Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4483

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
C/13/543886 / KG ZA 13-728 HJ/LO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Incassobureau int vorderingen in opdracht van Bank. Incassobureau houdt kosten en provisie in en betaalt het overige geïnde door aan de Bank. Omdat de Bank niet tevreden is en er veel onduidelijkheden zijn heeft Bank de toevoer van nieuwe dossiers stopgezet. Incassobureau heeft daarop de doorbetaling van geïnde gelden stopgezet.

Bank vordert in conventie (onder meer) doorbetaling van de geïnde gelden. Incassobureau vordert in reconventie een voorschot op de schade die zij heeft geleden als gevolg van het stopzetten van de toevoer van nieuwe dossiers.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering van de Bank als onbetwist vast staat en dat Incassobureau moet doorbetalen. Het beroep op opschorting slaagt niet, omdat onvoldoende samenhang bestaat tussen de verplichting van Incassobureau om geïnde gelden door te betalen en de (gestelde) verplichting van Bank om dossiers aan te leveren.

Gestelde vordering tot schadevergoeding is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zo onzeker dat deze ook geen grond voor opschorting oplevert. Vordering in reconventie wordt dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/543886 / KG ZA 13-728 HJ/LO

Vonnis in kort geding van 18 juli 2013

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CREDIT AGRICOLE CONSUMER FINANCE NEDERLAND B.V.,

2. de naamloze vennootschap

INTERBANK N.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANTERA INCASSO B.V.,

alle gevestigd te Amsterdam,

eiseressen bij dagvaarding van 21 juni 2013,

advocaat mr. S.W.A.M. Visée en mr. M.P. Vink te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & PARTNERS B.V.,

2. de stichting

[B],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C]

alle gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.A. Korver te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als CACF, Interbank en Antera, en gezamenlijk als Crédit Agricole. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [A], de Stichting en [C], en gezamenlijk als [gedaagden]

1 De procedure

Ter terechtzitting van 4 juli 2013 heeft Crédit Agricole gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens heeft [A] in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van Crédit Agricole: de heer [naam 1], senior manager operations en de heer [naam 2], medewerker special collections met mrs. Visée en Vink.

Aan de zijde van [gedaagden]: mevrouw [naam 3] met mr. Korver en zijn kantoorgenote mr. M.M.P.M. Lousberg.

2 De feiten

2.1.

CACF is de houdstermaatschappij van onder andere Interbank en Antera. Dochtermaatschappijen van CACF houden zich met name bezig met het verstrekken van consumptief krediet. Bij het verstrekken van dergelijk krediet wordt meestal samengewerkt met professionele kredietbemiddelaars en andere tussenpersonen.

2.2.

[A] is in 2010 opgericht door mevrouw [naam 3] (hierna: [naam 3]), die tevens, via haar persoonlijke holdingvennootschap [naam 5], middellijk bestuurder en enig aandeelhouder is van [A]. [A] houdt zich bezig met het geven van advies op rechtskundig gebied en het incasseren van vorderingen ten behoeve van derden, evenals [C].

2.3.

[naam 3] is de dochter van[naam 4], bestuurder en enig aandeelhouder van [C]. Vader en dochter zijn daarnaast bestuurders van de Stichting.

2.4.

Tussen [C] en Crédit Agricole heeft enige tientallen jaren een zakelijke relatie bestaan. Door Crédit Agricole werden incasso-opdrachten verstrekt aan [C], op grond van zogeheten Service Level Agreements (SLA’s).

2.5.

In 2010 heeft Crédit Agricole besloten dat het beheer van haar debiteurenportefeuille door haar incassorelaties professioneler diende te worden aangepakt, mede ingegeven door de Wet op het financieel toezicht (Wft). Zij heeft de bestaande overeenkomsten met alle incassorelaties beëindigd, waarna een aanbestedingsprocedure is gestart.

2.6.

Op 3 november 2010 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen CACF en [A]. In de overeenkomst staat onder meer het volgende.

(…) 1. CACF verstrekt een door haar zelf vast te stellen aantal incasso-opdrachten aan opdrachtnemer. (…)

8. Maandelijkse tussentijdse afrekeningen, afwikkeling en facturering vindt volledig geautomatiseerd plaats via het PO (Periodieke Overzicht) resp. IDEE conform de overeengekomen PO-criteria. Volledige maandelijkse afwikkeling over en weer is het uitgangspunt. (…)

17. Op verzoek van CACF stelt opdrachtnemer een door CACF aan te wijzen accountant of auditor in staat, ten kantore van opdrachtnemer, in principe eenmaal per jaar, dossiers van door CACF overgedragen vorderingen in te zien en te controleren, (…). Jaarlijks zal tussen opdrachtnemer en CACF een bestandsvergelijking plaats vinden van onderhanden en afgerekende zaken resp. zal er 2x per jaar een audit door medewerkers van CACF op operationeel gebied worden uitgevoerd ten kantore van opdrachtnemer.

18. Opdrachtnemer verklaart jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en solvabiliteitsverklaring over het voorgaande boekjaar aan CACF af te geven. De jaarrekening en solvabiliteitsverklaring dienen te zijn goedgekeurd en gewaarmerkt door een registeraccountant.(…)

22. CACF zal, indien opdrachtnemer gedurende 3 achtereenvolgende maanden het te behalen netto-incasso resultaat en/of het kostenpercentage, zoals beschreven in de art. 20 en 21, niet realiseert, de toezending van nieuwe opdrachten stoppen totdat opdrachtnemer gedurende 2 daaropvolgende en aaneengesloten maanden de bedoelde resultaten weer behaald. Alvorens tot stopzetten van toezenden van nieuwe opdrachten over te gaan zal per aangetekend schrijven hiervan melding worden gemaakt (…).

