Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5806

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
C/13/547093 / KG ZA 13-951 MvW/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding, deelnemersbrief Staatsloterij niet onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/547093 / KG ZA 13-951 MvW/JWR

Vonnis in kort geding van 12 september 2013

in de zaak van

de stichting

STICHTING LOTERIJVERLIES.NL,

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres bij dagvaarding van 1 augustus 2013,

advocaat mr. R.E. van Schaik te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING EXPLOITATIE NEDERLANDSE STAATSLOTERIJ,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Leedekerken te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Stichting Loterijverlies en de Staatsloterij genoemd worden.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 9 augustus 2013 heeft Stichting Loterijverlies gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staatsloterij heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en pleitaantekeningen overgelegd.

Ter zitting waren onder meer aanwezig:

  • -

    namens Stichting Loterijverlies de heer [naam 1], bijgestaan door mr. Van Schaik en zijn kantoorgenoot mr. A.M.E. Voerman;

  • -

    namens de Staatsloterij mr. Leedekerken en zijn kantoorgenoot mr. D.M. Wille.

Partijen hebben ter zitting om aanhouding verzocht, teneinde een schikking te kunnen beproeven. Nadien hebben partijen de voorzieningenrechter bericht dat zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en vonnis gevraagd.

2 De feiten

2.1.

Stichting Loterijverlies heeft tot doel de belangen van gedupeerden van kansspelen te behartigen. In het kader daarvan heeft zij een procedure aanhangig gemaakt tegen de Staatsloterij. Kern van het geschil tussen partijen is het feit dat de Staatsloterij gedurende een aantal jaren trekkingen heeft verricht uit het totale aantal voor een trekking vervaardigde loten in plaats van uit het aantal verkochte loten, althans dat zij deze wijze van werken niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt in haar reclame-uitingen.

2.2.

Bij arrest van 28 mei 2013 heeft het gerechtshof te Den Haag in de tussen partijen aanhangige procedure uitspraak gedaan. In dit arrest is onder meer het volgende beslist:

“het gerechtshof

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank

’s-Gravenhage van 31 maart 2010 en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat Staatsloterij gedurende de periode 2000 t/m 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel- of niet-gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW;

- verklaart voor recht dat Staatsloterij in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW;”.

2.3.

In diverse media is aandacht besteed aan de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag. Zo schrijft de Gooi- en Eemlander op 21 juni 2013:

“De Staatsloterij heeft van 2000 tot 2008 ruim 218 miljoen euro nooit uitgekeerd. Dat stelt [naam 1] van Stichting Loterijverlies.nl. (…)”.

en het Haarlems Dagblad op 29 juni 2013

“(…) Het gerechtshof in Den Haag concludeerde onlangs dat de Staatsloterij haar deelnemers tussen 2000 en 2008 heeft misleid door ook onverkochte loten bij de trekking te laten meedoen. Volgens de Stichting Loterijverlies heeft de Staatsloterij in die periode daardoor ten onrechte 218 miljoen euro niet uitgekeerd (…)”.

2.4.

Op 12 juli 2013 heeft de Staatsloterij aan alle deelnemers van haar loterij een brief (hierna: de deelnemersbrief) gezonden. De deelnemersbrief is tevens te verkrijgen op alle verkooppunten van loten van de Staatsloterij. In de deelnemersbrief staat onder meer het volgende:

Rechtszaak

In de berichten in de krant en op televisie wordt gesproken over een al lang lopende rechtszaak tegen de Staatsloterij. Een rechtszaak over wel of niet uitbetaalde prijzen en andere mogelijke onregelmatigheden in de periode 2000-2008. Die rechtszaak loopt en is nog niet ten einde. Omdat we oprecht geloven dat we niet onjuist hebben gehandeld, vragen we binnenkort aan de hoogste rechter in Nederland, de Hoge Raad, een oordeel te geven.

Prijzen

Er wordt ook het nodige gezegd en geschreven over prijzen die door ons in het verleden niet zouden zijn uitgekeerd. Die bewering klopt niet. Alle prijzen die we moesten uitkeren aan winnaars zijn daadwerkelijk uitgekeerd. (…)”

3 Het geschil

3.1.

Stichting Loterijverlies vordert  samengevat - dat het de Staatsloterij wordt bevolen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met onmiddellijke ingang het doen van misleidende reclame-uitingen, waaronder begrepen het verspreiden van de deelnemersbrief, te staken en gestaakt te houden, en alle ontvangers van de deelnemersbrief en wederverkopers een rectificatie te sturen.

3.2.

Stichting Loterijverlies stelt dat de deelnemersbrief onvolledige informatie bevat door niet in te gaan op de punten waarop de Staatsloterij door het gerechtshof te Den Haag in het ongelijk is gesteld, met name ten aanzien van het feit dat uit dat oordeel blijkt dat de Staatsloterij niet steeds alles heeft uitgekeerd wat zij op basis van haar reclame-uitingen beweerde te zullen uitkeren. Stichting Loterijverlies acht de deelnemersbrief daarom een vorm van misleidende reclame als bedoeld in artikel 6:194 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel een oneerlijke handelspraktijk ex artikel 6:193d BW, althans onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW. Stichting Loterijverlies stelt verder dat zij door deze handelwijze van de Staatsloterij schade lijdt aan haar reputatie en deelnemers misloopt.

3.3.

De Staatsloterij voert verweer. Zij betwist dat Stichting Loterijverlies, gelet op het relativiteitsvereiste, een beroep op 6:193d BW en/of artikel 6:194 BW toekomt. Daarnaast is zij van mening dat de deelnemersbrief niet kwalificeert als mededeling in de zin van artikel 6:194 BW, zodat dit artikel toepassing mist. Verder acht zij de deelnemersbrief evenmin onrechtmatig. De Staatsloterij beroept zich op de vrijheid van meningsuiting. Zij voert verder aan dat de deelnemersbrief geen feitelijke onjuistheden bevat, en een reactie vormt op hetgeen in de media naar aanleiding van het arrest van het gerechtshof is geschreven. Daarbij is de keuze gemaakt niet op ieder aspect van dat arrest in te gaan. Dat maakt volgens de Staatsloterij de deelnemersbrief evenwel niet misleidend. Tot slot betwist de Staatsloterij dat Stichting Loterijverlies schade heeft geleden als gevolg van het verspreiden van de deelnemersbrief.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter gaat er, mede gelet op hetgeen daarover in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage reeds is overwogen, bij haar beoordeling vanuit dat Stichting Loterijverlies op grond van artikel 3:305a BW namens degenen die zich bij haar hebben aangemeld een vordering op grond van artikel 6:193d BW kan instellen. Verder heeft Stichting Loterijverlies ter terechtzitting verklaard een eigen belang te hebben bij haar vordering op grond van artikel 6:194 BW en 6:162 BW, zodat zij ook ten aanzien van die grondslagen in haar vorderingen ontvankelijk is. Tevens heeft zij, vanwege de aard van de vorderingen, een spoedeisend belang bij haar vorderingen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de deelnemersbrief geen feitelijke onjuistheden bevat. Verder erkent de Staatsloterij dat in de deelnemersbrief niet op alle aspecten van het arrest van het gerechtshof te Den Haag is ingegaan. De aan de orde zijnde vraag is of in die omstandigheid een overtreding van een wettelijke norm is gelegen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij voorshands vanuit dat de deelnemersbrief kan worden beschouwd als een mededeling in de zin van artikel 6:194 BW, nu het gaat om een algemene openbaarmaking van informatie die gericht is op het positief beïnvloeden van, in dit geval, de marktpositie van de Staatsloterij.

4.3.

In de deelnemersbrief wordt eerst, onder de vetgedrukte tekst “Rechtszaak” door de Staatsloterij ingegaan op het arrest van het gerechtshof. Daarover worden geen inhoudelijke mededelingen gedaan, de Staatsloterij volstaat met op te merken dat zij de zaak aan de Hoge Raad voor zal leggen. Het enkel vermelden er zelf van overtuigd te zijn juist te hebben gehandeld en dat cassatie zal worden ingesteld, zonder inhoudelijk in te gaan op hetgeen door het gerechtshof is geoordeeld, acht de voorzieningenrechter niet misleidend, noch een handelspraktijk waarbij voor een consument essentiële informatie wordt achtergehouden, noch op andere grond onrechtmatig. Voor dit oordeel is mede van belang dat het arrest van het gerechtshof inhoudelijk alleen twee verklaringen voor recht bevat, en derhalve niet tot directe aanspraken voor de consument leidt. De stelling van Stichting Loterijverlies dat door de deelnemersbrief consumenten het nut van het, via Stichting Loterijverlies, instellen van een vordering jegens de Staatsloterij niet op waarde zouden schatten en ervan zouden kunnen worden weerhouden om zich bij haar aan te sluiten, wat mogelijk tot verjaring van hun vordering zou kunnen leiden, acht de voorzieningenrechter, nog afgezien van het speculatieve karakter ervan, ongegrond. Geen rechtsregel verplicht de Staatsloterij om potentiële crediteuren eigener beweging te informeren over de mogelijkheden voor het instellen en erkend krijgen van een vordering en het waarschuwen voor het mogelijk verlopen van een verjaringstermijn. Dat de Staatsloterij dat heeft nagelaten is dan ook niet onrechtmatig.

4.4.

Vervolgens wordt in de deelnemersbrief, onder de vetgedrukte tekst “Prijzen”, ingegaan op het uitbetalen van prijzen. Daarbij is van belang dat uit de eerste zin onder het kopje “Rechtszaak” staat dat er “in de krant en op televisie wordt gesproken over een al lang lopende rechtszaak” en in de eerste zin van het kopje “Prijzen” staat dat er “ook het nodige gezegd en geschreven” wordt over prijzen die “in het verleden niet zouden zijn uitgekeerd”. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat op twee verschillende onderwerpen, waarover in de media met betrekking tot de Staatsloterij wordt bericht, wordt ingegaan.

4.5.

Aannemelijk is dat de Staatsloterij onder het kopje “Prijzen” ingaat op berichtgeving zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.3. De stelling dat er prijzen ten onrechte niet zijn uitgekeerd (die gemakkelijk tot de conclusie kan leiden dat de Staatsloterij hiertoe alsnog dient over te gaan) is geen juiste weergave van het arrest van het gerechtshof. Dat de Staatsloterij dat beeld wenst recht te zetten kan daarom niet onrechtmatig worden geacht.

4.6.

Door beide onderwerpen direct na elkaar te behandelen kan bij de lezers van de deelnemersbrief de indruk ontstaan dat ook de laatste alinea een reactie op het arrest van het gerechtshof bevat. Nu echter in de media beide onderwerpen ook steeds gezamenlijk aan de orde zijn gesteld acht de voorzieningenrechter dit geen omstandigheid die de inhoud van de deelnemersbrief alsnog onrechtmatig maakt.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Stichting Loterijverlies zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Staatsloterij worden begroot op:

- griffierecht €  589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.405,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening;

5.2.

veroordeelt Stichting Loterijverlies in de proceskosten, aan de zijde van Staatsloterij tot op heden begroot op € 1.405,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.