Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:5020

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
C/13/537304 HA RK 13-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Verklaring voor recht dat vordering niet is verjaard toewijsbaar.

Artikel 10 lid 5 WAM; brief verzekeraar heeft onderhandelingen binnen de verjaringstermijn doen heropenen, zodat de verjaring van de (vermeende) vordering van verzoeker tijdig is gestuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/49
VR 2014/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/537304 / HA RK 13-58

Beschikking van 29 augustus 2013

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

[advocaat] te [plaats],

tegen

de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en London genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift deelgeschilprocedure artikel 1019w Rv met producties, ingekomen ter griffie op 5 maart 2013,

  • -

    de tussenbeschikking van 8 mei 2013, waarin een mondelinge behandeling is gelast,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift, gehouden op 18 juli 2013.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 23 oktober 2003 is [verzoeker] als bestuurder van een personenauto [kenteken] van achteren aangereden door een andere auto [kenteken]

(hierna: het ongeval). Bij het ongeval liep [verzoeker] letsel op.

2.2.

De achterop rijdende auto was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij London.

2.3.

[verzoeker] heeft London bij brief van 27 oktober 2003 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Bij brief van 5 mei 2004 heeft London aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.4.

Op 8 juli 2005 was [verzoeker] opnieuw betrokken bij een ongeval waarbij hij van achteren werd aangereden.

2.5.

Bij brief van 22 november 2005 heeft London de toenmalige advocaat van [verzoeker] verzocht een eindregelingsvoorstel in te dienen met betrekking tot het ongeval van

23 oktober 2003. Daarbij heeft London medegedeeld dat haar medisch adviseur alleen kortdurende klachten voor het eerste ongeval kan erkennen en dat zij voor de gevolgen van het tweede ongeval derhalve niet aansprakelijk is.

Vervolgens is enige tijd tussen partijen gecorrespondeerd om te trachten een regeling te bereiken.

2.6.

Bij brief van 27 oktober 2006 heeft London, voor zover hier van belang, aan de toenmalige advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Van al deze schadeposten hebben wij geen enkel bewijsstuk ontvangen (…)

Wij betalen uw cliënt eu 5500,- en uw nota ad eu 1966.20, afgerond naar eu 2000,- De kwestie is hiermee afgewikkeld. Mocht u dit niet met ons eens zijn, dan komen wij alleen op uw brieven terug als u bewijsstukken aanlevert.

(…)”

2.7.

Bij aangetekende brief van 22 oktober 2008 heeft London aan de toenmalige advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Wij hebben al enige tijd niets meer van u vernomen en gaan daarom over tot het sluiten van dit dossier.

Deze brief sturen wij u mede in het kader van art. 10 lid 5 WAM. De verjaringstermijn doet haar intrede.

(…)”

2.8.

Bij brief van 12 april 2011 heeft de advocaat van [verzoeker], voor zover hier van belang, aan London bericht:

“(…)

Via het intermediair van [naam 1] van [bedrijf] te [plaats] wendde zich tot mij[verzoeker] uit [woonplaats], met het verzoek om namens hem bij de bevoegde rechter een verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht in te dienen.

(…)

Alvorens evenwel het verzoekschrift daadwerkelijk bij de rechtbank in te dienen wil ik u – nu er sedert uw laatste contact met [naam 1] inmiddels geruime tijd verlopen is – namens mijn cliënt in de gelegenheid stellen om het te verzoeken expertiseonderzoek alsnog samen met mijn cliënt buiten de rechter om aan te vragen. (…)”

2.9.

Bij brief van 26 mei 2011 heeft[naam 2] van London (hierna: [naam 2]), aan de advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Per aangetekende brief van 22 oktober 2008 hebben wij de onderhandeling ex. Art. 10 lid 5 WAM afgebroken. Sindsdien is er van uw cliënt niets meer vernomen.

(…)”

2.10.

Bij brief van 30 juni 2011 heeft [naam 2] namens London, voor zover hier van belang, aan de advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Om te voorkomen dat er nu weer een termijn van drie jaren gaat lopen herhalen wij nog maar dat wij de onderhandelingen afbraken. Tenzij er uwerzijds een finale regeling van deze zaak komt, inclusief uw kosten, die het voor ons aantrekkelijk maakt om de gang naar de rechter te vermijden, blijft dat zo. (…)

Juridisch technisch klopt het niet helemaal wat wij omtrent het afbreken beweren, maar dat moeten we dan maar zo afspreken met elkaar. (…)”

2.11.

Bij brief van 21 februari 2012 heeft [naam 2] namens London aan de advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Ervan uitgaande dat uw client van London Verzekeringen N.V. niets meer te vorderen heeft gaan wij over tot het archiveren van dit [rb: [verzoeker]-London] dossier.

(…)”

2.12.

Bij brief van 29 februari 2012 heeft de advocaat van [verzoeker], voor zover hier van belang, aan [naam 2] bericht:

“(…)

Met uw brief van 21 februari was u nét te vroeg: zojuist rondde ik het overleg met mijn cliënt af aangaande het hieronder weergegeven eindregelingsvoorstel.

Bijgaand voeg ik de schadestaat* bij waarin de te onderscheiden schadecomponenten zijn opgenomen.

(…)

Resumerend bedraagt de totale vordering derhalve:

(…)

€ 54.754,43

Nog te vermeerderen met een BGK-vergoeding ad € 17.402,12

Graag verneem ik uw reactie op bovengenoemd regelingsvoorstel (…)”

2.13.

Bij brief van 25 april 2012 heeft [naam 2] namens London aan de advocaat van [verzoeker] bericht:

“(…)

Zoals wij u per brief van 26 mei 2011 lieten weten hebben wij de onderhandeling ex art. 10 lid 5 WAM per aangetekende brief van 22 oktober 2008 afgebroken. Dit betekent dat vanaf dat moment de 3 jarige verjaringstermijn volgende uit deze bepaling is gaan lopen.

Tussentijds hebben wij u (…) op de hoogte gesteld van de lopende verjaringstermijn. Eerst nu, bij brief van 29 februari 2012 komt u met een aanzienlijke vordering op deze zaak terug.

Aangezien vanaf 22 oktober 2008 meer dan 3 jaren zijn verstreken menen wij dat de door uw cliënt vermeende vordering op ons is verjaard.

Subsidiair menen wij dat er voor de verdere gevolgen die uw cliënt pretendeert uit dit ongeval te moeten claimen, geen (medisch) causaal verband bestaat.

(…)”

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat zijn vordering op London uit hoofde van het hem op 23 oktober 2003 overkomen verkeersongeval niet door verjaring teniet is gegaan. Daarnaast verzoekt [verzoeker] de rechtbank om de kosten van het deelgeschil te begroten conform zijn opgave en London in deze kosten te veroordelen, een en ander – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

[verzoeker] legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat van verjaring geen sprake is, nu ruimschoots vóór het aflopen van de verjaringstermijn onderhandelingen tussen partijen hebben plaatsgevonden in de zin van de WAM die de verjaring hebben gestuit.

[verzoeker] meent dat een beslissing over het al dan niet verjaard zijn van zijn vordering kan bijdragen aan de voortgang van de buitengerechtelijke onderhandelingen en de uiteindelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen, zodat dit geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.3.

London voert verweer en voert allereerst aan dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek, aangezien de verzochte beslissing volgens London niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, zodat geen sprake is van een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv. Voorts voert London aan dat de (vermeende) vordering van [verzoeker] wel degelijk is verjaard, nu van een heropening van de onderhandelingen in de zin van de WAM, nadat London de onderhandelingen had beëindigd, geen sprake is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Leent het verzoek zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure?

4.1.

De rechtbank zal eerst het verweer van London behandelen, samengevat inhoudende dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.2.

Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. De deelgeschilprocedure is dus bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de algehele buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv).

4.3.

Het verzoek van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat zijn vordering op London niet verjaard is, valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van artikel 1019w Rv. Nu London aansprakelijkheid voor het ongeval reeds heeft erkend, kunnen partijen, indien zou worden vastgesteld dat de vordering van [verzoeker] niet verjaard is, immers verder onderhandelen over de (omvang van de) schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Het verweer van London dat de beslissing in het deelgeschil niet zal leiden tot de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst omdat zij, ook indien de vordering van [verzoeker] niet is verjaard, de onderhandelingen niet zal hervatten, staat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg. Voldoende is dat een beslissing partijen in staat stelt verder te onderhandelen, althans dat een beslissing kan bijdragen aan totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:2703) waar namens London tijdens de mondelinge behandeling op is gewezen, maakt het voorgaande niet anders. Uit het slot van rechtsoverweging 4.2 van deze uitspraak volgt immers dat de rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld dat het verzoek in die zaak zich niet leende voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat zij (nadere) bewijslevering noodzakelijk achtte. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

4.4.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank zal thans dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van dit verzoek.

Verjaring?

4.5.

Ingevolge artikel 10 lid 1 WAM verjaart een uit de WAM voortvloeiende rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan. Op grond van lid 5 van voornoemd artikel wordt de verjaring ten opzichte van de verzekeraar gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. Een nieuwe termijn van drie jaar begint dan te lopen te rekenen van het ogenblik waarop een van de partijen bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan de andere partij heeft kennisgegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij in ieder geval onderhandeld hebben over een schaderegeling tot 22 oktober 2008, zodat de (vermeende) vordering van [verzoeker] uit hoofde van het hem op 23 oktober 2003 overkomen ongeval voordien niet is verjaard. Vast staat eveneens dat London bij aangetekende brief van 22 oktober 2008 de onderhandelingen heeft beëindigd (zie hiervoor onder 2.7). Ingevolge artikel 10 lid 5 WAM is op dat moment een (nieuwe) verjaringstermijn gaan lopen van drie jaar, welke termijn derhalve eindigde op 22 oktober 2011. Beoordeeld dient te worden of in de tussentijd een handeling is verricht die deze verjaringstermijn heeft gestuit.

4.7.

[verzoeker] stelt in dat kader dat London met haar brief van 30 juni 2011 de onderhandelingen tussen partijen heeft heropend in de zin van de WAM. London betwist dat en voert aan dat uit voornoemde brief duidelijk blijkt dat de wil van London er niet op gericht was om de onderhandelingen te heropenen. London heeft in deze brief slechts aangegeven dat zij, hoewel de onderhandelingen waren afgebroken, een pragmatisch voorstel van de advocaat van [verzoeker] om tot een finale regeling te komen in overweging zou willen nemen, aldus London.

4.8.

De rechtbank overweegt dat voor de vraag of sprake is geweest van onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 5 WAM niet beslissend is of de verzekeraar de indruk geeft bereid te zijn de schade te dragen, maar alleen of de verzekeraar zich zodanig heeft uitgelaten dat de benadeelde niet hoeft aan te nemen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit (Benelux Gerechtshof 20 oktober 1989, NJ 1990, 660). De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] op grond van de inhoud van de brief van 30 juni 2011 niet hoefde aan te nemen dat London een regeling zonder meer uitsloot. London nodigt (de advocaat van) [verzoeker] immers uit een voorstel te doen voor een finale regeling van de zaak. Daarmee was dus sprake van onderhandelingen en ging een nieuwe termijn van drie jaar lopen. De omstandigheid dat London blijkens die brief niet wilde dat een nieuwe termijn zou aanvangen, maakt dat niet anders.

4.9.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de brief van London van 30 juni 2011 de onderhandelingen tussen partijen binnen de verjaringstermijn van drie jaar heeft doen heropenen, zodat de verjaring van de (vermeende) vordering van [verzoeker] uit hoofde van het hem op 23 oktober 2003 overkomen verkeersongeval tijdig is gestuit. De (vermeende) vordering van [verzoeker] is niet door verjaring teniet gegaan. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht is aldus toewijsbaar.

4.10.

De vraag of de brief van de advocaat van [verzoeker] van 12 april 2011 (eveneens) stuitende werking heeft, zoals aan de orde kwam tijdens de mondelinge behandeling, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

Kosten

4.11.

[verzoeker] verzoekt om begroting door de rechtbank en veroordeling van London in de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van deze deelgeschilprocedure op de voet van artikel 1019aa lid 1 Rv en artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoeker] begroot zijn kosten, uitgaande van 15,0 uur tegen een uurtarief van EUR 200,00, op EUR 4.085,50, inclusief 5% kantoorkosten, 21% BTW en EUR 274,00 griffierecht.

4.12.

London acht de door [verzoeker] begrote kosten van rechtsbijstand ten behoeve van dit deelgeschil niet redelijk. Met name het aantal begrote uren ten behoeve van het opstellen van het verzoekschrift en het bijwonen van de mondelinge behandeling acht London bovenmatig nu de standpunten van partijen over en weer reeds duidelijk waren. De door [verzoeker] opgevoerde reistijd van drie uur is volgens London niet als rechtsbijstand te beschouwen. Voor een veroordeling in de te begroten kosten is geen plaats, aldus London.

4.13.

De rechtbank acht het door [advocaat] gehanteerde uurtarief van EUR 200,00

(waar London overigens ook geen bezwaar tegen heeft gemaakt) niet onredelijk. De omvang van de door [advocaat] aan het opstellen van het verzoekschrift bestede tijd van 3,5 uur is naar het oordeel van de rechtbank evenmin onredelijk. Wel acht de rechtbank de 3 uur die zijn opgevoerd voor de mondelinge behandeling bovenmatig. Gebleken is dat de mondelinge behandeling slechts 1,5 uur heeft geduurd. Ook de opgevoerde reistijd komt naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet geheel voor vergoeding door London in aanmerking. De rechtbank zal het aantal bestede uren derhalve matigen tot 12 uur en het deel van de gemaakte kosten dat in redelijkheid ten laste van London dient te komen, begroten op EUR 3.323,20 (EUR 200,00 x 12 + 5% kantoorkosten + 21% BTW + EUR 274,00 griffierecht).

4.14.

Nu de aansprakelijkheid van London vast staat, zal de rechtbank London veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil gemoeide kosten, zoals hiervoor onder 4.13 door de rechtbank begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de (vermeende) vordering van [verzoeker] op London uit hoofde van het [verzoeker] op 23 oktober 2003 overkomen verkeersongeval niet door verjaring teniet is gegaan,

5.2.

begroot de kosten van de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoeker] op EUR 3.323,20,

5.3.

veroordeelt London om een bedrag van EUR 3.323,20 binnen 14 dagen na deze beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [stichting],

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2013.