Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4890

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
AWB 13/1986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Middels een Aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.3. APV zijn het [gebied1] en het [gebied2] aangewezen als gebied waar het verboden is om van 29 april 2013 tot en met 30 april 2013 gevel- en steigerdoekreclame van commerciële aard aanwezig te (laten) hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder bevoegd was om het Aanwijzingsbesluit te nemen nu de bedoelde steigerdoeken kunnen worden aangemerkt als zaken als bedoeld in artikel 2.3 van de APV. In aanmerking nemende de terughoudende toets die hier aan de orde is heeft de burgemeester in redelijkheid het Aanwijzingbesluit kunnen nemen. Daarbij is overwogen dat het Aanwijzingsbesluit geldt voor het gehele [gebied1] en het [gebied2] en zich erop richt geveldoeken die qua ontwerp niet aansluiten bij de gemeentelijke stadsdecoratie, gedurende de inhuldigingsdag niet mogelijk te maken. Daarnaast heeft de burgemeester grote commerciële uitingen in verband met sluikreclame willen voorkomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt dit aspect in redelijkheid binnen de bevoegdheid van de burgemeester als bedoeld in artikel 2.3. APV in samenhang met artikel 174 Gemeentewet om openbare samenkomsten een goed en ordentelijk verloop te laten hebben. Daarbij heeft de burgemeester kunnen laten meewegen dat het hier een uniek evenement van groot nationaal belang betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/1986 WABOA

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op

24 april 2013 in de zaak tussen

[verzoekster],

gevestigd te[woonplaats 2],

verzoekster,

gemachtigde mr. R.J. Polle,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A. de Groote.

Zitting hebben:

mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

mr. K.N. van den Broek, griffier.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

Op 12 april 2013 heeft de burgemeester van Amsterdam het Aanwijzingsbesluit gevel- en steigerdoeken [gebied1] en [gebied2] (hierna ook: het Aanwijzingsbesluit) gegeven, waarbij op grond van artikel 2.3. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam 2008 (hierna ook: APV) het [gebied1] en het [gebied2] zijn aangewezen als gebied waar het verboden is om van 29 april, 9.00 uur tot en met 30 april, 24.00 uur gevel- en steigerdoekreclame aanwezig te hebben of te laten hebben. Het verbod geldt niet voor doeken van niet-commerciële aard die qua ontwerp aansluiten bij de gemeentelijke stadsdecoratie ontwikkeld specifiek voor dit evenement.

Verzoekster heeft tegen dit besluit op 17 april 2013 bezwaar gemaakt en op 22 april 2013 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Daarbij is verzocht het Aanwijzingsbesluit te schorsen en de voorziening te treffen dat de burgemeester commerciële reclame toestaat op de locaties [lokatie1] en [lokatie2].

Verzoekster is een bedrijf dat reclamedisplays aanbrengt op gebouwen en bouwsteigers (hierna: steigerdoekreclame). Het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam heeft op

13 maart 2010 een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten op basis waarvan verzoekster in het stadsdeel steigerdoekreclame mag ophangen en waarin de voorwaarden voor deze reclame zijn neergelegd.

Verzoekster heeft op 6 maart 2013 de gemeente in (civiel) kort geding gedagvaard in verband met het niet nakomen door het Stadsdeel van verplichtingen voortvloeiende uit de privaatrechtelijke overeenkomst. Het betrof daarbij - kort gezegd - de vraag of het verzoekster krachtens die overeenkomst is toegestaan om nog na 12 maart 2013 steigerdoekreclame op te hangen waarvoor de aanvraag is ingediend vóór 12 maart 2013. Op 8 maart 2013 is ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een schikking getroffen voor vijf locaties, waarna het kort geding is geroyeerd.

Daarbij is het verzoekster toegestaan voor de locatie [lokatie1] ten behoeve van de adverteerder[adverteerder1] over de periode van 2 april 2013 tot en met 1 mei 2013 een steigerdoek te plaatsen, onder het voorbehoud van een eventuele noodverordening voor 30 april 2013, op grond waarvan het steigerdoek eerder zou moeten worden verwijderd. Ten aanzien van de locatie [lokatie2], is overeengekomen dat verzoekster ten behoeve van de adverteerder[adverteerder2] een steigerdoek mag plaatsen over de periode 15 april tot en met 15 juli 2013, onder voorbehoud van een eventuele noodverordening voor 30 april, in welk geval de periode zal lopen van 1 mei 2013 tot en met 31 juli 2013.

Nu verzoekster rechtstreeks betrokken is bij het plaatsen van steigerdoeken op locaties op het [gebied1] en [gebied2] is verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken.

In het kader van de voorlopige voorziening heeft verzoekster aangevoerd dat het aanwijzingsbesluit van de burgemeester zich niet verdraagt met de afspraken die op 8 maart 2013 tussen de gemeente en verzoekster zijn gemaakt. Verzoekster voert daartoe het volgende aan.

Nu er géén noodverordening is, doet zich niet de voorwaarde voor op grond waarvan de steigerdoeken moeten worden verwijderd. De redenen voor het Aanwijzingsbesluit zijn niet gelegen in feiten en omstandigheden waaraan de burgemeester de bevoegdheid kan ontlenen voor het geven van noodbevelen of vaststellen van een noodverordening. Gelet op het proces-verbaal van 8 maart 2013 mocht verzoekster erop vertrouwen dat het steigerdoek mocht blijven hangen. Uit de toelichting van artikel 2.3 van de APV blijkt dat dit artikel vooral is bedoeld om samenkomsten goed te laten verlopen. Uit het besluit blijkt dat het verweerder niet gaat om de aanwezigheid van steigers/steigerdoeken, maar om commerciële uitingen daarop, aldus verzoekster. De opdrukken/prints op de steigerdoeken zijn bovendien geen “zaken” in de zin van artikel 2.3 van de APV. Dit artikel geeft de burgemeester dus niet de bevoegdheid om op te treden tegen opdrukken/prints op steigerdoeken. Verzoekster komt dan ook tot de conclusie dat het Aanwijzingsbesluit naar bestuursrechtelijke maatstaven ondeugdelijk is, nu het onbevoegd en in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen, althans dat daarbij sprake is van détournement de pouvoir.

De rechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter zal zich bij haar beslissing beperken tot de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is genomen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter zich niet zal uitlaten over de strekking van de op 8 maart 2013 gemaakte schikkingsovereenkomst. Hierover zal heden om 13.30 uur de civiele voorzieningenrechter oordelen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het Aanwijzingsbesluit berust op artikel 2.3. van de APV, welk artikel een nadere uitwerking is van de in artikel 174 van de Gemeentewet aan de burgemeester gegeven bevoegdheid ten aanzien van het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden. Aan de burgemeester komt bij de bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet een grote discretionaire bevoegdheid toe. Het betreft hier immers een toezicht op alle mogelijke evenementen in de openbare ruimte zoals kermissen en festivals, maar ook bijzondere gebeurtenissen als huldigingen, herdenkingen en gebeurtenissen van nationaal belang, zoals de onderhavige inhuldiging.

De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling van een Aanwijzingsbesluit terughoudend moeten opstellen en slechts kunnen toetsen of het besluit strijdig is met wettelijk voorschriften en de vraag of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de gebiedsaanwijzing voor het verbod van steigerdoeken in verband met de wenselijkheid van een eenduidige aankleding van de binnenstad te presenteren noodzakelijk was. De voorzieningenrechter heeft daarbij acht geslagen op de in het Aanwijzingsbesluit gegeven motivering. De burgemeester heeft in het besluit overwogen dat, ingevolge artikel 32 van de Grondwet, Amsterdam als hoofdstad de stad is waar de inhuldiging van de nieuwe koning plaatsvindt en dat vanwege de troonswisseling veel gasten van de Koninklijke familie in Amsterdam aanwezig zullen zijn, waaronder staatshoofden en regeringsleiders. Daarnaast zullen vele nationale en internationale bezoekers aanwezig zijn en zullen veel beelden van het evenement via televisiebeelden wereldwijd worden verspreid. De burgemeester heeft het daarom wenselijk geacht een eenduidige aankleding van de binnenstad te presenteren waarbij commerciële uitingen in de openbare ruimte zoveel mogelijk worden vermeden.

Ingevolge artikel 2.3 van de APV is het verboden bij openbare samenkomsten en vermakelijkheden op door de burgemeester aangewezen tijden en plaatsen zaken op of aan de weg te plaatsen of te hebben.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de bedoelde steigerdoeken geen “zaken” zijn als bedoeld in de zin van artikel 2.3 van de APV. Hiertoe verwijst verzoekster naar de toelichting op de APV, waar onder meer wordt gesproken van stoffelijke voorwerpen als fietsen, stokken en stenen en dergelijke. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de bedoelde steigerdoeken die zich in de openbare ruimte bevinden wel degelijk kunnen worden aangemerkt als zaken als bedoeld in artikel 2.3 van de APV.

Verzoekster stelt verder dat uit de toelichting van artikel 2.3 van de APV blijkt, dat dit artikel vooral is bedoeld om samenkomsten goed te laten verlopen in het licht van de openbare orde en veiligheid. Uit het besluit blijkt volgens verzoekster dat het verweerder niet gaat om de aanwezigheid van steigers/steigerdoeken, maar om de commerciële uitingen daarop. Verzoekster is dan ook van oordeel dat verweerder op grond van artikel 2.3 van de APV, dat zich bevindt in hoofdstuk “Orde en veiligheid” en onder paragraaf 2 “Openbare orde, overlast en veiligheid”, niet bevoegd was het Aanwijzingsbesluit te nemen.

Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat de burgemeester met het toezicht op openbare aangelegenheden is belast en dat hij een ordentelijke gang van zaken wenst. Van belang is dat de maatschappelijke rust in het publieke domein wordt gewaarborgd. Een plechtige uitstraling van de gelegenheid is geboden, aldus verweerder. Daarbij heeft verweerder gewezen op de speciaal voor inhuldigingsdag vervaardigde decoraties.

Binnen de beperkte toetsing zoals hiervoor is aangenomen en gelet op de ruime formulering van artikel 2.3 van de APV, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op grond van deze bepaling bevoegd was om het Aanwijzingsbesluit te nemen, zoals thans door hem is gedaan. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat het Aanwijzingsbesluit geldt voor het gehele [gebied1] en het [gebied2] en zich erop richt geveldoeken die qua ontwerp niet aansluiten bij de gemeentelijke stadsdecoratie, gedurende de inhuldigingsdag niet mogelijk te maken. Daarnaast heeft de burgemeester grote commerciële uitingen in verband met sluikreclame willen voorkomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt dit binnen de bevoegdheid van de burgemeester om openbare samenkomsten een goed en ordentelijk verloop te laten hebben. Dit past tevens binnen de bevoegdheid van artikel 2.3 van de APV in samenhang met artikel 174 van de Gemeentewet. Daarbij heeft de burgemeester kunnen laten meewegen dat het hier een uniek evenement van groot nationaal belang betreft.

Voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan het nemen van het Aanwijzingsbesluit, vanwege de op 8 maart 2013 gemaakte afspraken, deelt de voorzieningenrechter die visie niet. Niet kan worden ingezien dat de burgemeester de hem op grond van artikel 174 van de Gemeentewet en artikel 2.3 van de APV toekomende bevoegdheid niet meer zou kunnen gebruiken op grond van hetgeen met één van deze belanghebbenden van het [gebied1] en het [gebied2] zou zijn overeengekomen,

De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorziening.

De voorzieningenrechter ziet voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of te

bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB

Coll: RG