Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5111

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
13.737.218-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale Rechtshulpkamer.

Executieoverlevering vreemdeling. Artikel 6 lid 5 OLW: de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven, maar (nog) niet dat hij aan de andere eisen voldoet om voor een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen (rechtmatigheid van het verblijf). Het onderzoek wordt heropend om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen de rechtmatigheid van het verblijf te onderbouwen. (Zie ook de einduitspraak van 26 juli 2013.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.737.218-13

RK nummer: 13/1741

Datum uitspraak: 31 mei 2013

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 maart 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 januari 2013 door the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA-Adres].

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 mei 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft in raadkamer de schorsing van de gevangenhouding bevolen met ingang van 17 mei 2013.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een

- enforceable judgment of December 12, 2007, by the District Court of Zielona Góra, II K 587/07;

- decision of March 27, 2012, by the District Court of Zielona Góra, ref. no. II Ko 49/12, to activate the custodial sentence.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog één jaar, zeven maanden en veertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3 Heropening van het onderzoek

Onder de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Op grond van artikel 6, tweede lid, OLW wordt de overlevering van een Nederlander niet toegestaan, indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

Artikel 6, vijfde lid, OLW stelt voor de toepassing van artikel 6, tweede lid, OLW op een vreemdeling de volgende - cumulatieve - voorwaarden:

1. deze vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. deze vreemdeling kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en

3. ten aanzien van deze vreemdeling bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Ten aanzien van vreemdelingen die onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, zoals de opgeëiste persoon, heeft de rechtbank de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW kaderbesluitconform uitgelegd in die zin dat, in plaats van (en afgezien van de overige in dat artikellid vermelde criteria) het vereiste van het bezit van een formele vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd, als criteria gelden de materiële voorwaarden om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen. Uitzonderingen daargelaten is de belangrijkste materiële voorwaarde een ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland van ten minste vijf jaren (zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 2 december 2009, LJN BK5504).

Het toetsingsmoment van de termijn van vijf jaren is de datum van de uitspraak van de rechtbank in de overleveringszaak, in het onderhavige geval 31 mei 2013 (zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 5 januari 2010, LJN BK9119).

In beginsel is voor de onderbouwing van het ononderbroken verblijf in Nederland een inschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) leidend. Op 31 mei 2013 staat de opgeëiste persoon iets meer dan vijf jaren ingeschreven in de GBA.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat de opgeëiste persoon ook aan de andere materiële eisen voor de verkrijging van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voldoet. Deze eisen zijn neergelegd in de artikelen 8.11 en 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 (zie Rb. Amsterdam 21 februari 2012, LJN BV7120).

Desgevraagd heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij vanaf 8 mei 2008 in Nederland heeft verbleven, dat hij weliswaar in 2012 naar Polen is geweest in verband met de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, maar dat hij meteen na die zitting weer is teruggekeerd naar Nederland, dat hij gedurende de hele periode inkomsten uit werk heeft genoten, dat hij gedurende de gehele periode voor ziektekosten verzekerd is geweest, dat hij belastingen betaalt en dat hij een woning huurt. De opgeëiste persoon heeft een en ander niet met stukken onderbouwd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 6, vijfde lid, OLW niet van toepassing is, reeds omdat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW. Nederland kan immers geen rechtsmacht uitoefenen. De tweede voorwaarde is niet discriminatoir en de rechtbank mag deze voorwaarde niet contra legem buiten toepassing laten. Het is bovendien nog maar de vraag of de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde, aldus de officier van justitie.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

De rechtbank concludeert dat (nog) niet vaststaat dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW. Evenmin blijkt dat aan de derde voorwaarde van die bepaling is voldaan. Wel staat vast dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW, omdat Nederland geen rechtsmacht kan uitoefenen over het in EAB bedoelde strafbare feit.

In een andere, nog lopende, zaak, waarin wel aan de eerste, maar niet aan de tweede voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW was voldaan, heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde ambtshalve:

- een nader onderzoek in te stellen naar de verenigbaarheid van de tweede voorwaarde (het rechtsmachtvereiste) met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, zoals neergelegd in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

- de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na te gaan of aan de derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW is voldaan (Rb. Amsterdam 8 mei 2013, LJN BZ9849).

Om te kunnen beoordelen of een dergelijk nader onderzoek ook in de onderhavige zaak zou moeten plaatsvinden, ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding de verdediging in de gelegenheid te stellen door middel van objectieve stukken aan te tonen dat de opgeëiste persoon voldoet aan alle materiële eisen om voor een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen. De omstandigheid dat de raadsvrouw zich niet op artikel 6, vijfde lid, OLW, heeft beroepen, doet daaraan niet af. Het discriminatieverbod is immers een belangrijke regel van Unierecht, waarvan de naleving de rechtbank tot een actieve houding noopt.

In verband met een en ander zal het onderzoek ter zitting worden heropend en geschorst teneinde de verdediging in staat te stellen voormelde onderbouwing te leveren.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, doch maximaal twee maanden, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen door middel van objectieve stukken te onderbouwen dat hij voldoet aan de in de artikelen 8.11 en 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 neergelegde eisen.

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen zitting.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen het nader te bepalen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 31 mei 2013.

De jongste rechter is buiten staat de tussenuitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze tussenuitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C