Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5110

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
13/757000-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is tijdens het rijden tegen de auto van het slachtoffer aangebotst. De auto van het slachtoffer is daardoor tegen de vangrail gebotst, over de kop geslagen en in brand gevlogen. Verdachte is vervolgens door gereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer en haar partner die in de brandende auto zaten. De gevolgen voor het slachtoffer blijken onherstelbaar ernstig te zijn. De rechtbank rekent verdachte zijn handelwijze zwaar aan. Verdachte is in 1999 en 2003 al eens voor rijden onder invloed veroordeeld. Ook de EMA(alcohol)cursus die verdachte naar aanleiding van het feit in 2003 heeft gevolgd, heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw met alcohol op te gaan rijden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte wordt onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en ontzegging van zijn bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor bepaalde tijd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/757000-12

Datum uitspraak: 13 augustus 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-Adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 4 februari 2013 en 30 juli 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.K. Visser, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 30 juli 2013 – ten laste gelegd dat

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 december 2011 te Muiden, in elk geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee

rijdende over de Rijksweg A1, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer], zwaar

lichamelijk letsel, te weten brandwonden op beide benen en (onder)buik, in

elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd

toegebracht,

Bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A1, komende uit de richting van

Amsterdam en gaande in de richting van Amersfoort,

-terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde en/of

-terwijl het donker was,

en/of terwijl hij van rijstrook verwisselde en zich daarbij onvoldoende heeft vergewist of de (naastgelegen) rijstrook vrij was,

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van hectometerpaal 13.5, met de

(voorzijde van) door hem bestuurde personenauto tegen de (achterzijde van)

een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] als bestuurder gezeten was

en die eveneens de Rijksweg A1 bereed, komende uit de richting van Amsterdam

en gaande in de richting van Amersfoort, aangereden en/of aangebotst,

de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto is (vervolgens) tegen

de naast de rijbaan gelegen vangrail aangereden en/of aangebotst en/of

aangegleden en/of is de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto

(vervolgens) over de kop geslagen, waarna deze personenauto in brand is

gevlogen,

hierdoor werd aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk

letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

toegebracht,

terwijl verdachte dit voertuig, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 22 december 2011 te Muiden, in elk geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee

rijdende over de Rijksweg A1, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar

op die weg werd veroorzaakt,

Bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A1, komende uit de richting van

Amsterdam en gaande in de richting van Amersfoort,

-terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde en/of

-terwijl het donker was;

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van hectometerpaal 13.5, met de

(voorzijde van) door hem bestuurde personenauto tegen de (achterzijde van)

een personenauto, waarin [slachtoffer] als bestuurder gezeten was en die

eveneens de Rijksweg A1 bereed, komende uit de richting van Amsterdam en

gaande in de richting van Amersfoort, aangereden en/of aangebotst;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2011 te Muiden, in elk geval in Nederland, als

bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door

wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Rijksweg A1, de

plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist

of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer])

letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij op of omstreeks 22 december 2011 te Muiden, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt vast dat door het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel, te weten derdegraads brandwonden op de buik en benen, aan het slachtoffer is toegebracht. Voorts stelt de rechtbank vast dat het verkeersongeval is veroorzaakt doordat verdachte met de rechtervoorzijde van zijn auto tegen de linkerachterzijde van de auto van het slachtoffer is aangebotst, waardoor de auto van het slachtoffer tegen de vangrail is aangereden, over de kop is geslagen en in brand is gevlogen.

De rechtbank dient te beoordelen of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte en zo ja, wat de mate van schuld is. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij een feestje heeft gehad van een bedrijf waarmee hij samenwerkt en dat hij op dat feestje acht glazen bier heeft gedronken. Dat bedrijf heeft geregeld dat hij in verband met zijn alcoholgebruik in zijn eigen auto door een chauffeur naar huis werd gereden. Toen hij nadat hij bij zijn huis was afgezet naar huis liep, besloot hij nog naar een ander feestje in Bussum te gaan. Verdachte is toen weer naar zijn auto gelopen en is gaan rijden. Verdachte dacht – zo heeft hij verklaard – dat hij ondanks zijn alcoholgebruik nog prima in staat was om auto te rijden. Zowel uit de bevindingen van verbalisant [persoon 2] die in Weesp (in zijn vrije tijd toevallig) enige tijd achter verdachte heeft gereden als uit de getuigenverklaringen van [persoon 3] en [persoon 4] volgt echter dat verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat was. Verbalisant [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte moeite had met uitparkeren toen hij bij zijn huis wegreed, bij een kruising op een schokkende en stotende manier stopte, geen voorrang verleende aan een voetganger die wilde oversteken, met hoge snelheid reed en bij een rotonde een noodstop moest maken. Getuige [persoon 3] die het verkeersongeval op de A1 heeft zien gebeuren, heeft verklaard dat verdachte voor het ongeval nogal heen en weer slingerde over de rijbanen op de A1. Getuige [persoon 4] heeft verklaard dat verdachte met zijn auto in één streep op de A1 van links naar rechts reed en vervolgens met de rechtervoorzijde de linkerachterzijde van de auto van het slachtoffer raakte.

Het geheel van gedragingen van verdachte overziend, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan verdachtes schuld is te wijten. De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onachtzaam is aan te merken. Verdachte had de auto van het slachtoffer die voor hem op een andere rijbaan reed kunnen en moeten zien.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat roekeloosheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet niet kan worden bewezen. Roekeloosheid is het zwaarste verwijt dat iemand in het kader van dit artikel kan worden gemaakt. Van roekeloosheid is sprake indien een verkeersdeelnemer zeer onvoorzichtig rijgedrag vertoont waarbij welbewust en met ernstige gevolgen, onaanvaardbare risico’s worden genomen. Uit de jurisprudentie blijkt dat, om van roekeloosheid te kunnen spreken, sprake moet zijn van een samenstel van ernstige verkeersgedragingen. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval op het bedrijfsfeestje in ieder geval acht glazen bier heeft genuttigd (zoals hij zelf heeft verklaard). Onduidelijk is echter gebleven hoeveel alcohol verdachte in zijn bloed had ten tijde van het ongeval. Verdachte heeft tussen het ongeval en zijn aanhouding en het daaropvolgende bloedonderzoek namelijk ook nog alcoholische dranken genuttigd. De rechtbank acht de omstandigheden dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was en dat hij bij het wisselen van rijbaan tegen de auto van het slachtoffer is aangereden op zichzelf (net) niet toereikend voor het oordeel dat verdachte roekeloos heeft gereden. Onvoldoende staat immers vast dat verdachte het slachtoffer heeft zien rijden en aldus bewust het risico heeft genomen dat hij haar zou raken bij het verwisselen van baan. Vast staat wel dat hij haar had moeten zien. Aldus heeft hij een verkeersfout gemaakt waardoor de verkeersgedragingen van verdachte grenzen aan roekeloosheid. De rechtbank zal daar bij de bepaling van de straf rekening mee houden.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat hij op de A1 tegen een andere auto was aangebotst. De raadsman van verdachte heeft om die reden vrijspraak voor dit feit gevraagd.

De rechtbank overweegt dat voor zover verdachte door zijn alcoholgebruik zich er al niet bewust van is geweest dat hij een verkeersongeval had veroorzaakt, wat de rechtbank gelet op de ernst van het ongeval en de schade aan beide auto’s niet aannemelijk voorkomt, had verdachte dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden. Verdachte heeft verklaard dat hij een lichte schok heeft gevoeld toen hij op de A1 reed. Deze schok had alarmbellen bij verdachte moeten doen rinkelen. In zijn spiegels had hij op dat moment kunnen en moeten zien dat de auto van het slachtoffer ondersteboven op de rijbaan lag en in brand was gevlogen. Verdachte heeft verder verklaard dat toen hij zijn auto weer bij zijn huis heeft geparkeerd, hij heeft gezien dat de voorbumper naar beneden hing en beschadigd was. Ook op dat moment had verdachte moeten beseffen dat hij ergens tegen aan was gereden toen hij op de A1 de schok voelde.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht dit feit met de officier van justitie en de raadsman wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair:

op 22 december 2011 te Muiden als verkeersdeelnemer, namelijk bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A1, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden op beide benen en buik, werd toegebracht.

Bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A1, komende uit de richting van Amsterdam en gaande in de richting van Amersfoort,

  • -

    terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde en

  • -

    terwijl het donker was,

en

- terwijl hij van rijstrook verwisselde en zich daarbij onvoldoende heeft vergewist of de naastgelegen rijstrook vrij was,

verdachte is, gekomen ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 13,5, met de voorzijde van door hem bestuurde personenauto tegen de achterzijde van een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] als bestuurder gezeten was en die eveneens de Rijksweg A1 bereed, komende uit de richting van Amsterdam en gaande in de richting van Amersfoort, aangebotst en

de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto is vervolgens tegen de naast de rijbaan gelegen vangrail aangereden en is de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto vervolgens over de kop geslagen, waarna deze personenauto in brand is gevlogen,

hierdoor werd aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel toegebracht,

terwijl verdachte dit voertuig bestuurde, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, zodat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Ten aanzien van feit 2:

omstreeks 23 december 2011 te Muiden als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Rijksweg A1, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [slachtoffer], letsel en/of schade was toegebracht.

Ten aanzien van feit 3:

op 22 december 2011 te Muiden als bestuurder van een voertuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Daarnaast heeft de officier een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geëist voor feit 1 voor de duur van 3 (drie) jaar, voor feit 2 voor de duur van 6 (zes) maanden en voor feit 3 voor de duur van 3 (drie) maanden.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is, hoewel hij vlak ervoor een bedrijfsfeestje had bijgewoond waarvandaan het vervoer naar huis in verband met het drinken van alcohol was geregeld, toch, toen hij thuis was afgezet, in zijn auto gestapt en gaan rijden. Tijdens dit rijden is hij tegen de auto van het slachtoffer aangebotst. De auto van het slachtoffer is daardoor tegen de vangrail gebotst, over de kop geslagen en in brand gevlogen. Verdachte is vervolgens door gereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer en haar partner die in de brandende auto zaten. Het slachtoffer en haar partner moesten door omstanders uit de brandende auto worden gehaald. Als zij dit niet hadden gedaan, was het slachtoffer er door het toedoen van verdachte wellicht nog veel ernstiger aan toe geweest. Dat de gevolgen voor het slachtoffer onherstelbaar ernstig zijn, was op grond van het dossier reeds duidelijk. Ter zitting heeft de officier van justitie nog nader toegelicht hoe verschrikkelijk het verkeersongeval voor het slachtoffer is geweest.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelwijze zwaar aan. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat slechts een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan volstaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 april 2013.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 januari 2012. Verdachte is in 1999 en 2003 al eens voor rijden onder invloed veroordeeld. Weliswaar zijn deze feiten van geruime tijd geleden, maar hieruit blijkt wel dat verdachte van deze fouten niet heeft geleerd. Ook de EMA(alcohol)cursus die verdachte naar aanleiding van het feit in 2003 heeft gevolgd, heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw met alcohol op te gaan rijden.

Bij het bepalen van de straf en de duur daarvan neemt de rechtbank de oriëntatiepunten voor de straftoemeting zoals die binnen de rechtbank Amsterdam gelden als uitgangspunt. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, ten aanzien van feit 1 roekeloosheid niet bewezen acht, maar dat de gedragingen van verdachte wel zeer dicht tegen roekeloosheid aan liggen.

Bij de ernst van de bewezenverklaarde feiten passen voorts ontzeggingen van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zoals na te noemen. Verdachte heeft verklaard zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk. Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank daarin geen reden om van een onvoorwaardelijke ontzegging af te zien.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Ontzegt verdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) jaar.

Bepaalt dat ingevolge artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd is geweest.

Ten aanzien van feit 2:

Ontzegt verdachte terzake van het onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Ten aanzien van feit 3:

Ontzegt verdachte terzake van het onder 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. van Eijk, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2013.