Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4924

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
AMS 12-5315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Eiseres is terecht aangemerkt als overtreder. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres als eigenaar om er zorg voor te dragen dat de benodigde toestemming van de Vereniging van Eigenaren verkregen wordt. Het ligt op de weg van eiseres om voor de in verband met de aanwezigheid van de huurder te verwachten problemen bij het treffen van de voorzieningen een oplossing te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/5315

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B. Külbs,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel oost van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.E.R. Debri-Vink.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 7 november 2011 (het primaire besluit II) heeft verweerder de begunstigingstermijn van de oplegde last verlengd tot 1 maart 2012.

Bij besluit van 14 mei 2012 (het primaire besluit III) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van het verbeurde bedrag van € 6.000,-, omdat eiseres nog niet aan de bij het primaire besluit opgelegde last heeft voldaan.

Bij besluit van 18 september 2012 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het bezwaar van eiseres van 8 november 2012 tegen de invorderingsbeschikking van

27 september 2012 is door verweerder ingevolge de artikelen 5:39 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank. Nu eiseres de invorderingsbeschikkingen betwist, heeft het beroep mede betrekking op het besluit van

27 september 2012 (het bestreden besluit II).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013. Namens eiseres is verschenen [persoon1], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken.

Nadat partijen over en weer schriftelijk nadere reacties hebben overgelegd, hebben zij toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1

Eiseres is sinds 2008 eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond van het gebouw, met het boven de uitbouw gelegen dak, van het pand [adres1] te [plaats1]. De bedrijfsruimte op de begane grond is verhuurd aan [bedrijfsnaam1] (de huurder).

1.2

Tijdens een inspectie op 20 april 2011 heeft verweerder geconstateerd dat de binnenplaats van het pand aan de [adres2] te [plaats1] is dichtgebouwd en dat het oorspronkelijke magazijngebouw in gebruik is als keuken. De aanbouw vertoont daarnaast diverse gebreken. Zo is de houten constructie waarmee de vloer is verhoogd doorgerot en is het plafond in slechte staat en beperkt het onvoldoende de uitbreiding van brand. De laatst vergunde toestand staat een aanbouw toe tot 5,84 meter uit de gevel. Voor het overige verbouwde is geen omgevingsvergunning afgegeven.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser binnen een termijn van drie maanden de begane grond dient terug te brengen in de laatst vergunde toestand. Eiseres zal een dwangsom van € 3.000,- per maand (met een maximum van € 9.000,-) aan dwangsommen verbeuren indien na de begunstigingstermijn geheel niet of niet volledig aan de last is voldaan.

1.4

In het op 24 oktober 2011 ingediende bezwaarschrift heeft eiseres verweerder verzocht de begunstigingstermijn te verlengen tot drie maanden nadat in de procedure die eiseres voert tegen de huurder, waarin eiseres van de huurder van de bedrijfsruimte op de begane grond vordert dat hij meewerkt aan de sloop van de illegale uitbouw en de verplaatsing van de zich daarin bevindende voorzieningen naar het legale gedeelte van het bouwwerk, eindvonnis is gewezen.

1.5

Bij het primaire besluit II heeft verweerder het verzoek van eiseres ingewilligd en de begunstigingstermijn van het primaire besluit I ingetrokken en een nieuwe begunstigingstermijn vastgesteld tot 1 maart 2012.

1.6

Op 27 april 2012 heeft verweerder geconstateerd dat eiseres nog (geheel) niet aan de last heeft voldaan. Bij het primaire besluit III heeft verweerder besloten de ten gevolge hiervan over de periode van 1 maart 2012 tot 1 mei 2012 van rechtswege verbeurde dwangsom in te vorderen.

1.7

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van stadsdeel oost van 15 augustus 2012 overgenomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres is aan te merken als overtreder aangezien aan eiseres als eigenaar van de begane grond van het pand [adres2] een last onder dwangsom is opgelegd. Het feit dat voor de beëindiging van de overtreding toestemming nodig is van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het pand, komt voor rekening en risico van eiseres. Eiseres heeft na het bij het bezwaarschrift ingediende verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn geen nieuw verzoek ingediend de termijn ook na 1 maart 2012 te verlengen, met het oog op het verkrijgen van medewerking van de huurder. Verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan had moeten worden afgezien van invordering van de verbeurde dwangsom.

1.8

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van de na 1 mei 2012 van rechtswege verbeurde dwangsom ten bedrage van

€ 3.000,-, aangezien eiseres op 27 september 2012 nog (geheel) niet aan de last die is opgelegd in het primaire besluit I heeft voldaan.

2.

Wettelijk kader
2.1 Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2

Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

2.3

Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

3.

Beoordeling van het geschil

3.1.1 Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding, namelijk het in strijd met artikel 2.3a van de Wabo in stand laten van de aanbouw in afwijking van de laatst vergunde situatie en het in gebruik laten nemen van een magazijngebouw als keuken. De bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden is hiermee gegeven. De vraag die thans voorligt, is of verweerder hierbij eiseres terecht als overtreder heeft aangemerkt.

3.1.2 Eiseres heeft in beroep hieromtrent aangevoerd dat zij niet is aan te merken als de overtreder van het in stand houden van de uitbouw aangezien zij geen eigenaar is van de uitbouw. Op grond van de akte van splitsing maakt de uitbouw deel uit van een gemeenschap in de zin van artikel 5:106, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en behoort de uitbouw tot de gemeenschappelijke gedeelten waarover de VvE zeggenschap heeft. Eiseres wijst hierbij naar artikel 17 van de splitsingsakte. Het gaat in dit geval om het slopen van drie buitengevels en de ondergrond. Het appartementsrecht is een bijzondere vorm van mede-eigendom. Verweerder had de VvE dienen aan te merken als overtreder. Eiseres heeft er ter zitting op gewezen dat er onenigheid bestaat met het andere VvE-lid,[naam Vve-lid], die eigenaar is van de appartementsrechten van de drie afzonderlijke bovenwoningen, en dat het eiseres niet lukt de benodigde toestemming te verkrijgen. Indien verweerder de VvE zou hebben aangeschreven als overtreder zou de toestemming voor het treffen van de benodigde voorzieningen ter uitvoering van de last er inmiddels wel zijn geweest.

3.1.3 Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet als overtreder in de zin van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren, dat wil zeggen de overtreder die in staat is de last uit te voeren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, ECLI: NL: RVS: 2012: BW3860).

3.1.4 De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres eigenaar is van het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de begane grond, waarvan ook de illegale aanbouw onderdeel uitmaakt. Eiseres verhuurt deze ruimte aan een derde. De stelling van eiseres dat niet zij maar de VvE eigenaar is, staat in dit geval niet aan het opleggen van een dwangsom in de weg. Niet is gebleken dat eiseres het niet in haar macht had om de overtreding te beëindigen. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres als eigenaar om er zorg voor te dragen dat de benodigde toestemming van de VvE verkregen wordt. Bovendien is de stelling van eiseres dat zij hierbij tegenwerking ondervindt op geen enkele manier onderbouwd. Ook is niet gebleken welke stappen eiseres heeft ondernemen om deze toestemming alsnog te verkrijgen. Nu eiseres eigenaar is van het appartementsrecht waarvan de uitbouw onderdeel uitmaakt, mocht verweerder er vanuit gaan dat eiseres deze aanbouw, al dan niet met toestemming van de VVE, zou kunnen aanpassen overeenkomstig de vergunde situatie. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb. Hetgeen eiseres hieromtrent heeft aangevoerd, kan dus niet slagen.

3.2

Het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel heeft zij ter zitting niet langer gehandhaafd.

3.3

De rechtbank stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de begunstigingtermijn eindigde op 1 maart 2012. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen nieuw verzoek tot verlenging van deze termijn te hebben ingediend, maar heeft verweerder slechts er van op de hoogte gesteld dat zij nog niet aan de opgelegde last kon voldoen, omdat er nog geen uitspraak lag van de kantonrechter. Vast staat dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn op 1 maart 2012 niet aan de last is voldaan, zodat de opgelegde dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd.

3.4.1

Eiseres heeft tevens aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om af te zien van de invordering van de dwangsommen. Eiseres is al ver voordat verweerder het voornemen tot het opleggen van een last kenbaar maakte in overleg getreden met de huurder. Voor het kunnen uitvoeren van de last is echter een uitspraak van de civiele rechter nodig waarin de huurder wordt veroordeeld mee te werken aan de sloop van de uitbouw. Op 20 januari 2012 stond de civiele zaak tegen de huurder voor vonnis. Eiseres heeft met het oog hierop verlenging van de begunstigingstermijn gevraagd. Die werd verleend tot 1 maart 2012. Het civiele vonnis is vervolgens zes keer aangehouden. Eiseres heeft verweerder vervolgens op de hoogte gesteld van het feit dat er op de datum van de verlenging van de begunstigingstermijn nog geen civielrechtelijk vonnis zou zijn. Eiseres heeft alle inspanningen verricht en alle zorgvuldigheid betracht die redelijkerwijs van haar gevergd konden worden, zodat het onredelijk is dat de dwangsommen worden ingevorderd, aldus eiseres.

3.4.2

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling dient bij een besluit omtrent de invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. De Afdeling heeft ter ondersteuning van dit uitgangpunt gewezen op de memorie van toelichting behorende bij artikel 5:37 van de Awb (Kamerstukken II, 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 115) waaruit volgt dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI: NL: RVS: 2012; BX7685).

3.4.3

De rechtbank overweegt, parallel aan de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010, ECLI: NL: RVS: 2010: BL9582, dat de door eiseres in verband met de aanwezigheid van de huurder te verwachte problemen bij het treffen van de voorzieningen voor haar risico zijn en het op de weg van eiseres als eigenaar ligt om daarvoor een oplossing te vinden. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat zij heeft geprobeerd door middel van een civiele procedure de medewerking van de huurder, dan wel ontruiming, af te dwingen. De enkele omstandigheid dat deze civiele procedure reeds lang speelt en meerdere malen door de rechtbank de datum voor het doen van uitspraak is verschoven, maakt echter niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verweerder aanleiding had moeten zien geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien. Het is immers niet ongebruikelijk dat civiele procedures lange tijd in beslag kunnen nemen voordat er een (definitief) oordeel ligt van de rechtbank. Eiseres had hierin aanleiding kunnen zien een nieuw (onderbouwd) verzoek tot verweerder te richten tot het nogmaals verlengen van de begunstigingstermijn, zeker nu eiseres kon voorzien en ook voorzien heeft dat de gestelde termijn van 1 maart 2012 niet gehaald zou worden. Dat eiseres dat om haar moverende redenen niet gedaan heeft, is voor rekening en risico van eiseres. Verweerder heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat de begunstigingstermijn alleen op verzoek van de overtreder kan worden opgeschort en dat verweerder hiertoe niet ambtshalve gehouden was. Daarnaast had eiseres ervoor kunnen kiezen om door middel van een procedure in kort geding een snelle beslissing te verkrijgen over de medewerking van de huurder dan wel ontruiming van het verhuurde. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder er toe hadden moeten nopen van de (gehele) invordering af te zien.

4.

Conclusie

4.1

De rechtbank zal het beroep van eiseres ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB