Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
DX EXPL 08-1185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaringsverweer Dexia tegen beroep op vernietiging lease-overeenkomsten van eises; kantonrechter oordeelt dat Dexia voorshands is geslaagd in bewijslevering dat vernietigingsrecht is verjaard; eisers krijgen gelegenheid tot leveren tegenbewijs; beroep van tussenkomende partijen - kinderen van eisers - op schending van zorgplicht door Dexia wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaak- en rolnummer: 931185 DX EXPL 08-1185

vonnis van: 30 januari 2013

f.no.: 793

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1 [eisers],

2. [eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: Stichting Zinloos Betalen,


e n



3. [eisers],

4. [eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [eisers],

gemachtigde: Beursklacht B.V.,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

[gemachtigde]

Het verdere verloop van de procedure

Op 21 maart 2012 is in deze zaak tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis).

Voor het verloop van het proces tot dan toe verwijst de kantonrechter naar hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis is overwogen.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de nadere akte van [eisers], met producties;

  • -

    de nadere akte van [eisers], met producties;

  • -

    de nadere akte van [eisers] en [eisers], met producties;

  • -

    de antwoordakte van Dexia, met producties.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing


1.De feiten

1.1.

Voor de vaststaande feiten in deze zaak wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis is opgenomen.

1. In aanvulling daarop staat als gesteld en onvoldoende weersproken vast dat:

1.4.

Lease-overeenkomsten 5 en 6 zijn voor eenzelfde termijn (36 mnd) verlengd.

1.5.

[eisers] en [eisers] hebben met betrekking tot lease-overeenkomsten 1 t/m 3 door Dexia opgestelde eindafrekeningen overgelegd waaraan de kantonrechter de volgende gegevens ontleent:

Nr.

Contractnr

Datum eindafrekening

Saldo eindafrekening

Waarvan achterstallige termijnen

Datum betaald

1

[nummer 1]

16-03-2005

- € 4.529,49

[saldo]

Nee

2

[nummer 2]

22-11-2004

- € 1.293,65

[saldo].

Nee

3

[nummer 3]

30-03-2005

- € 3.510,75

[saldo]

Nee

1.6.

In aanvulling op hetgeen in het tussenvonnis ten aanzien van lease-overeenkomst 4 is opgenomen merkt de kantonrechter op dat ten aanzien van deze overeenkomst geen achterstallige termijnen bestaan en een bedrag van € 1.507,94 aan restschuld is betaald.

1.7.

[eisers] heeft met betrekking tot lease-overeenkomst 5 een door Dexia opgestelde eindafrekening overgelegd waaraan de kantonrechter de volgende gegevens ontleent:

Nr.

Contractnr

Datum eindafrekening

Saldo eindafrekening

Waarvan achterstallige termijnen

Datum betaald

5

[nummer 4]

07-12-2004

- € 3.383,49

[saldo]

*



* Na verrekening van een bedrag van € 87,11 aan dividenden staat van deze eindafrekening thans nog een bedrag van € 3.296,38 open.

1.8.

[eisers] heeft met betrekking tot lease-overeenkomst 6 een door Dexia opgestelde eindafrekening overgelegd waaraan de kantonrechter de volgende gegevens ontleent:

Nr.

Contractnr

Datum eindafrekening

Saldo eindafrekening

Waarvan achterstallige termijnen

Datum betaald

6

[nummer 5]

15-06-2004

- € 3.779,66

[saldo]

*

* Na verrekening van een bedrag van € 128,65 aan dividenden staat van deze eindafrekening thans nog een bedrag van € 3.651,01 open.

1.9.

In totaal hebben [eisers] op grond van lease-overeenkomsten 1 t/m 4 € 18.088,87 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en € 2.804,17 aan dividenden ontvangen.

1.10.

In totaal heeft [eisers] op grond van lease-overeenkomst 5 € 2.448,33 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en € 275,81 aan dividenden ontvangen.

1.11.

In totaal heeft [eisers] op grond van lease-overeenkomst 6 € 2.227,57 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en € 176,36 aan dividenden ontvangen.

1.12.

Voordat H.J. [eisers] de lease-overeenkomsten aanging, had hij, voor zover van belang, met Dexia de volgende overeenkomst(en) tot effectenlease gesloten:

Nr.

Contractnr.

Naam overeenkomst

Datum beëindiging

Batig saldo

a

[nummer 6]

Cash Click Lease

18-03-2005

[saldo]

b

[nummer 7]

Spaarleasen

25-08-2000

[saldo]

c

[nummer 8]

Winstverdubbelaar

14-11-2001

[saldo]

d

[nummer 9]

Winstverdubbelaar

09-05-2002

[saldo].

e

[nummer 10]

Winstverdriedubbelaar

19-02-2001

[saldo]

f

[nummer 11]

Winstverdriedubbelaar

22-11-2001

[saldo]

g

[nummer 12]

Beleggen met Korting

27-12-2000

[saldo]

Deze eerdere effectenlease-overeenkomsten zijn geëindigd en de geleasete effecten zijn verkocht. Na verkoop van de effecten en nadat aan alle verplichtingen uit de lease-overeenkomsten was voldaan resteerde voor [eisers] een batig saldo per overeenkomst zoals in bovenstaande tabel weergegeven en derhalve van in totaal € 37.801,05 (hierna: het batig saldo).

2 Het geschil

2.1.

Ten aanzien van de door [eisers] en [eisers] ingestelde vorderingen, de grondslagen daarvan en het daartegen gevoerde verweer wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in het tussenvonnis is vermeld.

2.2.

Nadien hebben ook [eisers] en [eisers] individueel vorderingen tegen Dexia ingesteld.

2.3.

[eisers] vordert een bedrag € 4.050,- wegens voldoening van de rentetermijnen van de geldlening.

2.4.

[eisers] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Dexia de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar.

2.5.

[eisers] vordert een bedrag € 4.410,37 wegens voldoening van de rentetermijnen van de geldlening.

2.6.

[eisers] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Dexia de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

1:88/1:89 BW lease-overeenkomsten 5 en 6

3.2.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat [eisers] lease-overeenkomsten 5 en 6 niet kan vernietigen op grond van artikel 1:88/89 BW, nu deze zijn aangegaan door [eisers] en [eisers], de dochters van [eisers] en [eisers]. Alleen de echtgenoot kan deze lease-overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigen. De vorderingen van [eisers] en [eisers] op grond van artikel 1:88/89 BW ten aanzien van lease-overeenkomsten 5 en 6 worden derhalve afgewezen.

1:88/1:89 BW lease-overeenkomsten 1 t/m 4

3.3.

Voorts is in het tussenvonnis geoordeeld dat aan de vernietigingsbrieven voorbij wordt gegaan en ervan wordt uitgegaan dat [eisers] voor het eerst bij dagvaarding van 3 augustus 2007 een rechtsgeldig beroep op vernietiging van de lease-overeenkomsten heeft gedaan.

3.4.

Het nadien door [eisers] overgelegde verzendbewijs is geen reden om terug te komen op het hetgeen in het tussenvonnis ten aanzien van de vernietigingsbrieven is overwogen. Uit het door [eisers] en [eisers] overgelegde verzendbewijs is niet gebleken dat de vernietigingsbrief op 16 april 2006 is verstuurd dan wel door Dexia is ontvangen en, gelet op de betwisting van de ontvangst door Dexia, door hen geen ander bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de vernietigingsbrief op 16 april 2006 door Dexia is ontvangen.

3.5.

Voorts heeft Dexia zich erop beroepen dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [eisers] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten.

3.6.

Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

3.7.

Dexia heeft hiertoe aangevoerd dat betalingen van de op grond van lease-overeenkomsten 1 t/m 4 verschuldigde bedragen hebben plaatsgevonden van een en/of-rekening die op naam van [eisers] en [eisers] stond. Daaruit volgt volgens Dexia dat [eisers] op de hoogte was van deze lease-overeenkomsten, met ingang van de (oudste) ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld.

3.8.

[eisers] en [eisers] zijn bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of er sprake was van een en/of-rekening en het moment van wetenschap van [eisers] ten aanzien van lease-overeenkomsten 1 t/m 4.

3.9.

Ter uitvoering hiervan hebben [eisers] en [eisers] in hun nadere akte gesteld dat [eisers], na zijn aanmelding bij Beursklacht op 9 oktober 2005, [eisers] in november 2005 op de hoogte heeft gebracht van het bestaan van de lease-overeenkomsten 1 t/m 4. Daarnaast zijn de betalingen volgens [eisers] en [eisers] ten aanzien van lease-overeenkomst 4 gedaan van een rekening die alleen op naam [eisers] stond. De betalingen ten aanzien van lease-overeenkomsten 1 t/m 3 zijn gedaan van en/of-rekeningen. Hoewel de betalingen aan Dexia ten aanzien van lease-overeenkomsten 1 t/m 3 werden gedaan vanaf en/of-rekeningen wist de echtgenote van [eisers] niet dat er overeenkomsten waren gesloten met Dexia. [eisers] verzorgde de financiën van het huishouden en opende [eisers] geen aan [eisers] geadresseerde of van de bank afkomstige post..

3.10.

Het voorgaande wettigt het (bewijs)vermoeden dat [eisers] door kennisname van één of meer bankafschriften ten aanzien van lease-overeenkomsten 1 t/m 3 vóór 3 augustus 2004 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze lease-overeenkomsten, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd.

3.11.

Aan de stelling van Dexia dat de betalingen ten behoeve van lease-overeenkomst 4 ook zijn gedaan van (een) en/of-rekening(en) wordt voorbijgegaan, nu Dexia dit niet nader heeft onderbouwd, terwijl [eisers] en [eisers] gemotiveerd hebben weersproken en hebben aangegeven dat de betalingen op grond van deze lease-overeenkomst hebben plaatsvonden van (en naar) een privé-rekening die alleen op zijn naam stond.

3.12.

Voorts heeft Dexia onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar blijkt dat [eisers] eerder dan drie jaar voor datum van dagvaarding op de hoogte was van lease-overeenkomst 4:

– de belastingaangifte wordt over het algemeen gezamenlijk ingevuld en [eisers] wordt geacht de belastingaangifte te hebben gelezen voordat zij deze ondertekent. [eisers] heeft derhalve kunnen zien dat [eisers] de rente van lease-overeenkomsten 1 t/m 4 heeft afgetrokken. Om die reden dient ervan te worden uitgegaan dat [eisers] eerder dan drie jaar voor de datum van dagvaarding op de hoogte was van lease-overeenkomst 4;

– De dochters van [eisers], [eisers] en [eisers], hebben vrijwel gelijktijdig met [eisers] lease-overeenkomst 5 ([datum]) respectievelijk lease-overeenkomst 6 ([datum]) afgesloten;

– [eisers] heeft alvorens deze overeenkomst te sluiten, nog meerdere effectenlease-overeenkomsten afgesloten, waarop een positief resultaat is behaald;.

– Uit de administratie van Dexia blijkt dat [eisers] en [eisers] in 2001 zijn verhuisd. Bij een verhuizing worden doorgaans de financiën van het gezin doorgenomen en Dexia gaat ervan uit dat dat bij de echtelieden ook het geval is geweest. Daarnaast wordt bij het afsluiten van een hypotheek een BKR-toets uitgevoerd. Nu de deze lease-overeenkomst geregistreerd staat bij BKR, kwam deze bij het afsluiten van de hypotheek ter tafel.

3.13.

[eisers] en [eisers] hebben deze stellingen van Dexia, hoewel zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, niet (gemotiveerd) weersproken, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

3.14.

Het voorgaande wettigt het (bewijs)vermoeden dat [eisers] vóór 3 augustus 2004 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze lease-overeenkomst, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd.

3.15.

[eisers] en [eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld aan te geven óf en zo ja hoe zij tegen de aangenomen vermoedens tegenbewijs willen leveren. Voor zover zij daarbij getuigen wensen te horen, zal dat op een nog te plannen getuigenverhoor plaatsvinden. Indien [eisers] en [eisers] het gevraagde tegenbewijs op andere wijze willen leveren, zullen zij hiertoe zoals hieronder beschreven in de gelegenheid worden gesteld. Indien [eisers] en [eisers] afzien van bewijslevering, zal de zaak voor vonnis op de rol worden geplaatst.

3.16.

Indien [eisers] en [eisers] erin slagen de bewijsvermoedens te ontzenuwen, wordt ervan uitgegaan dat [eisers] lease-overeenkomsten 1 t/m 4 tijdig heeft vernietigd en geldt het volgende.

3.17.

Er is dan sprake van een rechtsgeldige vernietiging en alle betalingen van [eisers] aan Dexia ter zake van deze lease-overeenkomsten dienen te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [eisers] uit hoofde van deze lease-overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden en overige uitkeringen.

3.18.

Indien [eisers] en [eisers] er niet in slagen het bewijsvermoeden te ontzenuwen, zal het beroep van Dexia op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van [eisers] slagen en zal het beroep van [eisers] en [eisers] op 1:88 BW worden afgewezen. In dat geval dient hetgeen partijen met betrekking tot de zorgplicht naar voren hebben gebracht ten aanzien van deze overeenkomsten bespreking.

Zorgplicht lease-overeenkomsten 5 en 6

3.19.

Voor de maatstaven en beoordelingskaders met betrekking tot het beroep op zorgplicht verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden;

  2. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  3. [eisers] en [eisers] hebben schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  4. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.

3.20.

In het onderhavige geval dient op de schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade die [eisers] en [eisers] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dienen te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet. Voor de concrete berekening in het onderhavige geval wordt verwezen naar bijlagen I en II bij dit vonnis.

3.21.

Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [eisers] en [eisers] ingevolge de lease-overeenkomsten hebben genoten, zoals aan hen betaalde of toekomende dividenden. Voor zover [eisers] en [eisers] een batig saldo hebben behaald uit eerdere effectenlease-overeenkomsten die zijn geëindigd vanaf een tijdstip gelegen één jaar vóór het aangaan van lease-overeenkomst 5 respectievelijk lease-overeenkomst 6, dient ook dit saldo in mindering te worden gebracht. Het in mindering te brengen voordeel ten aanzien van lease-overeenkomst 5 bedraagt in totaal € 362,92 (€ 275,81 aan dividenden plus € 87,11 aan verrekende dividenden) en het in mindering te brengen voordeel ten aanzien van lease-overeenkomst 6 bedraagt in totaal € 305,01 (€ 176,36 aan dividenden plus € 128,65 aan verrekende dividenden). De kantonrechter zal dit voordeel in eerste instantie in mindering brengen op de schade bestaande uit de verschuldigde rente en eventuele periodieke aflossingen en vervolgens, voor zover dan nog een deel van het voordeel resteert, op de restschuld. Dit ligt het meest voor de hand, omdat deze betalingsverplichtingen zich eerder hebben voorgedaan dan dat de restschuld zich openbaarde.

3.22.

Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [eisers] en [eisers] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door henzelf veroorzaakt voor hun rekening moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

Termijnen

3.23.

Aan de stellingen [eisers] en [eisers] wordt, gelet op de betwisting daarvan door Dexia, voorbij gegaan, nu [eisers] en [eisers] – hoewel zij daartoe in de gelegenheid zijn geweest – hebben nagelaten hun stellingen nader te onderbouwen. Derhalve wordt er van uitgegaan dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [eisers] respectievelijk [eisers] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat deze (na verrekening van voordeel resterende) schade aan termijnen geheel voor rekening van [eisers] respectievelijk [eisers] behoort te blijven.

Restschuld

3.26.

Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eisers] en [eisers] over het geleende bedrag rente waren verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschulden in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eisers] (1/3 deel van de restschuld van lease-overeenkomst 5) en [eisers] (1/3 deel van de restschuld van lease-overeenkomst 6) behoort te blijven.

Algemeen

3.27.

Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken. De door [eisers] en [eisers] aangevoerde omstandigheden zijn in de verdeling van de schade, waarbij het tekortschieten van Dexia zwaarder is gewogen dan de eigen schuld van [eisers] en [eisers], reeds verdisconteerd.

3.28.

Onder verwijzing naar de in bijlage I weergegeven berekening, brengt het voorgaande mee dat Dexia ten aanzien van lease-overeenkomst 5 aan schade dient te dragen € 1.862,54 wegens restschuld.

3.29.

Onder verwijzing naar de in bijlage II weergegeven berekening, brengt het voorgaande mee dat Dexia ten aanzien van lease-overeenkomst 6 aan schade dient te dragen € 2.277,16 wegens restschuld.

3.30.

In rechtsoverweging 3.23 is overwogen dat [eisers] geen aanspraak kan maken op een vergoeding wat betreft de betaalde termijnen. Nu [eisers] de restschuld van lease-overeenkomst 5 niet heeft voldaan kan zij evenmin aanspraak maken op een vergoeding wat betreft de restschuld. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eisers] afgewezen.

3.31.

In rechtsoverweging 3.23 is overwogen dat [eisers] geen aanspraak kan maken op een vergoeding wat betreft de betaalde termijnen. Nu [eisers] de restschuld van lease-overeenkomst 6 niet heeft voldaan kan zij evenmin aanspraak maken op een vergoeding wat betreft de restschuld. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eisers] afgewezen.

3.32.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen van [eisers] en [eisers] af;

II. stelt [eisers] en [eisers] in de gelegenheid om bewijs te leveren zoals geformuleerd in r.o. 3.10. en 3.14.;

III. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 februari 2013 voor uitlating door [eisers] en [eisers] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

IV. bepaalt dat [eisers] en [eisers], indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel nadere bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen, onder gelijktijdige toezending daarvan aan Dexia;

V. bepaalt dat indien [eisers] en [eisers] getuigen willen laten horen, dit in beginsel zal gebeuren op een nader te bepalen enquête;

VI. houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter