Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5046

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
13/993501-10 (Promis)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2014:4124
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c (oud), 22d (oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993501-10 (Promis)

Datum uitspraak: 13 augustus 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

domicilie kiezend ten kantore van Meijers Canatan Advocaten, ter attentie van zijn gemachtigde raadsman mr. G. Meijers, Herengracht 478, 1017 CB te Amsterdam.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.W. Bollen en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. G. Meijers,

naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de maand juli 2001, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

een factuur, gedateerd 31 juli 2001, afkomstig van [X], geadresseerd aan [rechtspersoon 1], factuurnummer 001001, met een factuurbedrag van Hfl 238.000,- (inclusief BTW), betreffende project [project] en met de omschrijving (zakelijk weergegeven):

-het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure inzake bovengenoemd project;

-het vertalen in het Duits van bovengenoemde brochure en begeleidend schrijven,

-het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project [project],

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die factuur fictief was, althans dat de in die factuur omschreven verkopen en/of leveringen van

goederen of diensten in werkelijkheid niet of niet geheel hadden plaatsgevonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen blijkt dat de gefactureerde werkzaamheden niet door verdachte zijn verricht. Evenmin blijkt dat verdachte iets te maken heeft gehad met het project [project] of heeft gehandeld in opdracht van [rechtspersoon 1], de vennootschap aan wie de factuur was gericht.

Verdachte heeft verklaard dat de facturen van [X], een door verdachte opgerichte eenmanszaak waarvan hij feitelijk leidinggevende was, door hem of in opdracht van hem werden gemaakt. Verdachte kan zich van de onderhavige factuur echter niets herinneren. Uit de stukken in het dossier blijkt echter dat het gefactureerde bedrag van ƒ 238.000,- op een rekening van [X] is gestort en is overgeboekt naar een rekening van [rechtspersoon 2]. Verdachte was voor 40% aandeelhouder van [rechtspersoon 2], tezamen met onder andere [rechtspersoon 3], een vennootschap van [A]. Het kan daarom niet anders dan dat verdachte heeft geweten van de valse factuur.

Dat het niet verdachte is geweest die de valse factuur heeft opgemaakt of heeft laten opmaken maar [A], acht de officier van justitie, gelet op de omstandigheid dat de raadsman dit scenario pas ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, niet geloofwaardig.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank gemotiveerd verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat ieder bewijs ontbreekt voor de stelling dat verdachte de factuur, gericht aan [rechtspersoon 1], valselijk heeft opgemaakt of heeft laten opmaken. Op basis van de stukken in het dossier is het eerder aannemelijk dat het [A] is geweest die, zonder medeweten van verdachte, de factuur heeft laten opstellen en heeft verzonden naar [rechtspersoon 1].

Hoewel het bedrag van ƒ 238.000,- is gestort op een rekening van [X] en is overgeboekt naar een rekening van [rechtspersoon 2], betekent dit niet dat verdachte van deze boekingen op de hoogte was. Verdachte was namelijk de persoon die, zo heeft hij verklaard, binnen [X] het denkwerk verrichte. De financiële administratie werd volgens verdachte verzorgd door [A]. Uit het relaasverbaal blijkt eveneens dat [A] de financiële zaken voor verdachte, [X] en [rechtspersoon 2] behartigde.

Dat verdachte zich weinig kan herinneren van de aan hem voorgelegde factuur, komt onder andere doordat, zoals gezegd, hij zich nauwelijks bezighield met de financiële en administratieve kant van de bedrijfsvoering. Daar komt bij dat verdachte acht jaar na het verzenden van de factuur hierover voor het eerst is ondervraagd. Naast de zakelijke activiteiten van verdachte, trad hij in juni 2001 in het huwelijk met mevrouw [B], hetgeen ook het nodige van zijn aandacht zal hebben gevergd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 28 oktober 1998 is de onderneming [X] opgericht. De onderneming wordt gedreven door verdachte.2 Er zijn door verdachte geen andere mensen benoemd die binnen [X] een rol spelen en de onderneming wordt door hem als eenmanszaak gedreven.3 Naast verdachte is binnen [X] geen personeel in dienst.4 De facturen van [X] worden door verdachte of in opdracht van verdachte gemaakt. Vanuit [X] verricht verdachte werkzaamheden voor onder andere [C].5 De betalingen van [C] voor de werkzaamheden die verdachte voor [C] verricht, worden tot en met februari 2001 overgemaakt op een girorekening van [X]. Op verzoek van [X] worden door [C] de rekeningen vanaf maart 2001 overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer 1].6 Naast voornoemde bankrekening, opent verdachte h/o [X] op 20 maart 2001 bij [bank] de bankrekening [rekeningnummer 2].7

Verdachte heeft in 1999 [rechtspersoon 2] opgericht. Binnen [rechtspersoon 2] i.o. houdt hij zich bezig met de automatisering van stockopties.8 De werkzaamheden van [rechtspersoon 2] i.o zijn vanaf 28 mei 2001 ondergebracht in de onderneming [rechtspersoon 4]. Middels een statutenwijziging van [rechtspersoon 4] is de statutaire naam op 5 juli 2001 gewijzigd in [rechtspersoon 2]. Verdachte staat vanaf 28 mei 2001 tot 21 juni 2002 als enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming [rechtspersoon 2] ingeschreven.9 Hetgeen verdachte vanuit zijn werk in [X] verdient, stopt hij in [rechtspersoon 2] om op – onder andere – deze wijze de investeringen in deze BV te kunnen financieren.10 Op 11 januari 2001 is door verdachte bij [bank] de bankrekening [rekeningnummer 3] geopend. Voornoemde bankrekening staat op naam van [rechtspersoon 2] i.o.11

Met dagtekening 31 juli 2001 wordt een factuur met factuurnummer 001001, met daarop het logo van [X], aan [rechtspersoon 1] verstrekt, een vennootschap van [F] en [G]. Gefactureerd wordt een bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW). De factuur vermeldt: “Betreft: [project]” en als omschrijving van de door [X] verzorgde activiteiten het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure, het vertalen in het Duits van deze brochure en begeleidend schrijven en het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project [project].12

Ondanks de omstandigheid dat [F] en [G] niet weten wie achter [X] zit en of de in de factuur vermelde werkzaamheden zijn verricht13, neemt [rechtspersoon 1] de factuur op in haar administratie onder project [project] en maakt op 31 juli 2001 – met als valutadatum 1 augustus 2001 – het factuurbedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) bij wijze van spoedopdracht over op de door verdachte op 20 maart 2001 nieuw geopende bankrekening met nummer [rekeningnummer 2], conform het in de factuur genoemde rekening nummer.14 Dit betreft de eerste transactie op deze bankrekening. Naar aanleiding van een verzoek van verdachte van 2 augustus 2001 wordt op 3 augustus 2001 het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) overgeboekt naar de door verdachte op 11 januari 2001 geopende bankrekening [rekeningnummer 3]. Deze bankrekening staat op naam van [rechtspersoon 2].15

Ten aanzien van de op naam van [X] verstuurde factuur is het volgende verklaard. Volgens de getuige [D], destijds als makelaar betrokken bij de aankoop van het project [project], bestond in het project [project] in zijn geheel geen verkoopbrochure. Deze getuige is niet bekend met het bedrijf [X] en weet ook niets van de werkzaamheden die op de factuur staan vermeld.16 De getuige [E], destijds vanuit [C] betrokken bij het project [project], heeft verklaard dat hij [X] niet kent. De factuur kent hij ook niet.17 Verdachte heeft verklaard dat hij zich de factuur niet kan herinneren. Ook de op de factuur beschreven werkzaamheden, evenals het project [project] kan hij zich niet herinneren. Op de vraag of het klopt dat [X] op 1 augustus 2001 een bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) van [rechtspersoon 1] heeft ontvangen, antwoordt verdachte dat hij zich deze betaling niet kan herinneren.18

Nadere bewijsoverweging

De vraag in onderhavige zaak is of uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de persoon is geweest die de factuur valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De raadsman heeft ter zitting voor het eerst naar voren gebracht dat het aannemelijk is dat het [A] is geweest die de onderhavige factuur zou kunnen hebben opgesteld. Volgens de raadsman zou uit het dossier blijken dat [A] de financiële administratie voor [X] verzorgde.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor de juistheid van deze aanname. Verdachte heeft niet verklaard dat [A] de financiën van [X] verzorgde. Hij heeft verklaard dat hij niemand in loondienst had en dat er geen andere mensen te noemen zijn die een rol hebben gespeeld binnen [X]. Verder heeft verdachte slechts aangegeven dat [A] voor [rechtspersoon 2] de financiële administratie verzorgde. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen, zodat hij over het door de raadsman geschetste scenario niet nader bevraagd kon worden. Ook overigens zijn voor de aanname van de raadsman onvoldoende aanknopingspunten te vinden in het dossier. Het feit dat [A] zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van facturen en deze factuur van [X] aan [F] en [G] zou hebben overhandigd, doet hier niet aan af.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij al het geld dat hij met [X] heeft verdiend, in [rechtspersoon 2] heeft gestoken. Dit maakt het volgens de rechtbank des te aannemelijker dat het verdachte is geweest die op 3 augustus 2001 het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) van de alleen voor hem toegankelijke bankrekening van [X] heeft overgeboekt naar de door hem nieuw geopende bankrekening van [rechtspersoon 2]. Dit gebeurde zeer kort na ontvangst van de bij wijze van spoedopdracht overgemaakte betaling van de factuur.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte, als verantwoordelijke voor [X], zich van de storting en overboeking van de

ƒ 238.000,- (inclusief BTW) niets kan herinneren, met name nu het een aanzienlijk bedrag betreft.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vast, dat het niet anders kan dan dat het verdachte is geweest die de factuur valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Samenvattend heeft de rechtbank daarbij het volgende in overweging genomen:

  • -

    [X] werd door verdachte gedreven en volgens zijn eigen verklaring heeft geen andere persoon een rol gespeeld binnen die onderneming;

  • -

    verdachte was volgens zijn eigen verklaring de persoon die de facturen van [X] opmaakte, dan wel liet opmaken;

  • -

    de factuur bevat het logo en het KvK-nummer van [X] en vermeldt het nummer van de door de verdachte op 20 maart 2001 nieuw geopende bankrekening [rekeningnummer 2], waarop nog niet eerder stortingen door derden waren verricht, zodat dit rekening nummer niet uit dien hoofde bij anderen bekend was;

  • -

    het gefactureerde bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) is op 1 augustus 2001 door middel van een telefonische overboeking op deze rekening gestort;

  • -

    het bedrag van ƒ 238.000,- (inclusief BTW) is op 3 augustus 2001 naar aanleiding van een verzoek van verdachte van 2 augustus 2001 naar een door verdachte geopende bankrekening [rekeningnummer 3] van een bedrijf waarin hij een belang had, overgeboekt;

  • -

    verdachte verklaart dat hij zich van deze transacties helemaal niets weet te herinneren;

  • -

    niet is gebleken dat iemand anders dan verdachte de factuur heeft opgemaakt.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat ten aanzien van het valselijk opmaken van deze factuur, sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht daarom medeplegen niet bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in of omstreeks de maand juli 2001 te Amsterdam of in Nederland een factuur, gedateerd 31 juli 2001, afkomstig van [X], geadresseerd aan [rechtspersoon 1], factuurnummer 001001, met een factuurbedrag van Hfl 238.000,- (inclusief BTW), betreffende project [project] en met de omschrijving, zakelijk weergegeven:

  • -

    het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure inzake bovengenoemd project;

  • -

    het vertalen in het Duits van bovengenoemde brochure en begeleidend schrijven;

  • -

    het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project [project];

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die factuur fictief was, althans dat de in die factuur omschreven diensten in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een werkstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals hiervoor weergegeven, vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit en heeft voor het overige geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, zich laten leiden door de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uitreksel Justitiële Documentatie van 7 december 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Verdachte heeft, als eigenaar van [X], zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, met als doel om op gemakkelijke wijze veel geld te verdienen. Dit is ook gebleken, nu verdachte door het plegen van het delict een niet gering bedrag op een aan hem toebehorende bankrekening heeft ontvangen. Delicten als het onderhavige kunnen nadeel teweeg brengen en leiden tot schending van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in de juistheid van bepaalde geschriften.

Hoewel het bewezen verklaarde slechts één door verdachte vals opgemaakte factuur omvat, moet dit naar het oordeel van de rechtbank wel worden bezien in het licht van de bouwfraudeaffaire ‘[naam affaire]’, waarbij veelvuldig gebruik is gemaakt van valse facturen zoals de onderhavige. De rechtbank zoekt dan ook bij de straftoemeting aansluiting bij straffen opgelegd aan andere verdachten op vergelijkbare wijze betrokken bij deze affaire.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat het feit in het jaar 2001 is gepleegd, inmiddels meer dan 12 jaar geleden.

De rechtbank is van oordeel dat, nu zij meer dan de officier van justitie rekening houdt met de omstandigheid dat het een oud feit betreft, daarnaast het medeplegen niet bewezen verklaart en aansluiting zoekt bij eerder uitspraken tegen verdachten in de [naam affaire] affaire, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c (oud), 22d (oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2013.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een geschrift, zijnde een uitreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, bijlage nr. D-3493, pagina 239.

3 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, codenummer V117-01, pagina 780 e.v., m.n. pagina 783.

4 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 3, en een proces-verbaal van verhoor van de getuige [H], codenummer G001-01, ongenummerd.

5 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 3 m.n. pagina 782 en 789.

6 Een proces-verbaal van ambtshandeling, codenummer AH-1478/PV11703-225, pagina 4.

7 Een proces-verbaal van ambtshandeling aangehaald in noot 6, pagina 4 en een geschrift, zijnde een historisch overzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 2], bijlage nr. D-4096, pagina 459.

8 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 3.

9 Een geschrift, zijnde een uitreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, bijlage nr. D-3532, pagina 258-262.

10 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 3.

11 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 6 en een geschrift, zijnde een historisch overzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 4], bijlage nr. D-4097, pagina 460.

12 Een geschrift, zijnde een factuur met factuurnummer 001001, bijlage nr. D-1205, pagina 221.

13 Een proces-verbaal van verhoor [F], codenummer V-08-14, pagina 632 e.v. en een proces-verbaal van verhoor [G], codenummer V-09-12, pagina 654 e.v..

14 Een geschrift, zijnde de betaling van factuurnummer 001001 door [rechtspersoon 1], pagina 223 en een geschrift, zijnde een faxbericht van [F], bijlage nr. D-1526, pagina 227.

15 Een geschrift, zijnde een historisch overzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 2], aangehaald in noot 7.

16 Een proces-verbaal van verhoor [I], codenummer G-094-01, pagina 816 e.v. met name pagina 820 en 821.

17 Een proces-verbaal van verhoor [J], codenummer G-91-01, pagina 803 e.v. met name pagina 814.

18 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, aangehaald in noot 6.