Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
23-08-2013
Zaaknummer
13.778/541101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en uithuisplaatsing (MUHP) van minderjarigen die door moeder - zonder toestemming van Bureau Jeugdzorg - in het buitenland (België en/of Dominicaanse Republiek) zijn ondergebracht. Bevoegdheid Nederlandse rechter op grond van art. 10 Verordening Brussel II-bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 13.778/541101

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van de namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, ingediende verzoeken door de William Schrikker Groep,

hierna ook te noemen: de WSG,

met betrekking tot de minderjarigen:

[kind 1] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 2002;

[kind 2] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 2006, en

[kind 3] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 2007.

[moeder] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, is de moeder.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

Als belanghebbende is aangemerkt: de moeder.

1 Verloop van de procedure

Op 2 mei 2013 heeft de WSG een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waaronder het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de duur van een jaar.

Tevens verzoekt de WSG verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen voor verblijf bij een pleegouder voor de duur van een jaar.

Twee indicatiebesluiten en een verwijzing zijn ingediend, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Op 26 juni 2013 heeft de kinderrechter ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord is:

- mw. [A] namens de WSG.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.

2 Beoordeling van het verzochte

De bevoegdheid

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bevoegdheid als volgt.

De minderjarigen zijn geboren in Amsterdam en hebben daar tot december 2012 gewoond. De moeder, die zelf de Nederlandse nationaliteit en de nationaliteit van de Dominicaanse republiek heeft, woont sedert 1986 in Amsterdam. Op 22 oktober 2012 is zij uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie wegens “emigratie”.

De minderjarigen zijn vanaf 2 juli 2012 (op grond van een machtiging in het kader van de ondertoezichtstelling) uit huis geplaatst bij een pleegmoeder (netwerk) in Amsterdam. De moeder heeft de kinderen in december 2012 na afloop van een omgangsbezoek, niet bij de pleegmoeder terug gebracht. De WSG heeft aangifte van vermissing van de kinderen gedaan, waarna de Centrale Autoriteit in Den Haag is ingeschakeld. In januari 2013 is bekend geworden dat de moeder en de kinderen in België wonen en op school zitten. Thans is de WSG bezig om een sociaal leefomstandighedenonderzoek te doen naar het gezin en indien het niet goed blijkt te gaan met de kinderen in België overweegt de WSG om een teruggeleidingverzoek te doen. Inmiddels blijkt de moeder met de kinderen ook België ontvlucht te zijn en in de Dominicaanse Republiek te verblijven. De WSG is bezig contact te leggen met de instanties aldaar om de leefomstandigheden in kaart te brengen.

Nu in het onderhavige geval een tweetal lidstaten (Nederland en België) als ook een derde land (Dominicaanse Republiek) betrokken is, wordt de bevoegdheid bepaald aan de hand van Verordening (EG) nr. 2201/2003, ook wel de Verordening Brussel II-bis. De ondertoezichtstelling van een kind is immers een maatregel inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van deze verordening. Uitgangspunt is dat de internationale bevoegdheid op grond van art. 8 lid 1 Brussel II-bis wordt beoordeeld op grond van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Als peildatum voor het bepalen van de internationale bevoegdheid geldt het tijdstip waarop in eerste aanleg de tussenkomst van de rechter wordt ingeroepen. In de onderhavige zaak is dat 2 mei 2013. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het de kinderrechter gebleken dat de moeder en de minderjarigen op 2 mei 2013 in België verbleven op een adres in Affligem. Dit zou met zich brengen dat de Belgische rechter bevoegd is.

Op grond van het tweede lid van art. 8 Brussel II-bis geldt het bepaalde van lid 1 echter onder voorbehoud van (onder meer) art. 10, waarin de bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering is vastgelegd. Ten tijde van hun vertrek naar België stonden de minderjarigen onder toezicht van de WSG en waren zij op grond van een machtiging van de kinderrechter bij een pleegouder in Amsterdam geplaatst. De verhuizing door de moeder van de minderjarigen naar België dient dan ook als een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 10 Brussel II-bis te worden gekwalificeerd. De WSG overweegt het indienen van een teruggeleidingsverzoek en heeft in ieder geval geenszins in de verhuizing naar het buitenland berust. Dit brengt met zich dat de Nederlandse rechter op grond van art. 10 Brussel II-bis - ,

als gerecht van de lidstaat waar de kinderen onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging hun gewone verblijfplaats hadden - bevoegd is gebleven.

Het verzoek tot ondertoezichtstelling

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 juli 2012 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Gedurende dit jaar heeft de moeder de kinderen zonder overleg opgehaald en is met hen naar het buitenland vertrokken, zonder toestemming en zonder hen de gelegenheid te geven afscheid te nemen van dierbaren en familieleden. De minderjarigen zijn wederom met een verandering van plaats en persoon geconfronteerd. Orivier is niet op een voor hem passende school geplaatst. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is onder meer nodig om het toezicht op de minderjarigen bij eventuele terugkeer naar België over te kunnen dragen aan de Vlaamse jeugdzorginstellingen.

Nu de gronden voor een ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, dienen deze te worden verlengd.

Op grond van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar.

Ter zitting heeft de WSG aangegeven het verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen te verlengen niet te handhaven. Indien de minderjarigen terugkeren in Nederland zal – indien nodig – alsnog een dergelijk verzoek ingediend worden.

Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de ondertoezichtstelling ten aanzien van voornoemde minderjarigen met ingang van 2 juli 2013 voor de duur van een jaar, namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam uit te voeren door de WSG, gevestigd te Diemen;

  • -

    verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het verzoek met betrekking tot de uithuisplaatsing af.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Vroom-Cramer, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2013, in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier.