Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:3997

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
AWB-13_1893
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Alcoholslotprogramma

Het opleggen van een alcoholslotprogramma aan vrachtwagen- of buschauffeurs kan niet worden aangemerkt als punitieve sanctie. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om geen uitzondering te maken voor bestuurders die het rijbewijs voor hun werk nodig hebben. Juist van deze categorie bestuurders mag een bijzonder verantwoordelijkheidsgevoel worden verwacht ten opzichte van de medeweggebruikers. Het feit dat men als gevolg van het in eigen tijd begaan van een zwaar verkeersdelict een maatregel opgelegd krijgt die ertoe leidt dat men de voor het werk benodigde rijbevoegdheid verliest, behoort tot de risicosfeer van de betrokken bestuurder zelf.

Verweerder heeft op basis van de hiervoor weergegeven passages terecht geconcludeerd dat het doel van de maatregel ook ten aanzien van de houders van rijbewijzen van de categorie C en D de verkeersveiligheid is. Leedtoevoeging wordt niet beoogd. De voorzieningenrechter acht de maatregel niet in een zodanige wanverhouding staan tot het met de maatregel beoogde doel, de verkeersveiligheid, dat gesproken zou moeten worden van een punitieve sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/1893 WET

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. F.D.W. Siccama,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder,

gemachtigde I.S.B. Metaal.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 8 maart 2013 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 mei 2013.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

inleidende bepalingen

1.1

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.

feiten en omstandigheden

2.1

Op 26 februari 2013 is namens de korpschef van de politie Amsterdam-Amstelland aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) gedaan van het vermoeden dat verzoeker, die houder is van een rijbewijs, niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën B, D en AM van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat op 20 februari 2013 bij verzoeker een ademalcoholgehalte van 575 µg/l is geconstateerd.

2.2

Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder bij het primaire besluit van

8 maart 2013 het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en een alcoholslotprogramma opgelegd.

2.3

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.4

Verzoeker voert aan dat hij buschauffeur van beroep is waardoor het besluit onevenredige gevolgen voor hem heeft. Hij kan zijn werk niet uitoefenen en raakt zijn baan mogelijk kwijt, hetgeen hem verder in de financiële en sociale problemen zal brengen. Verzoeker stelt dat het opleggen van een alcoholslotprogramma een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is. Eiser voert hiertoe aan dat de procedure is gestart naar aanleiding van een strafrechtelijke verdenking en de procedure vooral in het begin een zeer uitdrukkelijk strafrechtelijk van aard is. Ook uit het feit dat direct na het strafrechtelijk onderzoek de bijna automatische toepassing van een maatregel door verweerder wordt toegepast is een ander aspect waaruit moet worden afgeleid dat de maatregel een vergeldend element heeft. Als wordt gekeken naar de zwaarte van de maatregel dan houdt deze een directe ongeldigverklaring van het rijbewijs in voor alle categorieën in. In de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2005 (Nilsson/Zweden) is geoordeeld dat het intrekken van het rijbewijs voor de duur van achttien maanden een sanctie vormde die enkel op basis van de zwaarte daarvan diende te worden aangemerkt als “criminal charge”. Verzoeker stelt verder dat, gelet op de uitspraak van de meervoudige kamer van rechtbank Haarlem van 21 december 2012, het besluit vol aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. Verzoeker stelt dat bij de oplegging van de maatregel geen rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Ten slotte voert verzoeker aan dat hij door het niet kunnen uitvoeren van zijn werkzaamheden het alcoholslotprogramma ook niet kan betalen.

2.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de vorderingsprocedure en wijziging van de Wvw in verband met de invoering van het alcoholslotprogramma (Kamerstukken II 2008/2009, 31 896, nr. 3; hierna: de memorie van toelichting) blijkt dat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen het alcoholslot alleen mogelijk te maken voor categorie B motorrijtuigen. Het bevoegd gezag heeft het volgens verweerder vooralsnog onwenselijk geacht het instrument van het alcoholslotprogramma in te zetten voor zover het een C of D voertuig betreft. Het bevoegd gezag vindt daarvoor rechtvaardiging in de bijzondere verantwoordelijkheid die van beroepschauffeurs wordt verwacht. Verweerder heeft gesteld dat de maatregel naar zijn aard niet bestraffend is. Het alcoholslotprogramma heeft in het algemeen, maar in het bijzonder ook ten aanzien van houders van een rijbewijs van de categorie C en D, niet het oogmerk leed toe te voegen. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de gevolgen die een maatregel heeft voor een burger niet volgens vaste jurisprudentie niet van doorslaggevend belang zijn voor het oordeel dat een maatregel een criminal charge is. Verweerder heeft ten slotte aangevoerd dat gezien de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wvw en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid geen ruimte voor afweging van de persoonlijke belangen van verzoeker bestaat nu geen sprake is van een “criminal charge”.

3.

inhoudelijke beoordeling

3.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het geconstateerde ademalcoholgehalte van 575 µg/l niet betwist. Ook wordt niet betwist dat dit promillage boven de wettelijke norm van 1,3 promille (570 µg/l) voor het opleggen van een alcoholslotprogramma ligt.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat het nationale recht niet voorziet in een door verweerder aan te leggen evenredigheidstoets. Verweerder voert dwingendrechtelijke bepalingen uit, en heeft niet de bevoegdheid daarvan af te wijken. Van een dergelijke toets kan derhalve alleen sprake zijn indien de opgelegde maatregel als “een criminal charge” zou moeten worden aangemerkt. De vraag of een maatregel als een "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 van het EVRM moet worden aangemerkt, moet worden beantwoord aan de hand van de kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel, en de aard en de zwaarte van de maatregel.

3.3

Dat, zoals door verzoeker is aangevoerd, de procedure die tot de oplegging van het alcoholslot heeft geleid is aangevangen met een aanhouding op verdenking van rijden onder invloed en daaropvolgend ademonderzoek, maakt niet dat daardoor sprake is van een punitieve sanctie. Vast staat dat de procedure tot het opleggen van een alcoholslotprogramma een bestuursrechtelijke procedure is die geheel los staat van een eventuele strafprocedure over het geconstateerde rijden onder invloed van alcohol. Dat overtreding van de normen vrijwel automatisch leidt tot oplegging van het alcoholslotprogramma zegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niets over het karakter van deze maatregel. Er zijn vele bestuursrechtelijke normen die bij overtreding tot het nemen een belastend besluit leiden, zonder dat die besluiten als punitief gekwalificeerd moeten worden.


3.4 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever niet heeft beoogd om met het alcoholslotprogramma een punitieve sanctie op te leggen. In de memorie van toelichting over de aanleiding voor de invoering van het alcoholslotprogramma – voor zover van belang – is het volgende opgenomen (blz. 7-9):

“Op basis van een uitgebreide case-control studie van de SWOV (Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, toev. vzr) in het politiedistrict Tilburg (Mathijssen & Houwing, 2004) komt de SWOV tot de conclusie dat minstens een kwart van de verkeersdoden in Nederland het gevolg is van alcoholgebruik. Dit zou dan voor 2006 neerkomen op ruim 200 verkeersdoden als gevolg van alcoholgebruik. Voor 2007 zou dit neerkomen op ongeveer hetzelfde aantal. Driekwart van deze slachtoffers wordt veroorzaakt door bestuurders met een bloedalcoholgehalte van 1,3 promille of meer. (Mathijssen en Houwing 2005). Jaarlijks laat mijn ministerie door de directie Verkeer en Scheepvaart (DVS; voorheen AVV) onderzoek verrichten naar het aantal overtreders van de alcohollimiet in weekendnachten. In de afgelopen jaren blijkt uit dit onderzoek dat het totale aantal overtreders weliswaar afneemt, maar dat het aantal zware drinkers (>1,3 promille) niet significant is afgenomen. (...) Het doel voor 2020 is een reductie van het aantal verkeersdoden in zijn algemeenheid te bewerkstelligen van 791 in 2007 tot maximaal 500 (...). Dit brengt met zich mee dat ook het aantal alcoholgerelateerde doden omlaag moet. Een concreet aantal is hierbij voor deze categorie niet vastgesteld, maar gelet op het feit dat het totaal aantal verkeersslachtoffers voor een groot deel bestaat uit alcoholgerelateerde verkeersslachtoffers, zullen ook voor deze categorie verkeersslachtoffers specifieke maatregelen nodig zijn. Daarom zal gelet op het bovenstaande vooral moeten worden ingezet op de zware overtreder.

(...)

Dit brengt mij tot de conclusie dat nieuwe instrumenten nodig zijn om weer een gunstige trend tot stand te brengen. (...)

Zo’n nieuw instrument is naar mijn mening het alcoholslotprogramma. Doel hiervan is om de deelnemer te leren een scheiding aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. (...) Aan de verplichting tot inbouw van een alcoholslot kan de verplichting worden gekoppeld om een begeleidingsprogramma te volgen. Hierbij worden de gegevens uit het slot periodiek uitgelezen en wordt betrokkene gemotiveerd zonder alcohol te gaan rijden. (...)

Bestuurders bij wie in het motorrijtuig een alcoholslot is ingebouwd, vallen tijdens het rijden in zo’n motorrijtuig veel minder vaak in herhaling dan bestuurders met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid of een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Dat blijkt uit diverse onderzoeken in de Verenigde Staten, Canada en Zweden. Bij de onderzoeken die sinds 1997 zijn uitgevoerd (...), recidiveerden deelnemers aan het alcoholslotprogramma gemiddeld 80% minder vaak. Het alcoholslotprogramma kan daarom een wezenlijke bijdrage leveren aan het bereiken van de hierboven beschreven doelstelling. (...)”.

3.5

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor is weergegeven, dat het opleggen van een alcoholslotprogramma een maatregel is die beoogt de verkeersveiligheid te verhogen. Er wordt een alcoholslot in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B ingebouwd en de deelnemer dient een begeleidingsprogramma voor de duur van tenminste twee jaar te volgen. Tijdens de deelname aan het programma blijft de deelnemer over het rijbewijs van de categorie B beschikken. Op grond hiervan onderscheidt de maatregel zich ook van de zaak Nilsson/Zweden nu in die zaak het rijbewijs onvoorwaardelijk ongeldig was verklaard op grond van een strafrechtelijke veroordeling.

3.6

In het onderhavige geval kan verzoeker wel een rijbewijs categorie B (met code 103) verkrijgen maar is zijn belang gelegen in het feit dat hij een rijbewijs voor de categorie D nodig heeft voor zijn werk. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om geen uitzondering te maken voor bestuurders die het rijbewijs voor hun werk nodig hebben. Juist van deze categorie bestuurders mag een bijzonder verantwoordelijkheidsgevoel worden verwacht ten opzichte van de medeweggebruikers. Het feit dat men als gevolg van het in eigen tijd begaan van een zwaar verkeersdelict een maatregel opgelegd krijgt die ertoe leidt dat men de voor het werk benodigde rijbevoegdheid verliest, behoort tot de risicosfeer van de betrokken bestuurder zelf. (Kamerstukken II 2008/9, 31896, nr. 3(MvT),pag. 17).

Verweerder heeft op basis van de hiervoor weergegeven passages terecht geconcludeerd dat het doel van de maatregel ook ten aanzien van de houders van rijbewijzen van de categorie C en D de verkeersveiligheid is. Leedtoevoeging wordt niet beoogd.

3.7

Met betrekking tot de aard van de maatregel onderkent de voorzieningenrechter dat het verlies van de rijbevoegdheid voor de D categorie voor een periode van tenminste twee jaar voor personen als verzoeker zeer ingrijpend is. Niettemin acht de voorzieningenrechter deze maatregel niet in een zodanige wanverhouding staan tot het met de maatregel beoogde doel, de verkeersveiligheid, dat gesproken zou moeten worden van een punitieve sanctie. Verweerder heeft in dit verband terecht gesteld dat het gevaar van zwaar drinkende bus- en vrachtwagenbestuurders voor de verkeersveiligheid zo groot is dat zij gedurende de looptijd van het alcoholslotprogramma geen categorie C en D motorrijtuigen mogen besturen. Dat de deelnemer de kosten van deelname aan het alcoholslotprogramma dient te betalen kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze kosten moeten worden voldaan voor de uitvoering van het programma en geen boete betreffen.

3.8

Gelet op het met de maatregel beoogde doel, de aard en de zwaarte van de maatregel, is de maatregel naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan te merken als een “criminal charge”. Van het aanleggen van een evenredigheidstoets kan dan ook geen sprake zijn.

3.9

Gelet op het hiervoor is overwogen is het waarschijnlijk dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

3.10

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.P.J. de Graaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Gort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2013.

de griffier

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB

Coll:JV