Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
C-13-527422 - HA ZA 12-1214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, vermindering aantal parkeerplaatsen als gevolg van herinrichting straat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/527422 / HA ZA 12-1214

Vonnis van 11 september 2013

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

5. [eiser 5],

6. [eiser 6],

7. [eiser 7],

8. [eiser 8],

9. [eiser 9],

10. [eiser 10],

11. [eiser 11],

12. [eiser 12],

13. [eiser 13],

14. [eiser 14],

15. [eiser 15],

16. [eiser 16],

17. [eiser 17],

18. [eiser 18],

19. [eiser 19].

20. [eiser 20],

21. [eiser 21],

22. [eiser 22],

23. [eiser 23],

24. [eiser 24],

25. [eiser 25],

26. [eiser 26],

27. [eiser 27].

28. [eiser 28],

29. [eiser 29],

allen wonende te [woonplaats 1],

eisers,

advocaat: mr. S. Levelt te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WEESP,

zetelend te Weesp,

gedaagde,

advocaat: mr. I.O. den Hollander te Amsterdam.

Eisers zullen hierna in mannelijk enkelvoud worden aangeduid als [eisers] Gedaagde zal hierna worden aangeduid als de Gemeente.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 oktober 2012;

  • -

    de akte houdende inventaris van producties behorende bij dagvaarding, van 31 oktober 2012, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 9 januari 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 maart 2013, met de daarin vermelde stukken;

  • -

    het faxbericht van 21 maart 2013 van mr. Levelt, betreffende de inhoud van het proces-verbaal van comparitie;

  • -

    de twee brieven van 27 maart 2013 van mr. Den Hollander betreffende de inhoud van het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] zijn de bewoners van [straatnaam 1] (hierna: [straatnaam 1]).

2.2.

De gemeenteraad van de Gemeente heeft op 14 december 2000 het Categoriseringsplan Wegen (hierna: het Categoriseringsplan) vastgesteld. In het Categoriseringsplan is per deelgebied van de gemeente Weesp een inrichtingsplan vastgesteld. In het Categoriseringsplan is per deelgebied bepaald dat – met uitzondering van de industrieterreinen – in vrijwel de gehele bebouwde kom een snelheidsregime van 30 km/uur van toepassing zal zijn. Op grond van het Categoriseringsplan zou ook voor [straatnaam 1] een snelheidsregime van 30 km/uur gaan gelden.

2.3.

De Gemeente heeft in mei 2007 de Parkeernota Weesp (hierna: de Parkeernota) vastgesteld. De Parkeernota vermeldt, voor zover hier van belang:

Aanleiding

(…)

Bij een toenemende druk op de schaarse ruimte is een sturend parkeerbeleid gewenst: het gemeentebestuur moet regulerend optreden om recht te doen aan alle belangen waarmee het te maken heeft. Er moeten prioriteiten worden gesteld omdat niet meer aan alle latente parkeerbehoefte tegemoet kan worden gekomen. Door middel van deze beleidsnota geeft het gemeentebestuur invulling aan deze opdracht.

(…)

2.3

Toetsingscriteria

De hiervoor beschreven algemene doelstellingen zijn concreet vertaald naar toetsingscriteria, die het realiseren van de doelstellingen meetbaar maken. Deze zijn per deelgebied uitgewerkt waarbij in zijn algemeenheid het streven is om in 95% van alle dagen in het jaar te voldoen aan deze criteria.

(…)

Centrumgebied: (rechtbank: waartoe [straatnaam 1] behoort)

● Parkeerdruk voor gemiddelde maatgevende perioden maximaal rond 85%, voor piekmomenten (…) mag deze oplopen tot max. 90%.

(…)

● Bewoners kunnen binnen een loopafstand van ongeveer 150 meter van hun woonadres een parkeerplaats vinden.

(…)

6.1

Toepassen van parkeernormen

Om bij toekomstige ontwikkelingen de juiste parkeersituatie te creëren is het voor de gemeente Weesp van belang om de juiste parkeernormen te hanteren voor verschillende gebieden en functies. Om te komen tot deze parkeernormen zijn de volgende uitgangspunten van belang:

(…)

● De huidig gemeten parkeerdruk in het centrumgebied;

● Het aantal openbare parkeerplaatsen per woning in het centrumgebied varieert huidig tussen de 0,8 tot 1,0;

● Het aantal openbare parkeerplaaten per woning in de overige gebieden varieert huidig tussen de 1,0 tot 1,1;

● De verwachte toekomstige ontwikkelingen en daarmee gepaard gaande toename van de parkeerdruk in diverse gebieden.

Op basis van de genoemde uitgangspunten, worden bij nieuwbouw, verbouw of functiewijziging de volgende parkeernormen gehanteerd:

Functie

Centrumgebied

Overige gebieden

Woningen

(…)

(…)

(…)

- midden

1,3 pp/won

1,8 pp/won

Het aan de Parkeernota ten grondslag liggende onderzoek (uitgevoerd in 2007) vermeldde dat er in [straatnaam 1] 24 parkeerplaatsen beschikbaar waren.

2.4.

Het college van B&W van de Gemeente (hierna: het college van B&W) heeft op 29 september 2009 ingestemd met het Projectplan [naam project] (hierna: het Projectplan). De in het Projectplan geformuleerde doelstelling was het verbeteren van de verkeersveiligheid en leefbaarheid van de [straatnaam 2] door herinrichting daarvan.

2.5.

Het college van B&W heeft op 21 februari 2012 [straatnaam 1] toegevoegd aan het definitief ontwerp voor het Projectplan.

2.6.

Werkzaamheden voor de herinrichting van [straatnaam 1] (hierna: de herinrichting) zijn op 10 april 2012 aangevangen. De werkzaamheden hielden in (onder meer) een aanpassing van de breedte van de trottoirs en het aanleggen van langsparkeervakken.

2.7.

Voor de herinrichting plaatsten de bewoners van [straatnaam 1] hun voertuigen met twee banden op de trottoirs aan weerzijden van de rijbaan. Hierdoor konden in [straatnaam 1] 24 voertuigen parkeren. Na de herinrichting bestonden 14 parkeerplaatsen, bestaande uit langsparkeervakken aan één zijde van de rijbaan.

2.8.

Het college van B&W heeft op 4 oktober 2012 en 5 oktober 2012 verkeersbesluiten genomen met betrekking tot [straatnaam 1]. De besluiten hielden in het instellen van eenrichtingsverkeer in de straat, het instellen van een maximumsnelheid van 30 km/uur en het instellen van een parkeerverbodzone. [eisers] heeft bezwaar gemaakt tegen de genomen besluiten. Ten tijde van de comparitie van partijen was nog niet op het bezwaar van [eisers] beslist.

2.9.

[eisers] en de Gemeente hebben met elkaar gesproken over de bezwaren van [eisers] tegen het verminderde aantal parkeerplaatsen in de straat.

De gesprekken hebben niet tot een vergelijk geleid.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert – samengevat – veroordeling van de Gemeente bij vonnis, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad:

1. tot wijziging van de huidige inrichting van [straatnaam 1], zodanig dat daarin wordt voorzien in tenminste 24 parkeerplaatsen in de openbare ruimte;

2. tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade, op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente;

3. tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van EUR 904,--, vermeerderd met wettelijke rente;

4. in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vorderingen ten grondslag, dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door bij (de voorbereiding van) het besluit tot herinrichting van [straatnaam 1] meerdere bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in acht te nemen. De Gemeente moet de inrichting van de straat daarom zodanig wijzigen, dat weer 24 parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn. [eisers] stelt verder als gevolg van de schending van de wettelijke bepalingen door de Gemeente schade te hebben geleden, die de Gemeente aan hem dient te vergoeden. Verder heeft [eisers] buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, die hij – overeenkomstig het rapport Voorwerk II – begroot op EUR 904,--.

3.3.

De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of de Gemeente bij (de voorbereiding van) het besluit tot herinrichting van [straatnaam 1] de (hierna te bespreken) door [eisers] ingeroepen bepalingen van de Awb niet in acht heeft genomen en daarmee onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld.

4.2.

De Gemeente wordt niet gevolgd in haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van [eisers] in deze procedure.

Kort gezegd heeft de Gemeente aan dit verweer ten grondslag gelegd, dat [eisers] bezwaar heeft gemaakt tegen de verkeersbesluiten van 4 oktober 2012 en het verkeersbesluit van 5 oktober 2012. Daarbij heeft hij aangevoerd dat, als gevolg van het verkeerbesluit tot een parkeerverbod, het aantal parkeerplaatsen afneemt. Volgens de Gemeente staat tegen de beslissing op het bezwaar een administratiefrechtelijke rechtsgang open, waarbij tevens kan worden beslist op de bezwaren betreffende de vermindering van het aantal parkeerplaatsen.

De Gemeente gaat er echter ten onrechte aan voorbij dat de vordering van [eisers] niet is gebaseerd op voormelde verkeersbesluiten, maar op de beslissing van 21 februari 2012 tot toevoeging van [straatnaam 1] aan het Projectplan en de daarop gevolgde feitelijk herinrichting. De Gemeente heeft niet gesteld, noch is dit gebleken, dat voor [eisers] tegen die beslissing een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang open staat. Daarbij komt dat, zo de bestuursrechter het parkeerverbod vernietigt, dit naar het oordeel van de rechtbank niet het door [eisers] gewenste resultaat zal hebben. Het aantal parkeerplaatsen in de straat neemt daardoor immers niet toe. [eisers] is dan ook ontvankelijk in zijn op onrechtmatige daad gestoelde vordering voor de rechtbank.

4.3.

Volgens [eisers] heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld door geen onderzoek te doen naar de effecten van (naar de rechtbank begrijpt) haar beslissing tot herinrichting van [straatnaam 1] en niet of niet tijdig overleg te voeren over de herinrichting van de straat met de direct betrokkenen, in casu [eisers] Daarmee heeft de Gemeente bij de voorbereiding van het besluit tot herinrichting nagelaten de nodige kennis te vergaren met betrekking tot de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:1 lid 2 Awb jo. artikel 3:2 Awb). Verder is, volgens [eisers], de beslissing tot herinrichting niet deugdelijk gemotiveerd, en heeft de Gemeente de betrokken belangen niet afgewogen met inachtneming van de Parkeernota (artikel 3:1 lid 2 Awb jo. artikel 3:4 Awb). Bij inachtneming van voormelde bepalingen zou de Gemeente niet in redelijkheid tot de door haar voorgestane wijze van herinrichting kunnen komen. Daarnaast zijn de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig, in verhouding tot de met de beslissing te dienen doelen, aldus [eisers] Tot slot (subsidiair) stelt [eisers] dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, doordat zij geen compensatie heeft aangeboden voor het nadeel dat [eisers] lijdt (naar de rechtbank begrijpt) door de vermindering van het aantal parkeerplaatsen.

4.4.

Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat de beslissing tot toevoeging van [straatnaam 1] aan het Projectplan en daarmee tot herinrichting van de straat, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb. De beslissing heeft immers geen publiekrechtelijk rechtsgevolg. De afdeling van de Awb betreffende de zorgvuldigheid en belangenafweging (afdeling 3.2 Awb), op de bepalingen van welke afdeling [eisers] zich beroept, is echter ook op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten in de zin van de Awb van toepassing, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet (artikel 3:1 lid 2 Awb). Nu is gesteld noch gebleken dat de aard van het handelen van de Gemeente zich verzet tegen toepassing van afdeling 3.2 Awb kan ook hier aan die bepalingen worden getoetst.

4.5.

Verder wordt vooropgesteld, dat de Gemeente bij het herinrichten van de openbare ruimte, zoals in het onderhavig geval aan de orde, beleidsvrijheid toekomt. Bij het herinrichten van die openbare ruimte dient de Gemeente rekening te houden met de verschillende (vaak ook tegenstrijdige) belangen die daarbij in het geding kunnen zijn (artikel 3:4 lid 1 Awb). In dit geval betreft dit het belang van [eisers] bij een parkeerplaats voor de deur tegenover het belang van de weggebruikers (waaronder begrepen de gebruikers van de trottoirs) bij een goede verkeersveiligheid. Bij die afweging geldt dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van de beslissing tot herinrichting niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met de beslissing tot herinrichting te dienen doelen (artikel 3:4 lid 2 Awb). Het is aan de Gemeente om alle verschillende betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter toetst marginaal, dat wil zeggen of de Gemeente in redelijkheid tot haar beslissing tot herinrichting heeft kunnen komen.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Gemeente, in tegenstelling tot hetgeen [eisers] heeft betoogd, wel degelijk de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het in 2007 en 2012 verrichte onderzoek had tot doel om inzichtelijk te maken wat de omvang was van de parkeerdruk in de verschillende deelgebieden en het aantal parkeerplaatsen in de deelgebieden. De onderzoeksresultaten hebben dat inzicht verschaft. Met het in 2012 uitgevoerde onderzoek heeft de Gemeente – zoals zij onbetwist heeft aangevoerd – onderzocht of de herinrichting en de in te stellen parkeerverbodzone gevolgen zouden hebben voor de in 2007 vastgestelde parkeercapaciteit. Dat de verrichte onderzoeken onjuist zijn uitgevoerd of dat daaraan onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen is niet gebleken, zodat er van moet worden uitgegaan dat deze deugen.

4.7.

Het verwijt van [eisers], dat de Gemeente de belangen van [eisers] niet met inachtneming van de Parkeernota heeft afgewogen, treft evenmin doel. De Gemeente heeft gemotiveerd gesteld dat de herinrichting een uitwerking is van het vastgestelde Categoriseringsplan en dat zij in dat kader de belangen heeft afgewogen op basis van het onderzoek uit 2007 (opgenomen in de Parkeernota) en het nader onderzoek uit 2012. De Gemeente heeft verder naar voren gebracht dat zij een einde wilde maken aan het parkeren op de trottoirs (hetgeen wettelijk verboden is) en dat zij de rijweg wilde vrijmaken van obstakels. Zij heeft daarbij het belang van de verkeersveiligheid bij een vrije doorgang op de weg en de trottoirs groter geacht dan het direct voor de deur kunnen parkeren door de direct omwonenden. Daarbij komt, volgens de Gemeente, dat – uitgaande van het uitgangspunt dat een bewoner binnen 150 meter van zijn woning een parkeerplaats moet kunnen vinden – het aantal parkeerplaatsen in het deelgebied niet is afgenomen.

Hetgeen [eisers] tegen het verweer van de Gemeente heeft ingebracht overtuigt niet. Anders dan [eisers] heeft gesteld kan niet zonder meer worden uitgegaan van een norm van 1,3 parkeerplaats per woning (genoemd in de Parkeernota, zie hiervoor onder 2.3) in [straatnaam 1]. Uit de Parkeernota volgt allereerst dat deze norm niet per straat, maar per gebied geldt. Verder heeft de Gemeente aangevoerd dat toepassing van de norm alleen aan de orde is bij nieuwbouw, verbouw of functiewijziging, waarvan volgens haar bij de herinrichting van de weg geen sprake is. [eisers] heeft nog gesteld dat wel sprake is van een functiewijziging, maar hierin volgt de rechtbank hem niet. Gelet op de formulering in de Parkeernota (zie hiervoor onder 2.3) moet naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van een functiewijziging in het gebruik van (een deel van) de bebouwing in het gebied en niet van (een deel van) een weg, zoals door [eisers] gesteld. Functiewijziging van het (deel)gebied waartoe [straatnaam 1] behoort is niet aan de orde. [eisers] wordt tot slot niet gevolgd in zijn stelling dat bij de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen het uitgangspunt dat een bewoner binnen 150 meter van zijn woonadres een parkeerplaats kan vinden niet zou gelden. Uit de Parkeernota blijkt dat dit uitgangspunt deel is van de toetsingscriteria die worden toegepast bij de formulering van het parkeerbeleid. Niet valt in te zien waarom dit uitgangspunt in het onderhavige geval niet van toepassing zou zijn. Dat het aantal parkeerplaatsen in het gebied ook bij toepassing van voormeld uitgangspunt onvoldoende is, heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd.

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente in redelijkheid tot de door haar voorgestane wijze van herinrichting van [straatnaam 1] heeft kunnen beslissen. Daaraan doet niet af dat volgens [eisers] ook een alternatieve wijze van herinrichting mogelijk is. Bij iedere beslissing waarbij tegenstrijdige belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen zal ook steeds een andere keuze mogelijk zijn. Dat maakt echter nog niet dat de Gemeente in dit geval in redelijkheid niet tot de door haar genomen beslissing heeft kunnen komen.

4.9.

Ook het beroep op het motiveringsbeginsel slaagt niet. Nog daargelaten dat de beslissing tot herinrichting van [straatnaam 1] geen besluit is in de zin van de Awb, en afdeling 3.7 Awb daarop dus niet zonder meer van toepassing is, geldt dat de Gemeente in de gesprekken met [eisers] - waarvan [eisers] gespreksverslagen in het geding heeft gebracht - en ook in deze procedure haar beslissing op afdoende wijze heeft gemotiveerd. Dat [eisers] het met de beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motieven niet eens is maakt een en ander niet anders.

4.10.

[eisers] heeft nog gesteld dat de nadelige gevolgen van de beslissing tot herinrichting onevenredig zijn ten opzichte van de met de beslissing beoogde doelen. [eisers] heeft echter geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die dat oordeel kunnen schragen. Anders dan het ongemak van het bij tijd en wijle missen van een parkeerplaats voor de deur heeft [eisers] verzuimd te stellen welk concreet nadeel hij ondervindt en waarom dat nadeel onevenredig groot zou zijn. Hij heeft in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan. Als gevolg hiervan faalt ook het beroep van [eisers] op het ontbreken van een nadeelcompensatie, nu niet kan worden geoordeeld dat [eisers] onevenredig is benadeeld.

4.11.

De slotconclusie is dat de Gemeente niet onrechtmatig tegenover [eisers] heeft gehandeld. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Dit oordeel wordt niet anders doordat de Gemeente, zoals zij heeft erkend, [eisers] niet al in een eerder stadium van de (beslissing tot) herinrichting heeft geïnformeerd of met hem overleg heeft gehad. Hoewel het wellicht beter ware geweest indien de omwonenden direct zouden zijn betrokken, heeft de Gemeente blijkens de overgelegde gespreksverslagen in een later stadium wel degelijk de nodige moeite genomen om de omwonenden van [straatnaam 1] te informeren en zo mogelijk bij de besluitvorming te betrekken. Onder deze omstandigheden moet er van worden uitgegaan dat, zoals de Gemeente terecht heeft gesteld, ook een eerdere consultatie van de omwonenden niet tot een andere beslissing van de Gemeente zou hebben geleid.

4.12.

[eisers] heeft tot slot verzocht de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, omdat zij pas in de onderhavige procedure met een betere motivering van haar beslissing is gekomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de Gemeente in deze geen verwijt kan worden gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel, dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

[eisers] wordt derhalve, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van de Gemeente begroot op EUR 575,-- aan verschotten en op EUR 904,-- (2 punten x tarief EUR 452,--) aan salaris advocaat.

4.13.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op hetgeen is geoordeeld, geen beoordeling.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op EUR 1.479,--;

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.1

1 type: ERM