Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4697

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
C/13/528671 / HA ZA 12-1280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

In 2002 heeft SBS een programma van [A] uitgezonden, met daarin verborgencamerabeelden van eiser en familieleden. In 2007 zijn die beelden door SBS opnieuw uitgezonden in het programma "De 25 meest schok¬kende verborgen cameraonthullingen"

Naar aanleiding van die uitzending heeft de advocaat van eisers contact gezocht met SBS. SBS heeft per email aan de advocaat van eisers bericht dat zij het desbetreffende item niet meer zou uitzenden, tenzij er zich terzake nieuwe feiten/ontwikkelingen zouden voordoen.

Op 11 juni 2008 heeft SBS een aflevering van het programma "De 25 meest schok¬kende verborgen cameraonthullingen" uitgezonden, met de betreffende beelden van betrokkenen. Naar aanleiding van die uitzending hebben eiser en zijn familie SBS in kort geding gedagvaard. Bij gelegenheid van de behandeling van het kort geding is tussen partijen een schikking overeengekomen, die – kort gezegd – inhoudt dat SBS op straffe van verbeurte van een boete van € 15.000,- per overtreding de betreffende beelden niet meer zal uitzenden, behoudens indien zich ter zake van deze kwestie nieuwe feiten/ontwikkelingen voordoen, waardoor die beelden actu¬ali¬teits¬waarde kunnen krijgen.

Op 16 en 17 december 2010 heeft SBS een viertal zogenaamde promo's en een bumper uitgezonden ter aankondiging van de jubileum uitzending van [A]. In die uitzendingen komen telkens korte fragmenten van de betreffende verbogencamerabeelden voor. Daarmee heeft SBS 5 maal de boete van € 15.000,-- derhalve in totaal € 75.000,00 verbeurd. In het licht van de voorafgaande feiten, waarbij SBS ook een eerdere toezegging geen beelden uit te zenden niet is nagekomen, ziet de rechtbank geen gronden de boete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/354

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/528671 / HA ZA 12-1280

Vonnis van 24 april 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.P.E. Halfens te Nieuwegein,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procesadvocaat mr. A. Knigge te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en SBS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 januari 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2013, met de daarin genoemde stukken, waaronder een akte wijziging van eis aan de zijde van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2002 heeft SBS een aflevering van het programma [A], Misdaadverslaggever uitgezonden. De titel van deze aflevering was “de Huurmoorden” (hierna: de aflevering).
Onderwerp van de aflevering was de mogelijke betrokkenheid van [eiser] en zijn echtgenote bij de voorbereiding van een drietal huurmoorden.

2.2.

Bij het tot stand komen van de aflevering is gebruik gemaakt van een verborgen camera. Bij de uitzending van de aflevering zijn beelden die met verborgen camera zijn gemaakt vertoond. Op die beelden zijn onder meer [eiser], zijn toenmalige echtgenote, zijn dochter [naam 1], zijn zuster [naam 2] en de dochter van [naam 2], [naam 3] (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de familie [eiser en naam 1,2,3]) te zien.

2.3.

De aflevering is op 10 oktober 2002 door SBS uitgezonden. Op 16 januari 2003 heeft SBS de aflevering herhaald.

2.4.

Na de uitzending van de aflevering heeft het Openbaar Ministerie [eiser] en zijn echtgenote vervolgd en zij zijn ter zake van beraming van de huurmoorden veroordeeld tot een vrijheidsstraf.

2.5.

Op 27 maart 2007 zijn beelden uit de aflevering waarop de familie [eiser en naam 1,2,3] was te zien door SBS opnieuw uitgezonden in het kader van het programma “De 25 meest schokkende verborgen cameraonthullingen”. Dit programma is op 3 juli 2007 herhaald.

2.6.

De advocaat van [eiser] heeft naar aanleiding van de betreffende uitzending van “De 25 meest schokkende verborgen cameraonthullingen” in 2007, contact opgenomen met SBS, met de producent van [A], Endemol Nederland .B.V. (hierna Endemol) en met [A].
Naar aanleiding van de daaruit voorvloeiende contacten heeft SBS bij e-mail van 30 oktober 2007 aan de advocaat van [eiser] als volgt bericht:

“[..]Zoals eerder aan u bevestigd zal SBS Broadcasting B.V. (“SBS”) het desbetreffende item over uw clienten dhr. [eiser] en mw. [naam 4] niet meer uitzenden tenzij er zich terzake nieuwe feiten/ontwikkelingen voordoen. Hierbij zal SBS haar uiterste best doen om u op voorhand op de hoogte te stellen [..]”

2.7.

Op 11 juni 2008 heeft SBS, zonder voorafgaande waarschuwing aan [eiser], een nieuwe aflevering van het programma “De 25 meest schokkende verborgen cameraonthullingen” uitgezonden, waarin aan de aflevering ontleende beelden van de familie [eiser en naam 1,2,3] waren te zien.

2.8.

[eiser], [naam 1] en [naam 2] hebben vervolgens SBS in kort geding gedaagd voor de voorzieningen rechter te Amsterdam. [naam 3] heeft zich aan de zijde van eisers gevoegd.
Ter terechtzitting op 24 juni 2008 is tussen partijen een schikking tot stand gekomen die in het proces-verbaal van de zitting is vastgelegd. De schikking houdt, voor zover van belang, in:

“[..]SBS zegt toe op straffe van verbeurte van een boete van € 15.000,- per overtreding geen beelden als uitgezonden op 11 juni 2008 en in 2002 met betrekking tot [eiser], [naam 1], [naam 2] en [naam 3] meer te zullen uitzenden, behoudens indien zich ter zake van deze kwestie nieuwe feiten/ontwikkelingen voordoen, waardoor die beelden actualiteitswaarde kunnen krijgen. Bij uitzending in dat laatste geval zullen de gezichten van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] onherkenbaar worden gemaakt, voor zover zij zelf geen aanleiding voor die actualiteit zijn.

[..]”

2.9.

Op 16 december 2010 om 19:57 uur, om 21:14 uur en om 22:07 uur en op 17 december 2010 om 00:57 uur heeft SBS een zogenoemde promo uitgezonden voor het programma “15 jaar [A] misdaadverslaggever” (hierna: de jubileumuitzending). Op 16 december 2010 om 23:10 uur heeft SBS een zogenoemde bumper (een verkorte versie van een promo) uitgezonden ter promotie van de jubileumuitzending.
De promo en de bumper bevatten onder meer materiaal van de opname met verborgen camera met [naam 1] en [naam 2] en met [naam 3], afkomstig uit de aflevering.

2.10.

Het beeldmateriaal in de promo en bumper waarop [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] zijn afgebeeld heeft telkens een duur van circa 1,5 seconden.

2.11.

De advocaat van de familie [eiser en naam 1,2,3] heeft SBS er op 17 december 2010 op gewezen dat SBS door de uitzending van de promo’s en de bumper inbreuk maakte op de schikking. SBS heeft daarop uitzending van de litigieuze beelden gestaakt. De beelden zijn niet gebruikt in de jubileumuitzending

2.12.

De advocaat van de familie [eiser en naam 1,2,3] heeft SBS laten weten dat in de visie van de familie [eiser en naam 1,2,3] sprake was van vijf overtredingen van de schikking en betaling gevorderd van vijf maal de boete van € 15.000,00 derhalve € 75.000,00. SBS heeft betaling van € 7.500,00 aangeboden.
De advocaat van de familie [eiser en naam 1,2,3] heeft vervolgens aangekondigd tot incasso van € 75.000,00 over te gaan, maar de executiemaatregelen, in afwachting van een door SBS aan te spannen executiegeding, op te schorten.

2.13.

SBS heeft vervolgens de familie [eiser en naam 1,2,3] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht teneinde de familie [eiser en naam 1,2,3] te doen verbieden executiemaatregelen ten aanzien van de schikking te nemen. In voorwaardelijke reconventie heeft de familie [eiser en naam 1,2,3] gevorderd dat SBS zal worden veroordeeld wij wege van voorschot aan de familie [eiser en naam 1,2,3] een bedrag van € 25.000,00 te betalen.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 18 maart 2011 in conventie kort gezegd [eiser en naam 1,2,3] c.s. verboden het boetebeding uit het proces-verbaal van 24 juni 2008 te executeren voor zover die executie een bedrag van € 15.000,00 te boven zou gaan. De reconventie is buiten behandeling gebleven.

2.14.

SBS heeft een bedrag van € 15.000,00 aan (de familie) [eiser en naam 1,2,3] voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis - samengevat - veroordeling van SBS tot betaling van € 60.000,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 17 december 2010 tot aan de dag van betaling, met veroordeling van SBS in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

SBS voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat SBS, door de uitzending van de vier promo’s en de bumper in totaal vijfmaal het verbod uit de schikkingovereenkomst heeft overtreden, zodat zij vijfmaal de boete van € 15.000,00 heeft verbeurd. Daarvan heeft SBS inmiddels eenmaal op de voet van het kort gedingvonnis van 18 maart 2011 een bedrag van € 15.000,00 voldaan, zodat zij nog € 60.000,00 verschuldigd is.

4.2.

Als eerste verweer heeft SBS aangevoerd dat er geen sprake is geweest van overtredingen in de zin van de schikking. Daartoe heeft SBS aangevoerd dat de schikking ziet op de heruitzending van de aflevering als geheel en dat het in deze zaak gaat om vijfmaal een fragment van 1,5 seconden derhalve in totaal 7,5 seconden, een fractie van de duur van de aflevering. Over de familie [eiser en naam 1,2,3] wordt daarbij niets negatiefs gezegd.
Bovendien zo stelt SBS zijn de beelden in de promo en de bumper zodanig kort dat de betrokkenen niet zijn te herkennen. De schikking is getroffen met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de familie [eiser en naam 1,2,3]. Van inbreuk daarop is door deze korte flitsen geen sprake.
De schikkingovereenkomst dient zo uitgelegd te worden dat onder het verbod niet ook dit soort korte flitsen is begrepen.

4.3.

[eiser] stelt daartegenover dat de schikking iedere uitzending van de beelden met de familie [eiser en naam 1,2,3] verbiedt, dat de betrokkenen daarop wel degelijk herkenbaar zijn en dat zij dat in de praktijk ook hebben ondervonden.

4.4.

De rechtbank overweegt dat een schikkingovereenkomst, die is neergelegd in een proces-verbaal, een schriftelijke overeenkomst is waarvan de uitleg dient plaats te vinden op dezelfde voet als bij andere overeenkomsten. Dat wil zeggen dat de vraag hoe de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5.

Dat de overeenkomst niet alleen ziet op de heruitzending van de gehele uitzending volgt uit de omstandigheid dat het kort geding dat aanleiding was tot de schikking zijn oorsprong niet vond in een herhaling van de uitzending, maar in het vertonen van de verborgen camerabeelden van de familie [eiser en naam 1,2,3] in het kader van het programma“De 25 meest schokkende verborgen cameraonthullingen”.
Aannemelijk is dat partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst zich van de mogelijkheid van de vertoning van korte flitsen in bumpers en promo’s niet volledig bewust zijn geweest. De vraag die dan beantwoord moet worden is of partijen indien zij zich daarvan wel bewust waren geweest ter zake een afwijkend beding zouden hebben opgenomen. SBS heeft niets gesteld dat aannemelijk zou kunnen maken dat zij in dat geval een voorbehoud voor korte flitsen zou hebben gemaakt c.q. dat de familie [eiser en naam 1,2,3] met een dergelijk voorbehoud zou hebben ingestemd.
Uit de stellingen van SBS, zoals daarvan blijkt uit de pleitnota voor het kort geding, komt eerder naar voren dat SBS de overtuiging had dat er geen inbreuken meer mogelijk waren en dat zij daarom bereid was een hoge boete te accepteren. Haar advocaat heeft immers gesteld op pagina 2 van de pleitnota:

“[..] Door deze maatregelen is de kans dat er nog een keer beelden in strijd met de gemaakte afspraak worden uitgezonderd tot nul gereduceerd[..]”

In die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de overeenkomst aldus uit te leggen dat als inbreuk op de overeenkomst ook wordt aangemerkt het uitzenden van korte flitsen met beelden waarop de in de overeenkomst genoemde personen voorkomen.

4.6.

Met SBS is de rechtbank van oordeel dat alleen van inbreuk gesproken kan worden als de beelden herkenbare afbeeldingen van de betrokken personen vertonen. Weliswaar vermeldt de tekst van de overeenkomst dat het gaat om beelden “met betrekking tot” de betreffende personen, maar een redelijke uitleg van dat deel van de overeenkomst brengt met zich mee dat daarmee alleen gedoeld kan worden op beelden waarop de betreffende personen zijn te herkennen, of waar bij op andere wijze aan hun identiteit wordt gerefereerd.
Anders dan SBS is de rechtbank echter van oordeel dat de beelden, zoals die tijden de comparitie zijn getoond, niet van dien aard zijn dat daarop niet ten minste één van de betrokken personen ([naam 2]) goed herkenbaar is. Daarmee is in beginsel voldaan aan de vereisten voor het verbeuren van de boete.

4.7.

SBS heeft - kort gezegd - aangevoerd dat haar geen of slechts een zeer beperkt verwijt kan worden gemaakt, omdat zij de beelden eerst kort voor uitzending van Endemol heeft ontvangen. Daarbij heeft SBS uiteengezet dat zij voor die wijze van handelen heeft gekozen omdat de uitzendingen van [A] vaak tot kort gedingen leiden en de kans op een tijdig verbod beperkt wordt als de beelden pas op een laat tijdstip beschikbaar zijn.
De rechtbank is van oordeel dat SBS het risico heeft te dragen van de wijze waarop zij haar bedrijfsvoering heeft ingericht. Een reden om de boete niet of slechts gedeeltelijk toe te wijzen kan in het geen SBS heeft aangevoerd niet worden gevonden.

4.8.

SBS heeft voorts subsidiair verzocht om matiging van de boete op de voet van artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek (BW). Zij heeft daartoe aangevoerd dat de inbreuk op de overeenkomst slechts een fractie bedraagt van de gehele aflevering en dat de eventuele schade die de familie [eiser en naam 1,2,3] heeft geleden in geen verhouding staat tot de omvang van de gevorderde boete, zodat de billijkheid matiging klaarblijkelijk eist.

4.9.

[eiser] heeft daartegenover gesteld dat de betreffende boete niet moet worden aangemerkt als een forfaitaire schadevergoeding, maar als een aansporing tot nakoming, zodat de omstandigheid dat de schade eventueel (veel) minder zou bedragen dan de toe te wijzen boete geen gewicht in de schaal kan stellen. Daarnaast is volgens [eiser] voor matiging geen plaats, nu SBS in deze zaak al een en andermaal gedane toezeggingen niet is nagekomen.

4.10.

De rechter dient zijn bevoegdheid tot matiging terughoudend te gebruiken. Dat geldt in het bijzonder waar het boetebeding, zoals in het onderhavige geval, evident veel meer ten doel heeft tot nakoming aan te sporen dan de feitelijke schade te vergoeden. Daarbij komt dat SBS eerder toezeggingen op dit punt niet is nagekomen, waardoor [eiser] genoopt was een kort geding aan te spannen.
Naar het oordeel van de rechtbank is er onder die omstandigheden geen sprake van een situatie waarin de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd.

4.11.

SBS heeft nog aangevoerd dat inroeping van het volledige boetebedrag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Op de voet van artikel 6:248 BW zou ongematigde toepassing van de boeteclausule achterwege moeten blijven, indien die toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Hiervoor in rechtsoverweging 4.9 heeft de rechtbank overwogen dat matiging van de boete op de voet van artikel 6:94 BW niet aan de orde is, omdat de billijkheid zodanige matiging niet klaarblijkelijk eist. Niet valt in te zien dat toepassing van een boetebeding waarvan de matiging door de billijkheid niet klaarblijkelijk wordt geëist, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen zijn.

4.12.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering in hoofdsom zal worden toegewezen en SBS veroordeeld zal worden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 60.000,00, zijnde vijfmaal het bedrag van de verbeurde boete, verminderd met het bedrag van € 15.000,00 dat reeds was toegewezen en voldaan.

4.13.

[eiser] heeft wettelijke handelsrente gevorderd over het verschuldigde bedrag, met ingang van 17 december 2010 tot aan de dag van voldoening.
SBS heeft de rentevordering bestreden op de grond dat “het verschuldigde boetebedrag” te onbepaald is en op de grond dat er geen reden is om rente toe te wijzen vanaf 17 december 2010, omdat SBS er vanaf het kortgedingvonnis vanuit mocht gaan dat zij niet meer aan [eiser] verschuldigd was dan door de kortgedingrechter was toegewezen.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is de rentevordering voldoende bepaald. Er kan geen misverstand over bestaan dat [eiser] rente vordert over het bedrag van € 60.000,00 dat hij vordert, of over het mindere dat wordt toegewezen.
heeft niet gesteld waarom de rente zou moeten worden toegewezen vanaf 17 december 2010. Rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is. Nu de vordering niet betreft een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad maar de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, is er geen wettelijke grond de rente op een ander tijdstip te doen ingaan dan het moment waarop SBS, na ingebrekestelling, in verzuim is geraakt. [eiser] heeft niet gesteld wanneer SBS in gebreke is gesteld. Uit de omstandigheid dat SBS zich genoodzaakt zag een executiegeschil aan te spannen kan echter worden afgeleid dat op enig moment voor het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding door [eiser] de boetebedragen zijn opgeëist. De rechtbank zal daarom als datum waarop SBS in verzuim is geraakt de datum van de dagvaarding in kort geding aanhouden, derhalve 4 februari 2011.
Ten aanzien van een boetebeding geldt dat niet de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW, maar de wettelijke rente van artikel 6:119 BW van toepassing is.

4.15.

SBS heeft ter comparitie nog verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met het restitutierisico. SBS heeft echter nagelaten feiten en omstandigheden te stellen waaruit een bijzonder restitutierisico kan worden afgeleid. De rechtbank zal daarom aan dat verzoek voorbij gaan.

4.16.

Als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij zal SBS in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

4.17.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  92,17

  • -

    betaald griffierecht €  73,00

  • -

    salaris advocaat €  1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal €  1.953,17

Omdat [eiser] op basis van een toevoeging procedeert en de dagvaardingskosten om die reden (grotendeels) door de rechtbank aan de door de [eiser] ingeschakelde deurwaarder worden vergoed, zal SBS worden veroordeeld deze kosten aan de griffier van de rechtbank te voldoen.

4.18.

Daarnaast zal SBS, overeenkomstige vordering worden veroordeeld tot betaling van de nakosten, nu tegen dat deel van de vordering geen verweer is gevoerd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt SBS tot betaling aan [eiser] van € 60.000,00 (zestigduizend euro en nul cent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 4 februari 2011 tot aan de dag van betaling;

5.2.

veroordeelt SBS in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.953,17 waarvan € 1.861,00 moet worden voldaan aan [eiser] en waarvan € 92,17 aan dagvaardingskosten moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.491 ten name van Arrondissement 521 Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

5.3.

veroordeelt SBS, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien SBS niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.