Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5544

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
parketnummer 13-676785-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval [restaurant]. Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor medeplegen diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/676785-12

13MAVERICK

Datum uitspraak: 4 september 2013

Op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting, het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats].

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 21, 22, 23 mei 2013, 13, 14 en 21 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door officieren van justitie mrs. M.L.A. ter Veer en N.M. Lemmers en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. M.M.J. Nuijten en A. Çimen, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd - na wijziging op de ter terechtzitting van 21 mei 2013- dat

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2012 te Amsterdam (in het [restaurant] restaurant, gevestigd [adres 1]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 3800 euro en/of een geldbedrag van 500 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [restaurant] en/of [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [B] en/of [C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [B] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 3800 euro en/of een geldbedrag van 500 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [restaurant] en/of [A], in elk geval aan (een)ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met een bivakmuts en/of een sjaal over hun/zijn hoofd en/of gezicht)

- (met kracht) (meermalen) (met een (nep)vuurwapen) slaan en/of stompen in/tegen het gezicht, althans het hoofd van die [B] en/of

- dreigend tonen en/of voorhouden van een of meer vuurwapen(s), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), aan die [B] en/of die [C] en/of

- (daarbij) aan die [B] ( op dreigende toon) toevoegen de woorden: "Lopen G, lopen" en/of "Ga naar de kluis, ga naar de kluis" en/of "Schiet op, doe snel, doe snel, je hebt een minuut" en/of "Papiergeld, waar is het papiergeld"

en/of

- het vastbinden van de handen van die [C];

2.

hij op of omstreeks 01 mei 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een wapen van categorie I onder 7 te weten een nabootsing van een Scorpion [nummer], zijnde een voorwerp dat/die voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor een ontploffing bestemde voorwerp voorhanden heeft/hebben gehad.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 1 mei 2012 te Amsterdam in het [restaurant] restaurant, gevestigd [adres 1], tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [restaurant], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [B] en [C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het met een bivakmuts en een sjaal over hun hoofd en/of gezicht

- met kracht met een nepvuurwapen slaan en stompen tegen het hoofd van die [B] en

- dreigend tonen en voorhouden van vuurwapens, althans op vuurwapen gelijkend voorwerpen, aan die [B] en die Karrim en

- daarbij aan die [B] op dreigende toon toevoegen de woorden: "Lopen G, lopen" en "Ga naar de kluis, ga naar de kluis" en "Schiet op, doe snel, doe snel, je hebt een minuut" en "Papiergeld, waar is het papiergeld" en

- het vastbinden van de handen van die [C];

2.

op 1 mei 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie I onder 7 te weten een nabootsing van een Scorpion [nummer], zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en met een voor een ontploffing bestemde voorwerp, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

Het openbaar ministerie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Vervolgens heeft het openbaar ministerie gevorderd om volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen met daarbij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Bij de strafoplegging wil de rechtbank – anders dan de officieren van justitie – ten voordele van verdachte rekening houden met zijn leeftijd. Ten tijde van het feit was verdachte 19 jaar.

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de geestelijke ontwikkeling van jeugdigen niet stopt bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar en dat wezenlijke ontwikkelingen juist daarna plaatsvinden. De nog onvoltooide emotionele, sociale, morele en intellectuele ontwikkeling vormt mede oorzaak van de omstandigheid dat een groot deel van de (jeugd)criminaliteit optreedt tijdens de adolescentie, maar ook eindigt vóór het 23ste levensjaar. Verdachte is in belangrijke mate meegelopen met een groep, was zeer beïnvloedbaar en heeft de impact en de gevolgen van zijn handelen onvoldoende kunnen overzien.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders op geraffineerde en gewelddadige wijze een overval gepleegd op een fastfoodrestaurant. Bij de overval is gebruik gemaakt van (nep)wapens, waarmee is geslagen en bedreigd en waarbij de overvallers zich hadden vermomd. Terwijl de slachtoffers voortdurend onder schot werden gehouden en één van de slachtoffers met tie wraps werd vastgebonden, hebben verdachte en de mededaders een geldbedrag buitgemaakt. De bij het voorval betrokken slachtoffers hebben tengevolge van deze handelwijze psychisch nadeel ondervonden. Bovendien hebben verdachte en zijn mededaders bijgedragen aan vergroting van de reeds in de maatschappij bestaande gevoelens van onveiligheid en onrust.

Voorts is verdachte samen met zijn mededaders in het ongecontroleerd bezit geweest van een nepwapen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

1 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank voor een first offender in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar geïndiceerd.

Anderzijds heeft de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte betrokken dat hij nog jong was toen de feiten werden gepleegd, openheid van zaken heeft gegeven en oprecht spijt heeft betuigd. Ook heeft verdachte ter terechtzitting invoelbaar blijk gegeven van inzicht in de ernst van het gebeuren en de gevolgen voor de slachtoffers. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 januari 2013, opgemaakt door reclasseringswerker [D], waarin onder meer is gesteld dat het recidiverisico als laag gemiddeld wordt ingeschat en dat verdachte over voldoende probleembesef en zelfinzicht lijkt te beschikken.

Daarenboven houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening met artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [B]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [B] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: diefstal met geweld strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) rechtstreeks schade heeft geleden. Het gaat dan om de gevraagde vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank acht het gelet op de algemene ervaringsregels zeer aannemelijk dat de benadeelde partij psychisch nadeel heeft ondervonden door de diefstal met geweld, zodat een vergoeding daarvoor redelijk en billijk is. Echter, nu een nadere onderbouwing ontbreekt, zal de rechtbank de schade lager waarderen dan de gevorderde € 5.500,--.

De rechtbank waardeert de immateriële schade op € 1.500,-- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 mei 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld om dat bedrag te betalen aan [B].

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [B] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [C]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [C], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: diefstal met geweld strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) rechtstreeks schade heeft geleden. Het gaat dan om de gevraagde vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank acht het gelet op de algemene ervaringsregels zeer aannemelijk dat de benadeelde partij psychisch nadeel heeft ondervonden door de diefstal met geweld, zodat een vergoeding daarvoor redelijk en billijk is. Echter, nu een nadere onderbouwing ontbreekt, zal de rechtbank de schade lager waarderen dan de gevorderde € 4.000,--.

De rechtbank waardeert dit deel op € 1.000,-- (duizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 mei 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld om dat bedrag te betalen aan [C].

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [C] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36 Sr) aan verdachte opgelegd.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [A]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [A] (een privé portemonnee met daarin € 500,--) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan de vordering alleen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [B] toe tot een bedrag van € 1.500,-- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [B] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [B], te betalen de som van € 1.500,-- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [B] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [C] toe tot een bedrag van € 1.000,-- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [C] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [C], te betalen de som van € 1.000,-- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [C] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Verklaart de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.I. Heyning, voorzitter,

mrs. A.J. Wesdorp en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. P. Tanis en A.C. Hofstra, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2013.