Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5768

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
C/13/538768 / KG ZA 13-361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ook indien geen beroep wordt gedaan op het nemo tenetur-beginsel, mogen gegeven die door de belastingdienst worden opgevraagd op grond van artikel 47 AWR slechts worden gebruikt voor de belastingheffing en niet voor sanctiedoeleinden. De voorzieningenrechter past de in HR 12 juli 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 gegeven restrictie ambtshalve toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/538768 / KG ZA 13-361 HJ/SvE

Vonnis in kort geding van 11 september 2013

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN FINANCIËN,

DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres bij dagvaarding van 5 april 2013,

advocaat mr. W.I. Wisman te ‘s-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna de Belastingdienst en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

Voor de aanvang ter terechtzitting van 16 april 2013 is de behandeling van deze zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Daarin zijn partijen niet geslaagd. Ter terechtzitting van 28 augustus 2013 heeft de Belastingdienst gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat hij zijn eis heeft gewijzigd als blijkt uit de eveneens aan dit vonnis gehechte akte. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht, de Belastingdienst daarnaast pleitnota’s. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van de Belastingdienst: mr. A. Scheffer (landelijk coördinator civiele heffingsprocedures), B. Swart en mr. Wisman;

aan de zijde van [gedaagde]: [gedaagde].

2 De feiten

2.1.

De Belastingdienst heeft, in het kader van de in artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG gegeven mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten van lidstaten om op het gebied van de directe belastingen gegevens te verstrekken aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, bij brief van 27 oktober 2000 van de Belgische autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches verstrekt gekregen, welke microfiches afkomstig zijn uit de interne administratie van de Luxemburgse KB Luxbank en betrekking hadden op Nederlandse ingezetenen. Op de betreffende microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen bij de KB Luxbank per 31 januari 1994.

2.2.

Het onderzoek van de Belastingdienst aan de hand van de verkregen fotokopieën staat bekend als het Rekeningenproject.

2.3.

Aan de hand van deze microfiches heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Van deze identificaties zijn processen-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject opgemaakt. Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [gedaagde] is gedateerd op 31 mei 2005.

2.4.

[gedaagde] is als één van de rekeninghouders meermalen aangeschreven, voor de eerste keer in 2002, met het verzoek dan wel de sommatie om opgave te doen van (het verloop van) de door haar aangehouden buitenlandse bankrekening(en). De verplichting om dergelijke informatie te verstrekken vloeit voort uit artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

2.5.

[gedaagde] heeft in eerste instantie steeds ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken. Uiteindelijk heeft zij erkend over een rekening bij de KB Luxbank te hebben beschikt.

2.6.

Bij brief van 17 april 2013 heeft [gedaagde] de KB Luxbank, voor zover hier van belang, het volgende verzocht:

“Een op mijn naam staande KBL rekening (…) is begin 1999 bij u opgeheven. Voor de Nederlandse Belastingdienst heb ik een bewijs nodig. Graag zou ik van u een bevestiging ontvangen dat dit plaats gevonden heeft en dat er momenteel geen enkele rekening op mijn naam bij de KBL bekend is. (…)”

3 Het geschil

3.1.

De Belastingdienst vordert – samengevat en na wijziging van eis – [gedaagde] te bevelen om:

(A) op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij KB Luxbank – en eventuele andere buitenlandse banken – heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

(B) opgaaf te doen van de onder (A) bedoelde buitenlandse rekening(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op dit formulier vermelde bescheiden;

(C) een mondelinge toelichting te geven op de onder (A) en (B) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen;

(D) binnen zeven dagen na dit vonnis aan het onder (A) en (B) gegeven bevel en door de inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder (C) omschreven bevel te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

(E) met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente;

(F) en met veroordeling van [gedaagde] in de nakosten.

3.2.

De Belastingdienst heeft, samengevat, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] weigert in strijd met het bepaalde in artikel 47 AWR opgave te doen aan de inspecteur van inlichtingen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Uit onderzoek is gebleken dat [gedaagde] op 31 januari 1994 saldo had staan op een rekening bij de KB Luxbank te Luxemburg. Zij is meermalen aangeschreven en gesommeerd om de benodigde inlichtingen te verstrekken, maar heeft hieraan niet voldaan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [gedaagde] uiteindelijk heeft erkend over rekening(en) bij de KB Luxbank te hebben beschikt. Volgens [gedaagde] is de rekening in 1999 opgeheven en is het gehele saldo van de rekening bij de opheffing opgenomen, omdat zij toen te horen had gekregen dat zij een ongeneeslijke vorm van kanker had. Zij heeft toen alles uitgegeven.
Dit betekent dat op haar op grond van art. 47 AWR de verplichting rust inzicht te geven in hetgeen is gebeurd met de rekening(en) bij de KB Lux bank. Zij heeft niet aan die verplichting voldaan door het enkele schrijven van de onder 2.6 bedoelde brief, nu zij daarop geen antwoord heeft ontvangen en redelijkerwijs van haar in dat geval meer inspanning mag worden gevergd om aan haar uit art. 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

4.2.

[gedaagde] heeft ter terechtzitting toegezegd de door de Belastingdienst verzochte informatie te verstrekken. Zij heeft, nadat de voorzieningenrechter haar erop had gewezen dat een enkele onbeantwoorde brief niet volstond, toegezegd (persoonlijk) naar de KB Luxbank te gaan teneinde een bewijs van opheffing van de rekening te verkrijgen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding de gevraagde voorzieningen toe te wijzen. De hierna te vermelden termijn komt de voorzieningenrechter redelijk voor, nu [gedaagde] voor het verkrijgen van eventuele bescheiden naar alle waarschijnlijkheid afhankelijk is van derden. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.3.

In het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) is onder meer het volgende overwogen.

“Het bovenstaande betekent dat in gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, en deze belastingplichtige een beroep doet op het nemo-teneturbeginsel, het volgende onderscheid moet worden gemaakt.

a.) In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

b.) Voldoet de belastingplichtige niet aan dit bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast terzake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen – in de zin van aannemelijk maken – dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
c.) Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.
3.10 Het bovenstaande brengt mee dat het middel in zoverre slaagt, dat de in het dictum van de voorzieningenrechter onder 6.1–6.5 gegeven bevelen niet ongeclausuleerd hadden mogen worden gegeven.

4.4.

[gedaagde] heeft geen beroep op het nemo tenetur-beginsel gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal dat beginsel echter op grond van de door de Hoge Raad in genoemd arrest aangehaalde rechtspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens (zie rechtsoverweging 3.7) ook ambtshalve moeten toepassen. Immers zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Dat vereist dat ook zonder dat op het nemo tenetur-beginsel een beroep wordt gedaan, zoals in dit geval, een restrictie zal moeten worden toegepast zoals de Hoge Raad dat in genoemd arrest heeft gedaan.

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Belastingdienst worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.497,82

De gevorderde wettelijke rente over deze kosten is eveneens toewijsbaar.

4.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij KB Luxbank – en bij eventuele andere buitenlandse banken – heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] opgaaf te doen van haar buitenlandse bankrekeningen door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] een mondelinge toelichting te geven op de onder 5.1 en 5.2 omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] aan de hiervoor onder 5.1 en 5.2 vermelde veroordelingen dient te voldoen binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, en aan de hiervoor onder 5.3 vermelde veroordeling binnen de door de inspecteur te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] na ommekomst van genoemde termijn in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.5

bepaalt dat de onder 5.1 tot en met 5.3 gegeven bevelen, voor zover die bevelen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [gedaagde] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Belastingdienst tot op heden begroot op € 1.497,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.