Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
AWB 13-3055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van aanvraag om verlening van urgentieverklaring voor woningtoewijzing. Zowel uit de grondslag als uit de verdere behandeling van beslissingen omtrent urgentieverklaringen kan worden afgeleid dat de gemeenten en de stadsregio met het Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam hebben beoogd een privaatrechtelijk stelsel op te zetten voor het verstrekken van urgentieverklaringen. De voorzieningenrechter is, in aanmerking nemend dat de Huisvestingswet een uitdrukkelijke grondslag biedt voor een dergelijk privaatrechtelijk stelsel, van oordeel dat verweerder, door te beslissen op de aanvraag om een urgentieverklaring, een privaatrechtelijke bevoegdheid uitoefent. Derhalve kan de afwijzing van de aanvraag niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3055

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde mr. I. Heijselaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. M. van der Hijden).

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar dan wel beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2013. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam maatschappelijk werkster], maatschappelijk werkster bij de stichting Civic te Amsterdam. Verweerder is niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft de behandeling ter zitting geschorst.

Op 21 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek opnieuw ter zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1.1. Bij besluit van 5 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen. Het hiertegen door verzoeker op

7 maart 2013 ingediende bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als een klacht als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Huisvestingswet. Verweerder heeft het bezwaarschrift dan ook ter behandeling doorgestuurd naar de Klachtencommissie Toewijzing Corporatiewoningen Amsterdam (KTCA).

1.2. Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de KTCA de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. In deze uitspraak staat de volgende zinsnede opgenomen: ‘De uitspraak van de klachtencommissie is een bindend advies voor de partijen betrokken bij de uitvoering van het convenant.’

1.3. Verzoeker heeft op 12 juni 2013 beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring onder overlegging van de uitspraak van de KTCA van 22 mei 2013, en tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat verzoeker in het bezit wordt gesteld van een urgentieverklaring dan wel het op een andere wijze onverwijld in passende woonruimte voorzien.

2.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.2. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing met zich brengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te worden beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar dan wel de uitspraak in de hoofdzaak.

3.1. Verzoeker is woonachtig op het adres[adres1] te [woonplaats]. Dit betreft een tweekamerwoning, gelegen op de begane grond, met een nuttig woonoppervlak van 47m². Verzoeker is gehuwd en heeft vier kinderen, geboren in respectievelijk 2003, 2005, 2007 en 2010. Verzoeker heeft een zogenoemde woonduur bij Woningnet vanaf 15 februari 2000.

3.2. Bij besluit van 18 oktober 2005 is verzoeker in het bezit gesteld van een medische indicatie voor een woning met maximaal 16 traptreden, binnen dan wel buiten de woning, eventueel bereikbaar met een lift. Deze indicatie is verlopen op 18 oktober 2010. Verzoeker heeft bij de Dienst Wonen Zorg en Samenleven van verweerder (dienst WZS) diverse malen aandacht gevraagd voor zijn woonsituatie. Bij besluit van 11 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring op sociale gronden afgewezen, omdat verzoeker met zijn woonduur in combinatie met de medische indicatie, binnen afzienbare tijd in staat is zelf een geschikte(re) woning te vinden. Bij brief van 7 juli 2010 heeft verweerder, naar aanleiding van het bijna vervallen van zijn medische indicatie, verzoeker erop gewezen dat hij zich teveel beperkt in zijn woonkeuze en in staat wordt geacht zelf passende woonruimte te vinden in [woonplaats].

3.3. Verzoeker heeft op 29 januari 2013 wederom een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 5 februari 2013, door het hoofd van de afdeling Indicaties, namens verweerder afgewezen.

4.1. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan: a) een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b) een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

4.2. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet stelt de gemeenteraad, indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot het wijzigen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III, een huisvestingsverordening vast.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Huisvestingswet gaat de gemeenteraad ten behoeve van de toepassing van het eerste lid in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen. Tevens gaat de gemeenteraad na op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik nemen of geven van een standplaats voorrang wordt verleend aan woningzoekenden, die in een woonwagen wonen of hebben gewoond.

4.4. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Huisvestingswet is, indien een gemeente met een eigenaar van één of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Huisvestingswet draagt de gemeente, indien zij één of meer overeenkomsten sluit, als bedoeld in het eerste lid, er zorg voor dat een belanghebbende bij een besluit ter uitvoering van zodanige overeenkomst, daarover zijn beklag kan doen bij een daartoe door burgemeester en wethouders ingestelde commissie, die haar taak onafhankelijk van de gemeente en van de betrokken eigenaar of eigenaren van woonruimte verricht. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid dient een bepaling te bevatten, er toe strekkende dat de uitspraken van de in de eerste volzin bedoelde commissie, voor zover zij betrekking hebben op de uitvoering van die overeenkomst, partijen bij de overeenkomst tot bindend advies strekken.

4.5. Op grond van artikel 5 van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het gebruik daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

4.6. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt geven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

4.7. Per 1 januari 2013 is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (de Huisvestingsverordening) in werking getreden. Per die datum is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 ingetrokken.

4.8. Artikel 2 van de Huisvestingsverordening, dat het werkingsgebied van de verordening bepaalt, luidt als volgt.

1.

Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de volgende gemeenten:

a) Amstelveen;

b) Amsterdam;

c) (…)

2. In de gemeenten genoemd in het eerste lid worden als woonruimten als bedoeld in artikel 5 van de wet aangewezen alle zelfstandige woonruimten met een rekenhuur tot de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag (681,02 euro prijspeil 1 januari 2013).

3. In afwijking van het tweede lid worden in de gemeente Amsterdam zelfstandige huurwoningen in eigendom van een corporatie die deelneemt aan het Convenant niet aangewezen.

4. In de gemeenten Amstelveen, Amsterdam (…) worden tevens als woonruimten als bedoeld in artikel 5 van de wet aangewezen alle nieuwbouwkoopwoningen met een koopprijs beneden de koopprijsgrens (163.625 euro prijspeil 1 januari 2009) die in gebruik worden genomen door de eigenaar ervan en die niet eerder bewoond zijn geweest.

5. In afwijking van het tweede en derde lid is deze afdeling niet van toepassing op:

a) Onzelfstandige woonruimte en woonruimte voor inwoning;

b) Woonschepen en ligplaatsen voor woonschepen;

c) Woonwagens en standplaatsen voor woonwagens;

d) De complexen genoemd in bijlage één behorende bij deze verordening;

6. In de gemeente Amsterdam is paragraaf 4 niet van toepassing.

4.9.

Artikel 3 van de Huisvestingsverordening bepaalt dat het is verboden de in artikel 2 aangewezen woonruimte zonder een huisvestingsvergunning a) in gebruik te nemen voor bewoning en b) in gebruik te geven aan een huishouden.

4.10.

In paragraaf 4 van de Huisvestingsverordening is in de artikelen 14 en 15 de urgentie en de afgifte van urgentieverklaringen geregeld.

De Regioraad van de Stadsregio Amsterdam en het Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad zijn het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 (het Convenant) overeengekomen, dat is vastgesteld in de regioraadsvergadering van 18 december 2012. In artikel 20 van het Convenant is bepaald dat de overeenkomst in werking treedt per 1 januari 2013.

4.11.

Artikel 6 van het Convenant luidt als volgt:

Verlening urgentie

1.

Gemeenten dragen er zorg voor dat woningzoekenden een aanvraag voor een urgentieverklaring kunnen indienen bij de gemeente dan wel bij de in die gemeente werkzame corporaties.

2.

Burgemeester en wethouders en corporaties stellen in overleg in ieder geval nadere regels op met betrekking tot

a) de procedure voor het aanvragen;

b) wanneer de urgentieverklaring wordt verleend of geweigerd;

c) de bemiddeling voor woonruimte;

d) de af te geven zoekprofielen voor aanvragers;

e) de termijn waarvoor de urgentieverklaring is verleend;

f) wie urgentie verleent.

3.

Voor zover er geen door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels inzake de volgorde van urgenten zijn vastgesteld op grond van artikel 15 eerste lid onder e van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010, stellen gemeenten en corporaties die in overleg op.

4.

Burgemeester en wethouders of de corporatie wijzen complexen aan waarvan huishoudens urgentie kunnen krijgen op grond van het zesde lid onder d.

5.

Burgemeester en wethouders of de corporatie stellen voor de op grond van het vierde lid aangewezen complexen een peildatum vast.

6.

Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die:

a) in een acute noodsituatie verkeert; of

b) op grond van medische en of sociale redenen moeten omzien naar een andere woonruimte; of

c) moet omzien naar woonruimte na verblijf in een psychiatrische inrichting, een opvanghuis of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling; of

d) woonruimte nodig heeft in verband met de sloop of een ingrijpende renovatie van de huidige woning of bij herstructurering van het gebied waarin deze woonruimte is gelegen; of

e) op grond van een asielverzoek beschikt over een van de verblijfsvergunningen, bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met l, van de Vreemdelingenwet 2000 en die na verlening van een van die vergunningen voor de eerste maal een woonruimte zoeken; of

f) valt onder de door het Rijk aangewezen groepen; of

g) valt onder de door burgemeester en wethouders in overleg met de corporaties aangewezen groepen.

7.

De urgentieverklaring is alleen geldig in de gemeente waar deze is afgegeven.

8.

In afwijking van het zevende lid zijn verklaringen voor urgentie op grond van het zesde lid onder d, afgegeven in de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Haarlemmermeer, Purmerend, Uithoorn en Zaanstad geldig in de zes genoemde gemeenten.

9.

De urgentieverklaring is geldig voor ten hoogste 52 weken.

10.

De geldigheidsduur van de verklaring kan voor bijzondere gevallen of bijzondere urgentiecategorieën worden verlengd.

11.

De urgentieverklaring kan worden ingetrokken indien:

a) het huishouden niet meer in de omstandigheden verkeert op basis waarvan urgentie is verstrekt;

b) indien de feitelijke omstandigheden niet overeenstemmen met de beschrijving van de omstandigheden in de gemeentelijke basisadministratie;

c) het huishouden daarom verzoekt;

d) de urgentieverklaring is verleend op grond van het door het huishouden verstrekte gegevens waarvan de aanvrager wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;

e) het huishouden een passende woningaanbieding heeft geweigerd, of

f) de termijn van de urgentieverklaring is verstreken.

5.1.

De voorzieningenrechter dient ambtshalve en gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP0507) te beoordelen of zij zich bevoegd acht van het onderhavige geschil kennis te nemen.

5.2.

Tot 1 januari 2013 werden in Amsterdam aanvragen om een urgentieverklaring ingediend bij verweerder en stond bezwaar en beroep ingevolge de Awb open tegen beslissingen op die aanvragen. In de brief van 23 juli 2013 heeft verweerder het nieuwe systeem aldus uitgelegd:

´Per 1 januari 2013 is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (hierna: verordening) in werking getreden. In afwijking van artikel 2, tweede lid van de Verordening worden in de gemeente Amsterdam zelfstandige huurwoningen in eigendom van een corporatie die deelneemt aan het Convenant niet aangewezen, zodat voor de woningen de Verordening niet van toepassing is en geen huisvestingsvergunning meer is vereist. Alle huishoudens die een urgentieverklaring krijgen worden gehuisvest in een corporatiewoning. Artikel 11 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad in een huisvestingsverordening bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang kan geven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. Op basis van dit artikel kan onderscheid naar urgentie worden gemaakt. Nu geen huisvestingvergunningen kunnen worden verleend, kan ook geen voorrang bij vergunningverlening worden verleend.

De verdeling van woonruimten van corporaties geschiedt niet meer op basis

van de Verordening maar op basis van het convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam (…).

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het convenant is in de gemeente Amsterdam met de corporaties afgesproken dat aanvragen voor een urgentieverklaring op medische en sociale gronden kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Dit betekent dat aanvragen voor een urgentieverklaring vanaf 1 januari 2013 op basis van het convenant worden verleend. Eigenlijk ten overvloede is in artikel 2, zesde lid van de Verordening opgenomen dat paragraaf 4 (Urgentie) niet van toepassing is in de gemeente Amsterdam. Net als in de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2011 met kenmerk LJN BP0507 hebben partijen beoogd een privaatrechtelijk stelsel op te zetten voor de toewijzing van corporatiewoningen en verlenen van urgentieverklaringen daarbij. De publiekrechtelijke weg is afgesloten daar de Verordening in het geheel niet van toepassing is verklaard (…).’

5.3.

Ter zitting van 21 augustus 2013 heeft verweerders gemachtigde aan die uitleg nog toegevoegd dat in Amsterdam is bepaald dat de gemeente de sociale en medische urgentieverklaringen verstrekt en de corporaties de stadsvernieuwingsurgenties. In de ogen van verweerder doet de gemeente Amsterdam dit als partij bij het Convenant. Als de corporaties dat hadden gedaan was de gemeente Amsterdam helemaal niet meer in beeld geweest. De gemeente Amsterdam houdt zich ingevolge de Verordening niet meer bezig met woonruimteverdeling, aldus verweerders gemachtigde.

5.4.

Verzoeker heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring door de afdeling Indicaties van de Dienst WZS namens verweerder van 5 februari 2013. Beoordeeld dient te worden of verweerder in deze heeft gehandeld als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb, en zo ja, of de afwijzing van de aanvraag als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Verder heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de uitspraak van de KTCA van 22 mei 2013. De voorzieningenrechter acht het verzoek om een voorlopige voorziening zowel connex aan het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring van verweerder van 5 februari 2013 als connex aan het beroep tegen de uitspraak van de KTCA van 22 mei 2013. Aan de orde is de vraag of de bodemrechter en derhalve de voorzieningenrechter bevoegd is van dat beroep kennis te nemen.

5.5.

Gelet op artikel 4 van de Huisvestingswet en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, blz. 30-31) heeft de wetgever niet uitsluitend de publiekrechtelijke weg willen laten openstaan met betrekking tot de uitvoering van het gemeentelijke beleid ten aanzien van de woonruimteverdeling, maar kan door het sluiten van een overeenkomst ook langs privaatrechtelijke weg uitvoering worden gegeven aan dat beleid. Aangezien bij het sluiten van het Convenant naast gemeenten en de stadsregio Amsterdam ook woningcorporaties zijn betrokken, is het Convenant naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een overeenkomst in de zin van artikel 4 van de Huisvestingswet.

5.6.

Het Convenant bepaalt dat de afdeling Indicaties van de Dienst WZS van verweerder beslist op aanvragen om een urgentieverklaring volgens de in het Convenant neergelegde voorschriften. Geschillen omtrent beslissingen van de afdeling Indicaties van de Dienst WZS worden behandeld door de KTCA. De uitspraken van de KTCA strekken op grond van artikel 7 van het Convenant de bij het Convenant betrokken partijen tot bindend advies. Deze wijze van behandeling van geschillen is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in overeenstemming met de in artikel 4, tweede lid, van de Huisvestingswet neergelegde vereisten. Uit de door verweerder gegeven toelichting kan worden afgeleid dat de gemeenten en de stadsregio met het Convenant hebben beoogd een privaatrechtelijk stelsel op te zetten voor het verstrekken van urgentieverklaringen. Uit de in de rechtsoverweging 5.2. weergegeven rechtspraak blijkt dat de Huisvestingswet een uitdrukkelijke grondslag biedt voor een dergelijk privaatrechtelijk stelsel.

5.7.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de gemeente Amsterdam een juridisch bijzonder ingewikkeld en voor de burger onbegrijpelijk systeem van deze aanvragen hanteert. De beslissing op de aanvraag van verzoeker van 5 februari 2013 van de afdeling Indicaties van de Dienst WZS is ondertekend namens verweerder, zoals het ook is geregeld in artikel 6 van het Convenant. Verweerder is echter onmiskenbaar een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Awb. Dat verweerder hier zou handelen als contractspartner ingevolge het Convenant maakt niet dat verweerder niet meer als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb kan worden aangemerkt. Voor de burger is niet kenbaar dat verweerder in de rol van ‘contractspartner’ opereert, met name ook omdat alles geschiedt op briefpapier van de gemeente Amsterdam. Dat hier de beslissingen op de aanvragen door verweerder worden genomen, is anders dan in de door verweerder aangegeven uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2011, waarbij de bevoegdheid op aanvragen te beslissen was neergelegd bij private stichtingen.

5.8.

Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij de beslissingen op de aanvragen om urgentieverklaringen geen gebruik maakt van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Dit volgt uit artikel 2, derde lid, van de Huisvestingsverordening, waarbij in afwijking van het tweede lid in de gemeente Amsterdam zelfstandige huurwoningen in eigendom van een corporatie die deelneemt aan het Convenant niet zijn aangewezen. In artikel 2, zesde lid, van de Huisvestingsverordening is voorts bepaald dat de paragrafen in de Huisvestingsverordening betreffende urgentieverlening niet van toepassing zijn. Gelet hierop bestaat sedert 1 januari 2013 niet langer een publiekrechtelijke grondslag voor de urgentieverlening. Ten aanzien van de beslissing van 5 februari 2013 is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het door verzoeker ingediende bezwaar zal door verweerder dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Om die reden zal het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dit connex wordt geacht aan het bezwaarschrift worden afgewezen.

5.9.

Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker, gericht tegen de beslissing van

5 februari 2013, als klacht doorgezonden aan de KTCA. Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de KTCA de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. De KTCA is geen bestuursorgaan maar een klachtencommissie, van wie de uitspraken gelden als bindend advies als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Huisvestingswet. De uitspraak van de KTCA is evenmin aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tenslotte staat artikel 9:3 van de Awb er aan in de weg om beroep tegen de uitkomst van een klachtbehandeling in te stellen. De bodemrechter zal dan ook onbevoegd zijn van het beroep tegen de uitspraak van 22 mei 2013 kennis te nemen en dit geldt ook voor de voorzieningenrechter. Om die reden kan geen voorziening worden getroffen. Dit is in de ogen van de voorzieningenrechter in het thans geldende systeem aan de burgerlijke rechter.

5.10.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

5.11.

De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht. Dat, zoals verzoeker heeft aangevoerd, met de uitspraak van de KTCA een formulier met een beroepsclausule is meegezonden acht de voorzieningenrechter, gelet op de inhoud van die uitspraak, onvoldoende voor het oordeel dat verzoeker zozeer op het verkeerde been is gezet dat daarin – ondanks afwijzing van het verzoek – grond zou zijn gelegen voor een proceskostenveroordeling van verweerder.

5.12.

Ten overvloede en dus niet bindend voor partijen wil de voorzieningenrechter het volgende opmerken. Zij geeft verweerder in overweging snel op het bezwaarschrift tegen het besluit van 5 februari 2013 te beslissen, teneinde het mogelijk te maken dat in de bestuurlijke kolom haar voorlopige oordeel, waartegen geen beroep openstaat, door de bodemrechter (tot in hoogste instantie) kan worden getoetst. Zij geeft verweerder voorts in overweging de aanvraagprocedure en artikel 6 van het Convenant zodanig aan te passen dat onmiskenbaar is dat de partijen bij het Convenant hebben beoogd dat de bevoegdheid om te beslissen op aanvragen om urgentieverklaringen berust bij een private partij. Dat laat onverlet dat de gemeente Amsterdam, vanwege haar deskundigheid, de uitvoering ter hand kan blijven nemen. Ten slotte wordt verweerder in overweging gegeven het briefpapier te wijzigen en de voorlichting aan de burger over de rechtsbescherming bij de aanvraagprocedure opnieuw vorm te geven. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de huidige vormgegeven aanvraagprocedures veel beroepen bij de bestuursrechter genereert, die daar in haar ogen niet thuishoren.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.

de griffier

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Coll: MvdV

D: B

SB