Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4120

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
09-07-2013
Zaaknummer
EA 13-567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster van coffeeshop: wel of niet arbeidsongeschikt gemeld na mishandeling? Oordeel in ontbindingsprocedure o.g.v. aannemelijkheid; onderscheid met bewijslevering in bodemprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/236
AR-Updates.nl 2013-0509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

AFDELING PRIVAATRECHT

Kenmerk : EA 13-567

Datum : 25 juni 2013

113

Beschikking van de kantonrechter te Amsterdam op een verzoek als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek, ingediend door:

[verzoeker], [bedrijf]

wonende te [woonplaats]

verzoeker

gemachtigde: mr. H.F. Govers

t e g e n:

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verweerster

gemachtigde: mr. drs. J.C. Duvekot

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verzoeker heeft op 2 mei 2013 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.


Verweerster heeft op 23 mei 2013 een verweerschrift ingediend.


Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 18 juni 2013. Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Verweerster is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1.

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

Verweerster, thans [zoveel]jaar oud, is sedert 12 februari 2011 in dienst van verzoeker, laatstelijk als medewerkster verkoop. Het nettosalaris bedraagt € 1.190,00 per maand exclusief vakantietoeslag.

2.

Verzoeker verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Daartoe stelt verzoeker - kort gezegd - dat hij een kleine coffeeshop exploiteert, waar verweerster in wisseldiensten werkte. Zij werd dagelijks contant uitbetaald op basis van een netto uurloon van € 8,50 per uur. Volgens verzoeker is verweerster zonder enig bericht na haar laatste werkdag op 27 december 2012 weggebleven. Hij heeft haar enkele malen gebeld, maar kreeg geen contact. Zijn berichten, onder meer dat van 28 december 2012, werden niet beantwoord. Hij heeft toen de loonbetalingen gestaakt.

3.

In januari 2013 ontving verzoeker een sommatie tot betaling van salaris, waaruit hij opmaakte dat verweerster een geheel andere visie op de gebeurtenissen in december 2012 had. Volgens verweerster was zij op 13 december 2012 in het bedrijf mishandeld door haar ex-vriend. Zij heeft zich toen ziek gemeld en is na een kort bezoek aan de coffeeshop op 14 december 2012 arbeidsongeschikt gebleven. Zij verweet verzoeker de ziekmelding te hebben genegeerd en de loonbetaling te hebben gestaakt. Verzoeker betwist die verwijten met klem. Er heeft inderdaad een incident plaatsgehad, maar dat was op 7 december 2012. Verweerster heeft zich niet ziek gemeld en is na 13 december 2012 gewoon blijven werken. Verzoeker verwijst naar verklaringen van vaste klanten en medewerkers, die bevestigen dat zij verweerster na haar vermeende ziekmelding nog hebben zien werken. Volgens verzoeker is de vertrouwensrelatie tussen partijen verdwenen, hetgeen aan verweerster is te verwijten. Voor de toekenning van een vergoeding ziet hij geen grond.

4.

Verweerster betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door verzoeker bedoelde zin en verzet zich tegen de door verzoeker gevorderde ontbinding. Verweerster verzoekt voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden om een vergoeding ter hoogte van 3 maanden bruto salaris bij een ontbinding tegen 1 september 2013 ten laste van verzoeker toe te kennen.

5.

Verweerster voert ter ondersteuning van haar stellingen - kort gezegd - aan op 13 december 2012 in de coffeeshop ernstig te zijn mishandeld door haar ex-partner. Zij heeft de mishandeling dezelfde dag bij de politie gemeld en heeft op 15 december 2012 aangifte gedaan. De mishandeling was vastgelegd op camerabeelden, die zij op 13 december 2012 van verzoeker op een dvd heeft gekregen. Zij heeft zich toen ook bij verzoeker ziek gemeld. Op 14 december 2012 heeft zij de dvd nogmaals op de computer in het bedrijf bekeken; op 15 december 2012 heeft zij hem aan de politie gegeven. Na 14 december 2012 is zij niet meer in het bedrijf geweest. Zij was bont en blauw geslagen, heeft zich onder behandeling van een arts gesteld en heeft enkele maanden binnen moeten blijven uit angst voor herhaling. Op 17 december 2012 heeft zij de sleutel van het bedrijf afgegeven en nadien kon zij de coffeeshop niet meer betreden.

6.

Verweerster betwist de juistheid van de door verzoeker overgelegde schriftelijke verklaringen. De opstellers hebben verplichtingen tegenover verzoeker. Het sms-bericht op de telefoon van verzoeker, waarin hij naar haar afwezigheid vraagt, is vervalst. Verweerster verwijt verzoeker haar na 13 december 2012 geen ziekengeld of loon te hebben betaald en haar ook anderszins te hebben laten vallen. Ook verwijt zij hem per 1 december 2012 de salarisbetalingen te hebben stopgezet. Voorheen werd zij contant per dag betaald, maar verzoeker heeft die wijze van betaling veranderd en vervolgens helemaal niet meer betaald. Haar loonvordering is aanhangig bij de kantonrechter alhier.

7.

Verweerster voert primair aan dat het ontbindingsverzoek in strijd is met het opzegverbod van art. 6:670 BW en bepleit subsidiair de toekenning van de voormelde vergoeding.

8.

Geoordeeld wordt als volgt.
Evident is dat tussen partijen de goede verstandhouding die noodzakelijk is voor een verdere samenwerking tussen partijen, blijvend is komen te ontbreken. Het opzegverbod is in de onderhavige zaak onvoldoende relevant. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden.

9.

De vraag of er grond bestaat voor de toekenning van een vergoeding hangt direct samen met de verwijtbaarheid van de verstoring van de arbeidsrelatie. De visies van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar. Verweerster voert aan zich na de mishandeling op 13 december 2012 ziek te hebben gemeld en na een kort bezoek aan de coffeeshop op 14 december 2012 arbeidsongeschikt te zijn gebleven. Volgens verzoeker vond de mishandeling op 7 december 2012 plaats, heeft verweerster zich niet ziek gemeld en is zij tot en met 27 december 2012 blijven werken. Indien de lezing van verweerster wordt gevolgd, heeft verzoeker zich als een slecht werkgever gedragen en bestaat er grond voor de toekenning van een vergoeding. Indien verzoeker naar waarheid heeft verklaard, kan er sprake zijn van werkweigering door verweerster en kan zij geen aanspraak maken op een vergoeding.

10.

De onderhavige procedure leent zich niet voor het horen van getuigen, temeer niet omdat partijen hebben gesteld meerdere getuigen te willen horen en omdat het feitencomplex ook onderwerp van onderzoek zal zijn in de lopende bodemprocedure. Dat levert het volgende dilemma op. De bodemrechter in de lopende loonvorderingsprocedure zal, als hij daartoe aanleiding ziet, getuigen onder ede kunnen horen en op die wijze beter tot de vaststelling van de feiten kunnen komen dan in de onderhavige procedure mogelijk is. Eén optie is om de beslissing in deze procedure aan te houden totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist. Dat is echter niet wenselijk omdat de arbeidsovereenkomst dan voortduurt tot een onzeker moment in de toekomst. De tweede optie is om slechts de beslissing over de vergoeding aan te houden. Ook dat is niet wenselijk omdat de beslissingen over de ontbinding en de vergoeding met elkaar verbonden zijn en verzoeker het ontbindingsverzoek niet meer kan intrekken als hij zich niet kan vinden in de hoogte van de vergoeding. Dan resteert een derde optie: beslissen op basis van de thans aannemelijk geachte feiten en omstandigheden. De kans bestaat dat het oordeel van de bodemrechter anders uitvalt, maar dat is onvermijdelijk.

11.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoeker op basis van de thans bekende informatie voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerster tot 27 december 2012 heeft gewerkt, in ieder geval tot na 14 december 2012. De vier door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van klanten en medewerkers zijn op dat punt eenduidig. De toelichting door [naam] van haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling was gedetailleerd en – naar dit oordeel – geloofwaardig. Dat de opstellers allen onjuist hebben verklaard omdat zij verplichtingen jegens verzoeker hebben, heeft verweerster niet onderbouwd. Vast staat dat verweerster op 14 december 2012 in de coffeeshop aanwezig was ten tijde van een onaangekondigd bezoek door het Horeca Interventie Team. Dat zij er toen kort en min of meer toevallig was, en niet in verband met haar werkzaamheden, is niet aannemelijk geworden. Verweerster heeft gewezen op de verklaring van haar huisarts en het proces-verbaal van aangifte bij de politie, maar die stukken bevatten geen eigen waarnemingen over de datum van de mishandeling. Verzoeker heeft tenslotte gemotiveerd betwist dat de camerabeelden van de mishandeling een leesbare vermelding van de datum bevatten. Verweerster heeft de camerabeelden tegenover die betwisting niet in het geding gebracht.

12.

Op grond van het bovenstaande wordt het er thans voor gehouden dat verweerster na 13 december 2012 nog heeft gewerkt en dat zij op die datum dus niet arbeidsgeschikt is geraakt. Daarmee staat thans voorts voldoende vast dat zij na 27 december 2012 niet meer op het werk is verschenen, zonder zich af te melden en zonder te reageren op oproepen van verzoeker. Dat geeft grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding.

13.

Er zijn termen de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2013;

bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Aldus gegeven door mr. F. van der Hoek, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op
25 juni 2013 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter