Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6039

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
AMS 11-3151 en AMS 11-6213
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak meervoudige kamer. Na de tussenuitspraak heeft verweerder de Commissie voor Welstand en Monumenten om een nader advies over het gewijzigde bouwplan gevraagd. Dit advies is negatief. Nu het gewijzigde bouwplan kennelijk in strijd is met de redelijke eisen van welstand had verweerder de bouwaanvraag moeten weigeren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, maar voorziet zelf in de zaak, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit, de verleende bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/3151 WW44 en AWB 11/6213 WABOA

einduitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser], eiser,

[naam eiseres] , eiseres,

beiden wonende te [woonplaats],

hierna tezamen: eisers,

gemachtigde mr. S.A.B. Boer,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. H.D. Hosper.

Tevens heeft als partij van rechtswege aan dit geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder], vergunninghouder,

Gemachtigde: mr. J. Veltman.

Procesverloop

Op 15 maart 2013 heeft de rechtbank in deze zaken een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak), die in kopie aan deze uitspraak is gehecht. De inhoud van de tussenuitspraak wordt geacht hier te zijn ingelast.

Bij brief van 24 april 2013 heeft verweerder gereageerd, waarbij een nader advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de CWM) van 22 april 2013 is overgelegd.

Eisers en vergunninghouder hebben daarop bij brieven van respectievelijk 23 mei 2013 en
17 juni 2013 gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De zaken hebben betrekking op het legaliseren van een reeds gebouwde lichtkap op het tussenlid tussen het voor- en achterhuis van het gebouw aan de[adres] te [plaats]. Verweerder heeft voor de lichtkap een reguliere bouwvergunning verleend, deze is door verweerder in stand gelaten bij besluit op bezwaar van 18 mei 2011 (het bestreden besluit I).

Verweerder heeft na een nieuwe aanvraag (aanvraag II) van de vergunninghouder een omgevingsvergunning voor de lichtkap verleend (het bestreden besluit II).

2.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats geoordeeld dat verweerder de aanvraag van vergunninghouder om een omgevingsvergunning ten onrechte als een nieuwe aanvraag heeft beschouwd, nu slechts sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard ten opzichte van het bouwplan dat ten grondslag lag aan de reguliere bouwvergunning. Met het bestreden besluit II heeft verweerder een besluit genomen in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dit besluit wordt met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede in deze procedure betrokken. De rechtbank is niet gebleken van procesbelang van eisers bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit I. De rechtbank zal dit beroep, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaksnummer AWB 11/3151 WW44, daarom niet-ontvankelijk verklaren.

2.1.

De rechtbank ziet in het gegeven dat verweerder aldus hangende het beroep het bestreden besluit I heeft gewijzigd aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers ten aanzien van het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit I hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 944,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, € 472,- per punt, wegingsfactor 1).

2.2.

Eisers hebben voor het beroep tegen het bestreden besluit II afzonderlijk griffierecht betaald. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht voor het bestreden besluit I van € 152,-aan hen dient te vergoeden.

3.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat verweerder het nieuwe bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van aan de Wet ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit II is om die reden in strijd met de wet. Het beroep tegen het bestreden besluit II, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaksnummer AWB 11/6213 WABOA, is daarom gegrond.

3.1.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak in het kader van finale geschilbeslechting vervolgens bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand kunnen blijven. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de beroepsgronden van eisers niet kunnen slagen, voor zover zij aanvoeren dat het gewijzigde bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

3.2.

De rechtbank heeft naar aanleiding van de stelling van eisers dat het gewijzigde bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand geconstateerd dat het bestreden besluit II een deugdelijke motivering ontbeert. Hoewel de CWM ten aanzien van het oorspronkelijke bouwplan een positief welstandsadvies heeft gegeven, heeft verweerder nagelaten om de CWM na de gewijzigde aanvraag en de gewijzigde bouwtekeningen
- waarin de lichtkap met 0,50 meter is verhoogd - om nader advies te vragen. De rechtbank heeft verweerder bij de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door een nieuw advies bij de CWM te vragen. Verweerder heeft het nieuwe advies bij brief van 24 april 2013 overgelegd.

3.3.

In het advies van de CWM van 22 april 2013 staat onder meer dat een persoonlijke plaatswaarneming op 11 april 2013 heeft plaatsgevonden.

De CWM adviseert in het advies van 22 april 2013 als volgt:

“(…) Zij (de commissie) constateert dat door het hoger optrekken van de daklijn en het ontbreken van een duidelijke gootlijn, de lichtkap zich prominenter manifesteert dan in de vergunningsaanvraag uit 2010 is voorgesteld. Het toont zich teveel als een object in de lichthof in plaats van een terughoudende overkapping. Bovendien is de uitvoering onvoldoende zorgvuldig. Door de rechtstreekse aansluiting op de gevels en de door stroken zink op de hoekkeper en de nok tast de overkapping het beeld van het gebouw aan. De uitgevoerde toestand voldoet daarmee niet aan de Algemene Welstandscriteria onder §5.1.(…)”

3.4.

Verweerder heeft in zijn reactie van 24 april 2013 erkend dat het nieuwe advies van de CWM negatief is en dat dit consequenties heeft voor het bestreden besluit II. Eisers en vergunninghouder hebben er in hun reacties van 23 mei 2013 en 17 juni 2013 van afgezien om een nader standpunt ten aanzien van het nieuwe welstandsadvies in te nemen.

3.5.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het advies van de CMZ deels betrekking heeft op afwijkingen van het bouwwerk ten opzichte van het (gewijzigde) bouwplan als opgenomen in aanvraag II. Dat deel van het advies heeft dus betrekking op eventueel voor handhaving vatbare afwijkingen en is aldus geen welstandsadvies over het voorgelegde bouwplan. De onder punt 3.3. opgenomen passage van het advies van CMZ ziet echter op het bouwplan zelf, namelijk op aanvraag II in zoverre daarmee het bouwplan van de oorspronkelijke aanvraag is gewijzigd. De rechtbank stelt vast dat het advies van de CMZ van 22 april 2013 op het gewijzigde bouwplan negatief is. Aldus ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten. Het bouwplan is kennelijk in strijd met de redelijke eisen van welstand en voldoet daarmee niet aan artikel 44, eerste lid, van de Woningwet. Verweerder had de bouwvergunning dan ook moeten weigeren. De rechtbank hecht er waarde aan te vermelden dat ter zitting is getracht partijen nader tot elkaar te brengen en een compromis te bereiken. Dit is niet gelukt. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb en doen hetgeen verweerder had behoren te doen. De rechtbank verklaart het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond en herroept het primaire besluit door de reguliere bouwvergunning te weigeren. De rechtbank zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II.

3.6.

Nu het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers met hun beroep tegen het bestreden besluit II hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Bpb op € 944,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, € 472,- per punt, wegingsfactor 1). Verweerder dient verder het door eisers betaalde griffierecht in de procedure van het bestreden besluit II van € 152,- aan hen te vergoeden.

3.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding om eisers een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen, nu niet is gebleken dat zij op dat moment professionele rechtsbijstandverlening genoten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk (zaaksnummer AWB 11/3151 WW44);

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond
    (zaaksnummer AWB 11/6213 WABOA);

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    verklaart het bezwaar van eisers gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit van 6 januari 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 304,- (zegge: driehonderd en vier euro) vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van
    € 1.880,- (zegge: achttienhonderd en tachtig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzitter,

mrs. T.J.P. van Os van den Abeelen en M.C. Eggink, leden,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.

de griffier,

de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB