Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6065

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
CV 12-36141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van een bepaling uit een sociaal plan, rol van een uitleg, geaccordeerd door de vakverenigingen en neergelegd in bij het sociaal plan behorende Q&A. Vaststellingsovereenkomst. Onlogische en onaannemelijke uitkomst van de door de werknemer voorgestane uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

AFDELING PRIVAATRECHT TEAM KANTON

Kenmerk : CV 12-36141

Datum : 2 september 2013

245

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser, nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. M. Gerritsen

t e g e n:

1 de vennootschap onder firma ING PERSONEEL V.O.F.

gevestigd te Amsterdam

2. de naamloze vennootschap ING BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam

en

3 de naamloze vennootschap ING VERZEKERINGEN N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagden, nader te noemen ING
gemachtigde: mr. M. Heima (bedrijfsjurist)

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 19 november 2012 inhoudende de vordering van [eiser] met bewijsstukken

  • -

    de conclusie van antwoord van ING met bewijsstukken

Vervolgens is bij tussenvonnis van 11 februari 2013 een comparitie van partijen bepaald. Deze is op 9 april 2013 gehouden. Aanwezig waren [eiser] met zijn gemachtigde en namens ING de heer [naam 1] met de gemachtigde en twee belangstellenden. De kantonrechter heeft de zaak uitgebreid met partijen besproken, waarvan aantekeningen zijn gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen. Daarna is de zaak aangehouden voor (beraad) akte na comparitie aan de zijde van ING en antwoord-akte van [eiser].

Vervolgens zijn nog ingediend:

  • -

    de akte na comparitie van ING met bewijsstukken

  • -

    de akte waarin [eiser] reageert op de akte en de laatste bewijsstukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

[eiser] is per 1 juni 1998 bij ING in dienst getreden. [eiser] was laatstelijk werkzaam als [functie]. [eiser] is geboren op [geboortedatum] en is thans [leeftijd]. Het laatstverdiende salaris van [eiser] bedroeg
€ 8.544,09 bruto, inclusief emolumenten.

1.2.

Op de arbeidsovereenkomst van [eiser] is de collectieve arbeidsovereenkomst ING 2008-2011 van toepassing geweest, verder de ING CAO. Daarnaast is het ING Regle-ment Basisregeling Pensioen 62 van 1 januari 2008 (verder het Pensioenreglement ING) van toepassing. Volgens artikel 14.5 ING CAO geldt voor [eiser] een pensioen-richtleeftijd van 62 jaar, waarbij artikel 20 lid 1 sub b van het Pensioenreglement ING bepaalt:

Op verzoek van de deelnemer kan deze eerder dan wel later dan de pensioenrichtleeftijd met pensioen gaan. De deelnemer heeft hierbij de volgende keuzemogelijkheden:
a. eerder met pensioen gaan, echter niet eerder dan op de eerste dag van de maand, waarin de deelnemer 60 jaar wordt;
b. later met pensioen gaan, echter niet later van de eerste dag van de maand, waarin de deelnemer 65 jaar wordt.
De onder b aangegeven keuzemogelijkheid is slechts toegestaan, indien en voor zover het dan geldende dienstverband van de deelnemer gedurende de uitstelperiode wordt gecontinueerd.

1.3.

[eiser] heeft in 2008 kenbaar gemaakt de keuze te maken zijn dienstverband met ING na zijn pensioenrichtleeftijd voort te zetten en dus geen gebruik te maken van zijn mogelijkheid tot pensionering op het moment dat hij 62 jaar zou worden.

1.4.

Bij ING gold destijds het Sociaal Plan en Sociaal Kader Sourcing, ING (ook wel geheten Sociaal Plan 1-1-2007/1-1-2010 “Blijvend inzetbaar’), verder het Sociaal Plan. Het Sociaal Plan is ondertekend door de Unie BLHP, van welke vakbond [eiser] lid is. Het Sociaal Plan bevat een interne procedure bij de zogeheten Werkzekerheidscommissie. Deze commissie toetst de correcte uitvoering van het Sociaal Plan, wanneer daar om de medewerker en/of management wordt verzocht.

1.5.

Het Sociaal Plan ING bepaalt in artikel 6.3.1 - voor zover relevant - het volgende:

Iedere medewerker die boventallig is verklaard kan, nadat …. kiezen voor vertrek met gebruikmaking van een beëindigingsvergoeding. De beëindigingsvergoeding wordt berekend conform de kantonrechtersformule waarbij de factor C=1.

en

De beëindigingsvergoeding zal nooit meer bedragen dan het inkomensverlies vanaf het moment van uitdienstteding tot aan de pensioenrichtleeftijd dan wel tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst met ING van rechtswege zou eindigen.

Tussen partijen is dit mechanisme bekend als ‘aftopping’.

1.6.

Bij het Sociaal Plan ING behoort een toelichting weergegeven in zogenoemde Q&A Sociaal Plan 2007-2009. In mei 2009 circuleerde Q&A versie 4 bij ING. Vraag 2-44 van Q&A versie 4 luidt:

Een medewerker is 63 jaar en wordt boventallig verklaard. Deze medewerker had een pensioenrichtleeftijd van 62, maar is in overleg met het management door blijven werken. Hoe wordt in deze situatie de beëindigingsvergoeding ‘afgetopt’?

Wanneer een medewerker met een pensioenrichtleeftijd van 62 jaar door is blijven werken en na boven-talligheid op 63 jarige leeftijd vertrekt, dan wordt ‘afgetopt’ op het inkomensverlies tot 65 jaar zonder rekening te houden met pre-pensioen.
Stel dat betreffende medewerker over 24 maanden met pensioen zou gaan (op 65 jarige leeftijd) dat wordt de beëindigingsvergoeding ‘afgetopt’ op 24 maanden.
Op enig moment kort nadien is Q&A versie 5 van kracht geworden, welke op dezelfde vraag hetzelfde antwoord gaf.

1.7.

Omstreeks 29 juni 2009 heeft ING een memo met betrekking tot de uitleg van het Sociaal Plan met betrekking tot de aftopping opgesteld. Het memo vermeldt:

In de geest van het Sociaal Plan en uitgaande van de vooronderstelling dat de betreffende medewerkers een pensioeninkomen hebben van 80% van hun laatstverdiende salaris, vanwege de CAO aanvulling, wil ING het inkomensverlies van 25% vergoeden gedurende de maanden tot aan 65 jaar. Deze compensatie komt aldus in de plaats van de “afgetopte” beëindigingsvergoeding.
Het memo bevat een aantal voorbeelden en besluit met de vraag het standpunt van de vakorganisaties te mogen vernemen.

1.8.

Op 29 juni 2009 heeft ING de vakorganisaties verzocht zich uit te laten over de bijgevoegde brief (het memo met betrekking tot de uitleg van de aftopping). Bij mail van 6 juli 2009 heeft FNV Bondgenoten, mede namens de andere vakorganisaties, waaronder de Unie, ING bericht dat zij instemmen met de handelswijze zoals beschreven in de brief.

1.9.

In Q&A versie 6, daterend van 7 juli 2009, is het antwoord op de (bijna) gelijkluidende vraag als weergegeven onder rov 1.6 aangepast en luidt het antwoord op Vraag 2-54:

Wanneer een medewerker met een pensioenrichtleeftijd van 62 jaar door is blijven werken en na boventalligheid op 63 jarige leeftijd vertrekt, dan geeft artikel 20 lid 1 sub B uit het Pensioenreglement aan, dat de medewerker die geboren is voor 1950 het pensioen niet meer verder kan uitstellen tot 65 jaar. Pensioen start dus direct na het uit dienst tredenbij ING. Op basis van CAO ontvangen medewerkers geboren voor 1950 in de periode tussen 62 jaar en 65 jaar een aanvulling op pensioen tot 80% (artikel 14.5.2 CAO). Aanvullend wordt op basis van Sociaal Plan het inkomensverschil van 20% vergoed gedurende de periode tot 65 jaar. Dit wordt bij vertrek uitgekeerd als eenmalig bedrag dat gezien moet worden als de beëindigingsvergoeding. De medewerker heeft daarmee een vergoeding die het inkomensverlies compenseert vanaf het moment van uit dienst treding tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst met ING van rechtswege zou eindigen. Reden uitdiensttreding is pensioen.

De Q&A versie 6 is die dag gecommuniceerd binnen ING en was digitaal beschikbaar via het intranet.

1.10.

[eiser] is per 1 mei 2009 boventallig verklaard. Op 7 mei 2009 heeft hij daartegen bezwaar aangetekend bij de Werkzekerheidscommissie ING. Op 7 juli 2009 heeft [eiser] dit bezwaar ingetrokken.

1.11.

Op 23 september 2009 is een berekening van zijn afvloeiingsregeling aan [eiser] ter hand gesteld. De berekening is gebaseerd op aftopping van de vergoeding tot de pensioengerechtigde leeftijd op 20% (conform Q&A versie 6) en komt uit op een (afgerond) bedrag van € 56.391,- bruto.

1.12.

In oktober 2009 hebben partijen over de aftopping van de beëindigingsvergoeding gecorrespondeerd, waarbij [eiser] vertegenwoordigd werd door de Unie. Er is geen over de aftopping overeenstemming bereikt. In de daarna op 28 oktober 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst is omtrent de uitleg van het Sociaal Plan op dit punt een voorbehoud gemaakt, teneinde een nieuwe baan van [eiser] niet in gevaar te brengen. [eiser] zou het geschil mogen voorleggen aan, in eerste instantie, de Werkzekerheidscommissie, waarbij [eiser] zich het recht heeft voorbehouden het geschil voor te leggen aan de kantonrechter te Amsterdam.

1.13.

Het dienstverband is vervolgens geëindigd per 1 november 2009. Direct aansluitend is [eiser] bij De Nederlandse Bank (verder DNB) in dienst getreden. [eiser] leed in zijn nieuwe baan geen inkomensverlies.

1.14.

[eiser] is bij het einde van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 56.391,- toegekend, waarvan op zijn verzoek € 55.000,- bruto is aangewend voor een pensioen-voorziening. [eiser] was toen 62 jaar oud.

1.15.

In augustus 2010 heeft [eiser] een procedure voor de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 16 juni 2011 is [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat hij het geschil eerst aan de Werkzekerheidscommissie diende voor te leggen. Op 2 december 2011 heeft [eiser] zijn bezwaren aan de Werkzekerheidscommissie voorgelegd. Ook daar is [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.

1.16.

Sinds 1 augustus 2012 ontvangt [eiser] pensioen, ondermeer van ING.

Vordering

2. [eiser] vordert ING te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 141.514,07 bruto wegens hoofdsom en € 1.500,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de dag der dagvaarding, 19 november 2012.

3. [eiser] meent dat hij in zijn vordering kan worden ontvangen, nu hij - na bij de kantonrechter niet-ontvankelijk te zijn verklaard - conform de vaststellingsovereenkomst een verzoek heeft ingediend bij de Werkzekerheidscommissie, waar hij ook niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij geen werknemer van ING meer was en - volgens een mail van de commissie - de Werkzekerheidscommissie zich bovendien niet uitlaat over de hoogte van een beëindigingsvergoeding. Het was echter praktisch onmogelijk om na 28 oktober 2009 (de datum van de vaststellingsovereenkomst) en voor 1 november 2009 (de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst) een verzoek aan de Werkzekerheidscommissie voor te leggen. [eiser] zou ten alle tijden niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het is steeds de bedoeling geweest dat [eiser] de beëindigingsvergoeding zou laten toetsen.

4. [eiser] stelt voorts inhoudelijk volgens een grammaticale uitleg van het Sociaal Plan recht te hebben op een beëindigingsvergoeding op basis van de (oude) kantonrechters-formule. Deze geeft als uitkomst 22 bruto maandsalarissen en één extra maand in verband met de ontslagname binnen een bepaalde termijn, derhalve 23 bruto maandsalarissen ad € 8.544,09 bruto (inclusief vakantiegeld en overige emolumenten). [eiser] berekent dit op
€ 196.514,07 bruto, waarvan ING reeds € 55.000,00 bruto heeft uitgekeerd zodat hij nog recht heeft op betaling van het bedrag van € 141.514,07 bruto.

5. [eiser] meent - samengevat - dat ING ten onrechte de beëindigingsvergoeding heeft afgetopt op 20% van zijn inkomen vanaf het einde van het dienstverband bij ING tot aan zijn pensionering bij DNB, waarbij rekening is gehouden met de pré-pensioenuitkering uit het Pensioenreglement ING (en de aanvulling uit de ING CAO).

Verweer

6. Bij antwoord betoogt ING dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vaststellingsovereenkomst mee brengt dat [eiser] zich tot de Werkzekerheidscommissie diende te wenden.

7. ING verweert zich voorts inhoudelijk zich tegen de vordering en voert - kort gezegd - aan dat voor zover [eiser] een extra maandsalaris vordert, bovenop de uitkering uit het Sociaal Plan, deze om twee redenen moet worden afgewezen: ING en [eiser] hebben elkaar finaal gekweten en het voorbehoud zag alleen op de aftopping, en gelet op het moment van vertrek zou [eiser] recht hebben op één maandsalaris.

8. Voor wat betreft de aftopping stelt ING - verkort weergegeven - dat de CAO-norm, die dient te worden gehanteerd bij de uitleg van een Sociaal Plan in casu leidt tot afwijzing van de vordering, waarbij geldt dat de aanbevelingen van de kring van kantonrechters bij de uitleg moeten worden betrokken, dat het inkomensverlies van [eiser] mede bepaald dient te worden aan de hand van de ING CAO en het Pensioenreglement ING, dat het anti-cumulatiebeding uit de Q&A versie 6 voor [eiser] kenbaar was op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en dat de uitleg van [eiser] leidt tot onaannemelijke rechtsgevolgen.

9. ING wijst er daarbij op dat collega’s van [eiser], die niet aansluitend elders een baan vonden, conform artikel 14.5.2 ING CAO en artikel 20 lid 1 sub b Pensioenreglement ING, wel hun pré-pensioen hebben ontvangen en uit hoofde van het Sociaal Plan het inkomensverlies van 20% kregen bijgepast. Coulancehalve heeft ING dit ook voor [eiser] gehan-teerd, ondanks het feit dat er in zijn situatie geen sprake was van enig inkomensverlies. Zou de lezing van [eiser] ten aanzien van de aftopping worden gevolgd, dan zou hij aanzienlijk meer ontvangen dan zijn eerdere inkomen bij ING.

10. ING wijst nog op de redelijkheid en billijkheid en betwist (de hoogte van) de buitengerechtelijke kosten.

Beoordeling

11. [eiser] merkt in zijn laatste akte terecht op dat de akte van ING en de antwoord-akte van [eiser] alleen voor wat betreft de niet-ontvankelijk bij de beoordeling mogen worden betrokken, hetgeen mee brengt dat beide aktes feitelijk buiten beschouwing worden gelaten.

Ontvankelijkheid

12. Allereerst dient te worden beoordeeld of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering. ING heeft bij antwoord bepleit dat zulks niet het geval is. Bij de comparitie van partijen is besproken dat ING zich bij akte na comparitie zou uitlaten over de vraag of zij dit verweer wilde handhaven cq nader wilde toelichten. ING heeft zich bij akte na comparitie niet nader op dit punt uitgelaten.

12. Geoordeeld wordt dat [eiser] in zijn vordering kan worden ontvangen. Indien [eiser] zich tijdig tot de Werkzekerheidscommissie had gewend, hetgeen overigens feitelijk nauwelijks mogelijk was, had deze [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee heeft tot heden geen inhoudelijke beoordeling van het standpunt van [eiser] plaatsgevonden, hetgeen gelet op de vaststellingsovereenkomst duidelijk wel de bedoeling van partijen is geweest.

Art 6.3.1 van het Sociaal Plan

14. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop artikel 6.3.1 van het Sociaal Plan in de situatie van [eiser] moet worden toegepast en daarmee over de hoogte van de aan [eiser] toekomende vergoeding op basis van het Sociaal Plan. Het komt daarbij - volgens [eiser] - neer op een uitleg van het bepaalde in artikel 6.3.1 van het Sociaal Plan. Beide partijen zijn daarbij de mening toegedaan dat het Sociaal Plan gelijkgesteld moet worden aan een tussen partijen geldende CAO.

14. Overwogen wordt dat bij de uitleg van een bepaling in een (cao of ) sociaal plan de bewoor-dingen waarin deze bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de gehele tekst van het sociaal plan en een eventuele, voor derden kenbare, toelichting daarop in beginsel van doorslag-gevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op een louter grammaticale uitleg van de tekst, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen, waarbij, naast de taalkundige betekenis, ook acht dient te worden geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. (vgl Hoge Raad 11 november 2005, JAR 2005,286).

14. Het bepaalde in artikel 6.3.1 van het Sociaal Plan staat duidelijk de gedachte voor dat de beëindigingsvergoeding nooit meer zal bedragen dan het inkomensverlies vanaf het moment van uitdiensttreding tot aan het moment dat de betrokken werknemer pensioen gaat genieten. Dat volgt uit de tekst van de bepaling, gelezen in samenhang de ING CAO en het Pensioenregelement ING, uit de tekst van de kantonrechtersformule, waar de bepaling naar verwijst en uit het doel van de regeling.

14. Voorts bevat Q&A versie 6 een voor [eiser] kenbare toelichting op artikel 6.3.1, die overduidelijk en voor maar één uitleg vatbaar is. Ten tijde van het sluiten van de vaststellings-overeenkomst door [eiser] was Q&A versie 6 al meer dan 3 maanden bekend. De vakorganisaties, waaronder de Unie waarvan [eiser] lid is, hadden zich al expliciet met de uitleg van ING verenigd. Of deze uitleg middels zijn lidmaatschap van de Unie [eiser] bindt, kan in zoverre buiten beschouwing blijven dat ook zonder zijn lidmaat-schap van de Unie [eiser] geen recht heeft op meer dan het reeds door hem ontvangen bedrag.

14. Een redelijke, objectieve en systematische uitleg van artikel 6.3.1 van het Sociaal Plan en het onlogische en onaannemelijke gevolg waartoe de zijdens [eiser] voorgestane interpretatie zou leiden - hij zou tot zijn pensioen ongeveer een dubbel inkomen hebben - brengt ook mee dat de lezing van [eiser] niet redelijk of verdedigbaar is.

14. Bij een zeer strikte interpretatie van het Sociaal Plan, gelezen in samenhang met de ten tijde van de ontslagname door [eiser] in oktober 2009 reeds drie maanden geldende Q&A versie 6, is zelfs verdedigbaar dat [eiser] in feite niet eens recht had op het door hem ontvangen bedrag, nu hij tussen de ontslagname bij ING en zijn pensionering bij de DNB geen inkomensachteruitgang heeft gehad.

14. Dit alles betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

14. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 2.100,00, voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van hun gemachtigde

III. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter