Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
13/656652-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte schoot op 27 juni 2012 op het Amsterdamse Scheldeplein het slachtoffer driemaal in zijn lichaam. Evenals de officier van justitie vindt de rechtbank dat verdachte daarmee schuldig is aan poging tot moord.

Verdachte heeft gelegenheid gehad zich te beraden over zijn besluit om op het slachtoffer te schieten. De rechtbank neemt het verdachte, die al eerder tot een lange straf werd veroordeeld wegens een geweldsmisdrijf, zeer kwalijk dat hij geen inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen. Het slachtoffer overleefde de aanslag, maar liep een hoge dwarslaesie op waardoor hij de rest van zijn leven van zorg afhankelijk zal zijn.

Aan verdachte wordt twaalf jaar gevangenisstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/656652-12 (Promis)

Datum uitspraak: 5 september 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 22 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.B. Smit en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.L.M. Ficq, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 juni 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met (een) vuurwapen(s) in de richting van de personenauto (met kenteken [kenteken]), waarin die [slachtoffer] zich bevond, heeft/hebben gelopen en/of

- ( een) vuurwapen(s) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden op en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of

-met dat/die vuurwapen(s), meermalen, althans eenmaal in de rug en/of meermalen, althans eenmaal in de arm/schouder en/of meermalen, althans eenmaal, in de/het nek/hoofd, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten en/of

-daarbij (aan/tegen die [slachtoffer]) dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "zie je wel", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

(Artikel 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 27 juni 2012 vindt rond 02:00 uur een schietpartij plaats voor café [café] op het Scheldeplein te Amsterdam. De politie treft het slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), hangend in zijn gordel in een auto aan. In het ziekenhuis blijkt dat het slachtoffer door drie kogels is geraakt en dat hij door die schotverwondingen een hoge dwarslaesie heeft opgelopen.

Verdachte was in café [café] aanwezig samen met zijn tweelingbroer en andere personen. Daarnaast zijn twee handpalmafdrukken van verdachte aangetroffen op de auto waarin het slachtoffer werd beschoten.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verklaring van het slachtoffer dat hij door verdachte door het passagiersraam van de auto waarin hij zat, is beschoten, wordt onder meer ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1], door de handpalmafdrukken van verdachte die op de auto waarin het slachtoffer reed, zijn aangetroffen en door de camerabeelden van café [café], waarop is te zien dat NN1 – van wie verschillende verbalisanten hebben verklaard dat zij diegene herkennen als verdachte – vlak voor het schietincident naar buiten loopt, bij de auto van het slachtoffer staat voordat de auto naar voren schiet en vervolgens de rijbaan overloopt en niet meer terugkeert naar het café, aldus de officier van justitie.

Uit de uiterlijke verschijningsvormen, te weten het gericht met een vuurwapen van dichtbij iemand in de rug en nek schieten, kan worden afgeleid dat verdachte de opzet had om het slachtoffer te doden. Uit de verklaringen van het slachtoffer en getuige [getuige 1] omtrent eerder geuite bedreigingen door verdachte, blijkt dat verdachte al eerder, ruim voor het schietincident het idee had opgevat om het slachtoffer neer te schieten. Hierdoor kan, mede op basis van wat verdachte volgens het slachtoffer vlak voor het schieten zou hebben gezegd, te weten: “ik zei het je toch” of “zie je wel”, geconcludeerd worden dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Daarmee is sprake van voorbedachte raad en heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, aldus de officier van justitie.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het aan hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende bepleit.

Allereerst moet aan de eerst zeven weken na het voorval afgelegde verklaring van het slachtoffer, dat hij verdachte heeft zien schieten, worden getwijfeld, nu er teveel contra-indicaties zijn om er van uit te gaan dat het slachtoffer de schutter überhaupt heeft gezien, laat staan dat hij op dat moment een onderscheid kon maken tussen verdachte en zijn tweelingbroer. Toen aangever zijn verklaring aflegde, circuleerden de namen van verdachte en zijn tweelingbroer als mogelijke daders reeds op straat en op internet.

Nu ook op de camerabeelden niet is te zien wie heeft geschoten en ook niet kan worden vastgesteld of NN1 in het bezit is geweest van een wapen, kan niet worden vastgesteld dat NN1 heeft geschoten en is het zeer wel mogelijk dat derden niet op beeld staan terwijl die derden wel op het plaats delict aanwezig waren. Ook dient de belastende verklaring van getuige [getuige 1] van het bewijs te worden uitgesloten, nu die verklaring ongeloofwaardig is.

Indien de rechtbank echter vast zou stellen dat de schutter één van de tweelingbroers moet zijn geweest, dan kan niet worden bepaald of dit verdachte of zijn tweelingbroer [tweelingbroer verdachte] is geweest. De handpalmafdrukken zijn immers niet ‘gedateerd’ en kunnen ook zeer wel passen bij een onschuldscenario.

Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat indien de rechtbank meent te concluderen dat verdachte de schutter zou zijn geweest, de voorbedachte rade niet uit de bewijsmiddelen en/of andere feiten en/of omstandigheden kan worden afgeleid. De vaststelling van het door het slachtoffer beweerdelijk gezegde, te weten dat de schutter “zie je wel” zou hebben gezegd, zou niet automatisch tot een bewezenverklaring van de voorbedachte rade kunnen leiden, aldus de raadsvrouw.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is - anders dan de verdediging, maar met de officier van justitie – van oordeel dat op basis van de in de als bijlage I bijgevoegde bewijsmiddelen vervatte feiten en/of omstandigheden kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die door het passagiersraam van de auto waarin het slachtoffer zat, meerdere malen op het slachtoffer heeft geschoten en dat daarbij sprake was van voorbedachte raad. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.4.1.

Verdachte is de schutter

Op basis van de verklaring van getuige [getuige 2] en de verklaringen van de verbalisanten naar aanleiding van de foto’s van de camerabeelden van café [café] (hierna: het café), stelt de rechtbank vast dat verdachte op 27 juni 2012 direct voorafgaande aan de schietpartij, in gezelschap van zijn tweelingbroer, aanwezig was in en buiten voor het café. De tweelingbroers worden op de foto’s aangeduid als NN1 (verdachte) en NN4 ([tweelingbroer verdachte]). Door zes verbalisanten, waaronder politieagenten die in het verleden ambtshalve vaker met verdachte en zijn broer te maken hebben gehad, wordt daags na de schietpartij, nog voordat de naam van verdachte als mogelijke schutter door een getuige is genoemd, verdachte herkend in de persoon aangeduid als NN1.

Voorts is beschreven en ook waargenomen ter zitting door de rechtbank dat op de camerabeelden is te zien dat op 27 juni 2012 om 01.53.40 uur de auto van het slachtoffer op het Scheldeplein voor het café tot stilstand komt. Vervolgens is te zien dat de persoon aangeduid als NN1 om 01.54.07 uur achter NN2 aan het café uitloopt in de richting van de auto van het slachtoffer, dat NN1 om 01.54.15 uur in het midden aan de rechterzijde van de auto van het slachtoffer gaat staan, dat de auto vervolgens drie seconden later vooruit schiet en tot stilstand komt en dat NN1 hierna de rijbaan over rent, terwijl NN2 en NN3, die buiten stonden, het café weer binnenlopen.

Aan de hand van deze beelden gaat de rechtbank er vanuit dat het niet anders kan dan dat NN1 de schutter is geweest, nu in een zeer kort tijdsbestek van seconden NN1 rechts naast de auto staat wanneer deze auto vooruitschiet en tot stilstand komt, waarna vervolgens NN1 niet terugkeert naar het café, maar juist wegrent de rijbaan over.

De herkenning door verbalisanten van verdachte in NN1 en daarmee ook in de schutter, wordt in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van het slachtoffer zelf. Deze heeft immers verklaard dat verdachte hem heeft beschoten. Verdachte had daarbij volgens het slachtoffer ook nog gezegd: “zie je wel” of “ik zei het je toch”, hetgeen een verwijzing was naar een eerder dreigement dat verdachte tegenover het slachtoffer had geuit.

Dit eerder geuite dreigement van verdachte is ook door getuige [getuige 1] gehoord (“lood kop je niet terug”). Ook heeft het slachtoffer, toen ze hem bezocht na de schietpartij, haar verteld dat het verdachte was die op hem had geschoten. Tot slot heeft deze getuige verklaard van de vriendin van verdachte, [vriendin van verdachte], te hebben gehoord dat verdachte tegen haar, [vriendin van verdachte], had gezegd dat hij, verdachte, het slachtoffer in het hoofd had geschoten. Dit gesprek vond plaats op de eerstvolgende dag ná de schietpartij.

De rechtbank acht deze verklaringen van het slachtoffer en getuige voldoende betrouwbaar, waar ze gedetailleerd en consistent zijn afgelegd en op belangrijke onderdelen worden ondersteund door elkaar en door overige onderzoeksbevindingen. Dat het slachtoffer eerst na ruim zeven weken na het schietincident de naam van verdachte tegenover de politie heeft genoemd doet daar niet aan af. Dat er enige onduidelijkheid is over de meldingen die getuige [getuige 1] bij Meld Misdaad Anoniem beweerdelijk heeft gedaan, nu het aanvullende proces-verbaal hieromtrent die verklaring van deze getuige niet kan bevestigen, laat onverlet dat zij ook bij de rechter-commissaris, in bijzijn van de raadsvrouw van verdachte, stellig is blijven verklaren over het dreigement en hetgeen zij van het slachtoffer en van [vriendin van verdachte] had gehoord. De rechtbank ziet geen reden om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.

Tenslotte zijn de handpalmafdrukken van verdachte op de rechterzijde van de auto waarin het slachtoffer reed, aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat zijn handpalmafdrukken op de auto zijn gekomen bij een begroeting, anderhalve week voor het schietincident, van zijn buurjongen [buurjongen van verdachte] die toen bij het neefje van het slachtoffer, [neefje van slachtoffer], in die auto zat. Dit alternatieve scenario is echter door zowel [buurjongen van verdachte] als [neefje van slachtoffer] bij de rechter-commissaris weersproken. Immers heeft [buurjongen van verdachte] verklaard dat hij zich geen begroeting met verdachte kan herinneren en is het volgens [neefje van slachtoffer] onmogelijk dat [buurjongen van verdachte] en verdachte elkaar zouden hebben begroet op de wijze die verdachte heeft geschetst.  De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook niet aannemelijk en kennelijk ter bemanteling van de waarheid, namelijk dat verdachte bij gelegenheid van het schieten zijn hand op de auto heeft gelegd.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt doordat verdachte in het licht van het voorgaande niets heeft willen verklaren, anders dan de enkele opmerking dat hij niet de schutter is geweest.

4.4.2.

De voorbedachte raad

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. In zijn standaardarrest van 28 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012: BR2342) (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2012:BR2342&keyword=BR2342)heeft de Hoge Raad hierover nader uiteengezet dat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter gaat. Daarbij moet deze het gewicht bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De rechtbank komt - evenals de officier van justitie, maar anders dan de verdediging - tot de conclusie dat kan worden bewezen geacht dat van voorbedachte raad sprake is geweest. De rechtbank komt echter met betrekking tot de tijdspanne waarin verdachte zich had kunnen beraden tot een andere motivering dan de officier van justitie. De rechtbank overweegt ten aanzien van de voorbedachte raad als volgt.

Uit de verklaring van het slachtoffer en de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat er sprake was van een conflict tussen verdachte en het slachtoffer en dat verdachte het slachtoffer al eerder telefonisch had gedreigd hem te zullen doodschieten.

Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat hier sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer juist in de nacht van 27 juni 2012 te doden en de rechtbank gaat er vanuit dat het toeval was dat het slachtoffer die avond stopte bij het café waar verdachte aanwezig was.

Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en NN2 om 01.53.44 uur, nadat de auto van het slachtoffer om 01.53.40 uur voor het café tot stilstand kwam, vanuit het café naar buiten kijken en hierop van hun plek weglopen. Om 01.54.01 uur lopen verdachte en NN2 richting de uitgang van het café, waarop verdachte om 01.54.07 uur het café uitloopt in de richting van de auto van het slachtoffer. Om 01.54.15 staat verdachte aan de rechterzijde van de auto en drie seconden later schiet de auto naar voren.

Op het moment dat verdachte het slachtoffer ziet, deed zich kennelijk voor verdachte bij toeval de mogelijkheid voor om zijn eerder geuite bedreigingen tenuitvoer te leggen. Verdachte loopt vervolgens rustig en resoluut het café uit, gaat naar de auto, waarop hij vrijwel direct, zodra hij bij de auto stilstaat, driemaal op het slachtoffer schiet, nadat hij tegen het slachtoffer heeft gezegd: “Ik zei het je toch” of “zie je wel”.

De rechtbank houdt het er dan ook op dat op het moment dat verdachte de auto van het slachtoffer waarnam door verdachte het besluit werd genomen om het slachtoffer van het leven te beroven conform zijn eerder geuite bedreiging. Vanaf dat moment had verdachte gedurende een tijdsbestek van een halve minuut en gelet op de afstand die hij richting het slachtoffer moest afleggen, voldoende tijd en gelegenheid zich te beraden op dat besluit, hetgeen hij niet heeft gedaan. Alhoewel deze tijdspanne van een halve minuut tussen besluit en uitvoering kort is te noemen, was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd voor reflectie. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is dan ook geen sprake.

Gelet op het voorgaande en op de inhoud van de in de bijlage I vermelde bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage I vervatte bewijsmiddelen en hetgeen in rubriek 4.4 is overwogen bewezen dat verdachte

op 27 juni 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een vuurwapen in de richting van de personenauto met kenteken [kenteken], waarin die [slachtoffer] zich bevond, is gelopen en

- met dat vuurwapen, meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en

- daarbij tegen die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "zie je wel", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte poging tot moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uigelaten over de door de officier van justitie gevorderde straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft opzettelijk en met voorbedachte raad de toen nog maar 25 jarige, [slachtoffer] op een uiterst laffe manier gepoogd om het leven te brengen, door drie kogels op hem af te vuren op het moment dat hij weerloos in zijn auto zat. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan poging tot moord op een jongeman die in de bloei van zijn leven was.

De gevolgen voor en de impact op het slachtoffer en zijn naaste omgeving zijn zeer groot. Het slachtoffer heeft ten gevolge van de schotverwonding in zijn nek een traumatische dwarslaesie opgelopen, waarbij hij een verlamming heeft van zijn armen, romp en zijn benen en zijn er gevoelsstoornissen vanaf zijn nek tot aan zijn tenen. Hierdoor kan het slachtoffer niet meer lopen. Daarnaast is er sprake van spasticiteit en pijn waarvoor het slachtoffer wordt behandeld met medicatie. Als gevolg van de dwarslaesie zal het slachtoffer volledig afhankelijk blijven van een ander, zoals voor zijn zelfverzorging, zijn mobiliteit en zijn sociaal maatschappelijk functioneren. Het slachtoffer is volledig rolstoelgebonden en er wordt niet verwacht dat dit in de toekomst zal veranderen.

Een feit als dit, begaan op de openbare weg, draagt bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter.

Verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor zijn daad genomen door zich op het zwijgrecht te beroepen. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de veiligheid en gezondheid van anderen. Verdachte heeft de opzet gehad het slachtoffer te doden. Dit is niet gelukt, maar verdachte heeft van het slachtoffer wel de kwaliteit van het leven ontnomen.

Vanzelfsprekend is een langdurige gevangenisstraf geboden. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op rechterlijke uitspraken in soortgelijke zaken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het hem betreffend uitreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten en waarvoor verdachte een langdurige gevangenisstraf heet uitgezeten.

Gelet op het hiervoor genoemde is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de wandaad van verdachte.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Inleiding

[slachtoffer] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 133.937,35 gevorderd. De rechtbank begrijpt hieruit dat de benadeelde partij zich voor een deel van deze vordering in dit strafproces heeft gevoegd, onder voorbehoud van het recht het restant bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het gehele gevorderde bedrag aan de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerden met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu de verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 133.937,35 (honderddrieendertigduizend negenhonderdzevenendertig euro en vijfendertig cent), bestaande uit een bedrag van € 125.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 juni 2012) tot aan de dag van algehele voldoening, een bedrag van € 6.095,35 aan materiële schade en een bedrag van € 2.842,-- aan de kosten rechtsbijstand. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd, met uitzondering van de kosten rechtsbijstand.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer], bij wijze van voorschot toe tot € 133.937,35 (honderddrieendertigduizend negenhonderdzevenendertig euro en vijfendertig cent), bestaande uit een bedrag van € 125.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, een bedrag van € 6.095,35 aan materiële schade en een bedrag van € 2.842,-- aan de kosten rechtsbijstand.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 131.095,35 (honderdeenendertigduizend vijfennegentig euro en vijfendertig cent) te betalen, bestaande uit een bedrag van € 125.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, een bedrag van

€ 6.095,35 aan materiële schade bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 365 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en P. Sloot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Zuithoff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2013.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.