Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_2314
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van een Bbz aanvraag vindt geen vrijlating van het zogenaamde bescheiden vermogen (als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB) plaats. Vermogen dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf of beroep behoort tot de middelen die de zelfstandige dient aan te wenden om te voorzien in de kosten van bestaan en vormt als zodanig een beletsel voor bijstandsverlening.

Voorts wordt bij de vermogensvaststelling in het kader van het Bbz geen rekening gehouden met schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde mr. J.C. Walker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. M.M. Tjen A Kwoei).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand als zelfstandige voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig[betrokkene], de boekhouder van eiseres. Namens verweerder is niemand verschenen.

Overwegingen

1.1 Eiseres is werkzaam als zelfstandige. Zij oefent haar werkzaamheden uit via het eenmansbedrijf ‘[naam], dat sinds 2009 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Eiseres geeft onder andere[activiteit] en houdt zich bezig met[activiteit 1].

1.2 In verband met de verslechterde economische situatie van haar bedrijf heeft eiseres op 19 december 2012 een aanvraag ingediend voor een uitkering als zelfstandige op grond van de WWB en het Bbz om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres beschikt over voldoende middelen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, nu het saldo op de spaarrekening van haar minderjarige dochter [bedrag] bedraagt. Volgens verweerder kan eiseres, bij gebreke van objectief bewijs waaruit iets anders blijkt, vrijelijk beschikken over het spaargeld van de dochter van eiseres, zodat dit geld tot het vermogen van eiseres moet worden gerekend.

1.3 De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de bijstandsaanvraag van eiseres om de hiervoor genoemde reden kon afwijzen. De beoordelingsperiode die de rechtbank hierbij in acht neemt strekt zich uit over de periode van 19 december 2012, de aanvraagdatum, tot 14 januari 2013, de datum van het primaire besluit.

2.1 Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

2.2 Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt - voor zover van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2 (waartoe onder meer artikel 11 behoort), het gezin recht op algemene bijstand heeft indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

2.3 Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen: het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, is de vermogensgrens voor een alleenstaande € 11.590,--.



2.4 Op grond van artikel 78f van de WWB - voor zover hier van belang - worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal op grond van de Wet werk en bijstand aan zelfstandigen, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 58, 69, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1 van die wet. Deze algemene maatregel van bestuur is het Bbz.

2.5 Artikel 1, eerste lid, van het Bbz - voor zover hier van belang - bepaalt dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet werk en bijstand; (…)

h: totaal vermogen: het vermogen bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de wet zonder aftrek van de aanwezige schulden en zonder de in artikel 34, tweede lid, onderdelen a en e, van de wet bedoelde bezittingen in aanmerking te nemen;

i: eigen vermogen: het verschil tussen het totaal vermogen en de aanwezige schulden; (…).

2.6 Artikel 3, eerste lid, van het Bbz bepaalt - voor zover hier van belang - dat bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in de artikelen 12, 19, 21 en 22:

a. niet wordt verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 182.000,--;

b. indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 43.308,--, doch minder dan € 182.000,-- slechts wordt verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30 procent van het totaal vermogen.



2.7 Op grond van artikel 7 van het Bbz wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen, waaronder mede begrepen het vermogen verbonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.

3.1 Eiseres heeft aangevoerd dat het bedrag van[bedrag] niet in de weg staat aan bijstandsverlening. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bbz volgt immers dat pas bij een vermogen van meer dan € 182.000,-- geen bijstand om niet wordt verleend. Hieruit blijkt dat er bij een vermogen van minder dan € 182.000,-- geen belemmering kan zijn om in een zaak als de onderhavige bijstand te verlenen.

3.2 De rechtbank stelt - onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 22 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9323) en van 23 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY2390) - vast dat uit artikel 78f, eerste lid, van de WWB volgt dat de bepalingen van de WWB van toepassing zijn op een zelfstandige die algemene bijstand heeft aangevraagd, tenzij in het Bbz van die bepalingen is afgeweken. In artikel 78f, eerste lid, van de WWB is artikel 19 van de WWB niet genoemd als een WWB-artikel waarvan in het Bbz kan worden afgeweken. Dit betekent dat artikel 19 van de WWB (waarin staat dat het gezin recht heeft op algemene bijstand als er geen in aanmerking te nemen vermogen is) onverkort van toepassing is bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres. Anders dan eiseres meent, wordt in artikel 3 van het Bbz niet afgeweken van artikel 19 van de WWB, in die zin dat ook een zelfstandige die een in aanmerking te nemen vermogen heeft tot de in artikel 3 van het Bbz genoemde bedragen, recht zou hebben op bijstand. Artikel 3 van het Bbz bepaalt uitsluitend of de algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening na de definitieve vaststelling van het netto inkomen van de zelfstandige kan worden omgezet in bijstand om niet en bevat geen afzonderlijke regeling van vrij te laten vermogen voor zelfstandigen. Vermogen dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf of beroep behoort tot de middelen die de zelfstandige dient aan te wenden om te voorzien in de kosten van bestaan en vormt als zodanig een beletsel voor bijstandsverlening. De in artikel 3 van het Bbz genoemde grenzen betreffen het eigen vermogen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van het Bbz. Het eigen vermogen omvat meer dan het voor de toepassing van het Bbz in aanmerking te nemen vermogen. Gelet op het voorgaande faalt deze beroepsgrond van eiseres.


4.1 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het vermogen van
[bedrag] van haar minderjarige dochter is en niet van eiseres zelf. De dochter van eiseres heeft dit geld geërfd van haar oma. Verweerder kan niet van eiseres verwachten dat zij zich dit vermogen toe-eigent.

4.2 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres over het vermogen op de bankrekening van haar dochter kan beschikken. In artikel 34, eerste lid en onder a, van de WWB wordt gesproken van het vermogen als ‘de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt’. Onder het gezin wordt gelet op artikel 4, lid een en onder c, van de WWB verstaan de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende (minderjarige) kinderen. Gelet hierop heeft verweerder bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de aanvraag van eiseres om een uitkering als zelfstandige dus terecht het vermogen van de dochter van eiseres in aanmerking genomen. Dat in het Bbz niet van het gezin wordt gesproken, doet hieraan niet af, nu ten aanzien van dit punt in het Bbz niet uitdrukkelijk van de WWB is afgeweken. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond niet.


5.1 Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat uit het Bbz niet volgt dat er geen vrijstelling van het bescheiden vermogen plaatsvindt. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 22 januari 2013. Het vrij te laten vermogen, zoals neergelegd in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, van € 11.590,-- is dus ook bij de onderhavige aanvraag om een uitkering als zelfstandige van toepassing.

5.2 In de nota van toelichting bij het Bbz (het artikelsgewijze commentaar bij artikel 1 en bij artikel 7) staat dat er in het kader van een Bbz aanvraag geen vrijlating van het zogenaamde bescheiden vermogen plaatsvindt. Van de zelfstandige mag immers worden verwacht dat al het vermogen wordt ingezet voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep. Gelet hierop en gelet op rechtsoverweging 4.2.2 in de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 23 oktober 2012 komt de rechtbank tot de conclusie dat er - anders dan uit de uitspraak van de Raad van 22 januari 2013 mogelijk kan worden opgemaakt - in het Bbz is afgeweken van artikel 34 van de WWB, in die zin dat het vrij te laten vermogen (als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB) niet van toepassing is. Dit betekent dat al het vermogen dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf of beroep tot de middelen behoort die de zelfstandige dient aan te wenden om te voorzien in de kosten van bestaan. Al dit vermogen vormt dus een beletsel voor bijstandsverlening op grond van het Bbz. Ook deze beroepsgrond faalt daarom.

6.1 Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder bij de vermogensvaststelling rekening had moeten houden haar schulden. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar schulden stukken overgelegd.

6.2 De rechtbank stelt vast dat volgens artikel 1, eerste lid, van het Bbz onder het totale vermogen wordt verstaan het vermogen bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de WWB zonder aftrek van de aanwezige schulden. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de vermogensvaststelling in het kader van de aanvraag van eiseres om een uitkering als zelfstandige terecht geen rekening gehouden met de schulden van eiseres. Ook deze beroepsgrond faalt daarom.

7.1 Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder een exploitatiebegroting had moeten opmaken om te zien of haar vermogen voldoende is om haar bedrijf te kunnen voortzetten. Ter zitting is toegelicht dat met deze grond is bedoeld dat het zonder enige vermogensgrens niet duidelijk is, wanneer eiseres wel in aanmerking komt voor een uitkering als zelfstandige.

7.2 Nu de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 heeft geconcludeerd dat vermogen dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf of beroep, behoort tot de middelen die eiseres moet aanwenden om te voorzien in de kosten van bestaan alvorens zij in aanmerking kan komen voor een uitkering op grond van het Bbz, slaagt ook deze beroepsgrond van eiseres niet. Het is in dit kader aan eiseres - en niet aan verweerder - om duidelijk te maken welk deel van haar vermogen noodzakelijk is voor de uitoefening van haar bedrijf en om die reden op grond van artikel 7 van het Bbz niet wordt meegerekend met het voor het Bbz vast te stellen vermogen.

8.1 Gelet op het voorgaande - en nu niet is gebleken dat het vermogen van het gezin van eiseres behoort tot het voor de uitoefening van het bedrijf van eiseres noodzakelijke vermogen - heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het vermogen van[bedrag]

in de weg staat aan bijstandsverlening aan eiseres als zelfstandige. Verweerder kon de bijstandsaanvraag van eiseres dan ook afwijzen, omdat eiseres in de periode in geding niet verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

8.2 Gezien het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter,

in aanwezigheid van mr. A.V.A. Teggelaar, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2013

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB