Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
542357/13-885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter stelt voorop dat een uithuisgeplaatst kind, zeker indien dat kind 3 jaar oud is en er een mogelijkheid bestaat dat hij wordt teruggeplaatst, recht heeft op regelmatig contact met zijn moeder. Gelet op de thans gangbare hechtingstheorieën is dat ook in het belang van de minderjarige. BJAA zal dan ook met overtuigende argumenten moeten komen om het contact tussen de minderjarige en de moeder, zoals in casu, terug te brengen van één keer per week naar één keer per twee weken. De door BJAA naar voren gebrachte argumenten kunnen niet als zodanig gelden. Aanwijzing wordt vervallen verklaard en de kinderrechter stelt een eigen omgansgregeling daarvoor in de plaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vervallen verklaring aanwijzing

Zaaknummer: 542357/13-885

Beschikking van de kinderrechter van bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het verzoek van:

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats],

advocaat mr. R.F.P. Scheele,

tegen

het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing, gegeven in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarige,

[minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 2009.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

1 Verloop van de procedure

Op 29 april 2013 heeft het BJAA aan de moeder een schriftelijke aanwijzing doen toekomen inzake de minderjarige.

Op 9 mei 2013 heeft de moeder (per fax) een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing. Dit verzoekschrift is nadien schriftelijk per post ontvangen ter griffie op 24 mei 2013.

Op 3 juni 2013 heeft het BJAA een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 juni 2013.

Verschenen en gehoord zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. R.F.P. Scheele, mevrouw [A] en mevrouw [B] namens Spirit Pleegzorg alsmede mevrouw [C] namens het BJAA.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 Beoordeling van het verzochte

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan dient de kinderrechter te beoordelen of de moeder tijdig beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke aanwijzingen van de stichting.

Door het BJAA is schriftelijk en ter zitting een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het beroepschrift nu het het BJAA is gebleken uit de toegezonden stukken vanuit de rechtbank dat het ingediende beroepschrift pas op 24 mei 2013 is ontvangen ter griffie van de rechtbank terwijl het beroep binnen twee weken, na het uitreiken of toezenden van de aanwijzing gegeven op 29 april 2013, had behoren te worden ingediend.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende.

Op grond van artikel 1:259 lid 1 BW kan op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende werking tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. De termijn die is gesteld voor het indienen van een dergelijk beroep is opgenomen in artikel 1:259 lid 3 BW.

Voornoemd artikel luidt als volgt: “De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.” Artikel 1:259 lid 4 BW bepaalt dat van een na afloop van de termijn ingediend verzoek niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien de verzoeker redelijkerwijze niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

De kinderrechter stelt vast dat, nu de aanwijzing op 29 april 2013 is afgegeven en het verzoekschrift tot vervallenverklaring op 9 mei 2013 (per fax) ter griffie van deze rechtbank is ontvangen, het beroepschrift binnen de in voornoemd artikel gestelde termijn is ingediend. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het beroepschrift zal derhalve worden verworpen.

Ten aanzien van het verzoek.

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 22 november 2012 is voornoemde minderjarige, na een voorlopige ondertoezichtstelling, onder toezicht gesteld met ingang van 22 november 2012 voor de duur van een jaar.

In het kader van de ondertoezichtstelling is de minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder (crisisopvang) is geldig tot 12 augustus 2013.

De bestreden aanwijzing houdt in dat het BJAA de bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige] beperkt in die zin dat er nu omgang is om de week onder begeleiding van Spirit Pleegzorg of het BJAA gedurende anderhalf tot twee uur in plaats van eenmaal per week. Het BJAA heeft aan haar aanwijzing ten grondslag gelegd dat het contact dient te worden beperkt nu [minderjarige] sinds 19 oktober 2012 in een geheim (crisis) pleeggezin van Spirit verblijft en er op dit moment onderzoek wordt gedaan naar onder meer de sociaal-emotionele- en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige]. In dat kader bezoekt [minderjarige] met ingang van 4 maart 2013 twee dagen per week het Medisch Orthopedagogisch Centrum Het Kabouterhuis (hierna: het MOC).

Het is het BJAA gebleken dat de contactmomenten met de moeder voor [minderjarige] emotioneel zwaar zijn en dat hij daarna lichamelijk van slag is. Dit uit zich in moe zijn, diarree en overgeven. Verder geeft het BJAA aan dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in combinatie met zijn bezoeken aan het MOC, [minderjarige] zwaar vallen. Daarbij geeft het BJAA nog aan dat wekelijks contact tussen een uithuis geplaatst kind en de ouder met gezag eigenlijk pas plaatsvindt op het moment dat zeker is dat het kind terug gaat naar huis. Dit wordt met betrekking tot [minderjarige] nu nog onderzocht door Spirit in het kader van de beoordelingsboog.

Gelet op vorenstaande achtte het BJAA het in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen hem en de moeder na het starten van de bezoeken aan het MOC beperkt moest worden tot één contactmoment van eenmaal in de twee weken, anderhalf tot twee uur, onder begeleiding.

Ter zitting heeft mevrouw [C] desgevraagd verklaard dat er reeds in februari jl. een gesprek met moeder over de beperking van de bezoekregeling heeft plaatsgevonden en toen is benoemd dat de omgang zal worden teruggebracht. Voorts geeft mevrouw [C] aan dat het goed gaat met [minderjarige] in het MOC, het zijn ontwikkeling bevordert en hij minder apathisch gedrag vertoont. Wel blijven er zorgen bestaan ten aanzien van zijn spraak- en taalontwikkeling. Desgevraagd geeft mevrouw [C] aan dat het terugdraaien van de MOC bezoeken ten gunste van een bezoek van [minderjarige] aan moeder, niet in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] is. Wel zou onderzocht kunnen worden of er omgang op het MOC tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is.

Namens Spirit Pleegzorg is ter zitting naar voren gebracht dat gebleken is dat [minderjarige] na een bezoek aan moeder vaak moe en lichamelijk onwel is. Desgevraagd geeft mevrouw [A] aan dat de bezoeken soms wel goed gaan maar [minderjarige] dan na afloop van het bezoek niet goed wil eten en moe is. Een dag later is hij dan wel weer hersteld. Voorts geeft mevrouw [A] aan dat in januari jl. [minderjarige] opvallende ziekteverschijnselen had en hij zich niet lekker voelde. Later is dat nog een keer voorgekomen. Gekeken is waaraan dit zou kunnen liggen. Gebleken is dat [minderjarige] teveel at tijdens de bezoekmomenten met zijn moeder. Afgesproken is met moeder dat zij het eten geven aan [minderjarige] tijdens de bezoeken beperkt. Aan deze afspraak heeft de moeder zich gehouden. Nu moet verder gekeken worden wat de oorzaak kan zijn dat [minderjarige] zich soms niet lekker voelt, wat mogelijk ook kan liggen aan de spanning rond het bezoek, aldus mevrouw [A]. Verder geeft mevrouw [A] aan dat de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] vroeger erg gericht waren op eten, maar de moeder nu ook de tijd gebruikt om andere leuke activiteiten met [minderjarige] te ondernemen.

Desgevraagd geeft mevrouw [B] aan dat het klopt dat begonnen is met een wekelijkse bezoekregeling. Dit komt omdat de zaak zo is overgedragen door Spoedhulp. Deze regeling is teruggedraaid omdat het juist voor kleine kinderen van belang is dat zij zich kunnen hechten in het nieuwe pleeggezin en zich veilig kunnen voelen, aldus mevrouw [B]. Zodra er duidelijkheid is of [minderjarige] teruggeplaatst kan worden bij zijn moeder, kan de regeling worden geïntensiveerd. Streven is dat er zo spoedig mogelijk duidelijk komt.

De moeder heeft verzocht de voornoemde schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Ter zitting heeft zij, mede bij monde van haar advocaat, aangegeven dat zij was overvallen door het besluit van Jeugdzorg en er geen enkel vooroverleg is geweest met betrekking tot het beperken van de bezoekregeling. De advocaat voegt hieraan toe dat ook de zorgpunten, zoals verwoord in de aanwijzing van 29 april 2013, nooit met moeder zijn besproken en haar niet is uitgelegd dat de zorgen tot een beperking van de omgang zouden kunnen leiden. In dit licht is het besluit van het BJAA onzorgvuldig genomen en dient alleen al op deze formele grond de schriftelijke aanwijzing vervallen te worden verklaard, aldus de advocaat.

Daarnaast is er geen enkel bewijs of onderbouwing geleverd van het gestelde door het BJAA dat [minderjarige] door de contactmomenten met moeder lichamelijk van slag is en het emotioneel zwaar is voor hem. Het kan ook zijn dat juist omdat hij zijn moeder mist en hij weer afscheid van haar moet nemen hij deze klachten vertoont, aldus de advocaat. Dit zou kunnen betekenen dat hij juist meer contact met zijn moeder zou moeten hebben. Daarnaast heeft een kind recht op omgang met zijn ouder. Dit (internationale) recht zet het BJAA zomaar opzij door de omgang zomaar te beperken. De advocaat geeft aan dat moeder op dit moment voldoet aan alle eisen die het BJAA aan haar heeft gesteld om [minderjarige] teruggeplaatst te krijgen. Het gevoel is aanwezig dat in feite het BJAA al besloten heeft dat [minderjarige] niet teruggeplaatst zal worden bij zijn moeder. De advocaat geeft aan dat juist op dit moment er meer omgang zou moeten zijn om moeder een echte kans te geven te laten zien dat zij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] weer ter hand kan nemen. De advocaat verzoekt de kinderrechter de aanwijzing vervallen te verklaren en een nieuwe omgangsregeling vast te stellen op grond van artikel 1:263a lid 2 BW in die zin dat de moeder [minderjarige] vanaf juni 2013 elke week ziet gedurende twee en een half uur. Daarna in juli 2013 elke week van 9.00 uur tot 14.00 uur gedurende een onbegeleid bezoek en vanaf augustus 2013 ieder weekend van zaterdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur onbegeleid. Daarna kan een plan worden gemaakt [minderjarige] met een opbouw weer thuis te plaatsen bij moeder.

De moeder heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat zij zich bereid heeft getoond zich aan te passen en rekening te houden met het eten van [minderjarige]. Ook geeft moeder aan dat zij het betreurt dat zij nu pas weet wat de zorgpunten zijn en dit niet eerder is teruggekoppeld aan haar door het BJAA of de pleegzorgmedewerkster waarmee zij wekelijks contact heeft. Moeder geeft aan dat zij altijd probeert mee te denken en haar best doet te achterhalen wat de oorzaak is van de lichamelijke klachten van [minderjarige]. Zij geeft daarbij aan dat zij gehoord heeft dat [minderjarige] veel melkproducten krijgt en dat dit wellicht de reden kan zijn dat hij moet overgeven omdat hij dit niet gewend is. Moeder verklaart dat zij het liefst wil dat [minderjarige] naar huis komt zodat zij hem de stabiliteit kan geven die hij nodig heeft. Op dit moment is de omgang te beperkt en verzoekt zij de kinderrechter deze uit te breiden.

De kinderrechter overweegt het volgende.

Het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling biedt de gezinsvoogd de mogelijkheid - ter uitvoering van haar taak - een schriftelijke aanwijzing te geven, welke het doel van de ondertoezichtstelling moet dienen. De met het gezag belaste ouder dient de schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Nu bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven aan de stichting zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Wet op de Jeugdzorg een zekere beleidsvrijheid toekomt, beziet de kinderrechter- gegeven de taak van de gezinsvoogd - of de gezinsvoogd voldoende gronden heeft om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.

De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] sinds 19 oktober 2012 in een crisispleeggezin verblijft en de moeder tot maart 2013 een wekelijkse bezoekregeling had met [minderjarige]. Voorts stelt de kinderrechter vast dat [minderjarige] sinds 4 maart 2013 twee dagen naar het MOC Kabouterhuis gaat in verband met een onderzoek naar zijn sociaal-emotionele en lichamelijke ontwikkeling en het BJAA sindsdien de omgang heeft beperkt tussen de moeder en [minderjarige] in die zin dat er nu eenmaal in de twee weken contact is tussen hen. De redenen voor deze beperking heeft het BJAA weergegeven in haar aanwijzing gegeven op 29 april 2013.

De kinderrechter stelt voorop dat een uithuisgeplaatst kind, zeker indien dat kind 3 jaar oud is en er een mogelijkheid bestaat dat hij wordt teruggeplaatst, recht heeft op regelmatig contact met zijn moeder. Gelet op de thans gangbare hechtingstheorieën is dat ook in het belang van de minderjarige. BJAA zal dan ook met overtuigende argumenten moeten komen om het contact tussen de minderjarige en de moeder, zoals in casu, terug te brengen van één keer per week naar één keer per twee weken.

BJAA heeft het verminderen van het contact tussen de minderjarige en de moeder gebaseerd op het gegeven dat de contactmomenten met moeder emotioneel zwaar zijn voor [minderjarige] en dat hij daarna vaak lichamelijk van slag is. Dit uit zich in diarree, overgeven en moe zijn. Op grond van hetgeen Spirit ter zitting heeft gesteld, constateert de kinderrechter evenwel dat de klachten terzake diarree en overgeven zich niet meer voordoen sinds er met de moeder duidelijke afspraken zijn gemaakt over hetgeen [minderjarige] te eten krijgt tijdens een contactmoment. Wel is [minderjarige] nog geregeld stil en moe als hij terugkomt van de bezoekregeling met zijn moeder. Ter zitting is door Spirit Pleegzorg evenwel aangegeven dat deze klachten na een nachtje slapen verdwenen zijn en de kinderrechter acht het stil en moe zijn van [minderjarige], gelet op zijn leeftijd en de wijze waarop de moeder en [minderjarige] met elkaar omgingen voor de uithuisplaatsing, passen binnen een normale reactie van een kind op een bezoekregeling en derhalve niet op voorhand verontrustend.

Voorts is door het BJAA aangevoerd dat het beleid is om, nu niet vast staat of [minderjarige] teruggeplaatst kan worden bij moeder, de omgang te beperken zodat [minderjarige] zich kan hechten in het pleeggezin en zich veilig bij hen kan voelen. De kinderrechter kan deze redenering evenwel niet zonder meer volgen. Uit de stukken volgt immers niet waarom de enkele omstandigheid dat het contact tussen de minderjarige en zijn moeder wekelijks zou plaatsvinden, er voor zou zorgen dat de minderjarige zich in het huidige pleeggezin niet zou kunnen hechten en veilig voelen. Niet is gesteld dat dit probleem zich voordeed toen het contact nog wekelijks plaatsvond. Overigens is duidelijk geworden dat [minderjarige] bij een perspectiefbiedende plaatsing sowieso niet in het huidige crisispleeggezin kan blijven wonen.

Tot slot heeft het BJAA aangevoerd dat een wekelijks contact met moeder te belastend is nu [minderjarige] ook twee dagen per week naar het MOC gaat. Ook dit argument acht de kinderrechter niet overtuigend. Niet valt immers in te zien waarom een eventueel te volle belasting van de minderjarige moet worden opgelost door het terugschroeven van het contact met zijn moeder. Overigens heeft de moeder ter zitting aangeboden dat het contactmoment tussen haar en de minderjarige ook op het MOC kan plaatsvinden. Het MOC zou dan tegelijkertijd de interactie tussen de moeder en [minderjarige] kunnen observeren.

Nu het BJAA aldus geen overtuigende argumenten naar voren heeft gebracht waarom het wekelijks contact tussen de moeder en [minderjarige] moet worden teruggebracht naar eens in de twee weken, is de schriftelijke aanwijzing van het BJAA ten onrechte en op onjuiste gronden gegeven.

De kinderrechter zal het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing dan ook toewijzen en op grond van artikel 1:263a lid 2 BW een nieuwe omgangsregeling vaststellen, nu hij dat in het belang van [minderjarige] wenselijk acht, inhoudende dat er eenmaal in de week, onder begeleiding, contact zal zijn tussen de moeder en [minderjarige] gedurende anderhalf à twee uur. De kinderrechter geeft hierbij in overweging dat mogelijk de omgang tussen de moeder en [minderjarige] op het MOC Kabouterhuis kan plaatsvinden nu dit wellicht minder belastend voor [minderjarige] kan zijn en tevens de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] geobserveerd kunnen worden.

Gelet op vorenstaande zal als volgt worden beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verklaart de schriftelijke aanwijzing van het BJAA d.d. 29 april 2013 vervallen;

- stelt de navolgende bezoekregeling vast:

 de moeder en [minderjarige] hebben eenmaal in de week, gedurende anderhalf à twee uur en

onder begeleiding, contact met elkaar;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.G. Odink, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2013, in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra, griffier..

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.