Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6150

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
AMS 13-471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire sanctie van een schriftelijke berisping. Eiser wordt verweten dat hij in het bijzijn van collega’s tegen zijn leidinggevende zijn stem heeft verheven. Eisers leidinggevende heeft meermalen aangegeven dat het niet de plek en niet het moment was om een gesprek te voeren. Desondanks bleef eiser zijn stem verheffen tegen zijn leidinggevende. De rechtbank is van oordeel dat voor zover al sprake is geweest van plichtsverzuim, verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen kiezen voor een disciplinaire reactie om eisers gedrag te corrigeren. Eiser valt niet in het geheel geen verwijt te maken van het door verweerder aan hem verweten voorval, maar in dit geval was het volgen van het disciplinaire traject niet aangewezen. Beroep gegrond. De rechtbank herroept de berisping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/471

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], wonende te[woonplaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.E. van Soest).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

Bij besluit van 18 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door mevrouw[belanghebbende]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [betrokkene], directeur Realisatie bij verweerder en eisers huidige leidinggevende.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is 26 jaar werkzaam als ambtenaar en sinds 1999 bij verweerder, laatstelijk in de functie van coördinator projectenbureau.

1.2.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft eiser een schriftelijke waarschuwing van zijn (toenmalige) leidinggevende [betrokkene 1] (hier: de leidinggevende) gekregen.

1.3.

Op 6 december 2011 heeft eiser een functioneringsgesprek gevoerd met de leidinggevende. In dat gesprek kwam een budgetverschuiving aan de orde. Eiser meende dat het alleen om een voorgestelde, en niet definitieve verschuiving ging, en wilde zijn leidinggevende in dat kader een email tonen. De leidinggevende heeft aangegeven dat daar geen tijd voor was, omdat zij naar een ander functioneringsgesprek moest en dat op een ander moment verder kon worden gesproken. Eiser wenste echter dat zijn leidinggevende direct kennis nam van de bewuste email, en is haar op de afdeling tot aan de lift achterna gegaan om haar die email te tonen.

De leidinggevende wees er meermaals op dat het niet de plek en het moment was om het gesprek verder te voeren. Eiser bleef echter aandringen.

1.4.

Bij brief van 26 april 2012 heeft verweerder jegens eiser zijn voornemen tot het opleggen van een disciplinaire sanctie in de vorm van een schriftelijke berisping kenbaar gemaakt. Voorts is eiser uitgenodigd zijn zienswijze te geven. Van die gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen en eiser op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) de disciplinaire straf van een schriftelijke berispring opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is eiser in beroep gekomen.

2.

Standpunten van partijen

2.1.

Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit – samengevat weergegeven – op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim dat een schriftelijke berisping als straf rechtvaardigt. Eiser wordt –na bezwaar- uiteindelijk verweten dat hij op 6 december 2011 in het bijzijn van collega’s tegen zijn leidinggevende zijn stem heeft verheven. Eisers leidinggevende heeft meermalen aangegeven dat het niet de plek en niet het moment was om een gesprek te voeren. Desondanks bleef eiser zijn stem verheffen tegen zijn leidinggevende.

De eerder aan eiser gemaakte verwijten van schreeuwen en het gebruiken van schofferende taal zijn komen te vervallen. Wel heeft verweerder in bezwaar nog aangetekend dat de leidinggevende de door eiser gebruikte taal als schofferend heeft ervaren.

2.2.

In beroep voert eiser – kort weergegeven – aan dat verweerder ten onrechte en zonder feitelijke grondslag heeft vastgesteld dat eiser met stemverheffing zou hebben gesproken tegen zijn leidinggevende. Er kan niet gesproken worden van deugdelijk vastgestelde gegevens. Juist de getuige die geen werknemer is – en dus onpartijdig –[betrokkene 2] (hierna:[betrokkene 2]), is niet gehoord.

Voorts heeft verweerder in de gegeven omstandigheden niet onpartijdig en onafhankelijk gehandeld bij het aanwenden van de disciplinaire sanctiebevoegdheid. De bevoegdheid is gebruikt als eenzijdig machtsmiddel om eiser onder druk te houden binnen een situatie waarin de werksfeer en de verhoudingen al langer verstoord zijn. Er is al een omstreden reorganisatie doorgevoerd, en een nieuwe reorganisatie is op handen (vanwege de opheffing van de stadsdelen).

Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij door de oplegging van de sanctie door collega’s voor ‘aangeschoten wild’ wordt aangezien. Op deze manier kan hij niet functioneren. Met de beroepsprocedure beoogt eiser dit beeld bij te stellen. Voorts betwist eiser dat in het verleden problemen zijn geweest omtrent zijn functioneren. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat hij altijd goed is beoordeeld.

3.

Wettelijk kader

3.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.2.

Op grond van artikel 11.1 van de NRGA volgt de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op en behoort hij in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.

3.3.

Op grond van artikel 13.4 van de NRGA kan de ambtenaar worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtverzuim.

3.4.

Op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA kan de ambtenaar de straf van een schriftelijke berisping worden opgelegd.

4.

Inhoudelijke beoordeling

4.1.

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Zie in dit licht bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2013 (te vinden op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7885). Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gedraging plichtsverzuim oplevert dat de ambtenaar toe te rekenen valt en, zo ja, of de in dit geval opgelegde straf van een schriftelijke berisping evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.2.

Anders dan eiser en met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de onderzoeks-resultaten een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eiser feitelijk met stemverheffing heeft gesproken tegen zijn leidinggevende in het bijzijn van collega’s.

Dat[betrokkene 2] in het onderzoek niet is gehoord, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat de verklaring van collega[betrokkene 3] van 24 januari 2012 een goede weergave is van het incident. In die verklaring val te lezen dat eiser heel boos was en heftig vroeg om opheldering of uitleg over de inhoud van de bewuste e-mail.

4.3.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het afkeurenswaardige in het gedrag van eiser er (ook) in is gelegen dat hij zijn stem verhief tegen zijn leidinggevende in aanwezigheid van collega’s. Voorts heeft verweerder nog gesteld dat de leidinggevende zich bedreigd heeft gevoeld door eiser, met name door het feit dat eiser haar heeft achtervolgd tot aan de lift terwijl hij zijn stem bleef verheffen. Dat is al zodanig ernstig, dat in het midden kan blijven of er ook daadwerkelijk sprake was van een bedreiging. Verder heeft verweerder benadrukt dat eiser – gezien de schriftelijke waarschuwing van 20 juli 2011 – reeds eerder op zijn gedrag is aangesproken, en dat er daarvoor eveneens problemen met eisers gedrag waren. Ook heeft verweerder aangevoerd dat na het onderhavige geval zich nogmaals een incident met een collega heeft voorgedaan.

4.4.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder aan eiser niet langer schreeuwen of het gebruik van schofferende taal verwijt.

4.5.

De enkele omstandigheid dat eiser zijn stem verhief tegen zijn leidinggevende in het bijzijn van collega’s, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat sprake is geweest van plichtsverzuim. Eiser sprak over een werkinhoudelijk onderwerp. Er zou dus sprake kunnen zijn van een opgelopen verschil van inzicht over een werkinhoudelijke kwestie.

Er zou ook (mede) sprake kunnen zijn van een arbeidsconflict. In dat verband wijst de rechtbank erop dat daarvan ook wordt gesproken in de eerder aan eiser gegeven waarschuwing. De door eiser in beroep aangevoerde gronden wijzen eveneens in die richting.

Deze punten nopen tot extra behoedzaamheid bij het gebruik van de kwalificatie plichtsverzuim.

4.6.

De omstandigheid dat eiser eerder is gewaarschuwd is onvoldoende om te concluderen dat thans ook sprake is van plichtsverzuim en dat dan een (hogere) sanctie aangewezen is te achten. Dat destijds een vergelijkbaar handelen van eiser is aangemerkt als plichtsverzuim, maakt niet dat daarvan thans ook sprake is. Elk voorval dient door verweerder op de eigen merites te worden beoordeeld. Dat betekent ook dat van een automatische verzwaring van sanctionering geen sprake mag zijn. Verweerder zal zich steeds ook dienen af te vragen of er geen andere, mogelijk meer effectieve manieren zijn om te komen tot correctie van ongewenst gedrag.

4.7.

Verweerder heeft benadrukt dat de leidinggevende zich bedreigd dan wel geïntimideerd heeft gevoeld door het optreden van eiser. Dat is echter niet of nauwelijks verder geconcretiseerd. Dit is met name van belang, waar de leidinggevende als meerdere de mogelijkheid had om de ervaren dreiging of intimidatie af te wenden door aan eiser een dienstopdracht te geven onmiddellijk terug te keren achter zijn bureau. Dat het op die niet-disciplinaire wijze corrigeren van eisers gedrag niet mogelijk was, blijkt nergens uit.

Voorzover verweerder meent dat eiser aan een dergelijke opdracht geen gevolg gegeven zou hebben, blijft in ieder geval staan dat dan helder was geweest dat sprake was van plichtsverzuim, bestaande uit het niet opvolgen van een dienstopdracht. Die helderheid ontbreekt nu.

4.8.

Waar het betreft de ernst van het aan eiser te maken verwijt, wijst de rechtbank er voorts nog op dat door het handelen van eiser de eer en goede naam van het stadsdeel niet in het geding zijn geweest, juist omdat het voorval zich heeft voorgedaan op de werkvloer. Die omstandigheid is zo bezien juist eerder strafverlichtend van aard. Voor zover verweerder meent dat het voorval ook doorwerkt in de verhoudingen op de werkvloer, wijst de rechtbank er nog op dat (anders dan wanneer het zou gaan om een openbaar voorval) verweerder daar de mogelijkheid heeft om eventuele nadelige gevolgen te redresseren.

4.9.

Voor zover desalniettemin zou moeten worden aangenomen dat sprake was van (aan eiser toerekenbaar) plichtsverzuim, overweegt de rechtbank allereerst dat de ernst daarvan, gelet op het vorenoverwogene, geringer is dan door verweerder is aangenomen. Het enkele feit dat is gekozen voor de lichtste straf, maakt nog niet dat die straf evenredig is te achten. Verweerder heeft immers ook de mogelijkheid om bij geconstateerd plichtsverzuim af te zien van sanctionering.

4.10.

Niet blijkt uit het dossier dat, en zo ja welke, problemen hebben gespeeld met eiser voorafgaande aan de schriftelijke waarschuwing van 20 juli 2011. Nergens blijkt dat het daarbij zou gaan om plichtsverzuim, laat staan dat blijkt dat daarop dan een disciplinaire reactie is gevolgd. Ook is niet duidelijk hoe dat zich dan verhoudt tot de aan eiser gegeven beoordelingen. De rechtbank kan en zal hiermee dan ook geen rekening houden. De stelling van verweerder dat na het onderhavige geval zich nogmaals een incident tussen eiser en een collega heeft voorgedaan, zal de rechtbank eveneens buiten beschouwing laten. Niet alleen is dat voorval niet ten grondslag gelegd aan verweerders besluitvorming; ook ontbreken stukken met betrekking tot dit voorval.

4.11.

De rechtbank wijst er aanvullend nog op, dat verweerder in het aan eiser verweten voorval geen aanleiding heeft gezien om te komen tot een gesprek met eiser om te achterhalen wat de kern van de problematiek is. Het gesprek van 10 januari 2012 is niet als zodanig aan te merken, omdat dit het karakter van een verantwoordingsgesprek droeg.

4.12.

Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard bereid te zijn om alsnog met verweerder in gesprek te gaan over de ontstane problemen.

Verweerder heeft zich daartoe echter niet bereid verklaard. Waar het verweerder betreft, is eiser een gewaarschuwd man, die op zijn tellen dient te passen. Een gesprek is dan niet zinvol, aldus verweerder.

Van een zorgvuldig handelend werkgever mag op dit punt echter extra inspanning worden gevergd.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voorzover al sprake is geweest van plichtsverzuim, verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen kiezen voor een disciplinaire reactie.

4.14.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.15.

De rechtbank zal tevens het primaire besluit te herroepen.

Daarmee wordt juridisch ook de ruimte gecreëerd voor een gesprek tussen eiser en verweerder over de ontstane problemen.

4.16.

Ter voorkoming van misverstanden bij eiser voegt de rechtbank aan het vorenstaande nog het volgende toe. In deze uitspraak heeft de rechtbank niet geoordeeld dat eiser in het geheel geen verwijt treft van het door verweerder aan hem verweten voorval. Het oordeel van de rechtbank houdt slechts in dat het daarvoor volgen van het disciplinaire traject niet aangewezen was.

4.17.

Nu het beroep gegrond verklaard zal worden, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 8 juni 2012 tot berisping van eiser;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre treedt in de plaats van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 156, - (zegge: honderd zesenvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

Coll: SSo

D: B