Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4617

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
511177 / HA ZA 12-223 en 517402 / HA ZA 12-624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fraude bij Amerikaanse Ahold-dochter USF. Collectieve actie van de VEB tegen Nederlandse maatschap van accountants die (achteraf te rooskleurige) geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold van een goedkeurende verklaring heeft voorzien. Bevoegdheidsincident. Gevolgen van Amerikaanse Settlement Agreement en Final Judgment and Order of Dismissal voor rechtsmacht Nederlandse rechter. Voorvragen in de hoofdzaak. Rechtbank neemt zich voor een van die voorvragen voor te leggen aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing: kan de VEB als rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW de verjaring van de in die bepaling bedoelde rechtsvordering op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW stuiten en, zo ja, sorteert die stuiting effect ten behoeve van alle in artikel 3:305a lid 1 BW bedoelde andere personen dan wel slechts ten behoeve van de leden van de VEB?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/1169
JOR 2013/299 met annotatie van mr. R.G.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

Vonnis van 26 juni 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 511177 / HA ZA 12-223 van

de vereniging

VEB NCVB,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in de bevoegdheidsincidenten,

advocaat mr. G.F.E. Koster te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. de openbare maatschap

DELOITTE ACCOUNTANTS,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

2. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

naam

woonplaats

2:1

Aclara B.V.

Terheijden

2:2

Waverland Horizon B.V.

Ouderkerk aan de Amstel

2:3

---

---

2:4

Windermere B.V.

Bergschenhoek

2:5

[naam 1] B.V.

Maastricht

2:6

B-Invest B.V.

Breda

2:7

[naam 2] B.V.

Enschede

2:8

Libex B.V.

Oost-, West- en Middelbeers

2:9

Rotorua B.V.

Beverwijk

2:10

[naam 3] Accountancy & Advies B.V.

Weert

2:11

[naam 4] Accountancy B.V.

Katwijk aan Zee

2:12

Fenera B.V.

Uitgeest

2:13

Voorop B.V.

Terneuzen

2:14

Accboel B.V.

Baarn

2:15

[naam 5] Werkmaatschappij B.V.

Den Haag

2:16

---

---

2:17

Bucuti B.V.

Bussum

2:18

[naam 6] B.V.

Zwijndrecht

2:19

Hosoqui B.V.

Vught

2:20

Andreia B.V.

Den Haag

2:21

[naam 7] B.V.

Soest

2:22

[naam 8] Werkmaatschappij B.V.

Bosch en Duin

2:23

[naam 9] B.V.

Gouda

2:24

Buac B.V.

Waalwijk

2:25

Awbm B.V.

Blaricum

2:26

[naam 10] Werkmaatschappij B.V.

Rotterdam

2:27

Volsted B.V.

Rotterdam

2:28

[naam 11] Werkmaatschappij B.V.

Oisterwijk

2:29

[naam 12] Werkmij. B.V.

Bergschenhoek

2:30

Herde B.V.

Bruchem

2:31

[naam 13] Werkmaatschappij B.V.

‘s-Hertogenbosch

2:32

[naam 14] B.V.

Maastricht

2:33

Mathelma Management B.V.

Rijssen

2:34

Op Wakk’re Wieken B.V.

Ermelo

2:35

Forza B.V.

Leeuwarden

2:36

Woliar B.V.

Nuenen

2:37

[naam 15] B.V.

Renswoude

2:38

[naam 16] Werkmaatschappij B.V.

Hulshorst

2:39

Wiardaburen B.V.

Goutum

2:40

---

---

2:41

---

---

2:42

Jomali B.V.

Hulst

2:43

Grofyt B.V.

Giessenburg

2:44

Lhara B.V.

‘s-Gravenhage

2:45

Rohalter B.V.

Bunschoten-Spakenburg

2:46

Effe Harken B.V.

Aerdenhout

2:47

[naam 17] Registeraccountant B.V.

Bemmel

2:48

[naam 18] Werkmaatschappij B.V.

Uden

2:49

---

---

2:50

M2 Venture Capital II B.V.

Emmen

2:51

Next Accountants & Adviseurs B.V.

Hattem

2:52

[naam 19] Maastricht B.V.

Maastricht

2:53

Pesonel B.V.

Zevenhuizen

2:54

[naam 20] Audit B.V.

Eersel

2:55

---

---

2:56

Konfiansa B.V.

Heerenveen

2:57

Martoko B.V.

Nijverdal

2:58

---

---

2:59

[naam 21] [naam 22] B.V.

Hoogeveen

2:60

[naam 23] B.V.

Rijswijk

2:61

D.D.P. Information Quality B.V.

Bennebroek

2:62

[naam 54] B.V.

Leeuwarden

2:63

[naam 24] RA B.V.

Bosch en Duin

2:64

Foeliekamp B.V.

‘s-Hertogenbosch

2:65

Japema B.V.

Middenbeemster

2:66

Heso B.V.

Groningen

2:67

[naam 25] Werkmaatschappij B.V.

Bunschoten

2:68

[naam 26] Werkmaatschappij B.V.

Well (Gld)

2:69

Weedeborch Exploitatie B.V.

Soest

2:70

---

---

2:71

[naam 27] Accountancy B.V.

Bergschenhoek

2:72

Roberma B.V.

Sneek

2:73

[naam 28] B.V.

Sommelsdijk

2:74

[naam 29] B.V.

Biggekerke

2:75

Emmastaete Baarn B.V.

Baarn

2:76

Seymour B.V.

Barneveld

2:77

Lindeborg B.V.

Beetsterzwaag

2:78

[naam 30] Werkmaatschappij B.V.

Lieren

2:79

Enelram B.V.

Ouderkerk aan den IJssel

2:80

Viannh B.V.

Alblasserdam

2:81

Faljeril B.V.

Kaag

2:82

Albona B.V.

Halsteren

2:83

Accountantspraktijk [naam 31] B.V.

Hoogeveen

2:84

---

---

2:85

Janpira B.V.

Zwijndrecht

2:86

Inmaro Acc B.V.

Sittard

2:87

Voltherhook B.V.

Oldenzaal

2:88

Magno Animo B.V.

Heemskerk

2:89

[naam 32] B.V.

Soest

2:90

[naam 33] Werkmaatschappij B.V.

Delft

2:91

[naam 34] Werkmaatschappij B.V.

‘s-Hertogenbosch

2:92

[naam 35] Werkmaatschappij B.V.

Rotterdam

2:93

[naam 36] B.V.

‘s-Gravenzande

2:94

Hevare B.V.

Baarn

2:95

Carjacq B.V.

Aalsmeer

2:96

Befoema B.V.

Schipborg

2:97

[naam 37] B.V.

Veghel

2:98

Höft Accountancy B.V.

Tubbergen

2:99

Baucis B.V.

Loenen aan de Vecht

2:100

[naam 38] Werkmaatschappij B.V.

Amsterdam

2:101

Hemaro B.V.

Briltil

2:102

[naam 39] B.V.

Zwolle

2:103

Untitled Accountancy B.V.

Amsterdam

2:104

Canyon Financial Services B.V.

Amsterdam

2:105

Sytzo B.V.

Bodegraven

2:106

[naam 40] & Co., Accountants B.V.

Wassenaar

2:107

Marewo B.V.

Herkenbosch

2:108

MF Corporate Finance B.V.

Nigtevecht

2:109

Manimko Accountancy B.V.

Lisse

2:110

Maanhap B.V.

Heemstede

2:111

On Your Marks B.V.

Lisse

2:112

Bozacc B.V.

Bergen op Zoom

2:113

Esjohca B.V.

Epe

2:114

---

---

2:115

[naam 41] B.V.

Almere

2:116

Netamret B.V.

Rotterdam

2:117

Telt B.V.

Eindhoven

2:118

[naam 42] Werkmaatschappij B.V.

Oosterhout

2:119

Dietim B.V.

Ermelo

2:120

Tolra B.V.

Amersfoort

2:121

[naam 43] Werkmaatschappij B.V.

Den Haag

2:122

De Strubben B.V.

Zuidlaren

2:123

[naam 44] Werkmaatschappij B.V.

Bussum

2:124

Esmajetho B.V.

Katwijk

2:125

Vipa B.V.

Klaaswaal

2:126

[naam 45] Advies B.V.

Heerde

2:127

[naam 46] Werkmaatschappij B.V.

Rijswijk (ZH)

2:128

Village Green Accountancy B.V.

Den Haag

2:129

[naam 47] Accountancy B.V.

Bergen

2:130

Talk Straight B.V.

Rotterdam

2:131

Soletta B.V.

Waalre

2:132

Jovawij B.V.

Hoenderloo

2:133

Liwijn B.V.

Zeist

2:134

[naam 48] Werkmaatschappij B.V.

Reeuwijk

2:135

Haskerac B.V.

Bergen (NH)

2:136

[naam 49] Werkmaatschappij B.V.

Den Haag

2:137

Thijjor Exploitatie B.V.

Elst (Gld)

2:138

[naam 50] Accountancy & Advies B.V.

Houten

2:139

Robtah B.V.

Aalsmeer

2:140

---

---

2:141

Huvozan B.V.

Hilversum

2:142

---

---

gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

3. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

naam

woonplaats

3:1

Aclara Holding B.V.

Terheijden

3:2

Green, Green Grass of Home B.V.

Ouderkerk aan de Amstel

3:3

---

---

3:4

Windermere Holding B.V.

Bergschenhoek

3:5

[naam 1] Holding B.V.

Maastricht

3:6

Vegema Beheer B.V.

Breda

3:7

Ovressa B.V.

Enschede

3:8

Ret Noper B.V.

Oost-, West- en Middelbeers

3:9

Rotorua Holding B.V.

Beverwijk

3:10

Gozano B.V.

Weert

3:11

[naam 4] Holding B.V.

Katwijk aan Zee

3:12

Fenera Beheer B.V.

Uitgeest

3:13

Voorop Beheer B.V.

Terneuzen

3:14

Meulboel Beheer B.V.

Baarn

3:15

[naam 5] Holding B.V.

Den Haag

3:16

[naam 51] Holding B.V.

Almelo

3:17

Bucuti Holding B.V.

Bussum

3:18

[naam 6] Holding B.V.

Zwijndrecht

3:19

Hosoqui Beheer B.V.

Vught

3:20

[naam 52] Holding B.V.

Den Haag

3:21

[naam 7] Holding B.V.

Soest

3:22

[naam 8] Holding B.V.

Bosch en Duin

3:23

[naam 9] Holding B.V.

Gouda

3:24

Mabuco Holding B.V.

Waalwijk

3:25

Awbm Holding B.V.

Blaricum

3:26

[naam 10] Holding B.V.

Rotterdam

3:27

Swaenesteijn B.V.

Rotterdam

3:28

[naam 11] Holding B.V.

Oisterwijk

3:29

[naam 12] Houdstermij. B.V.

Bergschenhoek

3:30

Herde Holding B.V.

Bruchem

3:31

[naam 13] Holding B.V.

‘s-Hertogenbosch

3:32

[naam 14] Holding B.V.

Maastricht

3:33

Mathelma Holding B.V.

Rijssen

3:34

De Ronde Steven B.V.

Ermelo

3:35

Saluti B.V.

Leeuwarden

3:36

Driruys Holding B.V.

Nuenen

3:37

[naam 15] Holding B.V.

Renswoude

3:38

[naam 16] Holding B.V.

Hulshorst

3:39

Wiardaburen Holding B.V.

Goutum

3:40

---

---

3:41

[naam 53] Beheer B.V.

Uithoorn

3:42

Malijo B.V.

Hulst

3:43

Grofyt Holding B.V.

Giessenburg

3:44

Lhara Holding B.V.

‘s-Gravenhage

3:45

Rohalt Holding B.V.

Bunschoten-Spakenburg

3:46

Effe Vasthouden B.V.

Aerdenhout

3:47

2 Have & 2 Hold B.V.

Bemmel

3:48

[naam 18] Holding B.V.

Uden

3:49

---

---

3:50

Jahos B.V.

Emmen

3:51

Oxalis Beheer B.V.

Hattem

3:52

Erho Beleggingen B.V.

Maastricht

3:53

Pesonel Holding B.V.

Zevenhuizen

3:54

Hopimaco Holding B.V.

Eersel

3:55

Orguyo Beheer B.V.

Woerden

3:56

Bêst Genôch B.V.

Heerenveen

3:57

Degebe B.V.

Nijverdal

3:58

---

---

3:59

Westmaden Holding B.V.

Hoogeveen

3:60

[naam 23] Holding B.V.

Rijswijk

3:61

Doch Dyn Plicht B.V.

Bennebroek

3:62

[naam 54] Holding B.V.

Leeuwarden

3:63

[naam 24] RA Holding B.V.

Bosch en Duin

3:64

Foeliekamp Holding B.V.

‘s-Hertogenbosch

3:65

Japema Holding B.V.

Middenbeemster

3:66

Heso Holding B.V.

Groningen

3:67

[naam 25] Beheersmaatschappij B.V.

Bunschoten

3:68

[naam 26] Holding B.V.

Well (Gld)

3:69

Polderzicht Holding B.V.

Soest

3:70

---

---

3:71

[naam 27] Beheer B.V.

Bergschenhoek

3:72

Leja Beheer B.V.

Sneek

3:73

[naam 28] Holding B.V.

Sommelsdijk

3:74

[naam 29] Holding B.V.

Biggekerke

3:75

Emmastaete Baarn Holding B.V.

Baarn

3:76

Whistler B.V.

Barneveld

3:77

De Vossenburcht B.V.

Beetsterzwaag

3:78

[naam 30] Holding B.V.

Lieren

3:79

Schroefvrouw Beheer B.V.

Ouderkerk aan den IJssel

3:80

Viannh Beheer B.V.

Alblasserdam

3:81

Dieperpoel Beheer B.V.

Kaag

3:82

Valluga B.V.

Halsteren

3:83

[naam 31] Beheer I B.V.

Hoogeveen

3:84

[naam 55] Holding B.V.

Boxtel

3:85

Janpira Holding B.V.

Zwijndrecht

3:86

Inmaro Holding B.V.

Sittard

3:87

Voltherhook Holding B.V.

Oldenzaal

3:88

Liber Animo B.V.

Heemskerk

3:89

[naam 32] Holding B.V.

Soest

3:90

[naam 33] Holding B.V.

Delft

3:91

[naam 34] Holding B.V.

‘s-Hertogenbosch

3:92

[naam 35] Holding B.V.

Rotterdam

3:93

[naam 36] Beheer B.V.

‘s-Gravenzande

3:94

Bilderstate Holding B.V.

Baarn

3:95

Summit Holding B.V.

Aalsmeer

3:96

Befoema Holding B.V.

Schipborg

3:97

[naam 37] Holding B.V.

Veghel

3:98

Höft Holding B.V.

Tubbergen

3:99

Philemon Holding B.V.

Loenen aan de Vecht

3:100

[naam 38] Holding B.V.

Amsterdam

3:101

Hemaro Holding B.V.

Briltil

3:102

[naam 39] Holding B.V.

Zwolle

3:103

Untitled Holding B.V.

Amsterdam

3:104

Fadamp B.V.

Amsterdam

3:105

[naam 56] Holding B.V.

Bodegraven

3:106

Swaanhil B.V.

Wassenaar

3:107

Marewo Holding B.V.

Herkenbosch

3:108

Will Street Holding B.V.

Nigtevecht

3:109

Manimko Accountancy Holding B.V.

Lisse

3:110

Maanhap Holding B.V.

Heemstede

3:111

On Your Marks Holding B.V.

Lisse

3:112

Heal Holding B.V.

Bergen op Zoom

3:113

Johesca B.V.

Epe

3:114

Walrode B.V.

Roosendaal

3:115

[naam 41] Holding B.V.

Almere

3:116

Netamret Holding B.V.

Rotterdam

3:117

Telt Beheer B.V.

Eindhoven

3:118

[naam 42] Holding B.V.

Oosterhout

3:119

Dietim Holding B.V.

Ermelo

3:120

Tolra Holding B.V.

Amersfoort

3:121

[naam 43] Beheersmaatschappij B.V.

Den Haag

3:122

De Strubben Holding B.V.

Zuidlaren

3:123

[naam 44] Holding B.V.

Bussum

3:124

Verlam B.V.

Katwijk

3:125

Vipa Holding B.V.

Klaaswaal

3:126

Visschershaven B.V.

Heerde

3:127

[naam 46] Holding B.V.

Rijswijk (ZH)

3:128

[naam 57] Holding B.V.

Den Haag

3:129

[naam 47] Beheer B.V.

Bergen

3:130

Think Straight B.V.

Rotterdam

3:131

Soletta Holding B.V.

Waalre

3:132

Jovawij Holding B.V.

Hoenderloo

3:133

Gone Fishing B.V.

Zeist

3:134

[naam 48] Holding B.V.

Reeuwijk

3:135

Ljipaie B.V.

Bergen (NH)

3:136

[naam 49] Holding B.V.

Den Haag

3:137

Thijjor Beheer B.V.

Elst (Gld)

3:138

Rozengeur Holding B.V.

Houten

3:139

Robtah Holding B.V.

Aalsmeer

3:140

Carmel Accountancy Holding B.V.

Amstelveen

3:141

Lebokids B.V.

Hilversum

3:142

---

---

gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

4. de onderstaande natuurlijke personen

naam

woonplaats

4:1

[naam 58]

Terheijden

4:2

[naam 59]

Ouderkerk aan de Amstel

4:3

[naam 60]

Stolwijk

4:4

[naam 61]

Bergschenhoek

4:5

[naam 1]

Maastricht

4:6

[naam 62]

Breda

4:7

[naam 2]

Enschede

4:8

[naam 63]

Oost-, West- en Middelbeers

4:9

[naam 64]

Beverwijk

4:10

[naam 3]

Weert

4:11

[naam 4]

Katwijk aan Zee

4:12

[naam 65]

Uitgeest

4:13

[naam 66]

Terneuzen

4:14

[naam 67]

Baarn

4:15

[naam 5]

Den Haag

4:16

[naam 51]

Almelo

4:17

[naam 68]

Bussum

4:18

[naam 6]

Zwijndrecht

4:19

[naam 69]

Vught

4:20

[naam 52]

Den Haag

4:21

[naam 7]

Soest

4:22

[naam 8]

Bosch en Duin

4:23

[naam 9]

Gouda

4:24

[naam 70]

Waalwijk

4:25

[naam 71]

Blaricum

4:26

[naam 72]

Rotterdam

4:27

[naam 73]

Rotterdam

4:28

[naam 11]

Oisterwijk

4:29

[naam 12]

Bergschenhoek

4:30

[naam 74]

Bruchem

4:31

[naam 13]

‘s-Hertogenbosch

4:32

[naam 14]

Maastricht

4:33

[naam 75]

Rijssen

4:34

[naam 76]

Ermelo

4:35

[naam 77]

Leeuwarden

4:36

[naam 78]

Nuenen

4:37

[naam 15]

Renswoude

4:38

[naam 16]

Hulshorst

4:39

[naam 79]

Goutum

4:40

[naam 80]

Leiderdorp

4:41

[naam 53]

Uithoorn

4:42

[naam 81]

Hulst

4:43

[naam 82]

Giessenburg

4:44

[naam 83]

‘s-Gravenhage

4:45

[naam 84]

Bunschoten-Spakenburg

4:46

[naam 85]

Aerdenhout

4:47

[naam 17]

Bemmel

4:48

[naam 18]

Uden

4:49

[naam 86]

Leidschendam

4:50

[naam 87]

Emmen

4:51

[naam 88]

Hattem

4:52

[naam 19]

Maastricht

4:53

[naam 89]

Zevenhuizen

4:54

[naam 20]

Eersel

4:55

[naam 90]

Woerden

4:56

[naam 91]

Heerenveen

4:57

[naam 92]

Nijverdal

4:58

[naam 93]

Nijkerk

4:59

[naam 21]

Hoogeveen

4:60

[naam 23]

Rijswijk

4:61

[naam 94]

Bennebroek

4:62

[naam 95]

Leeuwarden

4:63

[naam 24]

Bosch en Duin

4:64

[naam 96]

‘s-Hertogenbosch

4:65

[naam 97]

Middenbeemster

4:66

[naam 98]

Groningen

4:67

[naam 25]

Bunschoten

4:68

[naam 26]

Well (Gld)

4:69

[naam 99]

Soest

4:70

[naam 100]

Blaricum

4:71

[naam 27]

Bergschenhoek

4:72

[naam 101]

Sneek

4:73

[naam 28]

Sommelsdijk

4:74

[naam 29]

Biggekerke

4:75

[naam 102]

Baarn

4:76

[naam 103]

Barneveld

4:77

[naam 104]

Beetsterzwaag

4:78

[naam 30]

Lieren

4:79

[naam 105]

Ouderkerk aan den IJssel

4:80

[naam 106]

Alblasserdam

4:81

[naam 107]

Kaag

4:82

[naam 108]

Halsteren

4:83

[naam 31]

Hoogeveen

4:84

[naam 55]

Boxtel

4:85

[naam 109]

Zwijndrecht

4:86

[naam 110]

Sittard

4:87

[naam 111]

Oldenzaal

4:88

[naam 112]

Heemskerk

4:89

[naam 32]

Soest

4:90

[naam 33]

Delft

4:91

[naam 34]

‘s-Hertogenbosch

4:92

[naam 35]

Rotterdam

4:93

[naam 36]

‘s-Gravenzande

4:94

[naam 113]

Baarn

4:95

[naam 114]

Aalsmeer

4:96

[naam 115]

Schipborg

4:97

[naam 37]

Veghel

4:98

[naam 116]

Tubbergen

4:99

[naam 117]

Loenen aan de Vecht

4:100

[naam 38]

Amsterdam

4:101

[naam 118]

Briltil

4:102

[naam 39]

Zwolle

4:103

[naam 119]

Amsterdam

4:104

[naam 120]

Amsterdam

4:105

[naam 56]

Bodegraven

4:106

[naam 40]

Wassenaar

4:107

[naam 121]

Herkenbosch

4:108

[naam 122]

Nigtevecht

4:109

[naam 123]

Lisse

4:110

[naam 124]

Heemstede

4:111

[naam 125]

Lisse

4:112

[naam 126]

Bergen op Zoom

4:113

[naam 127]

Roosendaal

4:114

[naam 41]

Almere

4:115

[naam 128]

Rotterdam

4:116

[naam 129]

Turnhout (België)

4:117

[naam 42]

Oosterhout

4:118

[naam 130]

Ermelo

4:119

[naam 131]

Amersfoort

4:120

[naam 43]

Den Haag

4:121

[naam 132]

Zuidlaren

4:122

[naam 44]

Bussum

4:123

[naam 133]

Katwijk

4:124

[naam 134]

Klaaswaal

4:125

[naam 46]

Rijswijk (ZH)

4:126

[naam 57]

Den Haag

4:127

[naam 47]

Bergen

4:128

[naam 135]

Rotterdam

4:129

[naam 136]

Waalre

4:130

[naam 137]

Hoenderloo

4:131

[naam 138]

Zeist

4:132

[naam 48]

Reeuwijk

4:133

[naam 139]

Bergen (NH)

4:134

[naam 49]

Den Haag

4:135

[naam 140]

Elst (Gld)

4:136

[naam 50]

Houten

4:137

[naam 141]

Aalsmeer

gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam, advocaat van [naam 74] tevens mr. C.M. Harmsen te Amsterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE ACCOUNTANTS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. C.M. Harmsen te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. C.M. Harmsen te Amsterdam,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 142] REGISTERACCOUNTANTS B.V.,

gedaagde in de hoofdzaak,

gevestigd te Papendrecht,

niet verschenen,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARJABA B.V.,

gedaagde in de hoofdzaak,

gevestigd te Papendrecht,

niet verschenen,

9 tot en met 44. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

naam

woonplaats

9

Accbong B.V.

Winterswijk

10

Jobong B.V.

Winterswijk

11

Buith Advies B.V.

Goutum

12

Buith Holding B.V.

Goutum

13

Credit Accountancy B.V.

Heemskerk

14

Debet Beheer B.V.

Heemskerk

15

Cunera B.V.

Veenendaal

16

Cunera Beheer B.V.

Veenendaal

17

[naam 143] Bedrijfsadvies B.V.

Nieuwe Niedorp

18

[naam 144] Holding B.V.

Nieuwe Niedorp

19

[naam 145] Praktijk B.V.

Puth

20

[naam 145] Beheer B.V.

Puth

21

[naam 146] B.V.

Aalsmeer

22

Dents du Midi B.V.

Aalsmeer

23

Esdani B.V.

’s-Gravenhage

24

Esdani Holding B.V.

’s-Gravenhage

25

Frawi Werk B.V.

Zwaag

26

Frawi Beheer B.V.

Zwaag

27

Havezate Praktijk B.V.

Zierikzee

28

Havezate Beheer B.V.

Zierikzee

29

Heim Dent B.V.

Wijchen

30

Heim Holding B.V.

Wijchen

31

Hem Sjeech B.V.

Oud-Beijerland

32

Wema-Hapiro Holding B.V.

Oud-Beijerland

33

Jerrol B.V.

Duiven

34

Jerrol Holding B.V.

Duiven

35

[naam 147] Exploitatie B.V.

Venlo

36

[naam 147] Holding B.V.

Venlo

37

Mardejo B.V.

Capelle aan den IJssel

38

Mardejo Beheer B.V.

Capelle aan den IJssel

39

Snits Advies B.V.

Blokker

40

[naam 148] Holding B.V.

Blokker

41

Wetstreet B.V.

Oudenbosch

42

Wetstreet Holding B.V.

Oudenbosch

43

Wijk aan Duin Management B.V.

Beverwijk

44

Just in Time Holding B.V.

Beverwijk

gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 517402 / HA ZA 12-624 van

de vereniging

VEB NCVB,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident, verweerster in het voegingsincident,

advocaat mr. G.F.E. Koster te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARHES B.V.,

gevestigd te Blaricum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARHES HOLDING B.V.,

gevestigd te Blaricum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 149] B.V.,

gevestigd te Hilversum,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 149] HOLDING B.V.,

gevestigd te Hilversum,

5. [naam 149],

wonende te Hilversum,

gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het bevoegdheidsincident, eisers in het voegingsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaken zal hierna de VEB worden genoemd.

Gedaagde sub 1 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 zal hierna de Deloitte Maatschap worden genoemd.

Gedaagden sub 2 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 en Marhes B.V. zullen hierna gezamenlijk de Praktijkvennootschappen worden genoemd.

Gedaagden sub 3 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 en Marhes Holding B.V. zullen hierna gezamenlijk de Holdings worden genoemd.

Gedaagden sub 4 in de hoofdzaak 511177 / HA 12-223 zullen hierna gezamenlijk de Praktijkbeoefenaren worden genoemd.

Gedaagde sub 4:30 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 zal hierna [naam 74] worden genoemd.

Gedaagde sub 5 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 zal hierna Deloitte Nederland worden genoemd.

Gedaagde sub 6 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 zal hierna Deloitte Holding worden genoemd.

Gedaagden sub 9 tot en met 44 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223, [naam 149] B.V., [naam 149] Holding B.V. en [naam 149] zullen hierna gezamenlijk de Overige Gedaagden worden genoemd.

Gedaagden sub 9, 11, 13, 15, 17, 19, 21, 23, 25, 27, 29, 31, 33, 35, 37, 39 en 43 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223 en [naam 149] B.V. zullen hierna gezamenlijk de Overige Praktijkvennootschappen worden genoemd.

Gedaagden sub 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26, 28, 30, 32, 34, 36, 38, 40, 42 en 44 in de hoofdzaak 5111177 / HA ZA 12-223 en [naam 149] Holding B.V. zullen hierna gezamenlijk de Overige Holdings worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak 511177 / HA ZA 12-223:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 6 februari 2012, 7 februari 2012, 9 februari 2012, 10 februari 2012, 13 februari 2012, 14 februari 2012 en 15 februari 2012;

  • -

    de herstelexploten van 7 februari 2012 en 17 februari 2012;

  • -

    de akte overlegging producties, met producties, van de VEB;

  • -

    de akte (uitlating domiciliekeuze en uitlating comparitie voor antwoord), met producties, van de VEB;

  • -

    de akte uitlating wenselijkheid comparitie voor antwoord van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74];

  • -

    de akte terzake wenselijkheid comparitie na dagvaarding (met bijlage) van de Praktijkvennootschappen (met uitzondering van Marhes B.V.), de Holdings (met uitzondering van Marhes Holding B.V.), de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden (met uitzondering van [naam 149] B.V., [naam 149] Holding B.V. en [naam 149]);

  • -

    het tussenvonnis van 11 april 2012;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 april 2012 gehouden comparitie;

in de zaak 517402 / HA ZA 12-624:

  • -

    de dagvaarding van 15 mei 2012;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging ex art. 222 Rv, strekkend tot ondersteuning hiervan;

  • -

    het vonnis in incident van 6 juni 2012;

in de bevoegdheidsincidenten:

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties, van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74];

  • -

    de conclusie van eis in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties, van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    de conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74];

  • -

    de conclusie van repliek in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid (met bijlage) van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden;

  • -

    de conclusie van dupliek in het incident, met producties;

in de hoofdzaken:

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties, van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74];

  • -

    de conclusie van antwoord I, met bijlage en producties, van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden;

  • -

    de conclusie van repliek 1, tevens houdende wijziging van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties, van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74];

  • -

    de conclusie van dupliek I, met bijlage en producties, van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden;

in de bevoegdheidsincidenten en in de hoofdzaken:

- het proces-verbaal van het op 29 november 2012 gehouden pleidooi in de bevoegdheidsincidenten, tevens comparitie van partijen in de hoofdzaken, en de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de bevoegdheidsincidenten en in de hoofdzaken.

2 De feiten

In de hoofdzaken en in de bevoegdheidsincidenten

Ahold

2.1.1.

Koninklijke Ahold N.V. (hierna: Ahold) is de houdstervennootschap van een internationale groep van vennootschappen die hun bedrijf maken van de distributie, inkoop en verkoop van voeding(smiddelen) en daaraan gerelateerde producten en diensten.

2.1.2.

Ahold heeft per 1 april 2000 de aandelen in het kapitaal van de Amerikaanse vennootschap U.S. Foodservice, Inc. (hierna: USF) verworven. De aandelen in het kapitaal van Ahold waren destijds in Nederland en in de Verenigde Staten van Amerika aan de beurs genoteerd. USF was naar omzet de grootste deelneming van Ahold.

Deloitte

2.2.1.

Deloitte & Touche LLP (hierna: Deloitte USA), een accountantskantoor, heeft in opdracht van USF haar cijfers over de boekjaren 2000 en 2001 naar Amerikaanse voorschriften gecontroleerd en van een goedkeurende verklaring voor consolidatiedoeleinden voorzien.

2.2.2.

De Deloitte Maatschap (destijds nog geheten Deloitte & Touche Accountants), eveneens een accountantskantoor, heeft in opdracht van Ahold, mede op basis van de door Deloitte USA gecontroleerde cijfers van USF, de geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold over de boekjaren 2000 en 2001 naar Nederlandse voorschriften gecontroleerd en van een goedkeurende verklaring voorzien. Haar eindverantwoordelijke partner ter zake was [naam 78] (gedaagde sub 4:36 in de hoofdzaak 511177 / HA ZA 12-223; hierna: [naam 78]).

2.2.3.

De Deloitte Maatschap heeft ook de geconsolideerde jaarrekening van Ahold over het boekjaar 1999 naar Nederlandse voorschriften gecontroleerd en van een goedkeurende verklaring voorzien. Haar eindverantwoordelijke partner ter zake was wederom [naam 78].

2.2.4.

De Deloitte Maatschap werd gevormd door een aantal besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (“praktijkvennootschappen”). De aandelen in iedere praktijkvennootschap werden gehouden door een “holding” (eveneens een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), waarvan steeds een “praktijkbeoefenaar” (natuurlijk persoon) de aandeelhouder was.

Gebeurtenissen op en na 24 februari 2003

2.3.1.

Een door Ahold uitgegeven persbericht, gedateerd 24 februari 2003, luidt, voor zover hier van belang:

Ahold verwacht aanzienlijk lagere winst over 2002

(…)

Ahold heeft vandaag bekendgemaakt dat de nettowinst en de winst per aandeel volgens Nederlandse waarderingsgrondslagen en Amerikaanse waarderingsgrondslagen (resp. Dutch GAAP en US GAAP) aanzienlijk lager zullen uitvallen dan de uitgesproken verwachting voor het boekjaar dat afliep op 29 december 2002. De oorzaak hiervan is gelegen in overwaardering van inkomsten in verband met programma’s voor promotionele bijdragen bij U.S. Foodservice. Momenteel is het onderzoek naar deze situatie in volle gang. Op grond van voorlopige bevindingen verwacht de onderneming dat de overwaardering van het operationeel resultaat over de periode van boekjaar 2001 tot en met boekjaar 2002 de USD 500 miljoen zal overschrijden, waarbij het merendeel van dit bedrag valt in het verwachte operationele resultaat over het boekjaar 2002. Vanwege de tot dusverre waargenomen overwaardering zullen de jaarrekening van 2001 en de interimcijfers over de eerste drie kwartalen van 2002 van Ahold moeten worden herzien.

De onderneming kondigt tevens aan dat haar joint ventures ICA Ahold, [naam 150] Retail en Disco Ahold International Holdings, onder zowel Dutch GAAP als US GAAP, proportioneel zullen worden geconsolideerd, met ingang van het boekjaar 2002. (…)

Als gevolg van de hiervoor genoemde ontwikkelingen, en met name vanwege de noodzaak tot afronden van de bijbehorende onderzoeken, heeft de onderneming de aangekondigde publicatie van de jaarcijfers van 2002 op 5 maart uitgesteld. De controlerende accountants van Ahold hebben de onderneming ook op de hoogte gebracht van hun uitstel van de controle van de jaarrekening 2002, hangende de afronding van deze onderzoeken.

2.3.2.

De koers van de aandelen Ahold is na uitgifte van dit persbericht zeer sterk gedaald.

Class Action

2.4.1.

Met het oog op een in de Verenigde Staten van Amerika ten behoeve van de door de onregelmatigheden bij USF benadeelde beleggers Ahold te starten Class Action naar Amerikaans recht tegen onder anderen Ahold, de Deloitte Maatschap en Deloitte USA heeft het United States District Court for the District of Maryland (hierna: de Amerikaanse rechtbank) op 4 november 2003 Lead Plaintiffs en een Lead Counsel for Plaintiffs aangewezen.

2.4.2.

In de vervolgens gevoerde Class Action heeft de Amerikaanse rechtbank bij beslissingen van 21 december 2004 en 18 juni 2007 de vorderingen tegen de Deloitte Maatschap en Deloitte USA afgewezen. Op 5 januari 2009 heeft het United States Court of Appeals for the Fourth Circuit die beslissingen bekrachtigd. Geoordeeld werd dat de stellingen van de Lead Plaintiffs niet de conclusie kunnen dragen dat de Deloitte Maatschap en Deloitte USA de Amerikaanse effectenwet- en regelgeving hebben geschonden.

2.4.3.

Op 6 januari 2006 hebben de Lead Plaintiffs, de Lead Counsel for Plaintiffs en Ahold – laatstgenoemde mede namens een aantal aan haar zijde betrokken partijen, de Deloitte Maatschap en Deloitte USA niet daaronder begrepen – een Amended Settlement Agreement (hierna: de Settlement Agreement) ondertekend die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:

a. Ahold betaalt USD 1,1 miljard aan het Settlement Fund.

b. Iedere natuurlijke en rechtspersoon die gewone aandelen en/of American Depository Receipts in Ahold heeft gekocht of als dividend heeft ontvangen in de periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003 (en die zich niet heeft onttrokken aan de Class) doet afstand van zijn aanspraken jegens Ahold en de partijen namens wie Ahold de Settlement Agreement heeft gesloten (hierna: Ahold c.s.).

c. Het is derden, derhalve ook de Deloitte Maatschap en Deloitte USA, in beginsel verboden om nog vorderingen die verband houden met de onregelmatigheden bij USF in te stellen tegen Ahold c.s. Een dergelijke bepaling wordt naar Amerikaans recht een Bar Order genoemd.

d. De Class Members dienen hun eventuele vordering op derden, waaronder de Deloitte Maatschap en Deloitte USA, te verminderen met de cumulatieve draagplicht van Ahold c.s., doch ten minste met USD 1,1 miljard. Dit is neergelegd in artikel 20(b) van de Settlement Agreement. Een dergelijke bepaling wordt naar Amerikaans recht een Judgment Reduction Credit genoemd.

e. Artikel 20(b) bepaalt daarnaast:

The Class Members agree that the undertaking set forth in this Paragraph is not only for the benefit of the Specified Defendants, but also for the benefit of any person against whom any such judgment is entered in the Action and that this undertaking may be enforced by any such person as a third-party beneficiary hereof. This Paragraph is a third-party stipulation in favor of Deloitte within the meaning of article 6:253 of the Dutch Civil Code.

f. Artikel 33 luidt:

Choice of Law. All terms of this Agreement and the exhibits attached hereto shall be governed by and interpreted according to the substantive laws of the state of Maryland without regard to its choice of law or conflict of laws principles.

g. Artikel 37 luidt:

Retained Jurisdiction. Any action based on this Agreement or to enforce any of its terms shall be venued in the Court [bedoeld is the United States District Court for the District of Maryland, rechtbank], which shall retain jurisdiction over all such disputes. All parties to this Agreement shall be subject to the jurisdiction of the Court for all purposes related to this Agreement.

2.4.4.

Op 16 juni 2006 heeft de Amerikaanse rechtbank een Final Judgment and Order of Dismissal (hierna: de Final Judgment) uitgesproken die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:

a. Alle bezwaren tegen de Settlement Agreement zijn afgewezen. De Settlement Agreement is, als redelijk en toereikend, verbindend verklaard.

b. Artikel 10 bevat een Judgment Reduction Credit:

Upon the Effective Date, each and every Class Member expressly waives and fully, finally, and forever settles and releases, any known or unknown, suspected or unsuspected, contingent or non-contingent claim with respect to the subject matter of the Released Claims, whether or not concealed or hidden, without regard tot the subsequent discovery or existence of such different and additional facts. Such waiver and release shall include any and all provisions, rights, and benefits conferred by § 1542 of the California Civil Code (…); or by any law of any state or territory of the United States or foreign law, or principle of common law, which is similar, comparable, or equivalent to § 1542 of the California Civil Code. The amount of any verdict or judgment collectable by any Person against Deloitte in connection with the Action or any legal proceedings regarding matters in any way related to the Released Claims shall be reduced by the greater part of: (i) an amount that corresponds to the percentage of responsibility of the Specified Defendants and that corresponds to any claims possessed by Deloitte against any of the Specified Defendants barred pursuant to paragraph 11 below; or (ii) ¤ 1,100,000,000, the amount being paid pursuant to the Agreement, and the amount that corresponds to any claims possessed by Deloitte against any of the Specified Defendants barred pursuant to paragraph 11 below. Each Class Member shall require, as a condition of any settlement of any claim they may have or may obtain in the future against Deloitte, a full and final release and discharge of any claim that Deloitte may have or may ever have against Ahold or the Specified Defendants relating in any way to the Released Claims, including any claim for attorneys’ fees or costs.

c. Artikel 11.a bevat een Bar Order:

Except for Royal Ahold and U.S. Foodservice, Inc., every Person (including Deloitte) is permanently and forever barred and enjoined from filing, commencing, instituting, prosecuting or maintaining, either directly, indirectly, representatively, or in any other capacity, in this Court, or in any other federal, foreign, state or local court, forum or tribunal, any claim, counterclaim, cross-claim, third-party claim or other actions based upon, relating to, or arising out of the Released Claims and/or the transactions and occurences referred to in Plaintiffs’ Complaints, as amended, or in any other pleadings filed in this action (including, without limitation, any claim or action seeking indemnification and/or contribution, however denominated) against any of the Specified Defendants, whether such claims are legal or equitable, known or unknown, foreseen or unforeseen, matured or unmatured, accrued or unaccrued, or are asserted under federal, foreign, state, local or common law and all such claims are permanently and completely discharged. Each of the Specified Defendants likewise shall be barred from making similar claims against Deloitte.

d. Artikel 14 luidt:

The Court hereby retains exclusive jurisdiction over the parties and the Class Members for all matters relating to this Action, including the administration, interpretation, effectuation or enforcement of the Settlement, the Agreement, and this Order and Final Judgment.

2.4.5.

De Deloitte Maatschap en Deloitte USA hebben het hiervoor onder 2.4.3 onder e weergegeven derdenbeding aanvaard.

VEB

2.5.1.

De VEB heeft tijdens de hiervoor onder 2.4.3 onder b bedoelde periode (hierna ook: de relevante periode) zeven aandelen Ahold verworven en heeft zich niet onttrokken aan de Class.

2.5.2.

Op 6 januari 2004 heeft de VEB bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam een jaarrekeningprocedure als bedoeld in afdeling 16 van titel 9 van boek 2 Burgerlijk Wetboek (BW) tegen Ahold aanhangig gemaakt.

2.5.3.

Op 12 februari 2004 heeft de VEB bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam een verzoek ingediend tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Ahold. Bij beschikking van 6 januari 2005 heeft de Ondernemingskamer het verzoek toegewezen en op de voet van artikel 2:345 lid 1 BW drie personen benoemd tot het instellen van een enquête bij Ahold in het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 18 december 2003.

2.5.4.

Op 27 november 2005 hebben de VEB en Ahold een overeenkomst ondertekend die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:

a. De jaarrekeningprocedure (zie hiervoor onder 2.5.2) en de enquêteprocedure (zie hiervoor onder 2.5.3) worden beëindigd, met dien verstande dat de enquêteprocedure doorloopt tot de nederlegging ter griffie van het gerechtshof te Amsterdam van het verslag van de uitkomst van het onderzoek.

b. Artikel 5.1 luidt:

The Parties to this Agreement, Plaintiffs and the Class have agreed that VEB (…) shall receive out of the VEB Settlement Fund the amount of USD 8.82 million (…) in consideration for their assistance in facilitating the global resolution of all disputes between the parties and the Class and for actively encouraging the settlement contemplated by the (…) Settlement Agreement in the Netherlands and Europe, all as set forth in (…) the (…) Settlement Agreement.

Die bepaling verwijst naar artikel 8 van de Settlement Agreement dat luidt:

VEB Settlement Fund. At the same time it makes the first installment to the Settlement Fund, Royal Ahold shall make a payment of $8,820,000 into an escrow account (the “VEB Settlement Fund”) (…) for payment to the Vereniging van Effectenbezitters (the “VEB”) (…) for their assistance in facilitating the global resolution of all disputes between the parties and the Class and actively encouraging this settlement in the Netherlands and Europe.

2.5.5.

Het verslag van de uitkomst van de enquête is op 28 maart 2006 nedergelegd ter griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Sobi: tuchtprocedure en civiele procedure

2.6.1.

Op 12 maart 2007 heeft de Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten uitspraak gedaan op een door Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie SOBI (hierna: Sobi) tegen [naam 78] ingediende klacht aangaande de goedkeurende verklaring bij de jaarrekeningen van Ahold over onder meer de boekjaren 1999, 2000 en 2001.

2.6.2.

Op 11 september 2008 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven uitspraak gedaan in het door zowel Sobi als [naam 78] tegen de uitspraak van de Raad van Tucht ingestelde hoger beroep.


2.6.3. In februari 2008 hebben Sobi en een aantal individuele beleggers (onder anderen) Deloitte Nederland en Deloitte USA gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en, kort gezegd, schadevergoeding gevorderd in verband met de hiervoor onder 2.3.1 en 2.3.2 vermelde feiten. Deloitte Nederland en Deloitte USA hebben in die procedure (zaaknummer / rolnummer: 398833 / HA ZA 08-1465) met een beroep op het hiervoor aangehaalde artikel 14 van de Final Judgment en het hiervoor aangehaalde artikel 37 van de Settlement Agreement betoogd dat de Amsterdamse rechtbank geen internationale rechtsmacht toekwam. De rechtbank Amsterdam heeft zich bij tussenvonnis van 23 juni 2010 bevoegd verklaard. Zij heeft daartoe overwogen:

Deloitte Nederland is geen partij bij de Settlement Agreement als geheel, maar (na aanvaarding van het derdenbeding) slechts bij deze Bar Order en Judgment Reduction Credit. (…) De Judgment Reduction Credit komt erop neer dat op vorderingen van aandeelhouders die geen gebruik hebben gemaakt van de opt-outmogelijkheid tegen Deloitte Nederland het door Ahold onder de Settlement Agreement uitgekeerde bedrag in mindering moet worden gebracht. In deze bepalingen kan geen algemene (ook buiten de context van deze bepalingen geldende) forumkeuze, ten behoeve van Deloitte Nederland, voor de Amerikaanse rechtbank worden gelezen, ook niet in combinatie met het forumkeuzebeding van artikel 37 van de Settlement Agreeement. (…) Dit laat onverlet dat (de hoogte van) de aanspraken van de materiële eisers tegen Deloitte Nederland mogelijk (wordt) worden beïnvloed door de Bar Order en Judgment Reduction Credit, maar deze mogelijkheid betekent niet dat die aanspraken niet aan een andere rechter dan de Amerikaanse rechtbank kunnen en mogen worden voorgelegd.

Van die uitspraak is, mede op verzoek van Deloitte Nederland, tussentijds hoger beroep opengesteld, dat echter niet is ingesteld. Nadat Deloitte Nederland in die procedure op 25 mei 2011 had betoogd dat een eventuele vordering van de beleggers bij de overgang van de Deloitte Maatschap naar Deloitte Nederland op 1 juni 2004 is achtergebleven in de Deloitte Maatschap, heeft Sobi besloten de procedure tegen Deloitte Nederland en Deloitte USA niet voort te zetten. De procedure is inmiddels doorgehaald.

De Deloitte Maatschap en Deloitte Nederland

2.7.1.

Bij notariële akte van 1 juni 2004 (hierna: de oprichtingsakte) is Deloitte Nederland opgericht. De akte vermeldt als oprichters 178 besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waaronder de Praktijkvennootschappen, de Overige Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.

2.7.2.

Een notariële akte van dezelfde datum (hierna: de inbrengakte), waarin elk van de bedoelde 178 besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid afzonderlijk “Inbrenger” wordt genoemd, luidt, voor zover hier van belang:

De comparant geeft het volgende te kennen:

  1. bij akte (…) is de Vennootschap [Deloitte Nederland; rechtbank] opgericht;

  2. blijkens de akte van oprichting heeft iedere Inbrenger in het kapitaal van de Vennootschap deelgenomen voor vijftig (…) aandelen, elk aandeel groot vijfhonderd euro (…);

  3. de akte van oprichting bepaalt onder andere het volgende:

“Ter storting op haar aandeel zal ieder van de oprichtsters in de Vennootschap brengen haar aandeel in de maatschap Deloitte Accountants, omvattende deze inbreng derhalve alle activa behorend bij het gemelde maatschapsaandeel, evenwel onder voorbehoud van (i) aan de desbetreffende oprichtster uit hoofde van de maatschapsovereenkomst juncto het Reglement Financiële Verhoudingen eventueel toekomende goodwillrechten bij uittreden en (ii) de verplichtingen ter zake van de hiervoor onder (i) bedoelde rechten, onder de verplichting voor de Vennootschap alle passiva die toe te rekenen zijn aan voormeld maatschapsaandeel, voor haar rekening te nemen, welke maatschapsaandelen zoals hiervoor omschreven hierna zowel tezamen als afzonderlijk worden/wordt genoemd: de inbreng. De inbreng komt vanaf een juni tweeduizendvier voor rekening en risico van de vennootschap.”;

4. De Inbrengers vormen tezamen de enige vennoten van de maatschap Deloitte Accountants. Ieder van de Inbrengers heeft toestemming gegeven aan de door de hiervoor bedoelde inbreng tot stand te brengen in de plaatsstelling van [Deloitte Nederland] als vennoot in de genoemde maatschap, erkennende dat door de in de plaatsstelling door [Deloitte Nederland] van alle vennoten van de maatschap alle maatschapsaandelen verkregen worden door [Deloitte Nederland], dat de zaken der maatschap alsdan door [Deloitte Nederland] worden voortgezet en dat de maatschap als zodanig ophoudt te bestaan.

Deloitte Holding

2.8.

Eveneens op 1 juni 2004 hebben de inbrengende besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid hun aandelen in Deloitte Nederland in ruil voor aandelen in Deloitte Holding overgedragen aan Deloitte Holding.

Stuiting

2.9.1.

Bij brief van 18 februari 2008 heeft [naam 74], als voorzitter van de raad van bestuur van Deloitte Holding op briefpapier van Deloitte Holding aan de VEB geschreven, voor zover hier van belang:

Deloitte Accountants B.V. (“Deloitte”) en VEB komen het volgende overeen:

  1. Deloitte stemt in met een stuiting met beperkte duur van de zonder deze overeenkomst mogelijk verlopen verjaringstermijn van mogelijke vorderingen van (voormalig) aandeelhouders van Ahold in verband met de op 23 februari 2003 gepubliceerde feiten tot vier weken na de dag waarop het CBb definitief uitspraak doet in de klachtprocedure tussen Sobi en drs. [naam 78] RA doch uiterlijk tot 22 juli 2008. Een dergelijke termijn is ruim voldoende om te beoordelen of het zin heeft al dan niet een rechtsvordering tegen Deloitte in te stellen en Deloitte daarover door middel van een stuitingsbrief te informeren. Indien het CBb 6 weken voor 22 juli 2008 (derhalve op 10 juni 2008) nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan, staat het VEB vrij om Deloitte te benaderen om een nieuwe overeenkomst aan te gaan teneinde de verjaringstermijn met een nieuw te bepalen periode te verlengen. Indien VEB een dergelijk verzoek doet, en dit niet binnen twee weken leidt tot een nieuwe overeenkomst, heeft VEB nog vier weken voordat de tot 22 juli 2008 verlengde verjaringstermijn verloopt om datgene te doen dat zij nodig acht tot bewaring van haar rechten.

  2. Deze stuiting met beperkte duur wordt overeengekomen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat Deloitte noch VEB op enigerlei wijze bekend zullen maken – anders dan in een eventuele gerechtelijke procedure tussen VEB en Deloitte – dat er een overeenkomst tussen hen bestaat op grond waarvan Deloitte heeft ingestemd met een stuiting van de verjaringstermijn met beperkte duur. VEB zal geen ruchtbaarheid geven aan een mogelijke procedure jegens Deloitte en geen volmachten vragen bij haar (voormalig) leden totdat het CBb een definitieve uitspraak heeft gedaan in bovenbedoelde tuchtzaak dan wel, bij gebreke daarvan, het moment waarop geen nieuwe overeenkomst is gesloten binnen twee weken na 10 juni 2008 (…). Gedurende deze periode zal VEB geen publiciteit zoeken of externe acties opzetten. Wel zal VEB, indien zij door journalisten of aandeelhouders wordt benaderd met de vraag wat VEB doet richting Deloitte mogen antwoorden dat zij de uitspraak van het CBb afwacht en zekerheidshalve als 305a-organisatie een eventuele verjaring heeft gestuit.

2.9.2.

Bij exploten van 19, 20, 21 respectievelijk 22 februari 2008 heeft de VEB aan de Deloitte Maatschap, [naam 142] Registeraccountants B.V., Arjaba B.V. en aan ieder van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland en de Overige Gedaagden een brief van haar toenmalige advocaat doen betekenen. Die brief luidt, voor zover hier van belang:

De Vereniging van Effectenbezitters (hierna: “VEB”) vertegenwoordigt in overeenstemming met haar statutaire doel de belangen van alle Nederlandse beleggers, waaronder de beleggers die aandelen hielden en/of houden in Koninklijke Ahold N.V. (hierna: “Ahold”). De VEB is een vereniging in de zin van artikel 3:305a BW en kan zelfstandig rechtsvorderingen instellen die strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze belangen behartigt.

De VEB treedt sinds 24 februari 2003, toen Ahold bekend maakte dat zij haar jaarrekening over de boekjaren 2000 en 2001 en de interim-resultaten voor 2002 zou herzien, actief op ter bescherming van de belangen van de (voormalige) aandeelhouders van deze vennootschap. Op 6 januari 2004 heeft de VEB een jaarrekeningprocedure tegen Ahold aangespannen, waarin de VEB de vernietiging vorderde van de jaarrekeningen, jaarverslagen en overige gegevens in de zin van artikel 2:392 BW van Ahold over de periode 1998-2002. Voorts heeft de VEB bij verzoekschrift van 12 februari 2004 de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van Ahold en haar dochterondernemingen. Bij beschikking van 6 januari 2005 heeft de Ondernemingskamer een dergelijk onderzoek met betrekking tot de periode van 1 januari 1998 tot en met 18 december 2003 bevolen.

Na het bereiken van een schikking met Ahold op 27 november 2005 in het kader van een US-Amerikaanse “class action”, heeft de VEB de juridische procedures tegen Ahold gestaakt. De resultaten van het door de Ondernemingskamer bevolen onderzoek zijn op 28 maart 2006 openbaar gemaakt. Het onderzoeksrapport toont naar het oordeel van de VEB niet alleen wanbeleid, althans onbehoorlijk bestuur aan van de Raad van Bestuur, maar tevens toerekenbaar tekortschieten en onrechtmatig handelen/nalaten van (de maatschap) Deloitte Accountants Nederland (hierna ook: “Deloitte”) bij de beoordeling en goedkeuring van de gepresenteerde (jaar)cijfers. De uitspraak in de tuchtprocedure van Sobi tegen de heer [naam 78] (12 maart 2007 (…)) biedt eveneens een voldoende basis voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Deloitte en van [naam 78] en/of diens als maat handelende besloten vennootschap en daarmee wederom van Deloitte op grond van onder meer de artikelen 6:170 en/of 6:171 en/of 6:172 BW jegens de voornoemde gedupeerde aandeelhouders voor de door hen door (onder meer) waardedaling van hun aandelen Ahold geleden schade.

Blijkens de akte van 1 juni 2004 houdende oprichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (…) Deloitte Accountants B.V. (…) en de in die akte vermelde overeenkomst tussen de vennootschap en haar oprichters, heeft ieder van de oprichters in de vennootschap haar aandeel in de maatschap Deloitte Accountants ingebracht onder de verplichting van de vennootschap alle passiva die toe te rekenen zijn aan voormeld maatschapsaandeel voor haar rekening te nemen. Voor zover deze akte echter niet leidt tot schuldoverneming, er aan deze schuldoverneming gebreken kleven of Deloitte Accountants B.V. minder verhaal zou bieden dan de maatschap Deloitte Accountants Nederland, worden alle vorderingen jegens de maatschap Deloitte Accountants Nederland en haar (toenmalige) maten gehandhaafd.

Gelet op vorenstaande stelt de VEB hierbij de in de adressering van deze brief genoemde besloten vennootschap (die formeel als maat handelde) en de enig (direct of indirect) aandeelhouder en/of bestuurder van deze besloten vennootschap, hoofdelijk dan wel in gelijke delen aansprakelijk voor de schulden van de maatschap en/of [naam 78] en/of diens als maat handelende besloten vennootschap. Onder schulden moet in ieder geval worden verstaan de – vergoedingsplichtige – schade die de VEB, en alle (voormalige) aandeelhouders van Ahold, waaronder in ieder geval de aandeelhouders die aandelen hebben gekocht in de periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003 (waaronder de personen en eenheden/entiteiten die zodanige aandelen als dividend hebben ontvangen), wier belangen zij behartigt, hebben geleden door (onder meer) waardedaling van hun aandelen Ahold als gevolg van het – onder meer – aan de maatschap Deloitte en/of haar afzonderlijke maten en de heer [naam 78] als accountant en/of diens als maat handelende besloten vennootschap toe te rekenen falend toezicht op de financiële administratie binnen Ahold en haar dochtervennootschappen en de daarmee ten onrechte verleende goedkeuring aan de jaarrekeningen van deze ondernemingen over de jaren 1999 tot en met 2003.

Met deze brief stuit de VEB namens zichzelf en alle (voormalige) aandeelhouders van Ahold, waaronder in ieder geval de aandeelhouders die aandelen hebben gekocht in de periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003 (waaronder de personen en eenheden/entiteiten die zodanige aandelen als dividend hebben ontvangen), wier belangen zij in overeenstemming met haar statutaire doel als artikel 3:305a BW vereniging behartigt, in het kader van artikel 3:317 BW voor zover nodig alle vorderingen die mede op grond van de artikelen 6:162 en/of 6:170 en/of 6:171 en 6:172 BW voortvloeien uit de maatschap Deloitte en/of haar afzonderlijke maten en [naam 78] en/of diens als maat handelende besloten vennootschap (…) toe te rekenen handelen en/of nalaten. Deze stuiting brengt de VEB uit namens zichzelf en voormelde (voormalige) aandeelhouders op grond van haar bevoegdheid krachtens artikel 3:305a BW, althans op grond van zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW.

Voor zover het voorgaande de verjaring niet afdoende stuit namens alle beleggers die door het onrechtmatig handelen/nalaten van de maatschap Deloitte en/of van haar afzonderlijke maten en/of [naam 78] en/of diens als maat handelende besloten vennootschap schade hebben geleden, geldt dat de VEB bij deze brief – uitsluitend voor zover nodig – krachtens volmacht en/of lastgeving de verjaring van alle vorderingen op de in de vorige alinea vermelde grondslagen stuit namens een specifieke groep van tenminste 180.000 Nederlandse beleggers die (voorheen) aandelen hielden en/of houden in Ahold, waaronder een groot aantal aandeelhouders die aandelen hebben gekocht in de periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003 (waaronder de personen en eenheden/entiteiten die zodanige aandelen als dividend hebben ontvangen), die zich bij de VEB bekend gemaakt hebben. De VEB zal u te zijner tijd desgewenst een lijst doen toekomen van de volmachtgevers en/of lastgevers. Voor zover de volmacht en/of lastgeving niet toereikend en/of geldig is, geldt dat de VEB krachtens zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW de belangen behartigt van deze beleggers en deze specifieke groep van beleggers op grond hiervan bevoegd vertegenwoordigt en ook op die wettelijke grondslag de verjaring stuit van alle vorderingen op de in de vorige alinea vermelde grondslagen.

De VEB behoudt zich voorts alle rechten voor op vergoeding van de door haar en de (voormalig) aandeelhouders wier belangen zij behartigt en vertegenwoordigt, geleden en te lijden schade.

Procesovereenkomst

2.10.

Bij brief van 23 december 2011 heeft de advocaat van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden, voor zover hier van belang, aan de advocaat van de VEB geschreven:

In vervolg op en onder verwijzing naar onze eerdere correspondentie, bericht ik u als volgt.

Naar uw cliënte reeds publiekelijk heeft aangekondigd wenst zij de ontbonden maatschap Deloitte & Touche Accountants (die in februari 2004 haar naam heeft gewijzigd in Deloitte Accountants en hierna aangeduid als de “Maatschap”) alsmede de rechtspersonen die als praktijkvennootschap vennoot waren in de Maatschap in de Relevante Periode (zoals hieronder gedefinieerd) in rechte te betrekken met betrekking tot de Ahold-kwestie. Die rechtspersonen/praktijkvennootschappen worden hierna aangeduid als de Oud-vennoten.

De Relevante Periode is de periode (…) van 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003, zijnde de periode die door de rechter in de Amerikaanse Class Action is vastgesteld. (…)

Tevens wenst de VEB de achterliggende partijen van de desbetreffende Oud-vennoten te dagvaarden (…).

Reeds eerder deelde u mij mede dat de VEB bereid is tot het maken van procesafspraken (…). Op grond daarvan stellen cliënten het volgende voor:

(…)

Partijen komen een exclusieve forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam overeen.

De advocaat van de VEB heeft die brief voor akkoord getekend geretourneerd aan de advocaat van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden.

3 De hoofdzaken

3.1.

De VEB vordert in beide zaken, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad,

(i)

primair: voor recht verklaart dat de vordering van de beleggers, zoals in de dagvaarding omschreven, bij de overdracht van bepaalde activa en passiva zoals omschreven in de inbrengakte, is achtergebleven bij de Deloitte Maatschap;

subsidiair: voor recht verklaart dat de vordering van de beleggers, zoals in de dagvaarding omschreven, bij de overdracht van bepaalde activa en passiva zoals omschreven in de inbrengakte, is overgedragen aan Deloitte Nederland;

(ii)

voor recht verklaart dat de Deloitte Maatschap nog steeds bestaat, althans dat zij niet rechtens juist is ontbonden, althans dat zij niet kon worden ontbonden, en aldus dat zij nog steeds bestaat;

(iii)

voor recht verklaart dat de Overige Praktijkvennootschappen vennoot waren van de Deloitte Maatschap in de periode tussen 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003, althans op enig moment in de periode tussen 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003;

(iv)

primair: voor recht verklaart dat de VEB de vorderingen van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven ex art. 3:305a BW, althans op grond van daartoe aan de VEB verstrekte toereikende volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, op de Deloitte Maatschap op correcte wijze heeft gestuit door het stuitingsexploot op 20 februari 2008 aldaar te laten betekenen en dat met deze stuiting tevens de stuiting van de vorderingen van de beleggers jegens alle praktijkvennootschappen die lid waren van de Deloitte Maatschap in de relevante periode rechtens juist is geschied, en daarmee dat deze vorderingen niet zijn verjaard;

subsidiair: voor recht verklaart dat de VEB de vorderingen van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven ex art. 3:305a BW, althans op grond van daartoe aan de VEB verstrekte toereikende volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, op de Deloitte Maatschap op correcte wijze heeft gestuit door het stuitingsexploot op 20 februari 2008 aldaar te laten betekenen, en daarmee dat deze vorderingen niet zijn verjaard;

meer subsidiair: voor recht verklaart dat de vorderingen van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven, althans de vorderingen van de VEB ex art. 3:305a BW ten behoeve van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven, op de Deloitte Maatschap niet zijn verjaard;

(v)

primair: voor recht verklaart dat de VEB de vorderingen van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven ex art. 3:305a BW, althans op grond van daartoe aan de VEB verstrekte toereikende volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, op Deloitte Nederland en/of de praktijkvennootschappen, en/of holdings en/of praktijkbeoefenaren, die de VEB op grond van de inbrengakte heeft kunnen achterhalen, op correcte wijze heeft gestuit, door het stuitingsexploot op 19, 20, 21 of 22 februari 2008 bij genoemde partijen te laten betekenen, en daarmee dat deze vorderingen niet zijn verjaard;

subsidiair: voor recht verklaart dat de vorderingen van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven, althans de vorderingen van de VEB ex art. 3:305a BW ten behoeve van de beleggers zoals in de dagvaarding omschreven, op Deloitte Nederland en/of de praktijkvennootschappen, en/of holdings en/of praktijkbeoefenaren niet zijn verjaard;

(vi)

voor recht verklaart dat de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, de Overige Gedaagden, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans de Deloitte Maatschap; althans de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans [naam 78] en/of Deloitte Nederland; onrechtmatig hebben gehandeld in de periode tussen 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003, althans een periode door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, jegens de beleggers doordat ten onrechte een goedkeurende verklaring is afgegeven bij de jaarrekeningen 1999 en/of 2000 en/of 2001 van Ahold;

(vii)

primair: voor recht verklaart dat de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, de Overige Gedaagden, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans de Deloitte Maatschap; althans de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans [naam 78] en/of Deloitte Nederland; daarmee hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit hun onrechtmatig handelen voortvloeiende – door de beleggers geleden – schade en deze dienen te vergoeden;

subsidiair:

( a) voor recht verklaart dat het onrechtmatig handelen aan de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, de Overige Gedaagden, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans de Deloitte Maatschap; althans de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans [naam 78] en/of Deloitte Nederland; kan worden toegerekend in de zin van art. 6:162 lid 3 BW;

( b) voor recht verklaart dat het causaal verband in de zin van condicio sine qua non-verband vaststaat tussen enerzijds de ten onrechte afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekeningen 1999, 2000 en 2001, althans 2000 en 2001, van Ahold en anderzijds beleggingsbeslissingen van de beleggers in de periode tussen 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen periode, behoudens tegenbewijs te leveren in de individuele vervolgprocedures;

( c) voor recht verklaart dat de door de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, de Overige Gedaagden, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V.; althans de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans de Deloitte Maatschap; althans de Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V.; althans [naam 78] en/of Deloitte Nederland; geschonden norm – het op rechtens juiste gronden afgeven van een goedkeurende accountantsverklaring – strekt tot bescherming tegen schade zoals de beleggers die hebben geleden;

(viii)

voor recht verklaart dat de beleggers op grond van de Judgment Reduction Credit, op gronden zoals in de dagvaarding uiteengezet, de totale geleden schade, zoals in de dagvaarding omschreven, dienen te verlagen met maximaal USD 1,1 miljard, althans met maximaal 50%, althans met een ander in goede justitie te bepalen percentage kleiner dan 100%;

(ix)

voor recht verklaart dat Deloitte Nederland en/of Deloitte Holding en/of [naam 74] onrechtmatig hebben gehandeld in februari 2008 door zich jegens de VEB als 305a-organisatie en daarmee jegens de beleggers, althans jegens de beleggers wier belangen de VEB behartigt, althans jegens de VEB misleidend op te stellen in die zin dat zij de schijn hebben gewekt dat de vordering van de beleggers was respectievelijk zou zijn overgegaan naar Deloitte Nederland;

(x)

primair: voor recht verklaart dat Deloitte Nederland en/of Deloitte Holding en/of [naam 74] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit hun onrechtmatig handelen voortvloeiende schade en deze dienen te vergoeden;

subsidiair: voor recht verklaart dat het causaal verband in de zin van condicio sine qua non-verband vaststaat tussen enerzijds het onrechtmatig handelen van Deloitte Nederland en/of Deloitte Holding en/of [naam 74] en anderzijds de schade van beleggers, veroorzaakt door het feit dat deze partijen zich misleidend hebben opgesteld tegenover de VEB in februari 2008, behoudens tegenbewijs te leveren in de individuele vervolgprocedures;

( i) tot en met (x)

de Deloitte Maatschap, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding, [naam 142] Registeraccountants B.V., Arjaba B.V. en de Overige Gedaagden veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 BW, de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 131,00 zonder betekening, dan wel EUR 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.1.

De VEB legt hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

3.2.2.

De VEB treedt op de voet van artikel 3:305a lid 1 BW op ten behoeve van de personen, in het bijzonder haar leden, die in het tijdvak 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003 aandelen Ahold hebben gekocht en ze tot – in elk geval – 23 februari 2003 hebben aangehouden alsmede ten behoeve van de personen, in het bijzonder haar leden, die in dat tijdvak aandelen Ahold hebben gekocht en ze vóór 23 februari 2003 met verlies hebben verkocht. Het gekozen tijdvak is dat van de in de Amerikaanse Class Action gehanteerde relevante periode (zie hiervoor onder 2.4.3 onder b).

3.2.3.

In die periode heeft de Deloitte Maatschap de jaarrekeningen over de boekjaren 1999, 2000 en 2001 van Ahold van een goedkeurende verklaring voorzien. Deze goedkeurende verklaringen misten voldoende grondslag. Met betrekking tot de boekjaren 2000 en 2001 was onvoldoende acht geslagen op de bijzondere omstandigheden die zich voordeden bij USF. Met betrekking tot het boekjaar 1999 ontbraken enkele essentiële documenten. De jaarrekeningen en de goedkeurende verklaringen gaven aldus een te rooskleurig beeld van de financiële positie van Ahold. De (in 3.2.2) genoemde beleggers zijn daardoor op het verkeerde been gezet en hebben daardoor schade geleden. De te vergoeden schade wordt overigens mede bepaald door de Judgment Reduction Credit (zie hiervoor onder 2.4.3 onder d).

3.2.4.

De Deloitte Maatschap is uit onrechtmatige daad voor die schade aansprakelijk. Tevens worden voor die schade aansprakelijk gesteld de vennootschappen die volgens de inbrengakte van 1 juni 2004 op die datum lid van die maatschap waren (voor zover die vennootschappen nog bestaan), te weten de Praktijkvennootschappen, de Overige Praktijkvennootschappen en [naam 142] Registeraccountants B.V. De stellingen die de VEB ten grondslag legt aan de vorderingen op de (Overige) Holdings, Arjaba B.V. en de (Overige) Praktijkbeoefenaren worden hierna, onder 5.9.2, weergegeven. De VEB gaat ervan uit dat de vorderingen van de beleggers op de Deloitte Maatschap in juni 2004, bij de overgang van de Maatschap Deloitte naar Deloitte Nederland, in de Deloitte Maatschap zijn achtergebleven. Niettemin heeft zij Deloitte Nederland “zekerheidshalve” ook voor de schade van de beleggers aansprakelijk gesteld, voor het geval zou blijken dat de schadevordering van de beleggers toch op haar zou zijn overgegaan.

3.2.5.

De hiervoor onder 3.1 onder (ix) en (x) weergegeven vorderingen jegens Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] zijn met name gebaseerd op de brief van [naam 74] als vermeld in 2.9.1. Volgens de VEB is in die brief de schijn gewekt dat de vordering van de beleggers op de Deloitte Maatschap is overgegaan op Deloitte Nederland. Aldus hebben Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] onrechtmatig gehandeld jegens de VEB en de beleggers, aldus de VEB.

3.3.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden stellen naar aanleiding van de stellingen van de VEB allereerst een aantal, wat zij noemen, voorvragen aan de orde. Daarop zal hierna, in het kader van de beoordeling in de hoofdzaken, nader worden ingegaan.

4 De bevoegdheidsincidenten

4.1.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van de VEB, met veroordeling van de VEB in de kosten van de incidenten en de hoofdzaken.

4.2.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden beroepen zich op artikel 37 (“Retained Jurisdiction”) van de Settlement Agreement en artikel 14 van de Final Judgment. Zij betogen dat de VEB en zijzelf aan die bepalingen zijn gebonden, dat bij die bepalingen de Amerikaanse rechtbank bij uitsluiting is aangewezen voor de kennisneming van geschillen als de onderhavige en dat deze rechtbank daarom te dezer zake geen rechtsmacht heeft.

4.3.

De VEB voert verweer.

4.4.1.

De rechtbank overweegt dat de VEB, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden alle woonplaats hebben in Nederland. Uitgangspunt is dan ook dat de Nederlandse rechter te dezer zake rechtsmacht heeft. Dit uitgangspunt dient echter te worden verlaten indien partijen – zoals de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden betogen – op de voet van artikel 8 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij overeenkomst de Amerikaanse rechtbank bij uitsluiting hebben aangewezen voor de kennisneming van het onderhavige geschil.

4.4.2.

Artikel 37 van de Settlement Agreement luidt:
Any action based on this Agreement or to enforce any of its terms shall be venued in the Court, which shall retain jurisdiction over all such disputes. All parties to this Agreement shall be subject to the jurisdiction of the Court for all purposes related to this Agreement.
Artikel 14 van de Final Judgment luidt:

The Court hereby retains exclusive jurisdiction over the parties and the Class Members for all matters relating to this Action, including the administration, interpretation, effectuation or enforcement of the Settlement, the Agreement, and this Order and Final Judgment.

Het begrip “Action” in deze bepaling wordt in artikel 20a van de Final Judgment als volgt gedefinieerd:

the securities action captioned, In re Royal Ahold N.V. Securities & ERISA Litigation, Civil No. 1:03-MD-01539, pending in the United States District Court for the District of Maryland, a multidistrict consolidated class action, and each class action brought on behalf of Royal Ahold N.V. investors alleging claims under the securities laws of the United States consolidated therein.”

De vraag is of deze bepalingen voldoende duidelijk bij uitsluiting de Amerikaanse rechtbank aanwijzen voor de kennisneming van het onderhavige geschil. Bij de beantwoording van die vraag is ook de rechtskeuze van artikel 33 van de Settlement Agreement van belang:

All terms of this Agreement and the exhibits attached hereto shall be governed by and interpreted according to the substantive laws of the state of Maryland without regard to its choice of law or conflict of laws principles”.

4.4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de Settlement Agreement en de Final Judgment zien op de positie van Ahold jegens de Class, maar niet – althans in beginsel niet – zien op de positie van de Deloitte Maatschap (dan wel een van de andere gedaagden in de onderhavige procedure) jegens de Class. De positie van de Deloitte Maatschap komt in de Settlement Agreement en de Final Judgment – behoudens nog een enkele hier niet terzake doende bepaling – slechts aan de orde voor zover het betreft de Bar Order en de Judgment Reduction Credit, waarbij slechts deze laatste bepaling betrekking heeft op de verhouding tussen de Deloitte Maatschap en de Class. Het opnemen van de Bar Order in de Settlement Agreement had als achtergrond – naar tussen partijen niet in geschil is – dat de positie van Ahold jegens de Class niet sluitend geregeld zou zijn zolang de positie van Ahold jegens de Deloitte Maatschap en Deloitte USA daarvan geen deel uitmaakte. Gedupeerde beleggers zouden dan immers een Deloitte-entiteit kunnen aanspreken, die dan mogelijk weer regres op Ahold zou kunnen nemen. Daarom is in de Settlement Agreement en de Final Judgment de Bar Order opgenomen, waarin is bepaald dat derden, onder wie de Deloitte Maatschap en Deloitte USA, Ahold niet voor regres zullen aanspreken. Als tegenprestatie voor de Bar Order – die de rechten van de Deloitte Maatschap en Deloitte USA beperkte – is de Judgment Reduction Credit opgenomen, die inhoudt dat, als Deloitte aansprakelijk zou worden gehouden, zij niet meer hoeft te betalen dan overeenstemt met haar interne draagplicht tegenover Ahold c.s.

4.4.4.

De vraag of de Deloitte Maatschap jegens de Class aansprakelijk was, komt in de Settlement Agreement en de Final Judgment in het geheel niet aan de orde. Over die vraag heeft de Class tegen de Deloitte Maatschap en Deloitte USA afzonderlijke procedures in de Verenigde Staten gevoerd die zijn uitgemond in de hiervoor onder 2.4.2 vermelde uitspraken. De positie van de Deloitte Maatschap en Deloitte USA jegens de Class was ten tijde van het aangaan van de Settlement Agreement en het uitspreken van de Final Judgment aan de orde in die afzonderlijke procedures, met dien verstande dat daarbij slechts aan de orde was of Deloitte op grond van het materiële Amerikaanse recht aansprakelijk was jegens de Class.

4.4.5.

De onderhavige vorderingen van de VEB betreffen de vraag of en in hoeverre Deloitte (waaronder de Deloitte Maatschap) naar Nederlands recht aansprakelijk is jegens de Class. Het enkele feit dat in de Settlement Agreement en de Final Judgment een bepaling staat (de Judgment Reduction Credit), die van invloed is op de hoogte van de vorderingen die in de onderhavige procedure mogelijk door de Class geldend gemaakt kunnen worden, brengt nog niet mee dat die vorderingen een op de Settlement Agreement gebaseerde actie of een met de Settlement Agreement verband houdende aangelegenheid zijn als bedoeld in artikel 37 van de Settlement Agreement of een met “this Action” samenhangende aangelegenheid als bedoeld in artikel 14 van de Final Judgment.

4.4.6.

De vorderingen van de VEB spitsen zich ook niet toe op hetgeen in de Settlement Agreement en de Final Judgment omtrent de positie van de Deloitte Maatschap is geregeld (namelijk: de uitsluiting van aanspraken jegens Ahold en de vermindering van haar eigen mogelijke aansprakelijkheid met de draagplicht van Ahold c.s.). De VEB erkent dat haar vorderingen (dus de vorderingen van haar achterban) moeten worden verminderd met een bedrag gelijk aan de draagplicht van Ahold c.s.

4.4.7.

Bij het voorgaande komt nog dat de Deloitte Maatschap aanvankelijk geen partij was bij de Settlement Agreement. De eisers in het bevoegdheidsincident stellen dat de Deloitte Maatschap daarbij later wel partij is geworden, door de aanvaarding van het ten behoeve van haar daarin opgenomen derdenbeding. Dat moge zo zijn, maar dat laat onverlet dat de leden van de Class zich redelijkerwijs niet konden of behoefden te realiseren dat zij, door zich niet aan de Class te onttrekken, instemden met een forumkeuzebeding voor een Amerikaanse rechtbank dat ook zou gelden wanneer zij de Deloitte Maatschap of aan die maatschap gerelateerde partijen (opnieuw en thans) naar Nederlands recht aansprakelijk zouden stellen.

4.4.8.

De tekst van de Settlement Agreement en de Final Judgment moet redelijkerwijs in deze zin worden opgevat en partijen hebben geen omstandigheden aangereikt die een andere uitleg kunnen rechtvaardigen.

4.4.9.

Het beroep op onbevoegdheid van de rechtbank stuit voor vrijwel alle eisers in het bevoegdheidsincident – te weten voor de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden – overigens reeds af op de procesovereenkomst (hiervoor in 2.10 weergegeven) die zij in december 2011 met de VEB zijn aangegaan. Die overeenkomst, die tot stand is gekomen met het oog op de onderhavige procedure en is opgesteld door de advocaat van de betrokken Deloitte-entiteiten, bevat een “exclusieve forumkeuze” voor deze rechtbank. Voorbehouden ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbreken. Die overeenkomst is tot stand gekomen nadat deze rechtbank bij vonnis van 23 juni 2010 (aangehaald in 2.6.3) reeds uitspraak had gedaan in het bevoegdheidsincident dat Deloitte Nederland had opgeworpen in de procedure tegen (onder meer) Sobi en daarin reeds had beslist dat de Settlement Agreement en de Final Judgment niet in de weg stonden aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Van de – door de rechtbank op verzoek van Deloitte Nederland toen geboden – mogelijkheid om dat oordeel tussentijds in hoger beroep aan te vechten heeft Deloitte Nederland toen geen gebruik gemaakt. Zeker tegen de achtergrond van deze omstandigheden hoefde de VEB – die met dit alles, naar (de advocaat van) de Deloitte-entiteiten wist, bekend was – er geen rekening mee te houden dat de verschillende Deloitte-entiteiten de mogelijkheid open wilden houden opnieuw de discussie over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te voeren en dat die entiteiten derhalve slechts beoogden een exclusieve forumkeuze voor deze rechtbank te doen voor het geval aan de Nederlandse rechter rechtsmacht zou toekomen. De VEB mocht de forumkeuze redelijkerwijs opvatten als mede omvattend een keuze voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Feiten en omstandigheden die tot een andere uitleg van het forumkeuzebeding kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

4.4.10.

Uit het voorgaande volgt dat het gevorderde in de bevoegdheidsincidenten dient te worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven geen behandeling. De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van de bevoegdheidsincidenten, die tot dit vonnis aan de zijde van de VEB worden begroot op EUR 904,00 (twee punten, tarief II).

4.4.11.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden hebben verzocht in geval van afwijzing van hun vorderingen reeds thans hoger beroep toe laten. De rechtbank zal dit verzoek niet inwilligen. Artikel 337 lid 2 Rv neemt tot uitgangspunt dat van tussenvonnissen als het onderhavige hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. De rechtbank ziet in het door de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden naar voren gebrachte geen aanleiding dit uitgangspunt te verlaten.

5 De hoofdzaken – beoordeling

De niet verschenen gedaagden

5.1.

De vordering jegens de niet verschenen gedaagden, zijnde de Deloitte Maatschap, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V., ligt, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt, in beginsel voor toewijzing gereed. Of de vorderingen jegens deze gedaagden (volledig) toewijsbaar zijn is echter ook afhankelijk van de door de overige gedaagden gevoerde verweren. Deze kunnen immers in het voordeel van de Deloitte Maatschap, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V. werken omdat sprake kan zijn van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijkluidende beslissing. Voorts hebben enkele (wel verschenen) gedaagden de vraag opgeworpen naar het voortbestaan van de Deloitte Maatschap na 1 juni 2004 (voorvraag a, hierna vermeld in 5.3.2), omdat het antwoord op die vraag (mogelijk) ook hun rechtspositie beïnvloedt. De rechtbank zal daarom eerst het geschil tussen de VEB en de overige gedaagden beoordelen, waarna zal worden bezien of deze beoordeling consequenties heeft voor de beslissing in het geschil tussen de VEB en de niet verschenen gedaagden.

5.2.

De rechtbank noteert voorts dat niet is gesteld of gebleken dat de VEB haar eiswijziging op de voet van artikel 130 lid 3 Rv bij exploot aan de Deloitte Maatschap, [naam 142] Registeraccountants B.V. en Arjaba B.V. kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank dient er dus vanuit te gaan dat jegens de niet verschenen gedaagden de bij dagvaarding ingestelde eis nog steeds geldend wordt gemaakt.

Voorvragen

5.3.1.

Hiervoor, onder 3.3, is reeds vermeld dat de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden naar aanleiding van de stellingen van de VEB allereerst een aantal min of meer formele voorvragen aan de orde stellen. Volgens hen moet beantwoording van die voorvragen reeds tot (gehele dan wel gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van de VEB leiden. Tijdens de op 24 april 2012 gehouden comparitie van partijen (een comparitie voor antwoord) hebben partijen afgesproken dat zij in het belang van een efficiënte procesvoering eerst zullen debatteren over deze voorvragen en aan de rechtbank een antwoord zullen vragen op die voorvragen en dat zij eerst daarna, indien de beantwoording van de voorvragen niet reeds tot afwijzing van de vorderingen leidt, zullen doorprocederen over het materiële geschil dat hen verdeeld houdt. Omdat deze afspraken de proceseconomie dienen, heeft de rechtbank daarmee ingestemd en zal zij thans – conform het gezamenlijk verzoek van partijen – de door partijen aan haar voorgelegde voorvragen beantwoorden alsof het een incident betreft.

5.3.2.

De door de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden aan de orde gestelde voorvragen betreffen respectievelijk luiden:

a. Het al dan niet bestaan van de Deloitte Maatschap sinds 1 juni 2004 en de consequenties daarvan.

b. Welke Praktijkvennootschappen waren in de relevante periode lid van de Deloitte Maatschap?

c. Heeft de VEB voldoende gesteld voor het voeren van een inhoudelijk debat over de gestelde doorbraak van aansprakelijkheid naar de Holdings en de Praktijkbeoefenaren?

5.3.3.

De door Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] aan de orde gestelde voorvragen luiden:

d. Kan/kunnen Deloitte Nederland en/of Deloitte Holding aansprakelijk gehouden worden voor de (pretense) vorderingen van de VEB tegen de Deloitte Maatschap?

e. Kan Deloitte Nederland, Deloitte Holding en/of [naam 74] verweten worden dat zij de schijn hebben gewekt dat de aansprakelijkheid voor door de VEB nagestreefde vorderingen zou zijn overgegaan op Deloitte Nederland en kan/kunnen zij op die grond uit onrechtmatige daad aansprakelijk worden gehouden?

5.3.4.

De door de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden aan de orde gestelde voorvragen luiden:

f. Hebben de door de VEB verzonden brieven de verjaring van de onderhavige vorderingen gestuit?

g. Indien vraag f bevestigend moet worden beantwoord, betreft de stuiting dan ook de vorderingen betreffende de consolidatie van Disco?

h. Zijn de (Overige) Praktijkvennootschappen hoofdelijk of voor gelijke delen verbonden voor de vermeende vorderingen van de beleggers uit hoofde van de goedkeurende verklaringen die onderwerp zijn van het geschil?

5.3.5.

De VEB, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden hebben over deze voorvragen schriftelijk en mondeling gedebatteerd. Vervolgens hebben zij de rechtbank gevraagd deze voorvragen te beantwoorden in een tussenvonnis.

5.4.

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de voorvragen d, e, f en c behandelen. Op de andere voorvragen zal de rechtbank, zo nodig, in een volgend vonnis ingaan.

Voorvraag d

5.5.1.

Voorvraag d: kan/kunnen Deloitte Nederland en/of Deloitte Holding aansprakelijk gehouden worden voor de (pretense) vorderingen van de VEB tegen de Deloitte Maatschap?

5.5.2.

De VEB, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] zijn het erover eens dat deze vraag, voor zover zij Deloitte Holding betreft, ontkennend dient te worden beantwoord. De VEB stelt in haar conclusie van repliek 1, tevens houdende wijziging van eis, onder 6.4, met zoveel woorden dat zij Deloitte Holding uitsluitend aansprakelijk houdt voor – wat zij noemt – de misleidingsvordering (zie voorvraag e), maar niet voor – wat zij noemt – de primaire schadevergoedingsvorderingen, te weten de vorderingen wegens het afgeven van de goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van Ahold over de jaren 1999, 2000 en 2001.

5.5.3.

Ten aanzien van Deloitte Nederland houdt voorvraag d verband met de hiervoor onder 2.7.2 onder 3 weergegeven bepaling uit de inbrengakte. Daarbij zij opgemerkt dat de hiervoor onder 3.1 onder (i) weergegeven subsidiaire vordering niet inzet op aansprakelijkheid van Deloitte Nederland naast de Deloitte Maatschap maar op aansprakelijkheid van Deloitte Nederland in plaats van de Deloitte Maatschap. De (subsidiair) gevorderde verklaring voor recht spreekt immers van een overdracht, door de Deloitte Maatschap aan Deloitte Nederland, van de schuld aan de VEB, casu quo de beleggers in Ahold. De VEB zelf heeft van meet af aan te kennen gegeven (bijvoorbeeld in de dagvaarding, onder 1.13, 9.9 en 9.10) dat zij Deloitte Nederland zekerheidshalve mee heeft gedagvaard, maar dat de VEB noch de gedupeerde beleggers toestemming voor schuldoverneming hebben gegeven, zodat niet aan de vereisten voor schuldoverneming is voldaan (vgl. artikel 6:155 BW). De rechtbank dient er dus vanuit te gaan dat geen schuldoverneming heeft plaatsgevonden, zodat de (onder 3.1 weergegeven) vordering (i) subsidiair dient te worden afgewezen.

5.5.4.

Nu voorvraag d ruimer is geformuleerd en ook aan de orde lijkt te stellen de vraag of Deloitte Nederland zich in de inbrengakte naast de Deloitte Maatschap aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de Deloitte Maatschap aan de VEB, overweegt de rechtbank dienaangaande nog het volgende. Het gebruik van de woorden “voor haar rekening nemen van passiva” in de bewuste bepaling in de inbrengakte wijst op een afspraak met slechts interne werking tussen Deloitte Nederland en de Deloitte Maatschap. In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1988, LJN: AC3979 ([naam 151]/[naam 152]) is echter voor aansprakelijkheid van Deloitte Nederland jegens de VEB dan wel de beleggers vereist dat Deloitte Nederland zich ook jegens hen voor de schuld aansprakelijk heeft gesteld. Dat een dergelijke verklaring met externe werking is afgelegd, is gesteld noch gebleken.

5.5.5.

De conclusie is dat voorvraag d ontkennend dient te worden beantwoord.

5.6.1.

Voorvraag e: kan Deloitte Nederland, Deloitte Holding en/of [naam 74] verweten worden dat zij de schijn hebben gewekt dat de aansprakelijkheid voor door de VEB nagestreefde vorderingen zou zijn overgegaan op Deloitte Nederland en kan/kunnen zij op die grond uit onrechtmatige daad aansprakelijk worden gehouden?

5.6.2.

Deze voorvraag veronderstelt dat de (vermeende) schuld van de Deloitte Maatschap aan de VEB en de beleggers niet is overgegaan op Deloitte Nederland. Die veronderstelling is hiervoor juist gebleken. De VEB stelt dat wel de schijn is gewekt dat Deloitte Nederland de Deloitte Maatschap als schuldenaar was opgevolgd.

5.6.3.

Die misleiding is volgens de VEB geschied in het kader van de onderhandelingen over de stuiting van de verjaring van de vorderingen tot schadevergoeding, die eind 2007 zijn begonnen in verband met de (mogelijke) verjaring van de vorderingen van de beleggers vijf jaar na het persbericht van Ahold van 23 februari 2003. De VEB wijst in dit verband onder meer op de hiervoor onder 2.9.1 weergegeven brief van [naam 74], waarin namens Deloitte Nederland wordt ingestemd met een stuiting van de verjaring, en op de mailwisseling die aan die brief vooraf is gegaan.

5.6.4.

De rechtbank oordeelt als volgt. Die brief is de uitkomst van overleg tussen de betrokken partijen. In dat overleg stonden grote belangen op het spel. Beide kampen, ieder bijgestaan door eigen advocaten, mochten daarbij eerst en vooral voor hun eigen belangen opkomen. De door de VEB gestelde goede sfeer van het overleg doet daaraan niet af. De VEB, die zich presenteert als een professionele organisatie, en zich ook door advocaten liet bijstaan bij het overleg over de stuiting van de verjaring, diende zelf haar belangen en die van haar achterban in het oog te houden en mocht in dat opzicht in beginsel geen hulp van haar wederpartijen verwachten. De vraag is of dit laatste anders is ten aanzien van de vraag wat er met de (vermeende) schuld van de Deloitte Maatschap aan de VEB en de beleggers was gebeurd in 2004, bij de overgang van de Deloitte Maatschap naar Deloitte Nederland. De overgang van de onderneming van Deloitte Maatschap naar Deloitte Nederland was op zichzelf openbare informatie en ook de inbrengakte was openbare informatie. De VEB beschikte destijds ook over die informatie en dat was voor haar onderhandelingspartners aan de kant van Deloitte ook duidelijk. Ter discussie staat slechts of de betrokkenen aan de zijde van Deloitte aan de VEB en haar advocaten meer duidelijkheid hadden moeten geven over wat er in het kader van die overgang met de (vermeende) schuld aan de VEB en de beleggers was gebeurd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en verwijst daartoe naar haar hierboven, in het kader van voorvraag d, gegeven overwegingen. Dat die schuld niet was overgenomen door Deloitte Nederland in de zin van artikel 6:155 BW had voor de VEB volstrekt duidelijk moeten zijn, omdat daarvoor de toestemming van de VEB dan wel de beleggers is vereist. De VEB had zich voorts nog kunnen afvragen of Deloitte Nederland dan wellicht een verklaring jegens de VEB en/of de beleggers had afgelegd waaruit bleek dat zij zich naast de Deloitte Maatschap aansprakelijk stelde voor de (mogelijke) schuld. Dat een dergelijke verklaring in de inbrengakte niet besloten lag, had zij echter zelf kunnen vaststellen. De betrokkenen aan de zijde van Deloitte hebben dan ook geen mededelingsplicht geschonden door de VEB in dit opzicht geen tekst en uitleg te geven. Dat de advocaat van Deloitte Nederland op een daartoe strekkende vraag van (de advocaat van) de VEB geen dan wel een ontwijkend antwoord heeft gegeven, en dat [naam 74] in zijn brief van 18 februari 2008 namens Deloitte Nederland heeft ingestemd met een stuiting, is in het licht van het bovenstaande dan ook onvoldoende om aan te nemen dat [naam 74], Deloitte Nederland of Deloitte Holding zich jegens de VEB of de beleggers aan onrechtmatige misleiding schuldig heeft gemaakt. Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] hoefden de VEB in de gegeven omstandigheden niet wijzer te maken dan zij was. Wel dienden zij zich te onthouden van het bewust verstrekken van onjuiste informatie. Gesteld noch gebleken is echter dat zij zich daaraan schuldig hebben gemaakt. Overigens is – in het licht van het debat tussen partijen – ook onvoldoende toegelicht dat de VEB daadwerkelijk is misleid. Zo heeft zij immers in de periode van 19 tot en met 22 februari 2008 op basis van de haar ter beschikking staande informatie (de hiervoor onder 2.9.2 vermelde) stuitingsexploten aan (onder andere) de Deloitte Maatschap en aan ieder van de (Overige) Praktijkvennootschappen doen uitbrengen.

5.6.5.

De conclusie is dat ook voorvraag e ontkennend dient te worden beantwoord.

5.7.1.

Uit hetgeen hiervoor onder 5.5.1 tot en met 5.6.5 is overwogen, vloeit voort dat de hiervoor onder 3.1 weergegeven vorderingen (i) subsidiair, (ix) en (x) dienen te worden afgewezen.

5.7.2.

De VEB zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan de zijde van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] gevallen proceskosten. Deze worden begroot op EUR 12.844,00 (4 punten, tarief VIII).

5.7.3.

Daarmee zijn Deloitte Nederland en Deloitte Holding niet langer partij in dit geding. [naam 74] is dat nog wel, maar dan slechts als lid van de groep van de Praktijkbeoefenaren.

5.8.1.

Voorvraag f: hebben de door de VEB verzonden brieven de verjaring van de onderhavige vorderingen gestuit?

5.8.2.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen jegens hen zijn verjaard, omdat de hiervoor onder 2.9.2 vermelde stuitingsexploten de verjaring daarvan niet hebben gestuit.

5.8.3.

Zij voeren daartoe onder meer aan dat de brief die bij de stuitingsexploiten is betekend onvoldoende duidelijk is ten aanzien van de feiten die aan de aansprakelijkstelling ten grondslag worden gelegd en ten aanzien van de vraag welke individuele rechthebbenden aanspraak maken op schadevergoeding. De brief zou daarom geen stuitende werking hebben. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.8.4.

Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door “een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt”. De betekenis van deze termen moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard: het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich dan tegen een mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voorwaarde is steeds dat de wederpartij had behoren te begrijpen dat eiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt. In dit licht heeft de VEB in de stuitingsbrieven aan de adressanten daarvan voldoende duidelijk gemaakt dat zij zich ten aanzien van ieder van hen haar rechten voorbehoudt ter zake van de ten onrechte afgegeven goedkeurende verklaringen bij de geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold over de jaren 1999 tot en met 2003 (in de brief staat 2003 en niet 2002). Voorts staat met zoveel woorden in de brief dat in ieder geval wordt gestuit namens alle aandeelhouders die aandelen hebben gekocht in de periode 30 juli 1999 tot en met 23 februari 2003, zodat niet kan worden gezegd dat bij de adressanten onduidelijkheid kon bestaan dat de groep van personen namens wie de VEB de onderhavige procedure voert in ieder geval behoorde tot de groep namens wie de VEB beoogde de verjaring te stuiten. De stuitingsbrief voldoet derhalve aan de eisen die artikel 3:317 lid 1 BW daaraan stelt.

5.8.5.

Voorvraag f spitst zich voor het overige toe op de vraag of de VEB als rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW de verjaring van de in die bepaling bedoelde rechtsvordering op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW kan stuiten en, zo ja, of die stuiting effect sorteert ten behoeve van alle in artikel 3:305a lid 1 BW bedoelde andere personen dan wel slechts ten behoeve van de leden van de VEB.

5.8.6.

De rechtbank ziet aanleiding deze vraag op de voet van artikel 392 lid 1 Rv voor te leggen aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

5.8.6.1. Een antwoord op deze vraag is nodig om op de eis te beslissen. Het is naar het oordeel van de rechtbank gewettigd om het begrip “eis” hier op te vatten als de eis in het pseudo-incident dat is ontstaan als gevolg van de afspraken die partijen – met instemming van de rechtbank – omwille van de proceseconomie hebben gemaakt over de wijze van procederen en die hiervoor, onder 5.3.1, al zijn genoemd. In het pseudo-incident wordt in feite aan de rechtbank gevraagd alle vorderingen af te wijzen zonder dat aan het materiële geschil tussen partijen – onder meer over de vraag of het afgeven van de goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van Ahold onrechtmatig is geweest jegens de Ahold-beleggers voor wie de VEB opkomt – wordt toegekomen. Voor de vraag of de eis in het pseudo-incident kan worden toegewezen is het antwoord op de (onder 5.8.5) genoemde vraag beslissend. In overeenstemming met de gemaakte afspraken over het procesverloop hebben partijen over de na de voorvragen resterende vragen tot dusverre niet of nauwelijks gedebatteerd. Denkbaar is dat met het antwoord op (een of meer van) die resterende vragen op de vorderingen van de VEB in de hoofdzaken zou kunnen worden beslist zonder dat de thans geformuleerde voorvraag wordt beantwoord. Het zou naar het oordeel van de rechtbank echter onwenselijk zijn als dit in een complexe en onderhavige zaak als deze in de weg zou staan aan beantwoording van de genoemde vraag bij wijze van prejudiciële beslissing.

5.8.6.2. Een antwoord op de onderhavige voorvraag is voorts rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. Dat geldt wellicht niet in absolute aantallen. Het aantal procedures ex artikel 3:305a lid 1 BW is vooralsnog te overzien. Die procedures betreffen echter nogal eens, net zoals de onderhavige zaak, massaschadezaken of daarmee vergelijkbare zaken. Aldus leiden die procedures nogal eens grote aantallen zaken in van individuele andere personen als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW dan wel voorkomen zij juist dergelijke grote aantallen zaken.

5.8.7.

Partijen hebben aan de hand van opinies van mrs. [naam 153], [naam 154], [naam 155] en [naam 156] hun standpunten toegelicht. In het debat zijn grammaticale, wetshistorische, wetssystematische en teleologische argumenten aan de orde gekomen. De VEB benadrukt in de kern dat de wetgever de collectieve afwikkeling van schadeclaims heeft willen faciliteren. De andere partijen betogen in de kern onder meer dat het Nederlandse recht geen algemene bevoegdheid kent om verklaringen met rechtsgevolg af te leggen over wat een derde wel of niet wil en dat de 305a-regeling en de wettelijke stuitingsregeling, opgevat conform doel en strekking ervan, niet voorzien in een specifieke hiertoe strekkende bevoegdheid buiten rechte van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW. De tekst van de 305a-regeling en van de artikelen 3:316 lid 1 en 3:317 lid 1 BW, bezien in het licht van de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de ratio van de collectieve actie, biedt aanknopingspunten voor oplossingen in verschillende richtingen. Daarom acht de rechtbank het geraden een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen.

5.8.8.

De rechtbank zal partijen op de voet van artikel 392 lid 2 Rv in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen om de in 5.8.5 geformuleerde vraag aan de Hoge Raad voor te leggen alsmede over de inhoud van die vraag. Zij wijst erop dat zij de Hoge Raad ook de door haar vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten dient voor te leggen (artikel 392 lid 3 Rv). In dit verband verzoekt zij partijen de door haar vastgestelde feiten zo nodig te herstellen en/of aan te vullen en hun standpunten kort maar krachtig, schematisch, samen te vatten. Wellicht behoort een gezamenlijke akte van partijen, althans de verschenen partijen, tot de mogelijkheden.

5.8.9.

Voor het geval het antwoord van de Hoge Raad op de hiervoor onder 5.8.5 bedoelde vraag ontkennend luidt, moet worden aangenomen dat de onderhavige vorderingen zijn verjaard. Weliswaar heeft de VEB nog aangevoerd dat zij de stuitingsbrieven van februari 2008 mede heeft geschreven krachtens lastgeving of volmacht, verstrekt door de gedupeerde beleggers, dan wel op grond van zaakwaarneming; deze stellingen kunnen de VEB echter niet baten. Immers, van volmachten en lastgevingen van individuele personen aan de VEB was, zoals de VEB heeft erkend, in februari 2008 (nog) geen sprake. Voorts geldt dat het systeem van de wet geen plaats laat voor een optreden van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW op grond van zaakwaarneming ten einde de bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen als bedoeld in die bepaling te bereiken. De wetgever heeft rechtspersonen als de VEB voor die bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen de bevoegdheden van artikel 3:305a BW toegekend. Daarnaast is, gelet op het bepaalde in artikel 6:198 BW, geen plaats voor optreden op grond van zaakwaarneming.

Voorvraag c

5.9.1.

Voorvraag c: heeft de VEB voldoende gesteld voor het voeren van een inhoudelijk debat over de gestelde doorbraak van aansprakelijkheid naar de Holdings en de Praktijkbeoefenaren? De rechtbank voegt hieraan toe dat deze voorvraag ook Arjaba B.V. en, eventueel, afhankelijk van het uiteindelijke antwoord op voorvraag b, de Overige Holdings en [naam 149] betreft.

5.9.2.

De VEB heeft onder meer het volgende gesteld ter toelichting op haar aanspraken jegens de Holdings en de Praktijkbeoefenaren. Al vanaf februari 2003, althans in ieder geval vanaf 15 februari 2004, was voor de Deloitte Maatschap redelijkerwijs voorzienbaar dat Ahold-beleggers naar aanleiding van de ten onrechte afgegeven verklaringen bij de jaarrekeningen van Ahold schadeclaims zouden indienen. Indien nadien nog dividend is uitgekeerd door de Praktijkvennootschappen, kan dat onrechtmatig handelen opleveren van de Holdings (indien en voor zover zij voor het besluit tot dividenduitkering hebben gestemd) en/of de Praktijkbeoefenaren (indien en voor zover zij uitvoering aan het besluit tot dividenduitkering hebben gegeven) jegens de gedupeerde Ahold-beleggers. De VEB heeft geen concreet inzicht in de vermogenspositie van alle Praktijkvennootschappen, maar koestert wel de verdenking dat veel Praktijkvennootschappen geheel of gedeeltelijk leeg zijn gehaald. Ook is duidelijk dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de Deloitte Maatschap nooit de volledige schade kan dekken.

5.9.3.

De rechtbank beantwoordt voorvraag c in het licht van deze stellingen van de VEB bevestigend. De VEB maakt in dit stadium voldoende duidelijk dat en waarom zij de Holdings en de Praktijkbeoefenaren, en Arjaba B.V., de Overige Holdings en [naam 149], (mede) aansprakelijk houdt. Dat blijkt ook daaruit dat de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden inhoudelijk reageren op de stellingen van de VEB. De vraag of de vorderingen van de VEB jegens de Holdings en de Praktijkbeoefenaren toewijsbaar zijn is een andere en is in dit stadium niet aan de orde.

Slot

5.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Hiervoor, onder 5.4, is reeds aangekondigd dat op de andere voorvragen, zo nodig, in een volgend vonnis zal worden ingegaan.

7 De beslissing

De rechtbank:

in de bevoegdheidsincidenten:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren, Deloitte Nederland, Deloitte Holding en de Overige Gedaagden in de kosten van het geding, die tot dit vonnis aan de zijde van de VEB worden begroot op EUR 904,00;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaken:

- wijst de hiervoor onder 3.1 weergegeven vorderingen (i) subsidiair, (ix) en (x) af;

- veroordeelt de VEB in de aan de zijde van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] gevallen proceskosten, tot dit vonnis begroot op EUR 12.844,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na heden tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de VEB in de na dit vonnis aan de zijde van Deloitte Nederland, Deloitte Holding en [naam 74] ontstane kosten, begroot op EUR 131,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na heden tot de dag van algehele voldoening, alsmede – onder de voorwaarde dat de VEB niet binnen twee weken na heden aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden – EUR 68,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verwijst de zaak naar de rol van 24 juli 2013 voor akte als bedoeld in rechtsoverweging 5.8.8 aan de zijde van alle (resterende) partijen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. A.P. Schoonbrood-Wessels, mr. L.S. Frakes en mr. P.R. de Geus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2013.