Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4935

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
KK 13-1144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Woningcorporatie mag een woning in Amsterdam Noord ontruimen. Volgens de woningcorporatie veroorzaken de bewoners sinds 2000 structureel ernstige overlast. Opname van gedaagden in het project 'Treiteraanpak' heeft hier geen einde aan gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

KORT GEDING

AFDELING PRIVAATRECHT TEAM KANTON

Kenmerk : KK 13-1144

Datum : 8 augustus 2013

438

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam op de vordering in kort geding in de zaak van:

de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

eiseres

nader te noemen Rochdale

gemachtigde: mr. J. Groenewoud

t e g e n:

1.

[gedaagde 1]

2.

[gedaagde 2]

gemachtigde mr. R.F. de Jong

en3. [gedaagde 3]

4.

[gedaagde 4]

gemachtigde mr. O.H.A. Mo-Ajok

en

5.

[gedaagde 5]

gemachtigde mr. T. de Heer

allen wonende te [woonplaats]

gedaagden

tezamen nader te noemen [gedaagden]

en voorts tegen6. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF GEDEELTE DAARVAN, GELEGEN TE [adres],

gedaagden,

niet verschenen.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 22 juli 2013 heeft Rochdale een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 1 augustus 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Rochdale is verschenen bij [naam 1]en[naam 2], vergezeld door haar gemachtigde. Aan de zijde van gedaagden zijn verschenen [gedaagde 2], [gedaagde 4] en [gedaagde 5], vergezeld door hun respectievelijke gemachtigden. De overige gedaagden zijn verschenen bij hun respectievelijke gemachtigden. Bij de zitting waren voorts onder meer aanwezig [naam 3] en [naam 4], wijkagenten.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1.

Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende

1.1.

Rochdale verhuurt met ingang van 12 mei 1999 aan gedaagde sub 1 de woning aan de [adres], hierna: het gehuurde. Gedaagde sub 2 is als echtgenote medehuurster. Deze beide gedaagden zullen hierna kortheidshalve worden aangeduid als ‘de huurders’.

1.2.

De woning wordt thans ook bewoond door gedaagden sub 3 en 4, volwassen zonen van de huurders, en gedaagde sub 5, een (ex)schoonzoon van de huurders. Voorts wordt de woning bewoond door drie minderjarige kinderen van de huurders.

1.3.

In februari 2010 is gedaagde sub 2 met enkele minderjarige kinderen verhuisd naar een andere woning, gedaagde sub 1 is toen met de meerderjarige kinderen in het gehuurde achtergebleven. Nadien heeft gedaagde sub 2 ook vaak in het gehuurde verbleven. In elk geval vanaf 8 mei 2013 wonen gedaagde sub 2 en de minderjarige kinderen weer in het gehuurde.

1.4.

Bij brief van 13 mei 2013 van de burgemeester van Amsterdam is aan de huurders medegedeeld dat zij tezamen met hun gezinsleden als dader worden aangemerkt in de zin van het project Treiteraanpak, in verband met misdragingen als in die brief genoemd. Dat betrof hangen en roken in en vervuilen van de portiek c.a., bedreigen en intimideren van omwonenden, geluidsoverlast, vernielingen om de woning, misdragingen van de kinderen in de wijk en overlast door bezoek. In genoemde brief werd voorts medegedeeld dat dit gedrag door de gemeente Amsterdam niet werd geaccepteerd en dat, om dit gedrag te doen stoppen, het stadsbestuur, de politie, het OM, de woningcorporaties en de betrokken zorginstellingen hun informatie zouden delen. Tenslotte werd medegedeeld dat voortzetting van dit gedrag zal worden beantwoord met ingrijpende maatregelen zoals ‘de inzet van juridische instrumenten’.

1.5.

Onderdeel van het project Treiteraanpak vormt het ophangen van camera’s, door Rochdale in het gemeenschappelijke portaal en trappenhuis en door de gemeente in de openbare ruimte rond (het pand met daarin) het gehuurde.

1.6.

Op 22 mei 2013 heeft de wijkagent in het kader van een buurtonderzoek bezoeken afgelegd bij de bewoners van de woningen aan het trappenhuis waaraan het gehuurde is gelegen. Op 5 juni 2013 hebben de wijkagent en een medewerkster van Rochdale bezoeken gebracht aan omwonenden en brieven aan hen bezorgd, met informatie over het project Treiteraanpak en met een oproep om eventuele klachten te melden.

1.7.

Bij brief van 24 mei 2013 aan de burgemeester van Amsterdam heeft gedaagde sub 4 op de brief van de burgemeester van Amsterdam d.d. 13 mei 2013 gereageerd.

1.8.

Op 27 mei 2013 heeft een medewerkster van Rochdale aangifte gedaan tegen gedaagde sub 4 wegens agressief gedrag en bedreigingen met geweld. Dit naar aanleiding van een incident waarbij deze gedaagde zich tot deze medewerkster en een andere huurder heeft gewend, die vlak voor het kantoor van Rochdale in gesprek waren. Deze gedaagde verweet de andere huurder een ‘verrader’ te zijn door met Rochdale te hebben gepraat, waardoor zijn kinderen uit huis zijn geplaatst, aldus de aangifte.

1.9.

Op 2 juli 2013 is door de burgemeester van Amsterdam een zogenoemde ‘Einde interventieverklaring’ afgegeven, waarin wordt geconcludeerd dat de aan het project Treiteraanpak deelnemende instanties tot de conclusie zijn gekomen dat [gedaagden] in hun huidige woning niet te handhaven zijn wegens grensoverschrijdend gedrag.

Vordering

2.

Rochdale vordert als voorziening, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zoals geformuleerd in de dagvaarding:

  1. gedaagden te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de woning aan de [adres] met de daarin vanwege gedaagden aanwezige goederen en personen te verlaten, met overgifte aan Rochdale van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Rochdale te stellen op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, althans een door de voorzieningen rechter in goede justitie nader te bepalen dwangsom;

  2. gedaagden sub 1 en 2 hoofdelijk te veroordelen om de huur € 525,05 (bruto) per maand te betalen tot aan de dag van de ontruiming;

  3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Rochdale te betalen de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 BW, zijnde een bedrag van € 5.625,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks onder meer ingevolge het bepaalde in artikel 6:119 jo 6:120 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om de kosten van de ontruiming aan Rochdale te voldoen, zulks binnen zeven dagen na toezending van en conform het proces-verbaal van ontruiming van de deurwaarder (waaraan de eventuele nota's van de bij de ontruiming ingeschakelde derden zullen zijn gehecht; een en ander conform artikel 9 lid 3 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders), althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks onder meer ingevolge het bepaalde in artikel 6: 119 jo 6: 120 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder uitdrukkelijk mede begrepen de na de uitspraak nog vallende kosten (voor wat betreft het salaris van de advocaat ad € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening).

3.

Rochdale stelt dat zij al vanaf ongeveer 2000 klachten over overlast van omwonenden ontvangt. Zij heeft naar aanleiding daarvan vele gesprekken gevoerd met [gedaagden] In verband met die klachten is aan gedaagde sub 2 in 2010 een andere woning aangeboden, maar dat bleek geen oplossing. Er is al jarenlang sprake van overlastgevend gedrag als genoemd in de onder 1.4 bedoelde brief en dit heeft derhalve een structureel karakter. Onderdeel daarvan is de intimidatie van omwonenden zodat deze geen klacht durven in te dienen, althans niet met naam en adres bekend willen worden. Dat er sprake is van structurele ernstige overlast aan omwonenden blijkt voldoende uit de overgelegde politierapporten. Ook wordt verwezen naar de bedreigingen van een medewerker van Rochdale, van de gezinsvoogd en van een medewerker van DWI. Ondanks de inspanningen van Rochdale en gesprekken door de burgemeester met onder meer [gedaagden], is de situatie ongewijzigd. Rochdale heeft spoedeisend belang bij haar vordering omdat het (ook) om de belangen van omwonenden en om een sociale huurwoning gaat. Door een ontruiming hoeven [gedaagden] niet dakloos te worden omdat hen vervangende woonruimte zal worden aangeboden, zij het onder voorwaarden en in een nog nader te bepalen vorm, aldus – steeds – Rochdale.

4.

Wegens de behandeling en afhandeling van de op jaarbasis ongeveer 300 gevallen van onrechtmatige bewoning en overlast moet Rochdale kosten maken, in totaal circa € 600.000,- per jaar. Rochdale verlangt vergoeding van de in deze zaak gemaakte kosten op grond van artikel 6:96 BW. Hierop is de Wet Normering B.I.K. van 1 juli 2012 (hierna: de wet) niet van toepassing. Rochdale vordert de in deze zaak daadwerkelijk gemaakte kosten, ook wegens werkzaamheden door haar eigen medewerkers. In 2013 heeft Rochdale tenminste 150 uur besteed aan dit geval, hetgeen bij een uurtarief van € 37,50 neerkomt op een totaal bedrag van € 5.625,-, aldus Rochdale.

5.

Volgens Rochdale heeft zij belang bij het vorderen van een dwangsom op de ontruiming omdat van haar niet kan worden gevergd te wachten op een volgende ‘ontruimingsronde’ van de deurwaarder. Voor het geval [gedaagden] niet vrijwillig ontruimen maakt Rochdale aanspraak op vergoeding van de te maken kosten van een gedwongen ontruiming.

Verweer

6.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering en voeren - kort samengevat – het volgende aan. Rochdale heeft onvoldoende spoedeisend belang en voorts zijn voor een beslissing feitenonderzoek en bewijsvoering nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. Door Rochdale is in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat zij overlast aan omwonenden hebben veroorzaakt. Voor 2010 heeft Rochdale hen daar nooit op aangesproken, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen indien er al vanaf 2000 sprake was van overlastklachten. Voorts heeft Rochdale haar stellingen niet onderbouwd met concrete gegevens over incidenten waaruit die overlast zou hebben bestaan en heeft zij evenmin klachtbrieven overgelegd. Uit de door Rochdale overgelegde politierapporten blijkt in elk geval dat er (in elk geval recent) geen sprake is geweest van overlast. Dit laatste kan ook worden afgeleid uit het feit dat geen camerabeelden worden overgelegd, aldus – steeds – [gedaagden] Zij verwijzen ook naar door hen overgelegde verklaringen van buurtbewoners, waaruit blijkt dat [gedaagden] zich juist sociaal opstellen en dat van overlast geen sprake is. Het incident waarop de onder 1.8 bedoelde aangifte betrekking had werd veroorzaakt doordat gedaagde sub 4 geprikkeld was omdat door toedoen van de voogdij instelling zijn kinderen uit huis waren geplaatst en hij zich ergerde aan het gedrag van de betreffende omwonende. Voor zover er sprake is geweest van incidenten als door Rochdale bedoeld bestaat er onvoldoende verband tussen die incidenten en de bewoning van het gehuurde, althans rechtvaardigen deze geen ontruiming van het gehuurde. Door Rochdale, de gemeente en anderen worden [gedaagden] gestigmatiseerd en zij worden als Roma’s gediscrimineerd. Het ophangen van camera’s vormt een ernstige inbreuk op hun privacy.

7.

[gedaagden] voeren ook aan dat Rochdale ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de verschillende gedaagden. De huurders voeren aanvullend aan dat gedragingen van anderen geen tekortkoming van hen als goed huurder oplevert. Daarnaast beroepen gedaagden sub 3 tot en met 5 zich (subsidiair) op hun bescherming als onderhuurder. Gedaagde sub 5 heeft inmiddels tezamen met een dochter van de huurders een andere woning toegewezen gekregen, waar hij op (zeer) korte termijn naar zal verhuizen. De overige gedaagden beroepen zich op hun woonbelang, ten aanzien van een eventueel aanbod van andere huisvesting zijn geen garanties gedaan en de ter sprake gekomen voorstellen zijn niet passend, waardoor een ontruiming kan leiden tot een onaanvaardbare situatie, aldus [gedaagden]

8.

betwisten dat Rochdale aanspraak heeft op de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Zij voeren aan dat de wet daarvoor geen grond biedt en voorts dat de vordering onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd is.

Beoordeling

9.

Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

10.

Gelet op de aard van de vordering en de gebleken omstandigheden heeft Rochdale daarbij voldoende spoedeisend belang. Of de vordering geschikt is om in kort geding te worden beslist zal hierna blijken.

11.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van Rochdale in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

12.

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagden] op structurele wijze onrechtmatige overlast aan omwonenden en derden veroorzaken en dat de huurders tekort schieten als goed huurder, heeft Rochdale een ‘zeer verkorte samenvatting van de overlasthistorie’ overgelegd. Deze samenvatting vormt echter slechts een verklaring van Rochdale zelf en vermeldt geen (althans te weinig) concrete data, namen en andere bijzonderheden. De juistheid van die verklaring is slechts beperkt controleerbaar en [gedaagden] worden belemmerd in hun verweer daartegen. Aan deze samenvatting kan daarom slechts beperkte betekenis worden toegekend. Mede gelet op de overige stukken wordt daaruit wel voldoende aannemelijk dat (ook) omwonenden hebben geklaagd over gedragingen van [gedaagden] Dat [gedaagden] deze gedragingen ook daadwerkelijk hebben verricht kan daaruit echter niet met voldoende aannemelijkheid worden vastgesteld.

13.

Rochdale heeft geen klachtbrieven overgelegd. Zij heeft gesteld dat direct omwonenden en anderen niet openlijk klachten durven te uiten, althans weigeren om akkoord te gaan met het door Rochdale gebruiken van klachten met vermelding van gegevens over de klager, vanwege intimidatie door [gedaagden] betwisten dat zij omwonenden of anderen hebben geïntimideerd.

14.

Door de ter zitting aanwezige wijkagenten is bevestigd dat zij van omwonenden hebben vernomen dat deze overlast ondervinden van [gedaagden] en voorts dat zij door [gedaagden] worden geïntimideerd, onder meer doordat [gedaagden] omwonenden waarschuwden dat zij problemen zouden krijgen indien zij met klachten over [gedaagden] naar de politie zouden gaan. Gelet op de consistente verklaringen van de wijkagent is dit voldoende aannemelijk geworden, temeer daar gedaagde sub 2 tijdens de zitting heeft verklaard ‘als de buren liegen, krijgen zij problemen met ons’.

15.

Noch de door [gedaagden] overgelegde verklaringen van buurtbewoners, noch het feit dat door Rochdale geen camerabeelden zijn overgelegd, doen af aan het voorgaande. Voor zover daarop adressen zijn vermeld, blijken de door [gedaagden] overgelegde verklaringen geen van alle afkomstig van de direct omwonenden. Zij sluiten intimidatie van die direct omwonenden niet uit. Dat geen camerabeelden zijn overgelegd heeft Rochdale verklaard uit het feit dat deze beelden op privacygronden slechts worden bekeken indien een klacht daartoe aanleiding geeft, hetgeen (op éénmaal na) niet heeft plaatsgevonden sinds de bevestiging van die camera’s in april 2013 (in het trappenhuis) dan wel juni 2013 (aan de buitenzijde). Dat er sindsdien geen klachten zijn ontvangen sluit niet uit dat van intimidatie van omwonenden sprake is geweest. Dat er volgens de overgelegde politierapporten door [gedaagden] in de laatste maanden minder (geluids)overlast is veroorzaakt, doet evenmin iets af aan het voorgaande, omdat dit slechts één van de verwijten betrof en een dergelijke vermindering de tekortkomingen in het verleden niet ongedaan maakt.

16.

Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde sub 4 op 27 mei 2013 vlak voor het kantoor van Rochdale een andere huurder, in gesprek met een medewerkster van Rochdale, heeft toegeschreeuwd dat deze een ‘verrader’ was en voorts dat hij de betreffende medewerkster agressief heeft benaderd en heeft aangekondigd dat hij haar ‘klappen’ gaat geven. Dit vormt een ernstig wangedrag dat in voldoende verband staat met de bewoning van het gehuurde en met de uitvoering van de huurovereenkomst.

17.

De huurders worden vooralsnog niet gevolgd in hun stelling dat het voorgaande geen tekortkoming als goed huurder van henzelf oplevert. Uit de door Rochdale overgelegde politierapporten, uit de onder 1.7 bedoelde brief en uit het optreden van de gedaagden ter zitting, blijkt voldoende duidelijk dat gedaagden als een eenheid optreden en dat geen van hen zich distantieert van verwijtbare gedragingen (in elk geval ten aanzien van intimidatie van omwonenden en anderen) door gezins-, althans huisgenoten, laat staan dat de huurders daartegen zouden optreden zoals redelijkerwijs van een goed huurder mag worden verlangd. Vooralsnog wordt voldoende aannemelijk geacht dat de huurders tekort schieten in de nakoming van hun verplichtingen om zich jegens Rochdale en jegens omwonenden als goed huurder te gedragen.

18.

De gedaagden sub 3 tot en met 5 hebben zich (ook) beroepen op hun rechten als onderhuurder en Rochdale heeft betwist dat zij aanspraak daarop hebben. Kennelijk hebben deze gedaagden daarbij gedoeld op het bepaalde in artikel 7:269 BW. Deze bepaling heeft echter slechts betrekking op onderhuurders van zelfstandige woonruimte. Dat de gedaagden sub 3 tot en met 5 (tezamen dan wel ieder voor zich) zelfstandige woonruimte(n) zouden onderhuren is gesteld noch gebleken, terwijl gedaagde sub 4 ter zitting heeft verklaard dat hij ‘een kamer’ onderhuurt. Dat deze gedaagden rechten kunnen ontlenen aan genoemd artikel is derhalve niet aannemelijk geworden.

19.

Voor zover gedaagden sub 3 tot en met 5 zouden kunnen worden aangemerkt als onderhuurders die niet behoren tot het gezin van de huurders, is voldoende aannemelijk geworden dat zij zich door deelname aan de hiervoor onder 14. bedoelde verwijtbare activiteiten (en voor wat betreft gedaagde sub 4: ook door het onder 16. bedoelde gedrag) onrechtmatig hebben gedragen jegens omwonenden en (daardoor) ook jegens Rochdale.

20.

Uit het voorgaande volgt dat het voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een structureel tekort schieten dan wel onrechtmatig gedrag door [gedaagden] Eveneens is voldoende aannemelijk geworden dat Rochdale, de gemeente Amsterdam en anderen zich hebben ingespannen om tot beëindiging van die situatie te komen zonder ontruiming van [gedaagden] uit het gehuurde, maar dat dit niet heeft geleid tot een beëindiging van dit gedrag en de gevolgen daarvan voor omwonenden, terwijl een perspectief op een oplossing zonder ontruiming van [gedaagden] niet langer aanwezig is.

21.

[gedaagden] hebben zich nog beroepen op hun woonbelang, in die zin dat zij (en hun minderjarige kinderen) er groot belang bij hebben dat zij niet dakloos worden. Door Rochdale is echter toegezegd dat aan [gedaagden] elders alternatieve woonruimte zal worden aangeboden, zij het onder voorwaarden, zodat [gedaagden] niet dakloos hoeven te worden en niet gebleken is dat door toewijzing van de ontruiming een noodsituatie zal ontstaan.

22.

Voldoende aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van [gedaagden] zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming van gedaagden sub 1 tot en met 5 is daarom toewijsbaar, zij het dat er aanleiding is om een iets langere ontruimingstermijn vast te stellen.

23.

Voor zover gedaagden (dit geldt in het bijzonder gedaagde sub 5) reeds eerder het gehuurde zullen hebben verlaten, zullen zij in zoverre hebben voldaan aan de in dit vonnis uit te spreken veroordeling.

24.

Rochdale heeft toegelicht dat zij de gedaagden sub 6 mede heeft gedagvaard omdat het gehuurde met regelmaat ook door anderen dan de gedaagden sub 1 tot en met 5 wordt bewoond en zij belang heeft bij het verkrijgen van een ontruimingstitel tegen allen die zich in het gehuurde bevinden. Dat ook anderen, zoals familieleden of kennissen van [gedaagden], in het gehuurde hebben verbleven, is voldoende aannemelijk geworden. Rochdale heeft belang bij de vordering gericht tegen (eventueel) in het gehuurde verblijvende derden.

25.

In de door Rochdale uitgebrachte dagvaarding wordt jegens gedaagden sub 6 niet alleen ontruiming gevorderd, maar eveneens betaling van de buitengerechtelijke kosten. De mogelijkheid die artikel 61 Rv biedt om bij wijze van uitzondering bepaalde personen anoniem te dagvaarden, beperkt zich echter tot een vordering tot ontruiming. Dit betekent dat gedaagden sub 6 niet anoniem kunnen worden gedagvaard met betrekking tot een geldvordering. Ten aanzien van de in het petitum weergegeven vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en dwangsom zal de dagvaarding om die reden jegens hen nietig worden verklaard.

26.

In de dagvaarding zijn voor het overige de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Het verstek tegen gedaagden sub 6 die niet zijn verschenen kan dan ook voor het overige worden verleend. De gevorderde ontruiming komt niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat deze ook ten aanzien van deze gedaagden zal worden toegewezen.

27.

Gelet op het voorgaande behoeven de stellingen van partijen omtrent de toelaatbaarheid van camera’s en overige methoden van het project Treiteraanpak geen verdere bespreking.

28.

Ook de vordering tot doorbetaling van huur tot de ontruiming is toewijsbaar.

29.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder b BW heeft Rochdale in beginsel aanspraak op vergoeding van (ook) interne kosten tot bestrijding van overlast, voor zover zij door het instellen van een procedure niet ‘van kleur verschieten’ en als proceskosten moeten worden aangemerkt. Voor een nadere motivering verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van de Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam d.d. 5 december 2012 ( WR 2013, 55, LJN BY8854). Deze vordering dient echter te worden onderbouwd met een voldoende specificatie van de kosten die in de onderhavige zaak zijn gemaakt, reeds omdat volgens genoemde wetsbepaling alleen ‘redelijke’ kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De redelijkheid van die kosten dient derhalve te kunnen worden getoetst. Rochdale vordert in dit verband een bedrag van € 5.625,- met als onderbouwing dat zij in 2013 in totaal 150 uur aan deze zaak heeft besteed. [gedaagden] hebben betwist dat Rochdale deze kosten heeft gemaakt en er op gewezen dat enige specificatie ontbreekt. Mede gelet op alle omstandigheden van dit geval en op de omvang van de vordering, kan zonder nadere specificatie en urenverantwoording niet worden getoetst of de (alle) kosten zijn gemaakt, of dit in redelijkheid is gebeurd en of zij als buitengerechtelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Dat betekent dat deze vordering niet toewijsbaar is.

30.

De vordering tot het verbinden van een dwangsom aan de ontruiming is niet toewijsbaar omdat daarvoor onvoldoende is gesteld. Dit geldt temeer nu Rochdale in de dagvaarding heeft gesteld niet te kunnen wachten op de volgende ‘ontruimingsronde’ van de deurwaarder, maar ter zitting heeft toegelicht niet te streven naar een onmiddellijke ontruiming omdat overleg gaande is over alternatieve huisvesting van [gedaagden].

31.

Rochdale heeft wel voldoende belang bij toewijzing van de vordering van de kosten van ontruiming indien [gedaagden] niet vrijwillig voldoen aan een aanzegging tot ontruiming. Ter zitting hebben [gedaagden] verklaard het gehuurde niet te zullen ontruimen. Onvoldoende staat vast dat [gedaagden] bereid zijn tot een vrijwillige ontruiming van het gehuurde.

32.

Derhalve wordt de vordering toegewezen als hieronder wordt bepaald.

33.

Hetgeen betaald zal worden ingevolge de veroordeling tot betaling hieronder uitgesproken, strekt als voorschot op hetgeen als te betalen zal worden toegewezen in de beslissing in de bodemprocedure terzake van onderhavig geschil.

34.

Gelet op de afloop van de procedure worden gedaagden hoofdelijk veroordeeld in de kosten gevallen aan de zijde van Rochdale, waarbij de nakosten worden vastgesteld conform de door de kantonrechter gehanteerde staffel.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van de jegens gedaagden sub 6 gevorderde buitengerechtelijke kosten en dwangsommen;

veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de woning aan de [adres] met de daarin vanwege gedaagden aanwezige goederen en personen te verlaten, met afgifte aan Rochdale van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Rochdale te stellen;

veroordeelt gedaagden sub 1 en 2 hoofdelijk om de huurtermijn van € 525,05 (bruto) per maand te betalen ingaande 1 augustus 2013 tot aan de dag van de ontruiming;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om, indien zij niet aan de onder II. bedoelde veroordeling tot ontruiming hebben voldaan, de kosten van de ontruiming aan Rochdale te voldoen, zulks binnen zeven dagen na toezending van en conform het proces-verbaal van ontruiming van de deurwaarder (waaraan de eventuele nota's van de bij de ontruiming ingeschakelde derden zullen zijn gehecht; een en ander conform artikel 9 lid 3 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag volgend op genoemde termijn tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van Rochdale, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht

112,00

- voor het exploot van dagvaarding

94,79

- voor salaris van gemachtigde

400,00

In totaal:

606,79

één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van nakosten tot een bedrag van € 131,00 zonder betekening van dit vonnis of tot een bedrag van € 199,00 in het geval dit vonnis wel wordt betekend;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter