Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
AWB-13_693
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe aanvraag na eerdere afwijzing bijstand in verband met gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden, niets aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/693

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.W. Mettendaf,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde C. Telting.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van diezelfde datum afgewezen (het primaire besluit).

Bij besluit van 2 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2013.

Partijen zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 7 augustus 2012 ingetrokken omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw [naam samenwonende] aan het adres [adres1] in [woonplaats1]. Na ongegrondverklaring van zijn bezwaar heeft deze rechtbank bij uitspraak van 29 mei 2013 met zaaknummer AWB 12/6372 WWB het beroep van eiser in verband met deze intrekking ongegrond verklaard. In navolging van deze uitspraak gaat de rechtbank er daarom van uit dat eiser en mevrouw [naam samenwonende] van 7 augustus 2012 tot 1 oktober 2012 een gezamenlijke huishouding voerden aan het adres [adres1] in [woonplaats1]. Daarmee zijn zij voor de verlening van bijstand met gehuwden gelijkgesteld.

2.

Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

3.

Gesteld noch gebleken is dat eiser of mevrouw [naam samenwonende] tussen 1 en 25 oktober 2012 is verhuisd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat zij nog steeds een gezamenlijk hoofdverblijf hebben. Gelet op het ‘onweerlegbaar rechtsvermoeden’ dat in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB is neergelegd is daarmee sprake van een gezamenlijke huishouding. Eiser komt daarom niet als zelfstandig rechtssubject voor bijstandsverlening in aanmerking.

4.

Wat eiser overigens heeft aangevoerd is al door de rechtbank in de uitspraak van

29 mei 2013 besproken. Van nieuwe feiten en omstandigheden die verweerder nu nog bij zijn beoordeling zou kunnen of moeten betrekken is geen sprake.

5.

Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB