Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4582

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
AMS 12/4409 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een leraar is door de gemeente Amsterdam ontslagen en heeft daarna van het Uwv geen WW-uitkering gekregen, omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechter heeft geoordeeld dat de leraar terecht heeft gesteld dat het Uwv onvoldoende eigen onderzoek naar de redenen van het ontslag heeft verricht. Het beroep is gegrond, maar de weigering van de uitkering laat de rechter in stand. Het ontslagbesluit van de man is inmiddels namelijk onherroepelijk geworden en daarmee staan de redenen die aan dat (straf)ontslag ten grondslag zijn gelegd vast. Uit het ontslagbesluit blijkt dat het gedrag van de leraar, waaronder het maken van seksueel getinte opmerkingen naar vrouwelijke collega’s, tot zijn ontslag heeft geleid en dat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4409 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. M.E. Mungroop,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde F.M.J. Eijmael.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), maar verweerder de uitkering niet uitbetaalt aan hem.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande afmelding – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.

feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is sinds 1 februari 2007 werkzaam bij[werk] van de gemeente Amsterdam (het Stadsdeel) als [beroep]in [werk] te Amsterdam.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen over het gedrag van eiser heeft het Stadsdeel eiser op 13 november 2011 op non actief gezet. Op 17 november 2011 heeft het Stadsdeel aan Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam (Bureau Integriteit) opdracht gegeven tot onderzoek naar de vraag of sprake is van één of meer integriteitschendingen door eiser en de aard en omstandigheden van deze schendingen.

1.3.

Op 13 januari 2012 heeft Bureau Integriteit het onderzoeksrapport naar het Stadsdeel gezonden en op 20 januari 2012 hebben zij het Stadsdeel geadviseerd over de disciplinaire straf die ten aanzien van eiser getroffen zou moeten worden. Bij brief van 25 januari 2012 heeft het Stadsdeel een voornemen tot verlening van strafontslag aan eiser bekendgemaakt. Op 13 februari 2012 heeft het Stadsdeel vervolgens eiser onvoorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang opgelegd.

1.4.

Eiser heeft op 22 februari 2012 een aanvraag ingediend bij verweerder tot het verkrijgen van een WW-uitkering.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser volgens verweerder verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser heeft wel recht op een WW-uitkering, maar verweerder betaalt deze uitkering niet omdat eiser volgens verweerder had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag is.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat er dringende redenen waren voor het Stadsdeel om over te gaan tot strafontslag, namelijk dat eiser:

  • -

    meerdere keren sterke drank heeft meegenomen en genuttigd bij [plaats] met medewerkers;

  • -

    een vrouwelijke collega heeft gedwongen een glas sterke drank te nuttigen, terwijl zij had aangegeven dat niet te willen;

  • -

    buiten werktijd onder invloed van alcohol [werk] heeft bezocht;

  • -

    een bedrag van € 1950,- heeft geleend van een uitzendkracht en ook van een viertal andere medewerkers zonder het op tijd terug te betalen;

  • -

    seksueel getinte pingberichten heeft verstuurd dan wel doorgestuurd, seksueel getint gedrag heeft vertoond richting een vrouwelijke collega (in een specifieke geval in het bijzijn van kinderen[handelingen] hadden) en/of seksueel getinte opmerkingen richting een vrouwelijke collega heeft gemaakt;

  • -

    betrokken is geweest bij de verkoop van nepkleding op de werkvloer.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser op non-actief is gesteld nadat het Stadsdeel de bovengenoemde feiten had vernomen en eiser redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

1.7.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag en er geen sprake is van objectieve en subjectieve dringende redenen. Verweerder heeft daarbij in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geen eigen onderzoek gedaan, omdat enkel is afgegaan op het standpunt van de gemeente Amsterdam. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het onvoorwaardelijk opgelegde strafontslag van eiser nog geen kracht van gewijsde heeft en verweerder daarom de definitieve uitkomst van deze procedure moet afwachten alvorens te besluiten over de WW.

2.

wettelijk kader

2.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

2.2.

Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals dit artikellid sinds 1 oktober 2006 luidt, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

2.3.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het UWV de uitkering blijvend geheel indien de werknemer een verplichting, in de zin van artikel 24, eerste lid, onderdeel a niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

2.4.

Op grond van artikel 7:677, eerste lid, van het BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij.

2.5.

Op grond van artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.

inhoudelijke beoordeling

3.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser heeft medegedeeld dat zijn hoger beroep ten aanzien van het strafontslag tegen het Stadsdeel niet-ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van de rechtbank (AWB 12/3644 AW) inzake het strafontslag onherroepelijk is geworden. De grond van eiser dat het strafontslag nog geen kracht van gewijsde heeft, hoeft daarom niet nader besproken te worden.

3.2.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in het geval van eiser sprake is van verwijtbare werkloosheid, omdat diens werkeloosheid het gevolg is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW.

3.3.

Bij de beantwoording van deze vraag geldt, gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 18 februari 2009 (te vinden op rechtspraak.nl onder LJN: BH2387, BH2388, BH2390, BH2392, BH2393 en BH2394) het volgende toetsingskader. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf. Artikel 7:678 van het BW geeft echter geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt. Gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW moet daarnaast steeds per individueel geval worden bezien of dit ook voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op het vorenstaande, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Tot slot zal moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

3.4.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er een dringende reden aan het ontslag ten grondslag ligt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat zij weinig onderzoek hebben gedaan, vanwege de grote hoeveelheid informatie die door eiser en het Stadsdeel is verstrekt. Het ontslagbesluit bevat veel informatie en is als grondslag voor het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft verweerder gemeld dat eiser ook niet heeft tegengesproken dat de informatie van zijn ex-werkgever niet juist zou zijn. Het onderliggende rapport van Bureau Integriteit en de verklaringen van de ex-collega’s van eiser zijn daarom niet opgevraagd, aldus verweerder.

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 februari 2006, LJN: AV2560) verweerder ten aanzien van het beoordelen van het bestaan van verwijtbare werkloosheid een zelfstandige onderzoeksplicht heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze zaak onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan. Verweerder mocht in deze zaak niet enkel afgaan op het ontslagbesluit omdat eiser dit besluit betwistte en met name de kwalificatie van het plichtsverzuim. Verweerder had de aan het ontslagbesluit ten grondslag liggende stukken van Bureau Integriteit en de verklaringen van de ex-collega’s van eiser op moeten vragen bij het Stadsdeel, zodat mede op basis van deze stukken verweerders oordeelsvorming tot stand had kunnen komen. Het bestreden besluit is om deze reden niet zorgvuldig voorbereid en de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering is onvoldoende. De rechtbank zal het besteden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.6.

De rechtbank ziet in dit geval evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt.

3.7.

De uitspraak van de rechtbank Amsterdam (AWB 12/3644 AW) inzake eisers strafontslagzaak tegen het Stadsdeel is - zoals hiervoor reeds overwogen - onherroepelijk is geworden. De ontslaggronden zoals die zijn beschreven in het ontslagbesluit van het Stadsdeel en het bestreden besluit van verweerder (zoals opgenomen in rechtsoverweging 1.7.) zijn daarmee vast komen te staan evenals de kwalificatie ervan. De gedragingen van eiser die tot ontslag hebben geleid vormen naar het oordeel van de rechtbank objectief en in samenhang bezien, een dringende reden voor een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nu het Stadsdeel eiser op 13 november 2011 op non actief heeft gezet in afwachting van het onderzoek van Bureau Integriteit en hem naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek strafontslag heeft opgelegd, is ook voldaan aan de subjectieve dringende redenen tot ontslag. Eiser had daarnaast moeten begrijpen dat zijn gedragingen in zijn functie van[beroep] bij [handelingen] voor het Stadsdeel reden zouden zijn om over te gaan tot strafontslag. Dit geldt eens te meer nu het voor een ieder duidelijk moet zijn dat de verkoop van nepkleding en het maken van seksueel getinte opmerkingen naar vrouwelijke collega’s en in het bijzijn van kinderen niet getolereerd kan worden van een werknemer en reden voor ontslag is. De rechtbank komt tot het oordeel dat aan het ontslag van eiser een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten grondslag ligt en eiser ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De uitkering diende daarom blijvend geheel te worden geweigerd.

3.8.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 472,- (één punt voor het opstellen van een beroepschrift à € 472,- per punt, met wegingsfactor 1). Verweerder dient tevens het door eiser betaalde griffierecht van € 42,- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 472,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.T. Salden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB