Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4437

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
1343592 \ HA EXPL 12-584
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot aanneming van werk. Gebreken en onvoltooide werkzaamheden. Te late oplevering. Verzuim. Schuldeisersverzuim. Bezwaar tegen rapportage. Schadeberekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1343592 \ HA EXPL 12-584

Uitspraak: 19 juni 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

1.

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen [eiser 1],

gemachtigde ARAG Rechtsbijstand,

2.

[eiser 2],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen [eiser 2],

gemachtigde ARAG Rechtsbijstand,

eisers.

t e g e n

[naam 1] Aannemers B.V.,

gevestigd te Nieuw-Lekkerland,

nader te noemen [gedaagde],

gemachtigde mr. J.A.J.M. Jonk,

gedaagde,

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 4 april 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 1 augustus 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 november 2012, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brief van eisers van 15 november 2012.

Daarna is vonnis bepaald.

Om organisatorische redenen kan dit vonnis niet worden gewezen door de rechter die de comparitie heeft geleid.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

Partijen hebben drie overeenkomsten tot aanneming van werk gesloten:

- een overeenkomst ten aanzien van tuinwerkzaamheden (2010035/A/3) voor een aanneemsom van € 3.586,20,

- een overeenkomst ten aanzien van een aanbouw (2010035/4) voor een aanneemsom van € 32.359,19 en

- een overeenkomst ten aanzien van groot onderhoud in de woning van eisers (2010035/C7) voor een aanneemsom van € 30.793,34.

De offertedatum is steeds 4 oktober 2010, de datum van ondertekening namens [gedaagde] is steeds 12 oktober 2010 en die van ondertekening door eisers 30 oktober 2010. In elk van de overeenkomsten staat als opleverdatum 6 november 2010 vermeld. De Consumentenvoorwaarden Verbouwingen van Stichting BouwGarant (Covo 2010) zijn steeds van toepassing verklaard.

1.2

Artikel 11 lid 6 Covo 2010 luidt, voor zover van belang, als volgt:

Bij overschrijding van de overeengekomen bouwtijd is de ondernemer een gefixeerde schadevergoeding aan de consument verschuldigd van € 40 per kalenderdag tot de dag waarop het werk aan de consument wordt opgeleverd, […].

1.3

Artikel 11 lid 10 Covo 2010 luidt, voor zover van belang, als volgt:

De gefixeerde schadevergoeding bedraagt bij een overeegekomen aanneemsom kleiner of gelijk aan € 20.000 ten hoogste 25% van die aanneemsom en bij een overeengekomen aanneemsom groter dan € 20.000 ten hoogste 15% van die aanneemsom.

1.4

De verhuurder van de woning van eisers, Stadgenoot, heeft, op verzoek van eisers, eveneens [gedaagde] gecontracteerd om werkzaamheden in de woning van eisers te verrichten. Deze werkzaamheden hebben (in elk geval deels) gelijktijdig plaatsgevonden met de werkzaamheden die [gedaagde] in opdracht van eisers uitvoerde.

1.5

Partijen gaan bij de te verrichten werkzaamheden uit van hetgeen is beschreven in het bestek, gedateerd 5 augustus 2010, opgesteld door bouwbegeleider de heer [naam 2].

1.6

[gedaagde] is met de eerste werkzaamheden begonnen op 9 augustus 2010.

1.7

Per e-mail van 29 augustus 2010 hebben eisers aan [gedaagde] geschreven dat er tot die tijd al veel werk is verricht.

1.8

In diverse e-mails en brieven delen eisers aan [gedaagde] steeds diverse specifiek omschreven gebreken en onvoltooide werkzaamheden mee. Het gaat om onder meer brieven van 1 november, 9 november en 22 november 2010 en 3 januari en 4 januari 2011 en om e-mails van 3 november, 10 november, 14 november, 24 november, 27 november, 2 december 2010 en 7 januari 2011.

1.9

Ook bouwbegeleider [naam 2] heeft diverse malen gebreken en onvoltooid werk geconstateerd, zoals na een bouwoverleg van 9 november 2010 en ten tijde van een bouwinspectie op 13 december 2010, waarbij ook een “ernstige bouwfout” is geconstateerd.

1.10

In diverse e-mails wordt door [gedaagde] voorgesteld op te leveren (op 17, 18 en 25 november en 2 december 2010), hetgeen steeds geen doorgang kan vinden in verband met onvoltooid werk en/of gebreken.

1.11

Naar aanleiding van een inspectie in de woning op 18 november 2010 heeft Keurhuis Nederland een Bouwkundig expertiserapport opgesteld. De doelstelling van de expertise is volgens de rapportage een keuring van gedane werkzaamheden op kwaliteit en op overeenstemming met bestek. Aan de hand van foto’s zijn diverse punten besproken waar onvoltooid werk of gebreken zijn geconstateerd.

1.12

Het werk aangaande tuinwerkzaamheden is opgeleverd op 1 december 2010.

1.13

Bij brief van 22 december 2010 hebben eisers [gedaagde] aangemaand alle werkzaamheden, onder verwijzing naar de eerder gecommuniceerde gebreken en onvoltooide werkzaamheden, uiterlijk 7 januari 2011 voltooid te hebben. Zij hebben [gedaagde] geschreven dat er na die datum niet meer gewerkt mag worden en dat er op die datum bekeken zal worden of opgeleverd kan worden. Mocht dat niet het geval zijn zal, zo kondigen zij aan, een onafhankelijk keuring van de verrichte werkzaamheden worden verricht. Zij kondigen aan dat wat niet af is niet aan [gedaagde] zal worden betaald en door een ander zal worden uitgevoerd en dat eventuele gebreken op kosten van [gedaagde] zullen worden hersteld.

1.14

Op 7 januari 2011 zijn de werken ten aanzien van de aanbouw en het groot onderhoud niet opgeleverd.

1.15

Op 20 januari 2011 heeft de heer [naam 3] een opname uitgevoerd. In de rapportage die hij naar aanleiding hiervan heeft opgesteld staat te lezen dat de heer [naam 1] aanwezig was bij deze opname en voorts zijn gespecificeerde lijsten van “nog uit te voeren werken” en van “herstelwerken” opgenomen.

1.16

In verschillende termijnen hebben eisers een totaalbedrag van € 38.048,11 van de door [gedaagde] verzonden facturen voldaan.

1.17

Eisers hebben MVB Bouw gecontracteerd om de in de rapportage van [naam 3] genoemde nog uit te voeren werken en herstelwerken te verrichten. Bij eindafrekening van 9 september 2011 heeft MVB Bouw gedetailleerd weergegeven welke werkzaamheden zijn verricht. De kosten hiervan bedroegen € 21.287,16 inclusief BTW.

1.18

Technisch Installatiebureau Gofilex B.V. heeft werkzaamheden verricht in de woning van eisers in opdracht van MVB Bouw en heeft daarbij op 11 april 2011 een lek in een gasleiding geconstateerd.

Het geschil in conventie

2.

Eisers vorderen (na vermeerdering van eis) dat [gedaagde], zo mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, zal worden veroordeeld tot betaling van:
a. primair € 18.883,25 aan hoofdsom, dat wil zeggen inclusief een gefixeerde schadevergoeding, subsidiair zonder die gefixeerde schadevergoeding;
b. € 952,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. rente over de toegewezen hoofdsom vanaf 21 juni 2011 tot de dag der algehele voldoening;
d. de proceskosten;

en gedaagde te veroordelen tot afgifte van garantiebewijzen en instructieboekjes van zes specifiek genoemde zaken binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat gedaagde hiertoe in gebreke blijft.

3.

[gedaagde] voert verweer.

4.

Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Het geschil in reconventie

5.

[gedaagde] vordert dat eisers, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zullen worden veroordeeld tot betaling van:
a. € 25.000,00 aan hoofdsom;
b. rente over € 29.043,20 vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan de dag van algehele voldoening;
c. de proceskosten.

6.

Eisers voeren verweer tegen de vordering.

7.

Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Beoordeling in conventie en in reconventie

8.

Eisers stellen ter onderbouwing van hun vordering dat [gedaagde] niet heeft opgeleverd binnen de overeengekomen termijn - 6 november 2011 - waardoor zij schade hebben geleden eruit bestaande dat derden het werk moesten voltooien en herstellen. Die voltooiings- en herstelwerkzaamheden zijn volledig uitgevoerd op basis van de in de rapportage van [naam 3] geconstateerde gebreken en onvoltooide werkzaamheden, aldus eisers.

9.

[gedaagde] heeft hiertegen allereerst aangevoerd dat tussen partijen 6 november 2010 niet als de termijn voor oplevering is overeengekomen en als dat al het geval zou zijn geweest, dat dan eisers niet van die datum mochten uitgaan, omdat die niet haalbaar was, nu deze slechts vijf werkbare dagen lag na het ondertekenen van de overeenkomsten door eisers.

10.

Vaststaat dat partijen voorafgaand aan de zomer van het jaar 2010 met elkaar in overleg zijn gegaan over een te sluiten aannemingsovereenkomst. Ook staat vast dat [gedaagde] op 9 augustus 2010 is gestart met de werkzaamheden op het adres van eisers. Deze werkzaamheden zagen weliswaar deels ook op de opdracht die [gedaagde] voor Stadgenoot in de woning uitvoerde, maar omvatte, zo is door [gedaagde] niet betwist, eveneens (voorbereidende) werkzaamheden in het kader van de overeenkomsten met eisers. Hoewel een getekende, schriftelijke overeenkomst op dat moment nog niet bestond, wist [gedaagde] wel (in elk geval in grote lijnen) wat er van hem werd verwacht. Hij was immers ook al gestart met de werkzaamheden. Dat blijkt ook uit het feit dat partijen beiden steeds ervan zijn uitgegaan dat de werkzaamheden waren gebaseerd op het bestek van 5 augustus 2010. Mogelijk moesten op detailniveau nog afspraken worden uitgewerkt, maar omtrent de essentialia van de overeenkomsten bestond aldus reeds overeenstemming, zodat [gedaagde] op basis van een mondelinge overeenkomst met de werkzaamheden is gestart. Nadien heeft [gedaagde] concepten opgesteld van de drie overeenkomsten die uiteindelijk door beide partijen zouden worden ondertekend. Het moet ervoor worden gehouden dat [gedaagde], op het moment van ondertekening van die concepten door haar op 4 oktober 2010, er van uit ging dat de planning van haar werkzaamheden nog voldeed aan het concept van de overeenkomst en dat de oplevertermijn van 6 november 2010 nog haalbaar was. Dat eisers vervolgens op 30 oktober ondertekenden, maakt niet dat [gedaagde] daaraan voorafgaand niet wist wat er van hem verwacht werd. Dat wordt ook afgeleid uit de omstandigheid dat de werkzaamheden voorafgaand aan dat moment al goed en wel bezig waren, hetgeen blijkt uit e-mails van eisers aan [gedaagde] van onder meer 29 augustus 2010. Bovendien is onbetwist dat de oorspronkelijke oplevering van één van de opdrachten al gepland stond voor 15 oktober 2010 en dat de werkzaamheden van het grote onderhoud op 20 oktober al voor de helft waren voltooid. Eisers konden en mochten er onder die omstandigheden op vertrouwen dat de oplevertermijn zoals genoemd in de overeenkomsten gold en haalbaar was. Het had dan op de weg van [gedaagde] gelegen, indien hij meende dat de termijn niet gold of haalbaar was, dit aan te geven. Nu zij dit heeft nagelaten heeft de oplevertermijn van 6 november 2010 als (oorspronkelijk) overeengekomen oplevertermijn te gelden.

11.

[gedaagde] voert vervolgens aan dat er geen vertraging was bij de bouw en dat enige vertraging in elk geval niet aan haar te wijten was. In dit verband wordt allereerst overwogen dat niet langer ter discussie staat dat de werkzaamheden op 6 november 2010 niet waren voltooid, waarmee vaststaat dat vertraging is opgetreden. Wat er voorts ook zij van [gedaagde]’s stelling dat eisers steeds van mening veranderden omtrent de te verrichten werkzaamheden, vanaf 9 augustus 2010 heeft [gedaagde] steeds, met zekere regelmaat, werkzaamheden verricht voor eisers en hij wist toen in grote lijnen wat er van hem werd verwacht. Dat voorafgaand aan dat moment nog onduidelijkheid bestond over de exacte uit te voeren werkzaamheden doet dan niet meer ter zake. Daartoe is ook van belang dat partijen nadien ook steeds zijn uitgegaan van het bestek van 5 augustus 2010, zodat hetgeen voor die tijd tussen partijen is voorgevallen niet langer van belang is voor de uitkomst van deze zaak. Voorts hebben eisers onbetwist gesteld dat de vertraging bij de werkzaamheden veroorzaakt werd door drie vakanties van [gedaagde]. Deze stelling vindt (in elk geval deels) bevestiging in de e-mail van de secretaresse van [gedaagde] van 21 oktober 2010, waarin zij in reactie op een e-mail betreffende klachten over niet-verwijderde zwam, schrijft de heer [naam 1] nog op vakantie is. Dat vertraging niet aan [gedaagde] te wijten was, heeft zij dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat het verweer wordt verworpen.

[gedaagde] stelt zich vervolgens op het standpunt dat niet is voldaan aan het voor een schadevergoedingsplicht vereiste verzuim, zodat zij een eventuele schade als gevolg van wanprestatie niet zal behoeven te vergoeden. Overwogen wordt in dit verband dat eisers en bouwbegeleider [naam 2] in vele e-mails en brieven in de maanden oktober, november en december 2010 [gedaagde] hebben ingelicht over gebreken en onvoltooid werk, waaronder de e-mails van 3 november, 14 november, 15 november, 20 november en de brieven van 1 november en 22 november 2010 (dit betreft nadrukkelijk een niet-uitputtende opsomming). In veel gevallen betrof het een reactie op een door [gedaagde] voorgestelde oplevering, waarbij eisers en/of [naam 2] schreven dat daarvan nog geen sprake kon zijn vanwege gebreken en/of niet voltooide werkzaamheden, zoals de e-mail van [naam 2] van 15 november 2010. Daarnaast hebben diverse bouwspecialisten de situatie op verschillende momenten beoordeeld. Nog afgezien van de diverse inspecties van [naam 2], heeft Keurhuis op 18 november 2010 de werkzaamheden geïnspecteerd en geconstateerd dat diverse werkzaamheden uit het bestek niet waren voltooid, dan wel niet deugdelijk waren uitgevoerd. Op 22 december 2010 hebben eisers [gedaagde] vervolgens een aanmaning verstuurd waarin nogmaals gebreken en onvoltooide werkzaamheden werden gesignaleerd. Eisers hebben [gedaagde] in die brief een nieuwe termijn voor oplevering gegund, namelijk 7 januari 2011. Vaststaat dat [gedaagde] op die datum niet de gebreken heeft hersteld, respectievelijk de werkzaamheden heeft voltooid. Geoordeeld wordt dat [gedaagde] een redelijke termijn voor nakoming is gegund, zodat deze aanmaning voldoet aan de voor het intreden van het verzuim vereiste ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW. Daarmee staat vast dat [gedaagde] per 7 januari 2011 in verzuim is komen te verkeren.

12.

In het verlengde hiervan doet [gedaagde] nog een beroep op het bestaan van schuldeisersverzuim, nu, zo stelt zij daartoe, [gedaagde] door eisers niet in de gelegenheid is gesteld de bij rapportage van [naam 3] geconstateerde gebreken te herstellen. Vaststaat dat oorspronkelijk tussen partijen een opleverdatum van 6 november 2010 was overeengekomen. [gedaagde] is nadien door eisers doorlopend gewezen op gebreken en onvoltooid werk en is door hen in de gelegenheid gesteld het werk te herstellen respectievelijk af te ronden. Bij brief van 22 december 2010 is daartoe een uiterste opleverdatum gegeven, namelijk 7 januari 2011. Overwogen wordt dat partijen hiermee op het punt van de opleverdatum een nadere uitwerking van de oorspronkelijke overeenkomst zijn overeengekomen (althans voor zover betrekking op de opdrachten ten aanzien van de aanbouw en het groot onderhoud, omdat opdracht 2010035/A/3 op 1 december 2010 al was opgeleverd). [gedaagde] had moeten begrijpen dat op deze nieuwe opleverdatum de werkzaamheden deugdelijk en af zouden moeten worden opgeleverd, zodat ook de eerder vastgestelde gebreken in het werk (zoals blijkend uit de diverse e‑mails en de verschillende rapportages) zouden moeten zijn hersteld en voor eerdere onvoltooide werkzaamheden geen aparte hersteltermijn van toepassing meer zou zijn. [gedaagde] had aldus, teneinde een controle op gebreken van voorheen nog onvoltooid werk te bewerkstelligen, deze werkzaamheden op een eerder moment voor 7 januari 2011 dienen op te leveren. Na 7 januari 2011 behoefde haar geen gelegenheid tot herstel meer te worden geboden. Nog los daarvan heeft [gedaagde] nagelaten te stellen met betrekking tot welke concrete werkzaamheden, die voorheen niet voltooid waren en na 7 januari 2011 gebreken vertoonden, zij gelegenheid tot herstel had willen krijgen. Onder die omstandigheden wordt de stelling dat sprake was van schuldeisersverzuim verworpen.

De rapportages

13.

Verweij heeft bezwaren aangevoerd tegen de rapportages van Keurhuis en [naam 3], die in haar visie eenzijdig in opdracht en voor rekening van eisers tot stand zijn gekomen en waarbij [gedaagde] niet aanwezig zou zijn geweest.
Wat daar ook verder ook van zij, uitgangspunt is dat het in het kader van deze procedure op de weg van [gedaagde] ligt om ook inhoudelijk op de door hem betwiste rapporten en de daarin genoemde gebreken en onvolkomenheden te reageren en daarbij concreet aan te geven welke specifieke constateringen in die rapportages waarom niet juist zijn. Nu hij dat in het geheel niet heeft gedaan, wordt als onvoldoende betwist van de juistheid van die rapporten uitgegaan.Aan [gedaagde]’s bezwaren tegen de rapportages wordt reeds daarom voorbijgegaan.

Schade

14.

Nu vaststaat dat [gedaagde] de overeenkomsten niet naar behoren heeft uitgevoerd en zij in verzuim is komen te verkeren, komt in beginsel de schade die eisers daardoor hebben geleden voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat het totaalbedrag dat [gedaagde] heeft geoffreerd en gefactureerd € 66.738,73. Weliswaar gaat [gedaagde] in haar berekening in reconventie uit van een gefactureerd bedrag van € 67.091,31, maar in dat bedrag is meer- en minderwerk verrekend, welk onderwerp later zal worden besproken. Ook is niet in geschil dat eisers aan [gedaagde] een bedrag van € 38.048,11 hebben betaald.

15.

Eisers stellen dat er sprake is van minderwerk voor een bedrag van € 8.183,43. Zij onderbouwen dit met een gedetailleerde berekening met specifiek genoemde werkzaamheden en/of materialen die niet zijn uitgevoerd, respectievelijk geleverd. Specifieke posten van minderwerk hebben eisers ook al middels brief van 20 december 2010 aan [gedaagde] doorgegeven. [gedaagde] voert daartegenover aan dat sprake is van minderwerk voor een bedrag van slechts € 7.354,76. [gedaagde] heeft ter onderbouwing verwezen naar een factuur van 30 april 2011. Hieruit kan evenwel, zonder begeleidende onderbouwing, die ontbreekt, niet het genoemde bedrag uit worden afgeleid, maar slechts minderwerk ter hoogte van € 2.908,05, opgebouwd uit vier posten. Die posten zijn eveneens door eisers in de berekening van het minderwerk gebruikt, maar zij voeren nog drie extra posten op, waarop [gedaagde] niet heeft gereageerd. Het ligt op de weg van [gedaagde] concreet in te gaan op de zeven door eisers genoemde posten van minderwerk en onderbouwd aan te voeren welke hiervan in haar visie juist dan wel onjuist zijn. Nu zij dit evenwel heeft nagelaten, wordt haar verweer op dit punt verworpen en wordt uitgegaan van het bedrag aan minderwerk zoals dat door eisers is gesteld. Daarmee komt het in beginsel nog openstaande bedrag voor de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden op € 20.507,19 te weten,het geoffreerde bedrag van € 66.738,73, minus het minderwerk ter hoogte van € 8.183,43 en het reeds voldane bedrag van € 38.048,11.

16.

De grootste schadepost waarvan eisers vergoeding verlangen, betreft de factuur van MVB Bouw van € 21.287,16. Zij stellen dat MVB Bouw heeft gewerkt conform de rapportage van [naam 3]. [gedaagde] betwist dat dit alles herstelkosten betreft en dus alle uitgevoerde werkzaamheden betrekking hebben op de oorspronkelijk uit te voeren werkzaamheden. [gedaagde] kan echter nu alle verrichte werkzaamheden door MVB Bouw op detailniveau zijn uiteengezet in de eindafrekening van 9 september 2011, en ook de rapportage van [naam 3] als basis voor de werkzaamheden wordt opgevoerd, niet volstaan met de blote stelling dat niet alle werkzaamheden verricht door MVB Bouw herstelwerkzaamheden betreffen en dat eisers hun stelling dat [gedaagde] ondeugdelijk haar werkzaamheden heeft uitgevoerd en dat de herstelkosten € 21.287,16 bedroegen maar moeten bewijzen. Nu eisers aan hun stelplicht hebben voldaan was het aan [gedaagde] om een en ander voldoende gemotiveerd te betwisten. [gedaagde] heeft dat niet gedaan, zodat van de juistheid van het door eisers gesteld zal worden uitgegaan en deze schadepost geheel voor vergoeding in aanmerking komt.

17.

Vervolgens vorderen eisers vergoeding van schade bestaande uit werkzaamheden verricht door derden, niet zijnde MVB Bouw. In de eerste plaats gaat het om een bedrag van € 783,21 als gevolg van een gaslek. Eisers onderbouwen het bestaan van dit lek met een werkbeschrijving van Technisch Installatiebureau Gofilex B.V., waaruit blijkt dat op 11 april 2011 een lek in een gasleiding is geconstateerd. Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit te veel betaalde gaskosten over de periode waarbij de woning onbewoond is geweest. [gedaagde] heeft betwist dat hij iets met het gaslek te maken heeft. Hiermee heeft zij de gemotiveerde stelling van eisers evenwel onvoldoende betwist, en nu de (berekening van) de hoogte van de kosten van gas verder onbetwist is, komt deze schade voor vergoeding in aanmerking.

18.

Voorts vorderen eisers een bedrag van € 4.836,58 opgebouwd uit zeven posten van diverse kosten van herstel van gebreken, waarbij elk van de posten is onderbouwd met een factuur. [gedaagde] heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat de betreffende schade door haar toedoen is ontstaan. Zij voert voorts aan dat diverse posten onvoldoende zijn gemotiveerd. Het is, zo stelt zij, bijvoorbeeld onduidelijk waarom verhuis- en opslagkosten zouden moeten worden vergoed. Nu deze gebreken niet tijdens de opname- of serviceperiode zijn gemeld, is [gedaagde], zo stelt zij, ontslagen van aansprakelijkheid op grond van artikel 11 lid 4 van het Covo 2010. Overwogen wordt allereerst dat eisers nu juist primair geen verhuis- en opslagkosten vorderen, nu zij, zo verduidelijken zij, al een gefixeerde schadevergoeding hebben gevorderd en daarmee de opgelopen vertraging zal worden opgevangen. Geoordeeld wordt voorts dat eisers de schadeposten zeer gedetailleerd hebben onderbouwd en bovendien dat deze gebreken op diverse eerdere momenten middels e‑mails, brieven en rapporten aan [gedaagde] zijn gemeld. De blote betwisting van het veroorzaken van de schade is onder die omstandigheden onvoldoende. [gedaagde] kan zich bovendien niet op gebrek aan wetenschap beroepen, nu zij steeds bij het werk aanwezig is geweest (zij voerde dit immers zelf uit) en doorlopend op de gebreken is gewezen. Van haar kan dan ook worden verwacht dat zij per post gemotiveerd kan reageren op de gestelde gebreken. Nu zij dit heeft nagelaten, komen deze schadeposten voor toewijzing in aanmerking.

19.

Eisers vorderen een gefixeerde schadevergoeding conform artikel 11 leden 6 en 10 omdat de werkzaamheden te laat zijn opgeleverd. [gedaagde] voert aan dat er geen sprake was van vertraging en dat, als er al vertraging is geweest, deze niet aan haar is te wijten. Hiervoor is reeds overwogen dat na de eerste opleverdatum van 6 november 2010 ten aanzien van de opdrachten van de aanbouw en het groot onderhoud een nieuwe datum is afgesproken, namelijk 7 januari 2011, maar dat op dat moment deze twee opdrachten ook niet zijn opgeleverd. Nu eisers aan [gedaagde] een nader uitstel hebben vergund tot 7 januari 2011 was de gefixeerde schadevergoeding vanaf dat moment opeisbaar. De gefixeerde schadevergoeding van artikel 11 lid 10 van Covo 2010 is verder van toepassing, overeenkomstig de vordering van eisers, hetgeen neerkomt op 15% van de aanneemsom van de aanbouw, € 4.853,88 en 15% van de aanneemsom van het groot onderhoud, € 4.619,00. Voor de opdracht voor de werkzaamheden in de tuin is geen nieuwe opleverdatum afgesproken, zodat de gefixeerde boete neerkomt op € 40,00 per dag met een maximum van 25% van de aanneemsom, zijnde € 896,55. Een gefixeerde schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 10.369,43, zodat het subsidiair gevorderde niet behoeft te worden beoordeeld

20.

Eisers vorderen een bedrag groot € 2.114,08, bestaande uit rente voor een door hen afgesloten lening omdat zij de te verrichten herstelwerkzaamheden anders niet konden betalen. Bij gebrek aan verweer op dit punt, komt deze schadepost voor toewijzing in aanmerking.

21.

In het licht van al het voorgaande, wordt geconcludeerd dat [gedaagde] dient te worden veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 18.883,25, opgebouwd uit de diverse schadeposten zoals besproken in rechtsoverwegingen 16 tot en met 20, onder aftrek van het in beginsel nog openstaande bedrag van € 20.507,19.

Het overige gevorderde

22.

Eisers vorderen voorts afgifte van garantiebewijzen en instructieboekjes, onder oplegging van een dwangsom. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze in de woning zijn achtergelaten en verzoekt dat de dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 1.000,00, zijnde 20 dagen à € 50,00. Geoordeeld wordt dat nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat de betreffende documenten wel degelijk zijn overhandigd, het op de weg van eisers ligt haar stelling daartegenover nader te onderbouwen. Nu zij dit hebben nagelaten, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

23.

De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en buitengerechtelijke incassokosten komen als niet betwist voor toewijzing in aanmerking.

24.

Wat betreft de vordering in reconventie overweegt de rechtbank dat hoewel [gedaagde] in beginsel recht heeft op betaling van het in rechtsoverweging 15 genoemde bedrag, dit bedrag zal moeten worden verrekend met de door [gedaagde] te vergoeden schade. In die zin zal het beroep van [gedaagde] op verrekening worden toegewezen en de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

25.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers. Nu niet is gebleken dat in reconventie meer of andere kosten zijn gemaakt dan ter onderbouwing van de vordering in conventie zullen de proceskosten in reconventie op nihil worden gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan eisers van:
- € 18.883,25 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2011 tot aan de voldoening;
- € 952,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op:
griffierecht €  437,00
explootkosten €  71,71
salaris gemachtigde €  750,00 (2,5 punt x tarief € 300)
______
totaal € 1.258,71 inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden in reconventie bepaald op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.W.H. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

type: LP

coll: