Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:4016

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
AMS 13/2354 AW, AMS 13/1755 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar wegens ziekte. Verweerder heeft niet gehandeld conform artikel 8.1.5, zevende lid, van de SAW, nu het ontslag van verzoekster uitsluitend is gebaseerd op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Voorts staat vast dat verweerder in het geheel niet heeft onderzocht of verzoekster binnen de organisatie arbeid was op te dragen, zodat sprake is van schending van de op verweerder rustende verplichting van artikel 8.1.5, tweede lid, onder c, van de SAW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 13/2354 AW (voorlopige voorziening)

AMS 13/1755 AW (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. M.A.M. Ansink,

en

het bestuur van de stichting Waternet,

verweerder,

gemachtigde mr. M.H.M. van Asten.

Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2013 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 juni 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Verder waren ter zitting aanwezig [medewerker1 verweerder], [medewerker2 verweerder] en

[medewerker3 verweerder] namens verweerder. Tevens is verschenen de partner van verzoekster.

Overwegingen

1.

Inleidende bepalingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

1.3.

De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2.

Feiten en omstandigheden

2.1.

Verzoekster is sinds 1 augustus 2009 in – tijdelijke – dienst bij verweerder als communicatieadviseur. Met ingang van 1 augustus 2010 heeft verzoekster een vaste aanstelling ontvangen als communicatieadviseur voor 37 uur per week. Met ingang van 4 november 2010 is verzoekster volledig arbeidsongeschikt geraakt vanwege ernstige psychische klachten. Vanaf 8 juni 2012 is verzoekster gestart met haar re-integratie in die zin dat zij twee uur per week op arbeidstherapeutische basis werkzaam was in haar oude functie. Per 27 juli 2012 is het aantal werkzame uren uitgebreid naar drie uur per week op arbeidstherapeutische basis.

2.2.

Bij besluit van 21 september 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan verzoekster met ingang van 1 november 2012 een loongerelateerde uitkering toegekend op grond van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA). Het UWV heeft aan dit besluit een verzekeringsgeneeskundige rapportage van verzekeringsarts R.T. Lansbergen van 4 september 2012 (de Rapportage) ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts heeft in deze Rapportage overwogen dat verzoekster niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden en dat zij sterk beperkt is in het persoonlijk dan wel sociaal functioneren, als gevolg waarvan zij in dit stadium marginaal belastbaar is met werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft voorts geconcludeerd dat de bedrijfsarts terecht heeft gesteld dat er op dit moment geen benutbare mogelijkheden zijn, maar de verzekeringsarts spreekt de verwachting uit dat de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen toenemen. Een heronderzoek staat vervolgens gepland voor juni 2013.

2.3.

Bij besluit van 12 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het dienstverband met verzoekster beëindigd met ingang van 1 januari 2013. Hiertoe heeft verweerder besloten op basis van de Rapportage. Verzoekster heeft tegen dit besluit gemotiveerd bezwaar gemaakt.

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar het advies van de bezwarencommissie. Hieruit komt – voor zover van belang – naar voren dat verweerder in voldoende mate heeft aangetoond dat is onderzocht of re-integratie tot de mogelijkheden behoorde en dat is voldaan aan de voorwaarden voor ontslag, omdat geen sprake is dan wel zal zijn van een volledig herstel binnen zes maanden. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en tevens verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat zij wenst dat het primaire besluit wordt geschorst en zij kan re-integreren in haar oude functie.

3.

Juridisch kader

3.1.

Op grond van artikel 8.1.5, eerste lid, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW) kan aan een ambtenaar ontslag worden verleend op grond van arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Het ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie.

3.2.

Op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, van de SAW mag een ontslag als bedoeld in het eerste lid slechts plaatsvinden indien:

  1. ) er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden;

  2. ) herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten;

  3. ) het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van het waterschap andere arbeid op te dragen dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

3.3.

Op grond van artikel 8.1.5, zevende lid van de SAW betrekt het bestuursorgaan bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, sub a, b en c het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en een door het bestuursorgaan of de ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel van het UWV.

4.

Beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster gedurende een onafgebroken periode van 24 maanden na de eerste ziektedag haar eigen werkzaamheden niet heeft verricht, zodat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 8.1.5, tweede lid, onder a, van de SAW. Tussen partijen is in geschil of tevens is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8.1.5, tweede lid, onder b en c, van de SAW. Met name de vraag of verweerder voldoende re-integratie inspanningen heeft geleverd houdt partijen verdeeld.

4.2.

Verweerder heeft zich aangesloten bij de beoordeling zoals neergelegd in de Rapportage van het UWV in het kader van de beoordeling van verzoeksters recht op een WGA-uitkering. Op basis daarvan was het volgens verweerder niet reëel dat verzoekster binnen een periode van zes maanden na 4 november 2012 weer volledig zou zijn hersteld. Voor wat betreft de vraag of voldoende re-integratie inspanningen zijn verricht heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat re-integratie in het geheel niet mogelijk was vanwege het ontbreken van benutbare mogelijkheden en de aard van verzoeksters beperkingen. Dit blijkt ook uit het advies van de verzekeringsgeneeskundige zoals neergelegd in de Rapportage. Daarbij komt dat verzoekster niet op een andere afdeling (arbeidstherapeutische) werkzaamheden wilde verrichten dan in haar eigen functie en dat verzoekster, ten tijde van het voorgenomen ontslag, geen gebruik wenste te maken van het aanbod om middels een gespecialiseerd bureau een andere re-integratieplek te vinden, aldus verweerder.

4.3.

Verzoekster heeft in beroep aangevoerd dat haar situatie aanmerkelijk is verbeterd en dat haar benutbare mogelijkheden sinds het onderzoek van 4 september 2012 aanzienlijk zijn toegenomen. Verzoekster is dan ook in staat tot uitbreiding van de werkzaamheden. Hiertoe heeft verzoekster gewezen op een nadere verklaring van verzekeringsarts R.T. Lansbergen van 1 februari 2013 en op verklaringen van de bedrijfsarts van 2 november 2012 en 4 juni 2013. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder ten onrechte is afgegaan op de beoordeling door het UWV en heeft nagelaten een eigen zorgvuldig onderzoek te verrichten.

4.4.

In de Rapportage is het volgende vermeld: ‘met betrekking tot de actuele belastbaarheid wordt als volgt overwogen. Er is sprake van een sterk verminderde beschikbaarheid door behandelingen die aanwezigheid vereisen gedurende twee volledige dagen in de week (…) dit maakt dat er sprake is van een minimale/ marginale belastbaarheid ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden’. Verder wordt onder het kopje ‘prognose functionele mogelijkheden’ vermeld dat de verwachting is dat de functionele mogelijkheden op langere termijn wezenlijk zullen toenemen. Op vragen van verzoekster heeft de verzekeringsarts in zijn brief van 1 februari 2013 het volgende geantwoord: ‘In het kader van de gronden voor het ontslag besef ik nu dat ‘lange termijn’ een weinig specifieke termijn is. Ten aanzien van de prognose dient de term verwachting gelezen te worden als dat ik er vanuit ging dat verbetering zou gaan optreden. De datum juni 2013 waarin een herbeoordeling geadviseerd werd hangt met name samen met het feit dat naar verwachting op dat moment de tijdsintensieve behandelingen die plaatsvinden in ieder geval op dat moment afgerond zouden zijn, hiermee is echter niet uitgesloten dat de behandelintensiteit op een eerder moment al gereduceerd zou kunnen zijn noch dat er tussen september 2012 en juni 1013 geen verbetering zou optreden.’

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder niet heeft gehandeld conform het zevende lid van artikel 8.1.5 van de SAW. Hierin is immers vermeld dat, naast het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, nog een onderzoek wordt betrokken bij het ontslag. Dit is blijkens het primaire besluit van 12 november 2012 in het geval van verzoekster niet gebeurd. Het ontslag is uitsluitend gebaseerd op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, zoals is verwoord in de Rapportage. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek op basis van deze gegevens kon concluderen dat verzoekster niet binnen een periode van zes maanden na 4 november 2012 weer volledig zou zijn hersteld. Deze vraag wordt immers in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet met zoveel woorden beantwoord. Evenmin geeft de tekst opgenomen onder het kopje ‘prognose functionele mogelijkheden’ daarover duidelijkheid. Voor zover verweerder al zou mogen uitgaan van uitsluitend de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de aanvraag op grond van de WIA, zoals neergelegd in de Rapportage, dient dat onderzoek voldoende duidelijk en inzichtelijk te zijn. Daarvan is geen sprake, zoals onder andere blijkt uit de toelichting van de verzekeringsarts op 1 februari 2013.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat op grond van de gedingstukken voldoende vaststaat dat verweerder in het geheel niet heeft onderzocht of verzoekster binnen Waternet arbeid op te dragen was. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hiermee de op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, onder c, van de SAW op hem rustende verplichting niet is nagekomen. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) reeds meermalen heeft overwogen dient, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, een dergelijke bepaling door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht te worden genomen (zie de uitspraak van de CRvB van 13 september 2001, LJN: AD5013 ). Dit is slechts anders indien sprake is van dusdanige omstandigheden dat een herplaatsing, vanwege iemands gezondheidstoestand, als louter hypothetisch dient te worden beschouwd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2004, LJN: AO4714).

4.7.

Verweerder heeft gelet op bovenstaande jurisprudentie naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte volstaan met de vaststelling dat, gelet op de soort en de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster, zoals vastgesteld door het UWV, een herplaatsingsonderzoek achterwege kon blijven. Evenmin kan verweerder worden gevolgd dat uit de conclusie van de verzekeringsarts, dat er geen re-integratiekansen zijn gemist en dat het re-integratieverslag akkoord is, zonder meer moet volgen dat een herplaatsingsonderzoek achterwege kon blijven. Daarbij is van belang dat uit het advies van de verzekeringsgeneeskundige, zoals neergelegd in de Rapportage, niet kan worden afgeleid dat een eventuele herplaatsing van verzoekster als louter hypothetisch moest worden gezien. Zoals hierboven reeds is overwogen bevat de Rapportage ten aanzien van de (medische) toekomst van verzoekster geen concrete uitspraken. Uit de conclusie van het UWV, waarin verzoekster 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard in de zin van de WIA volgt niet automatisch dat er voor die persoon in het geheel geen geschikte functies meer kunnen zijn. Bij de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA gaat het immers om de vraag wat de vermindering van diens verdiencapaciteit is in de zin van die wet en staat dus los van de vraag of iemand in staat kan worden geacht werkzaamheden te verrichten. Daarbij komt dat verzoekster een brief heeft overgelegd van verzekeringsarts R.T. Lansbergen van

1 februari 2013. In deze brief heeft de verzekeringsarts zijn rapportage van 4 september 2012 toegelicht, zoals hierboven onder 4.4 vermeld. Tevens heeft verzoekster een terugkoppelingsverslag bedrijfsarts van 2 november 2011 overgelegd, waarin bedrijfsarts M. Greve heeft geconcludeerd dat verzoekster een stap vooruit zou kunnen maken, zowel qua tijdsuitbreiding als inhoudelijke verdieping. Dat verzoekster zou hebben geweigerd mee te werken aan een re-integratie traject acht de voorzieningenrechter hoogst onaannemelijk, nu uit de stukken veelvuldig naar voren komt dat verzoekster te kennen heeft gegeven graag te willen werken. De bezwarencommissie heeft in zijn advies opgenomen dat door verweerder onvoldoende is aangetoond dat verzoekster re-integratie heeft geweigerd en verweerder heeft geen nadere motivering gegeven waarom zij op dit punt van het advies zijn afgeweken.

4.8.

Gelet op het voorgaande was verweerder niet bevoegd om verzoekster ontslag te verlenen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 8.1.5, onder b en c, van de SAW. Het beroep van verzoekster is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Verzoekster heeft verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst, zodat zij in de gelegenheid kan worden gesteld haar eigen werkzaamheden weer te verrichten. Hiertoe heeft verzoekster aangevoerd dat het in haar nadeel werkt indien de re-integratie langer wordt uitgesteld, dat de kloof tussen verzoekster en Waternet (waaronder haar collega’s) groter zal worden, zodat de stap tot re-integratie groter zal worden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het primaire besluit te schorsen en verweerder op te dragen om indien verweerder aanleiding ziet een nieuw ontslagbesluit te nemen, alsnog door een zorgvuldig onderzoek na te gaan of verzoekster binnen Waternet passende arbeid kan worden opgedragen. Een onderzoek als bedoeld zal zich in beginsel moeten uitstrekken over een periode van (tenminste) zes maanden, waarbij het noodzakelijk is om na te gaan of er daadwerkelijk een herplaatsingsmogelijkheid aanwezig is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 april 2009, LJN: BI2197). Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4.9.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard zal verweerder worden veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, ad € 472,- per punt). Tevens dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 28 februari 2013;

  • -

    herroept het primaire besluit van 12 november 2012;

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan verzoekster;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

de griffier

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Coll: MvdV

D: B

SB