Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
13/845050-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is sprake van informatie die als voorwetenschap kan worden bestempeld? Bewijsvraag: is sprake van bewuste nauwe samenwerking tussen 3 verdachten, waarvan 1 verdachte de transacties uitvoert op basis van deze voorwetenschap?

Veroordeling tot werkstraffen van alle verdachten met het onderscheid wie als de 'auctor intellectualis' dient worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845050-11(Promis)

Datum uitspraak: 20 juni 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedag] 1976,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 januari 2013 en 6 juni 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.E. Kruimel en van wat de raadsman van verdachte, mr. G.L. van Gessel, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 maart 2009 tot en met 22 april 2009 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of alleen

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht, (telkens) gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap door (een) transactie(s) te verrichten en/of te bewerkstelligen in (certificaten van) aandelen [vennootschap 1], zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht, is verleend, te weten (NYSE) Euronext Amsterdam, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    op 2 april 2009 1000 aandelen [vennootschap 1] aangekocht en/of

  • -

    op 3 april 2009 1653 aandelen [vennootschap 1] aangekocht,

terwijl hij (telkens) bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks, althans middellijk betrekking had op [vennootschap 1], te weten:

  • -

    dat [vennootschap 1] op korte termijn een contract zou sluiten met het bedrijf [vennootschap 2] met betrekking tot het aanleveren van kaarten van West-Europa door [vennootschap 1] aan [vennootschap 2] en/of

  • -

    dat de winst van [vennootschap 1] in 2009 zou verdriedubbelen ten opzichte van de winst in 2008,

welke informatie (telkens) nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transactie(s) is/zijn verricht/bewerkstelligd en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen [vennootschap 1];

(artikel 5:56, derde lid, jo 5:54 Wft jo artikel 2, derde lid, WED)

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Hoewel het Openbaar Ministerie een grote mate van vrijheid heeft om te beslissen of, en zo ja, welke zaken zij uiteindelijk ter terechtzitting aanbrengt, is er in deze zaak toch sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en mogelijk het gelijkheidsbeginsel.

Immers blijkt uit de dagvaarding dat vast staat dat verdachte dient te worden gerekend tot de groep secundaire insiders als bedoeld in artikel 5:56, derde lid, van de Wet financieel toezicht en derhalve geen persoon is die op grond van het feit dat hij een bepaalde functie bekleedt of in een bepaalde verhouding tot de rechtspersoon staat waardoor hij moest weten of behoorde te weten dat hij over voorwetenschap beschikte. Ook uit het dossier blijkt niet dat verdachte rechtstreeks contact heeft gehad met de primaire insider medeverdachte [A]. Aldus kan worden gesteld dat verdachte niet kan worden beschouwd als direct betrokkene bij het verkrijgen en mogelijk doorspelen van vertrouwelijk informatie. Daarbij hadden de persoonlijke omstandigheden van verdachte in de afweging dienen te worden betrokken.

Onder deze omstandigheden hadden de beginselen van een behoorlijke procesorde, mede gelet op de richtlijnen, het Openbaar Ministerie dienen te brengen tot een andere afweging en had zij verdachte een transactie moeten aanbieden.



3.2. Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er in deze zaak geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het Openbaar Ministerie heeft de vrijheid om te beslissen om tot vervolging over te gaan. In deze zaak is van het begin af aan duidelijk gemaakt dat verdachte zich ter terechtzitting diende te verantwoorden nu deze zaak zich onderscheidt van zaken die getransigeerd kunnen worden, door de verantwoordelijke functie die verdachte en zijn collega tevens medeverdachte [B], vervulde binnen de AbnAmro bank. Juist verdachte wist uit hoofde van zijn functie heel goed dat dit soort handelingen verboden zijn. Daarnaast geldt dat het in deze zaak anders dan in veel getransigeerde zaken gaat om handelingen in georganiseerd verband.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het verweer staat voorop dat het Openbaar Ministerie, op grond van het bepaalde in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, aanmerkelijke vrijheid toekomt in zijn zelfstandige bevoegdheid om te beslissen tot vervolging over te gaan, buiten het strafproces om tot een afdoening te komen of na beoordeling van het voorbereidende onderzoek te besluiten van verdere vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Wel vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in de beginselen van een behoorlijk procesrecht, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van de door de verdediging betoogde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat het Openbaar Ministerie geen beleid dan wel een richtlijn inzake vervolging op het gebied van voorwetenschapzaken heeft gepubliceerd. Ook anderszins is de rechtbank niet van een dergelijk beleid gebleken. Daarmee kan van een schending als bedoeld door de verdediging geen sprake zijn.


De verdediging heeft voorts aangevoerd dat sprake is van schending van het gelijkheids- beginsel, nu soortgelijke zaken vaak worden getransigeerd. De rechtbank stelt voorop dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel slechts sprake kan zijn indien gelijke gevallen werkelijk willekeurig ongelijk zijn behandeld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting haar vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte toegelicht. In deze toelichting, zoals hiervoor weergegeven onder rubriek 3.2, heeft zij uitgelegd op grond van welke omstandigheden in haar visie de zaken tegen verdachten zich onderscheiden van zaken die getransigeerd worden.


Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie, na afweging van alle in het geding zijnde belangen en gegeven haar beleidsvrijheid, in alle redelijkheid tot deze beslissing kunnen komen. De toelichting die zij daaromtrent heeft gegeven acht de rechtbank genoegzaam. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot vervolging van de verdachte over heeft kunnen gaan. Een schending van het gelijkheidsbeginsel is daarmee niet aan de orde.

Nu de rechtbank geen van beide schendingen afzonderlijk aanwezig acht, behoeft de combinatie van beide schendingen geen bespreking. Het verweer van de verdediging wordt dan ook in zijn totaliteit verworpen. Nu ook overigens de rechtbank niet is gebleken van een schending van de beginselen van behoorlijke procesorde, kan de officier van justitie in de vervolging van verdachte worden ontvangen.



4. Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft hiertoe – kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Verdachte beschikte, via zijn collega [B], die weer via haar broer [A] - die werkzaam was bij [vennootschap 1] (hierna: [vennootschap 1]) -, over concrete informatie die niet eerder dan op 21 april 2009 openbaar is gemaakt, inhoudende dat er door [vennootschap 1] een overeenkomst met een grote Amerikaanse instelling gesloten was, welke veel omzet en winst zou gaan genereren. Vervolgens heeft [B] kort daarop deze informatie gedeeld met verdachte die vervolgens voor [B], [A] en zichzelf aandelen [vennootschap 1] heeft gekocht.

Verdachte en zijn medeverdachten beschikten over informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissing ten dele op te baseren. Dit betreft daarom informatie die significante invloed zou kunnen hebben op de koers. Dat de informatie ook invloed heeft gehad op de koers, blijkt uit de stijgende koersen van [vennootschap 1] na openbaarmaking van het persbericht op 21 april 2009.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het aan hem ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen uit het dossier kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte geweten heeft of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er in casu sprake was van voorwetenschap. De verdediging verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie in de Spector zaak (HvJ 23 december 2009, C-45/08 NJ 2010, 239).

Subsidiair kan uit de omstandigheden niet het bewijsvermoeden worden geconstrueerd dat bij verdachte vermoed kan worden dat hij op de hoogte was van de ten laste gelegde voorwetenschap en dat dit hem heeft doen besluiten om de aandelen [vennootschap 1] te kopen. Immers kan in het bijzonder in casu niet worden gezegd dat de aankopen [vennootschap 1] in april 2009 niet passen in het beleggingspatroon van verdachte en ook de wijze van aankoop, te weten met gelden van derden, is geen omstandigheid op grond waarvan zonder meer kan worden geconcludeerd dat bij verdachte er sprake zou moeten zijn van een vermoeden van voorwetenschap, aldus de verdediging.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De rechtbank is - anders dan de verdediging maar met de officier van justitie - van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verbod gebruik te maken van voorwetenschap bij verrichte transacties en overweegt hiertoe als volgt.

4.3.2.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Aanleiding onderzoek

Op 11 juni 2009 komt bij de AFM een melding van handel met voorwetenschap in het aandeel [vennootschap 1] binnen via het contactformulier van ene [C]. [C] meldt dat [B] (hierna: [B]) degene is geweest die voortijdig de beschikking heeft gehad over informatie, onder andere jaarcijfers en nieuws over een nieuwe klant in Amerika, betreffende [vennootschap 1]. Deze informatie is aan [B] voortijdig bekend gemaakt door haar broer die werkzaam is binnen [vennootschap 1]. [B] heeft vervolgens via [verdachte] (hierna: verdachte) kooporders geplaatst, te weten op 2 april 2009 1000 aandelen à € 2,75 en op 3 april 460 aandelen à € 3,00, 541 aandelen à € 2,75 en 652 aandelen à € 2,82. Vervolgens hebben verdachte en [B] hun aandelen verkocht op 21 april 2009, te weten 2001 aandelen à € 8,00 en op 22 april 2009, te weten 652 aandelen à € 8,50. Verdachte heeft als tussenschakel gefunctioneerd waarbij hij 652 aandelen voor zichzelf heeft aangekocht.2

Naar aanleiding van de hiervoor genoemde melding en een signalering van Euronext Amsterdam3, is Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) een onderzoek begonnen en heeft zij op 21 februari 2011 aangifte gedaan tegen [B], [A] (hierna: [A]) en verdachte van overtreding van het verbod op handelen met voorkennis en aangifte gedaan tegen [A] en [B] van overtreding van het tipverbod.4

[vennootschap 1] is een effectuitgevende instelling,5 gevestigd te Rotterdam.6

Voorafgaande aan de koop aandelen [vennootschap 1]

De broer van [B], [A],7 werkt vanaf 2007 als international sales manager bij [vennootschap 1] en deelt in april 2009 een kamer met drie andere werknemers, waaronder ook getuige [D]. 8 [D] staat op de insiderslijst9 en was vanaf 26 maart 2009 betrokken bij de licentieovereenkomst met een grote Amerikaanse partij (hierna: de licentieovereenkomst).10 De licentieovereenkomst is dan in de laatste fase11. Op de kamer waar zij werken, delen zij één printer. Op 31 maart 2009 ontvangt [D] een email over de te voeren communicatie om de licentieovereenkomst heen.12 Op 1 april 2009 om 19.03 uur ontvangt [D] laat aan het eind van de dag via de mail twee draft persberichten. De ene heeft als kop: “[vennootschap 1] sluit baanbrekende overeenkomst met toonaangevende Amerikaanse software leverancier” en de andere heeft als kop “[vennootschap 1] sluit overeenkomst met toonaangevende softwareleverancier en ontvangt eenmalig 17 miljoen euro en winst in 2009 verdriedubbelt ten opzichte van 2008.”13

[A] is volgens de inloggegevens van de parkeergaragepas op die dagen op kantoor. Op 2 april 2009 is hij al om 06.43 uur op kantoor.14

Uit de informatie van [vennootschap 1] blijkt dat [A] niet op de insiderslijst stond met betrekking tot de licentieovereenkomst en ook niet was aangemerkt als insider die uit hoofde van zijn functie regelmatig in aanraking kwam met koersgevoelige informatie.15 Wel heeft [A], omdat [vennootschap 1] een beursgenoteerd bedrijf is, een complianceregeling moeten ondertekenen en wordt in de arbeidsovereenkomst expliciet gewezen op de strikte geheimhouding bij koersgevoelige informatie.16

Koop aandelen [vennootschap 1]

Verdachte en [B] waren in 2009 werkzaam bij de AbnAmro bank als leidinggevenden van een sales team. Verdachte werkte in Den Haag en [B] in Apeldoorn.17

Getuige [E], ook werkzaam bij de AbnAmro bank en collega van verdachte en [B], verklaart op 20 maart 2012 bij de Fiod dat hij door [B] is benaderd waarbij [B] tegen hem had gezegd dat zij een tip had gekregen van haar broer over het bedrijf waar hij werkte en waarmee geld te verdienen was. [B] had aan [E] gevraagd of hij de aandelen zou kunnen kopen omdat zij liever deze aandelen niet zelf aankocht. [E] wilde dit niet doen. Een maand later heeft [B] aan [E] verteld dat de aandelen die hij niet voor haar had gekocht en waarvoor zij de tip had gekregen haar geld had opgeleverd en dat zij ongeveer 13.000 van verdachte zou krijgen.18

Dat verdachte die aandelen heeft gekocht, klopt. Op 2 april 2009 koopt verdachte via zijn AbnAmro effectenrekening 1.000 aandelen [vennootschap 1] voor een bedrag van € 2,75. Op 3 april 2009 koopt verdachte via zijn AbnAmro effectenrekening nog eens 460 aandelen voor een bedrag van € 3,00, 541 aandelen voor een bedrag van € 2,75 en 652 aandelen voor een bedrag van

€ 2,82. In totaal zijn dat 2.653 aandelen voor een totaal bedrag van € 7.495,75. Bij een pakket van 2.001 aandelen [vennootschap 1] heeft verdachte op 3 april een verkooporder geplaatst om deze bij een prijs in de markt van € 8,00 te verkopen.19

Verdachte heeft over de aankoop van de aandelen [vennootschap 1] verklaard dat hij [vennootschap 1] in eerste instantie niet kende, maar dat hij met [B] over [vennootschap 1] heeft gesproken en dat hij daardoor wist dat de broer van [B] daar werkt, dat het een goed bedrijf is en dat het net als TomTom ook kaarten maakt.20

Op 3 april 2009 heeft [B] tweemaal € 3.000,- opgenomen21 en op diezelfde dag stort verdachte € 2.400,00 op zijn bankrekening. Verdachte stort de €2.400,00 door naar zijn effectenrekening onder vermelding van “i.v.m. aankoop.”22

Persbericht en verkoop aandelen

Op 21 april 2009 verschijnt een persbericht van [vennootschap 1] waarin wordt meegedeeld dat mapmaker [vennootschap 1] in 2009 een spectaculaire groei van omzet en winst verwacht in 2009 op basis van een reeds afgesloten contract, inhoudende een licentieovereenkomst met een grote Amerikaanse partij voor het gebruik van de kaarten van West Europa.23 Dezelfde dag stijgt de koers van € 4,25 naar € 8,25.24

Op die zelfde dag verkoopt verdachte 2.001 aandelen tegen het verkooporderbedrag van

€ 8,00 en op 22 april 2009 verkoopt hij de overige 652 aandelen voor een bedrag van € 8,50. De totale opbrengst is € 21.512,45. Het financiële gewin bedraagt in totaal € 14.016,70.25

Op 21 april 2009 stuurt de vrouw van [A] naar [A] een mail met daarin de vraag “Hoeveel kost het nu.” [A] antwoord daarop op 21 april 2009 naar zijn vrouw: “Op acht, je hoeft niet verder te kijken.” Vervolgens stuurt de vrouw van [A] op 22 april 2009 een link van een krantenartikel met als kop: “Mogelijk voorkennis bij handel in [vennootschap 1] aandelen.” [A] antwoordt daarop met: “Nerd er staat toch bij de kranten kop dat het gaat om een artikel betreft 1999.”26

Geldstromen na de verkoop aandelen

Op 8 mei 2009 wordt in [plaats] en op 11 mei 2009 in [plaats] (de woonplaats van [B] en [A]27) door verdachte in totaal een bedrag van € 13.000,00 contant van zijn rekening opgenomen.28 Op 11 mei wordt er € 7.000,00 gestort op de rekening van [B]29 en op 11 mei 2009 wordt een bedrag van € 5.000,00 en op 12 mei 2009 een bedrag van

€ 1.000,00 gestort op de rekening van de vader van [B] en [A]. Vervolgens wordt op 18 mei 2009 vanaf de rekening van de vader van [B] en [A] een bedrag van € 1.000,00 overgemaakt naar de rekening van [B] en € 5.000,00 naar de rekening van [A], onder vermelding “winst.”30 De vader van [B] en [A] heeft verklaard dat zijn kinderen voor hem internetbankieren.31

4.3.3.

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop, ook al is het niet betwist, dat [vennootschap 1] een uitgevende instelling is in de zin van de Wet op het financieel toezicht.32 Een Nederlandse naamloze vennootschap is een rechtspersoon waarvan het maatschappelijk kapitaal is verdeeld in aandelen. Dat het hier om een beursgenoteerd bedrijf gaat blijkt uit het dossier en de rechtbank neemt daarom op basis van het dossier aan dat de aandelen in [vennootschap 1] zijn genoteerd op de effectenbeurs Euronext Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, en vergunninghouder is als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wft.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dat [A] de concrete en koersgevoelige informatie die in drafts stonden, onder ogen heeft gekregen, door middel van stukken waarover zijn kamergenoot en insider [D] beschikte, en dat hij die informatie heeft doorgespeeld aan [B], die de concrete en koersgevoelige informatie vervolgens weer heeft doorgespeeld aan verdachte en naar aanleiding waarvan verdachte vervolgens (mede) op verzoek van verdachte de aandelen [vennootschap 1] heeft gekocht.

De rechtbank grondt hier haar overtuiging dat de informatie die [A] en vervolgens [B] heeft doorgespeeld concrete informatie betrof, op basis van:

  • -

    het feit dat zowel de anonieme tipgever als getuige [E] heeft verklaard dat [B] een waardevolle tip van haar broer had gekregen, waarbij de anonieme tipgever de informatie heeft gespecificeerd naar jaarcijfers en het nieuws van een nieuwe klant;

  • -

    de timing van de transacties, te weten het feit dat verdachte slechts een dag na het binnenkomen van de drafts een grote hoeveelheid aandelen heeft gekocht, terwijl hij niet eerder in aandelen [vennootschap 1] heeft gehandeld;33

  • -

    het feit dat verdachte naast de aandelen die hij op verzoek van verdachte heeft gekocht zelf ook nog 652 aandelen heeft gekocht;

  • -

    het feit dat deze aan- en verkoop van de aandelen [vennootschap 1] afwijkt van het normale handelspatroon van verdachte;34

- en op het feit dat verdachte direct op de dag van de tweede aankoop een verkooporder heeft geplaatst bij een koers van € 8,00. Een koers die vanaf januari 2009 tot april 2009 schommelde tussen de € 2,20 en € 3,25. Deze geplaatste verkooporder acht de rechtbank dan ook zo specifiek dat het, mede gelet op het hiervoor genoemde, niet anders kan dan dat verdachte en [B] wisten dat er een verdrievoudiging van de omzet zou komen. En die informatie was niet afkomstig uit berichten dan wel geruchten in de markt die aanleiding konden geven tot speculatie op een grote koersstijging van het aandeel [vennootschap 1].35

De rechtbank grondt haar overtuiging dat ook [A] bij het gebruik maken van de voorwetenschap betrokken is geweest

  • -

    uit de verdeling van de winst na de verkoop van de aandelen. Uit de geldstromen kan niet anders dan worden afgeleid dan dat de € 13.000,00 die verdachte contant van zijn rekening heeft afgehaald, onder [B] en [A] is verdeeld en dat zij zelf via de rekening van hun vader hebben getracht de werkelijke herkomst van het geld te verhullen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat [B] noch [A] een aannemelijke verklaring heeft gegeven over de geldstortingen op hun rekeningen. Ook verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven over waarom hij € 13.000,00 van zijn rekening heeft gehaald;

  • -

    en uit de mailwisselingen tussen [A] en zijn vrouw. De rechtbank acht ook die verklaringen van [A] op die mailwisselingen ongeloofwaardig en onaannemelijk.

Verdachte moet worden aangemerkt als een secundaire insider. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij met verdachte over het bedrijf [vennootschap 1] heeft gesproken en uit de getuigenverklaring van [E] en de anonieme tip en uit het handelen van verdachte met betrekking tot de aankoop en verkoop van de aandelen en gelet op de functie die verdachte bekleedde bij de AbnAmro bank, kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de informatie die [B] aan hem had doorgespeeld koersgevoelige informatie betrof en daardoor te kwalificeren was als voorwetenschap.

De rechtbank komt dan ook op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verdachte bij de transacties die hier in het geding zijn, wist dat hij de bedoelde voorwetenschap had en van die wetenschap gebruik heeft gemaakt, zoals ten laste gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen en de vervatte bewijsoverweging bewezen dat verdachte

in de periode van 31 maart 2009 tot en met 22 april 2009 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Den Haag en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met personen terwijl hij wist dat hij beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht, gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap door transacties te verrichten in aandelen [vennootschap 1], zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht, is verleend, te weten Euronext Amsterdam, immers hebben verdachte en zijn mededaders

  • -

    op 2 april 2009 1000 aandelen [vennootschap 1] aangekocht en

  • -

    op 3 april 2009 1653 aandelen [vennootschap 1] aangekocht,

terwijl hij bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks, althans middellijk betrekking had op [vennootschap 1], te weten:

  • -

    dat [vennootschap 1] op korte termijn een contract zou sluiten met het bedrijf [vennootschap 2] met betrekking tot het aanleveren van kaarten van West-Europa door [vennootschap 1] aan [vennootschap 2] en

  • -

    dat de winst van [vennootschap 1] in 2009 zou verdriedubbelen ten opzichte van de winst in 2008,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transacties zijn verricht en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen [vennootschap 1].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen en een geldboete van € 2.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele strafmaat rekening te houden met het feit dat zijn arbeidsovereenkomst met de AbnAmro bank is ontbonden en dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening dient te worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van wat in de volksmond ook wel beursfraude wordt genoemd.

De verdachte heeft door op deze wijze te handelen een inbreuk gemaakt op de (werking van de) “fair and orderly market” die de relevante wetgeving juist beoogt te beschermen. Nu de koersgevoelige informatie niet openbaar was gemaakt kon verdachte, die erover beschikte, een voordeel verschaffen vergeleken met alle andere marktdeelnemers die daarvan niet op de hoogte waren. Het wezenlijke kenmerk van handel met voorwetenschap bestaat er immers in dat ongerechtvaardigd voordeel uit informatie wordt gehaald ten nadele van derden die daarvan niet op de hoogte zijn, en dat er dus afbreuk wordt gedaan aan de integriteit van de financiële markten en aan het vertrouwen van de beleggers. Daarbij weegt nog mee dat verdachte op deze wijze heeft gehandeld in de hoedanigheid van een bankmedewerker en derhalve wist dat dergelijke handelingen verboden zijn.

De ernst van het feit rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Ook een voorwaardelijke geldboete acht de rechtbank op zijn plaats, omdat men ervan moet worden doordrongen dat dergelijke ernstige schendingen van financiële toezichtwetgeving niet door de beugel kunnen.

Wel moet anderzijds, naast het feit dat het handelen van verdachte zeer verwerpelijk is, worden vastgesteld dat verdachte niet de auctor intellectualis was en dat de winst die verdachte door het strafbare feit heeft verkregen, te weten € 3.463,64,00¸ betrekkelijk gering is in vergelijking met zijn mededaders. Gelet op deze omstandigheid en gelet op omstandigheid dat verdachte zijn baan is kwijtgeraakt naar aanleiding van het bewezen geachte feit, zal de rechtbank bij de hoogte van de werkstraf in het voordeel van verdachte af wijken van hetgeen door officier van justitie is geëist.

Ook zal de rechtbank, hoewel de rechtbank - anders dan de verdediging - van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, nu de behandeling ter terechtzitting binnen twee jaren na de aanhouding van verdachte op 25 oktober 2011 heeft plaatsgevonden, een strafvermindering toepassen gelet op het feit dat het bewezen geachte feit inmiddels geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en op het artikel 5:54 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:56 van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 140 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen.

Beveelt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en P.J. van Eekeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Zuithoff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juni 2013.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar in de hierna volgende voetnoten wordt verwezen naar de processtukken - ‘V’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor [NN] als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 3 Sv, telkens inhoudende de als verdachte afgelegde verklaring van na te noemen [NN]; - ‘G’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor [NN] als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 3 Sv, telkens inhoudende de als getuige afgelegde verklaring van na te noemen [NN]; - ‘AH’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 3 Sv, telkens inhoudende de mededeling van door hem/haar/hun waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden; - ‘D’, betreft dit telkens een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 onder 5 Sv; - ‘OPV’ of ‘ZPV’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt overzichtsproces-verbaal dan wel zaaksproces-verbaal, bevattende een overzicht van het hierna te noemen proces-verbaal van de FIOD-ECD. Deze bewijsmiddelen ‘V’, ‘AH’ en ‘D’ en ‘OPV’ zijn telkens opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van de FIOD-ECD met dossiernummer 48108.

2 D-003

3 D-002, blz. 4 en 7

4 D-001

5 OPV, blz. 10

6 AH-08, blz. 1

7 AH-01, blz. 8

8 V01-01, blz. 2

9 D-019 en D-020

10 G04-01, blz. 3

11 D-023

12 G04-01, blz. 7; D-045

13 G04-01, blz. 4 en 7; D-043

14 AH-028, blz. 6 en 10

15 D-020

16 D-085 en D-084

17 V03-01, blz. 2

18 G08-01, blz. 4, 5

19 AH-02, blz. 3,4; D-006; D-009, blz. 11, 12

20 V03-01, blz. 5; V03-02, blz. 4; V03-03, blz. 2

21 D-017, blz. 10

22 D-010, blz. 6, 7

23 D-049

24 D-002, blz. 8

25 AH-02, blz. 3; D-005; D-006; D-007

26 AH-17, alsmede D-047 en D-048

27 AH-01, blz. 8

28 AH-02;D-026, blz. 11, 13

29 D-029, blz. 2

30 AH-02, blz. 5; D-035, blz. 3, 4; AH-01, blz. 8

31 G03-01, blz. 2

32 D-085, de daarin genoemde Wet toezicht effectenverkeer is in 2006 vervangen door de toen inwerking getreden Wet op het financieel toezicht, derhalve leest de rechtbank, nu de feiten hebben plaatsgevonden in 2009, hier de nieuwe wetsartikelen.

33 AH-16, blz. 2

34 AH-016, blz. 2

35 D-001; D-044