30. Deze overeenkomst heeft als ingangsdatum 25-10-2010

31. Deze overeenkomst heeft een looptijd van twee jaar.

32. Behoudens tijdige opzegging, (…) zal de overeenkomst telkens met een termijn van 1 jaar worden verlengd. (…)

2.7.

Door middel van het Portefeuille Overzicht of Periodieke Overzicht (hierna: PO) wordt iedere maand een overzicht gegeven van (onder meer) de door [A] geïncasseerde bedragen, verrekend met de provisie en kosten van [A]. Zodra een individuele incasso-opdracht eindigt, hetzij als gevolg van inlossing, hetzij als gevolg van ‘afschrijving’ omdat de vordering oninbaar is, wordt door [A] de eindafrekening of factuur gezonden, waarin wordt vastgesteld of de tussentijds in rekening gebrachte kosten en provisie te hoog dan wel te laag zijn geweest. Tevens blijkt uit de eindafrekening het incasso-resultaat.

2.8.

Op 27 maart 2012 heeft er een audit plaatsgevonden, waarvan ook een verslag is gemaakt, en is (onder meer) geconstateerd dat de informatie in de systemen van [A] niet altijd overeenkomt met de informatie in de systemen van Crédit Agricole. Eveneens is geconstateerd dat uitdelingen met betrekking tot de WSNP in het verleden niet altijd 1 op 1 werden doorgeboekt.

2.9.

In een e-mailbericht van 15 mei 2012 heeft [naam 3] gereageerd op het auditverslag.

2.10.

Bij e-mailbericht van 24 mei 2012 heeft [naam 3] aan mevrouw [naam 6] van Crédit Agricole onder meer het volgende bericht.

(…) De jaarrekening van 2010 is door mijn vader, in samenwerking met de heer[naam 7], opgesteld. Voorheen was KPMG belast met het opstellen van de jaarrekeningen van de vennootschap. Echter (…) zijn wij genoodzaakt geweest om intern kritisch naar onze kosten te kijken. Dit heeft ervoor gezorgd dat wij de samenwerking met KPMG hebben beëindigd. (…)

2.11.

Op 30 mei 2012 heeft de heer[naam 8], manager special collection, (hierna: [naam 8]) aan [naam 3] van [A] onder meer het volgende bericht.

(…) Om heel eerlijk te zijn maken we ons enigszins zorgen. Naar aanleiding van de audit, de reactie daarop en de mailwisseling met betrekking tot de jaarrekening zijn er nog veel openstaande vragen. In onze optiek had dit niet gemogen. Daarom willen wij vragen om deze eerst volledig uit te zoeken en te beantwoorden. Dit zal een betere basis vormen voor een gesprek. In onze optiek moet dit ook mogelijk zijn om dit binnen 2 weken aan te leveren. Mocht dit niet lukken, dan zijn we genoodzaakt om de toevoer van contracten tijdelijk stop te zetten!

Volledigheidshalve vat ik de punten nog even samen:

De jaarrekening: [naam 6] heeft je benaderd met betrekking tot de jaarrekening van 2010. Deze is niet in balans en roept bij ons verschillende vragen op. Graag ontvangen wij een nadere toelichting op deze balans. (…) Daarbij zijn wij ook benieuwd naar de cijfers van 2011.

KvK: Ons viel op dat [voornaam] (vader [naam 3], vzr.) de jaarrekening ondertekend. Wij hebben daarom een uittreksel van de kamer van koophandel getrokken. Kun je ons nader toelichten hoe de structuur van [A] in elkaar zit? Wie is er aandeelhouder en hoe liggen de verhoudingen?

Audit: Wij hebben op verschillende punten ernstige bevindingen gedaan. Hierop is geen concrete reactie gekomen. Er moet nog veel uitgezocht worden en het is niet duidelijk hoe zaken in de toekomst voorkomen gaan worden. (…)

Resultaten: iedere maand kijken wij naar de resultaten. In algehele lijn zijn deze dalende, ook bij jullie. (…) Wij zijn zeer benieuwd hoe je daar vandaag de dag naar kijkt. Kun je dit uitwerken en je verwachting voor de toekomst aangeven. (…)

Zonder tegenbericht ga ik ervan uit dat wij voor 15 juni jullie reactie mogen ontvangen.

(…)

2.12.

In een e-mailbericht van [naam 8] aan [naam 3] van 18 juni 2012 staat onder meer het volgende.

(…) Afgelopen vrijdag hebben wij elkaar gesproken. In dat gesprek heb je aangegeven dat je de gevraagde informatie uiterlijk as woensdag kan aanleveren. Na intern overleg hebben wij besloten, ons aan de consequenties te houden. Dit betekend dat wij de toevoer van dossier vandaag gaan stopzetten. (…)

2.13.

Op 7 september 2012 heeft [naam 3] ([A]) aan [naam 8] (Crédit Agricole) onder meer het volgende bericht.

(…) In antwoord op jouw mail van 03 september jl. reageer ik hierbij hierbij op de openstaande punten naar aanleiding van ons gesprek met mevrouw [naam 9] en mijn vader op 21 juni jl.

Jaarrekeningen:

In de bijlage tref je de jaarrekening van 2010 van [A] & Partners BV aan. Zoals per mail van 03 september jl. reeds aan je medegedeeld is de deadline van 01 september jl. niet reëel gebleken, reden dat de jaarrekening over 2011 van [A] & Partners naar alle waarschijnlijkheid volgende week afgerond zal zijn. (…)

Accountantsverklaring:

Ter zake de accountantsverklaring deel ik je mede dat deze niet afgegeven kan worden. [A] & Partners voldoet niet aan de eisen voor middelgrote ondernemingen en is derhalve niet controleplichtig. (…)

WSNP:

In de bijlage tref je eveneens een overzicht van de door ons dubbel betaalde WSNP uitdelingen. Eveneens tref je de betreffende bankafschriften aan waaruit de betalingen blijken. Ik verzoek je om voor restitutie van deze gelden zorg te dragen. (…)

2.14.

Omstreeks januari 2013 heeft Crédit Agricole ongeveer 1000 incasso-dossiers van [A] teruggenomen, waarin nog niet was geïncasseerd.

2.15.

Bij e-mailbericht van 15 april 2013 heeft [A] ([naam 3]) aan Crédit Agricole onder meer het volgende bericht.

(…) Het is nu bijna een jaar geleden dat jij de instroom van nieuwe zaken on hold hebt gezet. Dat is destijds niet gebeurd op basis van het incassoresultaat. (…) Het afgelopen jaar hebben jullie van mij op alle gestelde vragen een helder en duidelijk antwoord gekregen. Aan de voorwaarden die zijn gesteld aan het opnieuw toesturen van nieuwe zaken hebben wij voldaan. (…)

Verder wordt in het e-mailbericht een aantal vragen gesteld aan Crédit Agricole.

2.16.

Op 16 april 2013 is [A] gestopt met het doorbetalen van door haar geïncasseerde bedragen aan Crédit Agricole.

2.17.

Bij e-mail van 24 april 2013 heeft Crédit Agricole gereageerd op de door [A] in haar e-mail van 15 april 2013 gestelde vragen.

2.18.

Bij e-mail van 26 april 2013 heeft Crédit Agricole [A] gesommeerd uiterlijk 29 april 2013 over te gaan tot betaling van het PO van maart 2013, derhalve een bedrag van € 318.691,62. De advocaat van Crédit Agricole heeft de sommatie herhaald bij brief van 2 mei 2013.

2.19.

In een e-mailbericht van [naam 3] ([A]) aan Crédit Agricole (de heer [naam 1], hierna:[naam 1]) van 3 mei 2013 staat onder meer het volgende.

(…) Al maanden heb ik het gevoel dat op een weinig respectvolle wijze door jullie met onze zakelijke belangen wordt omgegaan. De door jullie ingezette koers blijkt al maanden niet meer gebaseerd te zijn op het continueren van onze jarenlange relatie. (…) Door jullie wijze van opereren van met name de afgelopen 12 maanden heeft mijn incassovennootschap aanzienlijke schade geleden. Voor die schade houd ik jullie ten volle aansprakelijk. (…)

Ter zake de administratieve afwikkeling van de geretourneerde contracten merk ik het navolgende op. (…) Op 10 april jl. hebben wij de laatste batch met facturen aangeleverd. Conform dit facturenoverzicht dienen wij van CACF te ontvangen een bedrag van € 63.344,59. Tot op heden hebben wij daaromtrent niets vernomen en blijft de administratieve afwikkeling aan de zijde van CACF uit. (…)

2.20.

Bij brief van 8 mei 2013 heeft de advocaat van Crédit Agricole (mr. Vink) aan [A] onder meer het volgende bericht.

(…) Cliënte heeft helaas moeten constateren dat u niet binnen de in mijn brief van 2 mei jl. gestelde termijn aan uw betalingsverplichtingen heeft voldaan. Ik wijs u er nadrukkelijk op dat u daarmee in verzuim bent. Uit uw e-mail aan de heer [naam 1] d.d. 3 mei jl., waarvan ik een kopie heb ontvangen, blijkt dat u zich op het standpunt stelt enkele vorderingen te hebben op cliënte en – zo begrijp ik althans – ten aanzien van de vordering van cliënte een beroep doet op verrekening. De gegrondheid van uw vorderingen daargelaten, wijs ik u erop dat cliënte, afgezien van het bedrag zoals volgt uit de door u zelf aangeleverde periodieke overzichten over de maanden maart en april 2013, verscheidene additionele vorderingen heeft. Deze vorderingen, die onder meer het gevolg zijn van te veel betaalde provisie, door u ten onrechte in rekening gebrachte kosten (in een groot aantal no cure no pay-dossiers) en achtergehouden WSNP-gelden, zijn dermate omvangrijk dat deze de door u gepretendeerde vorderingen zonder meer overstijgen. Een beroep op verrekening, wat daar verder ook van zij, doet derhalve niet af aan voornoemde betalingsverplichtingen. (…)

Het totaalbedrag ad EUR 503.950,71, zoals volgt uit de door u aangeleverde periodieke overzichten, dient uiterlijk 17 mei a.s. te zijn bijgeschreven op onderstaande rekening. (…)

2.21.

In een brief van 29 mei 2013 heeft Crédit Agricole aan [A] onder meer het volgende bericht.

(…) Crédit Agricole Consumer Finance Nederland B.V. schrijft deze brief mede namens, InterBank N.V. en Antera Incasso B.V. (hierna gezamenlijk: ‘CACF’). (…)

CACF heeft het afgelopen jaar zeer veel geduld getoond. CACF heeft [A] & Partners tot in den treure in de gelegenheid gesteld om alsnog aan haar verplichtingen jegens CACF te voldoen. Ondanks herhaalde sommaties daartoe (…) blijft [A] & Partners in gebreke om de ten behoeve van CACF Groep geïncasseerde gelden aan haar door te betalen. Het bedrag dat [A] & Partners uit dien hoofde naar eigen zeggen verschuldigd is, bedraagt EUR 503.950,71 (bestaande uit een bedrag ad EUR 318.691,62 voor de maand maart 2013 en EUR 185.259,09 voor de maand april 2013). (…)

De belangrijkste tekortkomingen van [A] & Partners onder de Overeenkomst zijn – samengevat – de volgende:

 In strijd met artikel 8 van de Overeenkomst weigert [A] Partners het bedrag ad EUR 503.950,71 aan CACF door te betalen;

 CACF heeft bij herhaling moeten constateren dat de behandeling van incasso-opdrachten niet geschiedt conform het overeengekomen behandelplan, hetgeen in strijd is met artikel 5 van de Overeenkomst;

 Het elektronische systeem van [A] & Partners functioneert al geruime tijd niet goed. [A] & Partners voldoet derhalve niet aan de verplichtingen neergelegd in artikel 8, 10, 11 en 12 van de Overeenkomst;

 CACF heeft moeten constateren dat de incasso-resultaten van [A] & Partners reeds lange tijd ondermaats zijn en zij niet alle mogelijke inspanningen heeft verricht om te komen tot een maximaal incasso-resultaat, hetgeen in strijd is met artikel 4 van de Overeenkomst;

 [A] & Partners heeft nog altijd niet voldaan aan de in artikel 18 neergelegde verplichting om een goedgekeurde jaarrekening en een solvabiliteitsverklaring te verstrekken;

 [A] & Partners weigert haar medewerking te verlenen aan het uitvoeren van een audit, waartoe zij op grond van artikel 17 van de Overeenkomst wel gehouden is. (…)

Gelet op voornoemde langdurige tekortkomingen, en in het bijzonder de weigering om de ten behoeve van CACF bij debiteuren van CACF Groep geïncasseerde gelden aan haar door te betalen, is het vertrouwen in [A] & Partners inmiddels volledig weg. CACF beëindigt hierbij met onmiddellijke ingang de Overeenkomsten. (…)

2.22.

Eveneens op 29 mei 2013 heeft Crédit Agricole krachtens daartoe op 28 mei 2013 verkregen verlof van de voorzieningenrechter, waarbij de vordering is begroot op € 635.000,-, conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [A].

2.23.

Bij brief van 11 juni 2013 heeft [A] uitgebreid gereageerd op de brief van 29 mei 2013, als hiervoor onder 2.21 vermeld, en heeft zij zich op het standpunt gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het handelen van Crédit Agricole. In de brief staat onder meer het volgende.

(…) Voornoemde zaken laten zich als volgt kwantificeren.

Gederfde inkomsten over de niet ontvangen contracten in de periode juni 2012 tot en met oktober 2013

€ 1.336.995,--

Gederfde inkomsten lopende contracten bij beëindiging overeenkomst

€ 3.010.428,--

Dubbel aan CACF afgedragen over de maand juni 2012 (netto)

€ 40.680,25

Na-salaris procureur

€ 43.830,50

Voorgefinancierde (proces/executie)kosten in 1000 geretourneerde zaken

€ 216.747,65

Licentie 8 users EuroDossier over het jaar 2013

€ 21.000,--

Personeelskosten (8 fte) cluster CACF over het jaar 2013

€ 453.000,--

Aanschaf software

€ 51.000,--

Aanschaf hardware

€ 25.000,--

Maatwerk CACF

€ 54.000,--

Ontslagvergoeding medewerkers cluster CACF pro forma

€ 400.000,--

Goodwill/badwill

€ 1.200.000,--

Totaal schade

€ 6.852.681,40 (…)

2.24.

Op 12 juni 2013 heeft Crédit Agricole een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij van [A] onder meer vordert doorbetaling van de aan haar toekomende bedragen alsmede een schadevergoeding op te maken bij staat.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Crédit Agricole vordert – samengevat – primair: [A], [C] en de Stichting, subsidiair: [A] en de Stichting, uiterst subsidiair: [A]:

  1. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 887.028,97;

  2. te gebieden om binnen 14 dagen na dit vonnis alle incasso-opdrachten op een ordentelijke manier aan Crédit Agricole over te dragen, specifiek door alle derden erop te wijzen dat Incassade Deurwaarders en Incasso (hierna: Incassade) de positie van [gedaagden] heeft overgenomen, alsmede ten aanzien van alle incasso-opdrachten tenminste de volgende informatie aan CACF te verschaffen:

a. de hoogte van de uitstaande vordering;

b. de reeds gemaakte kosten;

c. de reeds verrichte betalingen (inzage in daadwerkelijke mutaties);

d. de bij [gedaagden] bekende actuele NAW-gegevens;

e. de in haar bezit zijnde originele processtukken en exploten;

op straffe van een dwangsom;

te gebieden om binnen 7 dagen na dit vonnis alle debiteuren van Crédit Agricole ten aanzien waarvan aan [gedaagden] een incasso-opdracht is verstrekt, inclusief de in dit verband betrokken professionals, te informeren dat zij niet langer bevrijdend kunnen betalen aan [gedaagden] maar contact op dienen te nemen met Incassade, op straffe van een dwangsom;

te gebieden om binnen 7 dagen na dit vonnis en daarna op iedere vijfde werkdag van de maand, op de gebruikelijke manier (door middel van het toezenden van een Portefeuille Overzicht) te rapporteren over de ten behoeve van Crédit Agricole geïncasseerde gelden, op straffe van een dwangsom;

te gebieden om binnen 7 dagen na dit vonnis en daarna op iedere zesde werkdag van de maand, alle door of namens debiteuren van Crédit Agricole aan [gedaagden] betaalde gelden door te betalen aan Crédit Agricole, op straffe van een dwangsom;

te gebieden om op eerste verzoek van Crédit Agricole, welk verzoek door Crédit Agricole binnen 14 dagen na dit vonnis dient te worden gedaan, haar volledige medewerking te verlenen aan de door Ernst&Young uit te voeren audit, op straffe van een dwangsom;

te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,-

met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de nakosten.

3.2.

Crédit Agricole heeft ter toelichting op haar vorderingen – samengevat – onder meer het volgende gesteld. Zij heeft herhaaldelijk moeten constateren dat [A] niet aan haar contractuele verplichtingen voldeed. Zo werden er veel fouten gemaakt in de PO’s en de eindafrekeningen. Kosten en provisies werden verkeerd berekend en soms stond op een eindfactuur dat bedragen aan Crédit Agricole waren afgedragen terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Verder heeft [A] geweigerd een door een accountant goedgekeurde jaarrekening over te leggen. Hoewel [A] zich op het standpunt stelt dat zij daartoe wettelijk niet verplicht is, rust op haar wel een contractuele plicht. Crédit Agricole heeft verder twijfels over de overname van het bedrijf, dan wel van de activa of portefeuille van [C], en in verband daarmee over de solvabiliteit van [A]. Achteraf is gebleken dat het eind 2010 aanwezige banksaldo bij [A] niet voldoende was om de op dat moment aan Crédit Agricole toekomende bedragen te kunnen doorbetalen. Tevens verwacht Crédit Agricole een toekomstige belastingheffing in verband met de overname en heeft zij geëist dat daarvoor een voorziening wordt opgenomen op de balans van [A]. Verder zijn er vragen over de verschillende bankrekeningen die door [A] worden gebruikt en die wel of geen officiële derdengeldrekeningen zijn. Omdat er geen duidelijk antwoord dan wel bevredigende oplossing kwam van [A] is Crédit Agricole gestopt met het aanleveren van nieuwe incasso-opdrachten. Ook nadien is er geen voor Crédit Agricole bevredigende oplossing voor de gesignaleerde problemen gekomen, ondanks verschillende besprekingen en uitgebreide e-mailcorrespondentie. [A] heeft nu, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de doorbetaling van de door [gedaagden] geïncasseerde gelden opgeschort. Crédit Agricole heeft inmiddels de overeenkomsten met [gedaagden] beëindigd en vordert onder meer doorbetaling van de aan haar toekomende geïncasseerde gelden, alsmede teveel berekende provisie en kosten en schade. Met betrekking tot de door [A] gestelde tegenvordering heeft Crédit Agricole in de eerste plaats het bestaan van de vordering betwist. De schade is onvoldoende aangetoond in deze procedure en met betrekking tot kosten en provisie heeft Crédit Agricole juist geconstateerd dat [A] teveel provisie heeft ingehouden. Al zou de vordering juist zijn, dan weegt die niet op tegen de vorderingen die Crédit Agricole op [A] heeft, zodat onder aan de streep een vordering van Crédit Agricole op [gedaagden] resteert.

3.3.

[gedaagden] voert – samengevat – het volgende verweer. De contractspartij van Crédit Agricole is [A], die sinds 2010 alle zaken met Crédit Agricole behandelt. Crédit Agricole dient dan ook ten opzichte van [C] en de Stichting niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen, althans deze dienen te worden afgewezen. [A] voert verder aan dat zij al voor het uitbrengen van de dagvaarding bij schrijven van 11 juni 2013 de stellingen van Crédit Agricole uitgebreid en gemotiveerd heeft weersproken. Crédit Agricole heeft de inhoud van deze brief niet geheel in de dagvaarding opgenomen bij het verweer van [A] en heeft daarmee niet voldaan aan de substantiëringsplicht. Daarnaast ontbreekt het spoedeisend belang. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding gelden verzwaarde motiveringseisen en Crédit Agricole heeft niet aan die eisen voldaan. Aan de zijde van Crédit Agricole is geen sprake van een problematische liquiditeitspositie, zodat zij ook om die reden geen belang heeft bij een voorlopige voorziening. Voor zover de vordering is ingesteld jegens [C] voert [gedaagden] aan dat Crédit Agricole niet ontvankelijk is in die vordering, nu de zaken sinds 2010 met en door [A] worden gedaan en niet met en door [C]. De Stichting is op geen enkele wijze partij bij de overeenkomsten tussen [A] en Crédit Agricole, zodat Crédit Agricole ook voor zover de vorderingen zijn ingesteld jegens de Stichting niet ontvankelijk is.

3.4.

Inhoudelijk voert [A] het volgende aan. Wat betreft facturatie op grond van de SLA’s bestaat voor beide partijen veel onduidelijkheid. Voor een deel doordat voor bepaalde dossiers een ‘no cure no pay’-afspraak is gemaakt en voor andere niet. Er zou een afspraak worden ingepland om deze onduidelijkheden te bespreken en de facturatie is gestagneerd door tegenstrijdige instructies van Crédit Agricole, zoals door haar ook erkend. Crédit Agricole is vervolgens nooit terug gekomen op de afspraak om te praten over de onduidelijkheden zodat [A] terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Ook de overgang naar een nieuw systeem, Eurodossier, heeft voor de nodige problemen gezorgd, maar Crédit Agricole is steeds volledig op de hoogte gesteld, en het is bovendien aan Crédit Agricole om de door [A] verstuurde PO’s te accepteren of te weigeren. Crédit Agricole heeft de PO’s gecontroleerd en goed bevonden, zodat eventuele fouten niet aan [A] kunnen worden tegengeworpen. Voor zover Crédit Agricole zich beroept op de audit van 27 maart 2012 zijn de gestelde tekortkomingen in de brief van 11 juni 2013 door Crédit Agricole weerlegd. Voor zover Crédit Agricole zich beroept op een tegenvallend incasso-resultaat door [A] wordt dit betwist. In 2011 is [A] nog gecomplimenteerd met het behaalde resultaat, dat hoger was dan dat van andere incasso-relaties. Kortom, [A] voert aan dat er inderdaad onduidelijkheden zijn geweest, maar dat die voor een deel te wijten zijn aan Crédit Agricole, voor een deel zijn weersproken in haar brief van 11 juni 2013 (en in sommige gevallen al eerder) en voor een deel niet aan haar kunnen worden tegengeworpen doordat zij zich steeds beschikbaar heeft gehouden voor overleg en opheldering, maar daar van de zijde van Crédit Agricole niet altijd op in is gegaan. [A] stelt verder schade te hebben geleden door het onrechtmatige handelen van Crédit Agricole, te weten het stopzetten van de toevoer van nieuwe incasso-opdrachten. De schade is begroot als onder 2. 23 vermeld en op de schade wordt in reconventie een voorschot gevorderd.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[A] vordert – samengevat - Crédit Agricole te veroordelen om bij wijze van voorschot aan [A] te betalen een bedrag van € 2.000.000,-, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, met veroordeling van Crédit Agricole in de proceskosten.

4.2.

[A] heeft ter toelichting op haar vordering onder meer gesteld hetgeen hiervoor bij de vordering in conventie is vermeld als verweer. Haar vordering bestaat – kort gezegd – uit gederfde inkomsten, nog te ontvangen kosten en provisie, personeelskosten en badwill, zoals ook gespecificeerd in de brief van 11 juni 2013, weergeven onder 2.23.

4.3.

Crédit Agricole voert verweer, waarop hierna nader wordt ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Voor zover [gedaagden] zich heeft beroepen op schending van de substantiëringsplicht door Crédit Agricole gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. Crédit Agricole heeft in haar dagvaarding melding gemaakt van de brief van 11 juni 2013. Dat zij die niet geheel heeft herhaald en ingelast in haar dagvaarding is voorstelbaar, gelet op de veelheid aan correspondentie en stukken die reeds was overgelegd. Hoe dan ook acht de voorzieningenrechter zich in de dagvaarding niet onjuist of onvolledig voorgelicht.

5.3.

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.

5.4.

[A] verricht incassowerkzaamheden voor Crédit Agricole. Daarbij int zij ten behoeve van Crédit Agricole gelden van debiteuren en houdt zij daarop in overeenstemming met de tussen partijen gesloten overeenkomst kosten en provisie in.

Vast staat dat [A] maandelijks PO’s heeft gezonden waaruit blijkt welke betalingen van debiteuren zijn ontvangen en welke inhoudingen daarop volgens [A] moeten plaatsvinden. Het bestaan van de vordering van Crédit Agricole staat daarmee tussen partijen vast. Nu Crédit Agricole haar bedrijf maakt van het uitlenen van gelden is voldoende aannemelijk dat zij een spoedeisend belang heeft bij het ontvangen van hetgeen op grond van de PO’s betaald moet worden. De vraag is vervolgens of [A] gerechtigd is de doorbetaling van het volgens deze PO’s verschuldigde op te schorten. Zij heeft zich daartoe beroepen op de onzekerheidsexceptie van artikel 6:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een beroep op deze bepaling is echter niet gegrond. Vast staat dat in de tussen partijen gesloten overeenkomst wordt gewerkt met een voorschot op de provisie, waarna bij de afrekening per dossier de daadwerkelijk verschuldigde provisie en de kosten in rekening worden gebracht. Crédit Agricole heeft onweersproken gesteld dat over het geheel van afgerekende dossiers in de regel blijkt dat het voorschot op de provisie te hoog was en dat moet worden terugbetaald.
Artikel 6:263 BW beoogt een partij bij een wederkerige overeenkomst zekerheid te verschaffen voor de voldoening van de tegenover haar eigen verbintenis staande verplichting. Tegenover de verplichting van [A] om incassowerkzaamheden te verrichten staat krachtens de tussen partijen gesloten wederkerige overeenkomst de verplichting van Crédit Agricole om provisie te betalen. Gezien de hiervoor besproken gang van zaken tussen partijen bestaat voor de nakoming daarvan voldoende zekerheid door het systeem van voorschot-provisie, die op het bij debiteuren geïncasseerde bedrag in mindering wordt gebracht. Voor een opschorting op grond van artikel 6:263 BW is dus geen grond. Bovendien geeft artikel 6:263 BW slechts de bevoegdheid de eigen prestatie op te schorten, dat wil zeggen de eigen incassowerkzaamheden niet langer te verrichten. Een grond voor het opschorten van de doorbetaling van voor Crédit Agricole geïncasseerde bedragen kan hieraan niet worden ontleend. Om diezelfde reden kan ook artikel 6:52 BW geen toepassing vinden: er is mogelijk wel samenhang tussen de eigen verbintenis (verrichten van incassowerkzaamheden) en een deel van de gestelde vorderingen op Crédit Agricole (te weten de vorderingen in verband met kosten en provisie), maar niet tussen de gestelde vordering en de verplichting om af te dragen wat geïncasseerd is (minus ingehouden provisie en kosten). Een en ander geldt te meer nu de opschorting van Crédit Agricole ziet op het aanleveren van nieuwe incasso-opdrachten. De opschorting van [A] ziet op doorbetaling van geïncasseerde gelden uit hoofde van ‘oude’ incasso-opdrachten, zodat ook wat dit betreft onvoldoende samenhang bestaat tussen de verplichtingen.

5.5.

Voor de vraag of opschorting uit hoofde van de door [A] gestelde vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 6:52 BW gerechtvaardigd is oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Weliswaar is denkbaar dat in het kader van zaken die partijen regelmatig met elkaar doen ook een vordering tot schadevergoeding een grond voor opschorting kan zijn. Of en in hoeverre dat het geval is zal mede afhangen van de aard van de overeenkomst en van de gegrondheid van de gestelde vordering tot schadevergoeding.

Zoals hierboven vermeld strekt de overeenkomst tot het incasseren van vorderingen van Crédit Agricole. De stelling van Crédit Agricole dat het voor haar geïncasseerde ‘haar geld’ is, is dus juist. Dat betekent dat de redelijkheid en billlijkheid (waarop het opschortingsrecht is gebaseerd) zich er tegen verzetten dat die gelden als onderdeel van de over en weer op te schorten prestatie worden beschouwd.
Daar komt bij dat de gegrondheid van de vorderingen tot schadevergoeding (voor zover deze aan de opschorting ten grondslag is gelegd) is gebaseerd op de stelling dat het Crédit Agricole niet vrij stond de stop op de aanvoer van nieuwe dossiers te handhaven. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat dit Crédit Agricole wel vrijstond. Weliswaar zal de onder 2.6 sub 1 aangehaalde bepaling, inhoudende dat CACF een door haar zelf vast te stellen aantal opdrachten verstrekt, in een lopende handelsrelatie waarin met regelmaat een bepaald volume bij [A] werd ondergebracht niet naar willekeur kunnen worden toegepast. Dat is echter ook niet gebeurd; uit de onder 2.7-2.21 weergegeven gang van zaken kan worden afgeleid dat [A] aan verschillende redelijke eisen van Crédit Agricole niet heeft voldaan en dat Crédit Agricole het vertrouwen in [A] langzamerhand heeft verloren. Het stond Crédit Agricole daarom vrij aan [A] geen nieuwe dossiers te verstrekken alvorens [A] weer ‘op orde’ was en het vertrouwen in haar was hersteld. Tot aan de opschorting waren partijen hierover nog in overleg en kan Crédit Agricole niet worden verweten dat zij daarin een onredelijke positie heeft ingenomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de door [A] gestelde vordering tot schadevergoeding uit hoofde van het handhaven van de stop op nieuwe zaken in ieder geval zo onzeker dat deze geen grond voor opschorting kan vormen.


5.6. Uit het gestelde in de dagvaarding (2.9 einde) leidt de rechtbank af dat [A] de positie van [C] onder de oude contracten heeft overgenomen. Kennelijk heeft Crédit Agricole zich daar nadat dat aan haar was gemeld niet tegen verzet. Uit de stukken van het geding kan verder niet worden afgeleid dat [C] nog actief was; partijen hebben wel gesproken over de problemen bij de afrekening van opdrachten waarvoor de oude SLA’s golden, maar kennelijk vond die afrekening plaats tussen Crédit Agricole en [A]. Gezien deze stand van zaken is er geen grond aan te nemen dat Crédit Agricole nog belang heeft bij haar vorderingen jegens [C].De Stichting is geen partij bij de verschillende overeenkomsten zodat Crédit Agricole evenmin belang heeft bij haar vorderingen jegens de Stichting.

5.7.

De vorderingen in conventie onder B en C zijn eveneens voor toewijzing vatbaar. Crédit Agricole heeft de relaties met [A] beëindigd en zij heeft een spoedeisend belang bij het kunnen (doen) voortzetten van de incasso-opdrachten ten aanzien van haar vorderingen.

5.8.

De vorderingen in conventie onder D en E zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, nu de verplichtingen daartoe voortvloeien uit de overeenkomst van 3 november 2010 en de voorheen gesloten SLA’s met [C], die door [A] zijn overgenomen.

5.9.

Ook de vordering in conventie onder F berust op een contractuele verplichting van [A] zodat deze vordering zal worden toegewezen.

5.10.

De vordering in conventie onder G bestaat kort gezegd uit teveel ingehouden kosten en provisie, nog te ontvangen uitdelingen in enkele schuldsaneringsregelingen en overige schade. Deze posten worden door [A] betwist. Voor het antwoord op de vraag of deze posten door [A] verschuldigd zijn is een nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk, waarvoor dit kort geding zich niet leent. De vordering zal worden afgewezen.

5.11.

Hetzelfde geldt voor de vordering in reconventie. Voor zover die vordering betrekking heeft op te verrekenen kosten en provisie geldt zoals ook hiervoor onder 5.4 overwogen dat deze posten worden betwist. Crédit Agricole heeft gesteld dat [A] juist tevéél provisie en kosten heeft ingehouden. Daarmee is de vordering in deze procedure onvoldoende aannemelijk en is een nader onderzoek naar de feiten vereist. Ook de vorderingen uit geleden schade – waarover ook 5.5 – zijn thans onvoldoende aannemelijk en vereisen een nader onderzoek naar de feiten waarvoor dit kort geding zich niet leent. De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.

5.12.

De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

5.13.

[A] zal in conventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Crédit Agricole worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  76,71

  • -

    griffierecht 3.715,00

  • -

    salaris advocaat 816,00

Totaal €  4.607,71

5.14.

Crédit Agricole zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [C] en de Stichting worden veroordeeld. Vanwege de samenhang met de vorderingen jegens [A] worden [C] en de Stichting geacht niet zelfstandig proceskosten te hebben gemaakt en worden de kosten begroot op nihil.

5.15.

[A] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Vanwege de samenhang met de vordering in conventie zullen de proceskosten aan de zijde van Crédit Agricole worden begroot op nihil.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt [A] om aan Crédit Agricole te betalen een bedrag van € 887.028,93 (achthonderdzevenentachtigduizend achtentwintig euro en drieënnegentig cent),

6.2.

gebiedt [A] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, alle incasso-opdrachten op een ordentelijke manier aan Crédit Agricole over te dragen, zulks specifiek door alle door [A] ingeschakelde derden (waaronder deurwaarders en advocaten) erop te wijzen dat Incassade Deurwaarders en Incasso de positie van [A] heeft overgenomen, alsmede ten aanzien van alle incasso-opdrachten, inclusief (beëindigde) incasso-opdrachten waarin reeds een eindafrekening is verzonden, ten minste de volgende informatie en documenten aan Crédit Agricole te verschaffen:

  1. de hoogte van de uitstaande vordering;

  2. de reeds gemaakte kosten;

  3. de reeds verrichte betalingen (inzage in daadwerkelijke mutaties);

  4. e bij [A] & Partners bekende actuele NAW-gegevens;

  5. de in haar bezit zijnde originele processtukken en exploten,

6.3.

veroordeelt [A] tot betaling aan Crédit Agricole van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij niet volledig aan de veroordeling onder 6.2 voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

6.4.

gebiedt [A] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis alle debiteuren van Crédit Agricole ten aanzien waarvan aan [A] of [C] een incasso-opdracht is verstrekt, inclusief de in dit verband bij [A] bekende bewindvoerders, curatoren, schuldhulpverleners en vergelijkbare derden, te informeren over het feit dat zij niet langer bevrijdend kunnen betalen aan [A], maar contact dienen op te nemen met Incassade Deurwaarders en Incasso,

6.5.

veroordeelt [A] tot betaling aan Crédit Agricole van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij niet volledig aan de veroordeling onder 6.4 voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

6.6.

gebiedt [A] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis en daarna op iedere vijfde werkdag van de maand (door middel van het toezenden van een Portefeuille Overzicht) te rapporteren over de ten behoeve van Crédit Agricole geïncasseerde gelden,

6.7.

veroordeelt [A] tot betaling aan Crédit Agricole van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij niet volledig aan de veroordeling onder 6.6 voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

6.8.

gebiedt [A] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis en daarna op iedere zesde werkdag van de maand, alle door debiteuren van Crédit Agricole aan [A] reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen bedragen, voor zover die niet onder de veroordeling onder 6.1 vallen, inclusief betalingen door deurwaarders, bewindvoerders, curatoren, schuldhulpverleners en vergelijkbare derden, (door) te betalen aan Crédit Agricole,

6.9.

gebiedt [A] om op het eerste verzoek van Crédit Agricole, welk verzoek door Crédit Agricole binnen veertien dagen na dit vonnis dient te worden gedaan, haar volledige medewerking te verlenen aan de door Ernst&Young uit te voeren audit, welke audit niet eerder zal aanvangen dan vijf werkdagen na het verzoek van Crédit Agricole, en zal plaatsvinden gedurende een periode van 14 dagen op werkdagen van 9.00 uur tot 17.00 uur ten kantore van [A] & Partners,

6.10.

veroordeelt [A] tot betaling aan Crédit Agricole van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij niet volledig aan de veroordeling onder 6.9 voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

6.11.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Crédit Agricole tot op heden begroot op € 4.607,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

6.12.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.13.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.14.

veroordeelt Crédit Agricole in de proceskosten, aan de zijde van [C] en de Stichting begroot op nihil,

6.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

6.16.

weigert de gevraagde voorzieningen,

6.17.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Crédit Agricole begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2013.