is geen sprake, nu de Basisregistratie Kadaster in overeenstemming is met de brondocumenten.

Wanneer thans blijkt dat de perceelsvorming niet juist heeft plaatsgevonden, dan kan dit uitsluitend door een nieuw in te schrijven notarieel stuk worden gewijzigd. Te denken valt daarbij aan een akte van dwaling bij grensaanwijzing, waaraan alle betrokkenen, mist die nog dezelfde zijn als bij de oorspronkelijke aanwijs, moeten meewerken.

Concluderend ben ik daarom van mening dat ik uw verzoek moet afwijzen. De bijhouding van het perceel in de kadastrale registratie wordt daarom niet veranderd.

2.17.

Bij brief van 27 september 2010 heeft de verkoopmakelaar het Kadaster - kort gezegd - verzocht om zijn conclusie in heroverweging te nemen.

2.18.

In een brief van 23 december 2011 van [naam 3], projectmanager bij de projectontwikkelaar, (hierna: [naam 3]) aan het Kadaster staat het volgende:

In vervolg op ons telefoongesprek van afgelopen maandag verzoek ik u hierbij de kadastrale grenzen van de percelen [kadastraalnummer] op de kadastrale kaart aan te passen conform het door ons verkochte en geleverde.

(…)

Voor de aanwijs is door de landmeter een onjuiste tekening gebruikt waarop de erfgrens niet juist is aangegeven. Op deze tekening, en nu ook op de kadastrale kaart, is de erfgrens circa 40 cm naast de bouwmuur getekend. Bij de aanwijs waren alleen de kopende partijen aanwezig. Wij zijn als verkopende partij niet bij de aanwijs betrokken geweest en zijn niet in de gelegenheid geweest om deze fout te herstellen.

Wij gaan ervan uit dat deze kennelijke fout hersteld wordt door het aanpassen van de kadastrale kaart en zien uw bevestiging hiervan tegemoet.

2.19.

Bij email van 10 september 2012 heeft de bij het project [bouwgrond] betrokken notaris, mevrouw [naam 4] (hierna: de notaris) het Kadaster onder meer het volgende bericht:

Ofschoon het spijtig is dat niemand bezwaar heeft gemaakt tegen de uitmeting, was dit destijds ook minder noodzakelijk. Volgens verklaring aan ondergetekende heeft nl. de aanwijzing plaatsgevonden terwijl de erfafscheidingen er al stonden. Deze staan nog steeds zo. Het kadaster heeft vervolgens andere grenzen ingetekend op de kadastrale kaart, waardoor de desbetreffende eigenaren thans (op tekening) en qua oppervlakte meer grond hebben dan ze hebben gekocht en geleverd hebben gekregen in de veronderstelling verkeren dat zij hun buren thans kunnen sommeren de erfafscheiding te verplaatsen conform de kadastrale kaart. (…) Graag toch nogmaals contact hierover.

2.20.

Het Kadaster heeft door de door hem uitgemeten perceelgrenzen tot op heden gehandhaafd. De percelen van partijen zijn aldus omschreven:

Kadastraal object

Kadastrale aanduiding: [kadastraalnummer]

Grootte: 1 a 70 ca

Coördinaten: [coördinaten]

Omschrijving

kadastraal object: WONEN

Locatie: [adres]

Ontstaan op: 22-12-2009

Ontstaan uit: [kadastraalnummer]

Kadastraal object

Kadastrale aanduiding: [kadastraalnummer]

Grootte: 2 a 25 ca

Coördinaten: [coördinaten]

Omschrijving

kadastraal object: WONEN

Locatie: [adres]

Ontstaan op: 22-12-2009

Ontstaan uit: [kadastraalnummer]

Op het uitreksel kadastrale kaart is te zien dat zich tussen de woning van [eisers gezamelijk] en de op die kaart ingetekende erfgrens met het perceel van [gedaagden gezamenlijk] een strook grond bevindt.

2.21.

[eisers gezamelijk] heeft [gedaagden gezamenlijk] bij herhaling verzocht om de schutting circa 44 centimeter richting hun woning te verschuiven. [gedaagden gezamenlijk] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eisers gezamelijk] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de erfgrens tussen de percelen van partijen zich bevindt op circa 44 centimeter vanaf de zijgevel van de op het perceel van [eisers gezamelijk] gelegen woning. Tevens vordert hij [gedaagden gezamenlijk] de verplichting op te leggen de strook grond ter grootte van circa 44 centimeter breed, zoals deze zich in de lengte uitstrekt over het gehele lengte van het [kadastraalnummer], binnen een maand na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis, op eigen kosten te ontruimen, ontruimd te onthouden en ter vrije beschikking aan [eisers gezamelijk] te stellen, op straffe van een door de rechtbank aan [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk op te leggen dwangsom van € 500,- per dag. Tot slot vordert [eisers gezamelijk] hoofdelijke veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

[eisers gezamelijk] stelt daartoe dat hij het [kadastraalnummer] met een oppervlakte van 170 m2 heeft gekocht en geleverd heeft gekregen en aldus rechtmatig eigenaar van dat perceel is geworden. Het Kadaster heeft de oppervlakte van het perceel van [eisers gezamelijk] bepaald op 170 m2 (en de oppervlakte van het perceel van [gedaagden gezamenlijk] op 225 m2). Tegen deze vaststelling is geen bezwaar gemaakt, zodat van de juistheid van die meting moet worden uitgegaan. In de akte van levering van 4 maart 2008 wordt een perceel grond aan [eisers gezamelijk] geleverd ‘ter grootte van circa één are en tweeënzestig centiare (…) van het perceel, kadastraal bekend gemeente [kadastraalnummer], overeenkomstig de aan deze akte gehechte situatietekening aangeduid met [bouwnummer], (…), of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door [het Kadaster] zal worden bepaald’. Middels deze verwijzing hebben partijen beoogd goederenrechtelijke werking uit te laten gaan van de kadastrale meting.

[eisers gezamelijk] stelt dat hij thans slechts kan beschikken over 158 m2 van zijn perceel (en niet over 170 m2), omdat de schutting op een deel van zijn perceel staat. [gedaagden gezamenlijk] heeft aldus onrechtmatig bezit genomen van een strook grond van [eisers gezamelijk] en weigert die onrechtmatige toestand op te heffen, aldus nog steeds [eisers gezamelijk]

3.3.

[gedaagden gezamenlijk] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.5.

[gedaagden gezamenlijk] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de erfgrens tussen de [kadastraalnummer]zich bevindt dan wel zich hoort te bevinden daar waar de huidige schutting is geplaatst. Hij vordert ook [eisers gezamelijk] te veroordelen om medewerking te verlenen aan alle handelingen die nodig zijn om de kadastrale registraties in overeenstemming te brengen met de feitelijke erfafscheiding en de situatietekening die aan de akten van levering is gehecht en zonodig de daartoe gegeven instructies van het Kadaster en/of een notaris op te volgen en [eisers gezamelijk] bovendien te veroordelen de helft van de hiermee verband houdende kosten te betalen. [gedaagden gezamenlijk] vordert verder te bepalen dat indien [eisers gezamelijk] weigert om medewerking te verlenen binnen vijf dagen nadat [gedaagden gezamenlijk] daarom heeft verzocht, [gedaagden gezamenlijk] bevoegd is om om op kosten van [eisers gezamelijk] een notaris in te schakelen die op basis van het te wijzen vonnis gemachtigd zal zijn om de vereiste handelingen namens [eisers gezamelijk] te verrichten, dit alles met veroordeling van [eisers gezamelijk] in de proceskosten.

3.6.

[eisers gezamelijk] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in reconventie

4.1.

Ten aanzien van de reconventionele vordering heeft [gedaagden gezamenlijk] zich ter zitting op het standpunt gesteld dat [eisers gezamelijk] zich niet voorafgaand aan de zitting heeft verweerd. Het is dan niet meer toegestaan ter zitting verweer te voeren, zodat de reconventionele vordering voor toewijzing gereed ligt, aldus [gedaagden gezamenlijk]

4.2.

De rechtbank gaat hieraan voorbij. In het vonnis waarin de gerechtelijke plaatsopneming en comparitie zijn bepaald, staat dat [eisers gezamelijk] uiterlijk twee weken vóór de terechtzitting schriftelijk dient te reageren op de eis in reconventie. Dat [eisers gezamelijk] dit niet heeft gedaan, is, gelet op de inhoud van de dagvaarding en uit oogpunt van proceseconomie te billijken. Met deze dagvaarding is, zoals [eisers gezamelijk] terecht opmerkt, immers tevens het verweer in reconventie gegeven. [gedaagden gezamenlijk] is door deze gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.

in conventie en in reconventie

4.3.

De vorderingen zijn over en weer nauw met elkaar verweven zodat die hierna gezamenlijk zullen worden besproken.

4.4.

Voor beantwoording van de vraag waar de grens tussen de percelen van partijen loopt, dient bezien te worden wie eigenaar is van de strook grond. Daarbij is bepalend aan wie van partijen de strook grond is geleverd.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 22 oktober 2010, LJN: BM8933) komt het daarbij aan op de in de notariële leveringsakte (een authentieke akte), in dit geval akten, tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaken. De bedoeling van de betreffende partijen bij de uitleg van hetgeen met deze leveringsakten is geleverd, is dus slechts relevant voor zover deze bedoeling uit de notariële leveringsakten blijkt.

4.6.

De onder 2.6 en 2.7 genoemde leveringsakten bepalen dat is geleverd:“een perceel grond uitmakende een aaneengesloten gedeelte ter grootte van circa [oppervlakte, rechtbank] van het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer], overeenkomstig de aan deze akte gehechte situatietekening aangeduid met bouwnummer [nummer, rechtbank], plaatselijk nog onbekend te [gemeente], of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door [het Kadaster, rechtbank] zal worden bepaald”.

4.7.

Partijen menen ieder dat de inhoud van de leveringsaktes hun eigen standpunt ondersteunt.

4.8.

Volgens [eisers gezamelijk] hebben partijen (ieder voor zich) beoogd goederenrechtelijke werking uit te laten gaan van een (op dat moment nog te verrichten) uitmeting door het Kadaster. Die uitmeting, waartegen geen van partijen bezwaar heeft gemaakt, is beslissend voor de definitieve vaststelling van de erfgrens tussen de percelen en daarmee van de oppervlakte van die percelen. De situatietekening geeft slechts een indicatie van de locatie van de percelen.

4.9.

[gedaagden gezamenlijk] voeren aan dat de situatietekening met daarop de erfgrenzen leidend is om te bepalen wat partijen (ieder voor zich) hebben gekocht en geleverd hebben gekregen. Uit de situatietekening volgt dat [eisers gezamelijk] een perceel grond geleverd heeft gekregen waarvan de erfgrens in het verlengde van de zijgevel van de woning van [eisers gezamelijk] loopt. De zinsnede waar [eisers gezamelijk] zich op beroept (‘of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door [het Kadaster, rechtbank] zal worden bepaald’) is een algemene zinsnede die niet tot doel heeft om de geleverde onroerende zaak te omschrijven maar die slechts strekt ter voorkoming van geschillen in situaties dat er enig verschil zit tussen werkelijke grootte van het perceel en de in de akte van levering genoemde grootte (zoals het verschil tussen 158 m2 en 162 m2) in het geval van [eisers gezamelijk] De onderhavige situatie is van geheel andere aard, aldus [gedaagden gezamenlijk]

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De onderhavige zaak kenmerkt zich door het feit dat beide partijen ieder een (aan elkaar grenzend) perceel grond van dezelfde projectontwikkelaar geleverd hebben gekregen, waarvan de omvang en de precieze (grens)ligging in het veld niet aanwijsbaar waren op het moment van levering. Niet voor niets wordt het perceeloppervlakte vooraf gegaan door het woord ‘circa’ en staat in de akten dat het perceel ‘plaatselijk nog onbekend’ is. De percelen zijn in de leveringsakten (om die reden) slechts geïdentificeerd door een [bouwnummer], net als dat eerder in de koopovereenkomsten het geval was.

Dat in de omschrijving ook wordt verwezen naar de aangehechte situatietekening betekent, anders dan [gedaagden gezamenlijk] meent, niet dat de daarop ingetekende erfgrenzen al (definitief) vastlagen op het moment van levering. De nadere kadastrale uitmeting die blijkens de omschrijving van het geleverde nog zou volgen (‘of zoveel meer of minder als bij nadere kadastrale uitmeting door [het Kadaster, rechtbank] zal worden bepaald’) en waarbij de nieuw te vormen grenzen zouden worden gemeten, zou dan immers zinledig zijn. De in de akten tot uitdrukking gebrachte bedoeling van partijen ([eisers gezamelijk] en de projectontwikkelaar enerzijds en [gedaagden gezamenlijk] en de projectontwikkelaar anderzijds) is kortom geweest om na levering door middel van de uitmeting door het Kadaster te bepalen wat de (definitieve) grenzen van de percelen met [bouwnummer] zijn, en daarmee (ook) de (oppervlakte van de) percelen definitief vast te leggen.

4.11.

Dat uit het standpunt van [gedaagden gezamenlijk] moet worden afgeleid dat hij heeft bedoeld een andere onroerende zaak geleverd te krijgen, en de aan het Kadaster gerichte correspondentie van de verkoopmakelaar, de projectontwikkelaar en de notaris dit standpunt ondersteunen, maakt het voorgaande niet anders, aangezien die bedoeling niet uit de leveringsakte blijkt.

4.12.

[gedaagden gezamenlijk] heeft aangevoerd, dat nu de strook grond niet aan [eisers gezamelijk] is verkocht deze ook niet aan [eisers gezamelijk] kan zijn geleverd. De titel ontbreekt, zodat [eisers gezamelijk] nooit eigenaar van de strook grond kan zijn (geworden), aldus [gedaagden gezamenlijk] Dit verweer faalt al, omdat de omvang het perceel in de koopovereenkomst (net als in de leveringsakte, zie rechtsoverweging 4.10 hiervoor) bij benadering is gegeven, zodat van de door [gedaagden gezamenlijk] gestelde discrepantie tussen titel en levering geen sprake is.

4.13.

Dan is aan de orde of zoals [gedaagden gezamenlijk] heeft aangevoerd het Kadaster bij de uitmeting van de percelen op 12 juni 2009 een fout heeft gemaakt waardoor de kadastrale grens (volgens [gedaagden gezamenlijk] ten onrechte) niet op de plaats van de schutting is vastgesteld.

4.14.

[eisers gezamelijk] heeft in reactie hierop in de eerste plaats opgemerkt dat het resultaat van deze meting in rechte onaantastbaar is geworden, aangezien [gedaagden gezamenlijk] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

4.15.

De rechtbank volgt [eisers gezamelijk] niet in zijn betoog. De uitmeting zoals die op

12 juni 2009 heeft plaatsgevonden, is een meting op grond van artikel 57 Kadasterwet. Die meting dient te worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarvoor een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Indien deze rechtsgang niet is gebruikt, dient de burgerlijke rechter de betreffende beschikking (die overigens door geen van partijen in het geding is gebracht) zowel naar haar wijze van totstandkoming als naar haar inhoud voor juist aan te nemen, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard (Hoge Raad 16 mei 1986, NJ 1986, 723). Voor het aanvaarden van een dergelijke uitzondering is naar het oordeel van de rechtbank reden als komt vast te staan dat het Kadaster bij de uitmeting van de percelen de door [gedaagden gezamenlijk] gestelde fout heeft gemaakt. De rechtbank acht het namelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagden gezamenlijk] als gevolg van een meetfout het eigendom van de strook grond zou verliezen aan [eisers gezamelijk] die op zijn beurt als gevolg van dezelfde fout de strook grond in eigendom zou krijgen.

4.16.

[gedaagden gezamenlijk] stelt ter onderbouwing van de door hem gestelde fout van het Kadaster dat partijen op 12 juni 2009 de schutting als erfgrens hebben aangewezen. Volgens [gedaagden gezamenlijk] gaat het Kadaster (ook) uit van onjuiste informatie, aangezien de kadastrale registraties niet overeenkomen met de door de notaris opgestelde brondocumenten. [gedaagden gezamenlijk] heeft zijn standpunt onderbouwd met aan het Kadaster gerichte correspondentie van de verkoopmakelaar, de projectontwikkelaar en de notaris waarin deze personen het Kadaster verzoeken de door [gedaagden gezamenlijk] gestelde (en kennelijk ook in hun ogen gemaakte) fout te herstellen.

4.17.

[eisers gezamelijk] heeft gemotiveerd betwist dat het Kadaster een fout heeft gemaakt bij de uitmeting van de percelen.

4.18.

Bij deze stand van zaken zal [gedaagden gezamenlijk] overeenkomstig zijn bewijsaanbod in de gelegenheid worden gesteld om - zowel in conventie als in reconventie - te bewijzen dat het Kadaster bij de uitmeting van de percelen op 12 juni 2009 een fout heeft gemaakt waardoor de kadastrale grens niet op de plaats van de schutting is vastgesteld. Het is aan [gedaagden gezamenlijk] om te bepalen hoe hij dat bewijs te leveren.

4.19.

Als [gedaagden gezamenlijk] in zijn bewijslevering slaagt, zal de rechtbank de conventionele vordering afwijzen en de reconventionele vordering toewijzen. Als [gedaagden gezamenlijk] niet in zijn bewijslevering slaagt, zal de rechtbank de conventionele vordering toewijzen en de reconventionele vordering afwijzen.

4.20.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt [gedaagden gezamenlijk] in de gelegenheid te bewijzen dat het Kadaster bij de uitmeting van de percelen op 12 juni 2009 een fout heeft gemaakt waardoor de kadastrale grens niet op de plaats van de schutting is vastgesteld,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 september 2013 voor uitlating

door [gedaagden gezamenlijk] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het

horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [gedaagden gezamenlijk] indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel

bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagden gezamenlijk], indien hij getuigen wil laten horen, de namen en

woonplaatsen van de getuigen en de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten in

de maanden september tot en met december 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur

van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat [gedaagden gezamenlijk] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle

beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat en in het openbaar uitgesproken op

4 september 2013.