Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:3973

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
13/651478-10 (A), 13/720007-11 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokken persoon wordt verdacht van diefstal met geweld en mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/651478-10 (A), 13/720007-11 (PROMIS)

Datum uitspraak: 2 april 2013

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres].

1 Verloop van de procedure

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 april 2013.

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen zijn aangebracht onder vermelde parketnummers gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. van Laere en van hetgeen door de raadsman, mr. F. van Baarlen en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

Zaak A

zij op of omstreeks 08 oktober 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een telefoon (merk Blackberry), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [persoon 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of haar mededader(s) de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij,

verdachte, en/of haar mededader(s)

- om voornoemde [persoon 1] is/zijn gaan staan en/of voornoemde [persoon 1] heeft/hebben

ingesloten en/of- de (rechter)arm van voornoemde [persoon 1] heeft/hebben gepakt en/of op haar rug

heeft/hebben gedraaid en/of

- tegen voornoemde [persoon 1] heeft/hebben gezegd: "Geef me je Blackberry",

althans woorden van die aard en/of strekking en/of

- voornoemde telefoon (Blackberry) uit de handen van voornoemde [persoon 1]

heeft/hebben getrokken en/of gegrist en/of

- heeft/hebben gezegd: "Trek je mes", althans woorden van die aard en/of

strekking en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van

voornoemde [persoon 1] heeft/hebben vastgehouden en/of gericht gehouden en/of

- heeft/hebben gezegd: "Ik ga haar djoeken", althans woorden van die aard

en/of strekking;

Artikel 312 Wetboek van strafrecht

Subsidiair:

zij op of omstreeks 08 oktober 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [persoon 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een telefoon (merk Blackberry), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [persoon 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

- om voornoemde [persoon 1] is/zijn gaan staan en/of voornoemde [persoon 1] heeft/hebben

ingesloten en/of

- de (rechter)arm van voornoemde [persoon 1] heeft/hebben gepakt en/of op haar rug

heeft/hebben gedraaid en/of

- tegen voornoemde [persoon 1] heeft/hebben gezegd: "Geef me je Blackberry",

althans woorden van die aard en/of strekking en/of

- voornoemde telefoon (merk Blackberry) uit de handen van voornoemde [persoon 1]

heeft/hebben getrokken en/of gegrist en/of

- heeft/hebben gezegd: "Trek je mes", althans woorden van die aard en/of

strekking en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van

voornoemde [persoon 1] heeft/hebben vastgehouden en/of gericht gehouden en/of

- heeft/hebben gezegd: "Ik ga haar djoeken", althans woorden van die aard

en/of strekking;

Artikel 317 Wetboek van Strafrecht

Zaak B

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 september 2010 tot en met 21 september 2010 te Amsterdam, opzettelijk [persoon 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen

- slaan en/of stompen

en/of

- bespringen van voornoemde [persoon 2] (waardoor die [persoon 2] viel)

en/of

- ( vervolgens) (toen die [persoon 2] op de grond lag) (met kracht) slaan en/of

stompen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [persoon 2]

en/of

- ( vervolgens) trappen en/of schoppen op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2], waardoor voornoemde [persoon 2] (telkens)letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 21 september 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon 3] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen slaan en/of stompen op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3], waardoor voornoemde [persoon 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, nu de redelijke termijn waarbinnen de zaak van behandeld dient te worden, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Het heeft veel te lang geduurd voordat verdachte is gedagvaard.

In zaak A zijn op 8 maart 2012 de aangeefster en een getuige verhoord, nadat de raadsvrouw aan de bel heeft getrokken waarom de zaak zo lang duurde. Na meer dan een jaar na de getuigenverhoren is de zaak op zitting gekomen. De hulpverlening is op een laag pitje gezet aangezien niet duidelijk was waarom er geen einde kwam aan de zaak. Capaciteitsproblemen kunnen en mogen niet de reden zijn dat verdachte zolang in het ongewisse moest blijven. De officier dient niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Dit geldt ook voor zaak B. De raadsvrouw concludeert dat de redelijke termijn van 16 maanden ruimschoots is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt voorop dat ook zij van mening is dat er sprake is van een enorm tijdsverloop. Dat laat onverlet dat de Hoge Raad in het arrest van 17 juni 2008 het standpunt heeft ingenomen dat overschrijding van de redelijke termijn, ook in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De officier van justitie stelt dat zij bij het bepalen van haar eis rekening zal houden met het tijdsverloop. De officier van justitie verwijst naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam met parketnummer 23-004346-10 van 30 juni 2011 waarin de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bevestigd. Dat in lagere rechtspraak, waaronder die van de Rechtbank Amsterdam, nadien het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen van toepassing was, doet daaraan niet af. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Zij wijst in dit verband ook op het belang van de slachtoffers, die wel degelijk belang erbij hebben dat deze zaken inhoudelijk behandeld worden. De raadsvrouw had om beëindiging van de zaken kunnen verzoeken. Zij heeft hiervoor niet gekozen.

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel de officier van justitie niet heeft betwist dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, onderzoekt de rechtbank eerst of dit inderdaad het geval is.

Op 8 oktober 2010 heeft een incident plaatsgevonden waarbij de telefoon van [persoon 1] is afgepakt en zij bedreigd zou zijn met een steekwapen (zaak A). Zij heeft daarvan op 8 oktober 2010 aangifte gedaan. Verdachte is op 10 oktober 2010 aangehouden op verdenking van medeplegen van voornoemde straatroof en in verzekering gesteld. Op 21 oktober 2010 is de bewaring geschorst.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hierboven bedoeld, is aangevangen op de dag dat verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, te weten 10 oktober 2010.

Op 21 september 2010 heeft er een vechtpartij op school plaatsgevonden waarbij een moeder en haar dochter zouden zijn mishandeld door verdachte (zaak B). Op 21 september 2010 is aangifte gedaan en op 23 september 2010 is de moeder als getuige gehoord. Verdachte is op 22 december 2010 hierover gehoord. Naar aanleiding van dit feit heeft op 4 februari 2011 een zitting plaatsgevonden waarbij de kinderrechter heeft bepaald dat de zaak behandeld zou worden door het bureau mediation. Nadat dit traject is mislukt, is de zaak tezamen met zaak A op zitting gezet. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op de dag dat verdachte is gehoord door de politie, te weten 22 december 2010.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven.

In zijn arrest van 3 oktober 20001 stelt de Hoge Raad, dat, als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een ingewikkelde zaak. In zaak A heeft de raadsman van de medeverdachte verzocht om het laten horen van de aangeefster en een getuige. Dit heeft op 8 maart 2012 plaatsgevonden. In zaak B is de zaak op 4 februari 2011 op zitting door de kinderrechter aangehouden. De rechtbank is niet gebleken van een proceshouding van verdachte die voor een wezenlijke vertraging in de vervolging heeft gezorgd.

De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaken door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Integendeel. De enige verklaring die het OM heeft gegeven voor de lange termijn is dat de zaken zijn blijven liggen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in de onderhavige zaken de redelijke termijn op een langere duur dan 16 maanden zou moeten worden gesteld, is de rechtbank dan ook niet gebleken.

De periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is aangevangen respectievelijk op 10 oktober 2010 en 22 december 2010 en eindigt vooralsnog met dit vonnis in eerste aanleg op 2 april 2013. De duur van deze periode is 30, respectievelijk 28 maanden. De hiervoor vastgestelde redelijke termijn van 16 maanden wordt dus met 14, respectievelijk 12 maanden overschreden.

In het arrest van 17 juni 2008 2 (r.o. 3.21) heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 3, alwaar het een strafzaak betrof waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast, nog eens herhaald.

De vraag rijst echter of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkheid leidt, rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

In voormelde arresten noch - voor zover de rechtbank bekend - in sindsdien gewezen arresten heeft de Hoge Raad daaraan overwegingen gewijd. Om die reden acht de rechtbank zich vrij om, in navolging van recente uitspraken van deze rechtbank, de rechtbank Arnhem en de rechtbank Zwolle 4, te onderzoeken of het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het IVRK in de onderhavige zaken ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, bepaalt voorts dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit de garantie heeft dat de gelegenheid zonder vertraging door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie wordt beslist.

In het jeugdstraf(proces)recht dienen deze artikelen als uitgangspunt te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht bevestigd. Het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect immers minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

De rechtbank brengt hierbij overigens in herinnering dat de overheid ook zelf het uitgangspunt huldigt dat jeugdstrafzaken, gelet op het pedagogische karakter, snel dienen te worden afgedaan (de zgn. Kalsbeeknormen). Tussen het eerste verhoor van de minderjarige verdachte en de beslissing van de kinderrechter dient in beginsel een periode van maximaal 6 maanden te zitten (Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen, geldend van 8 september 2012 tot 30 juni 2015, wetten.overheid.nl).

Voor de vraag of van een verdere vervolging nog een pedagogisch effect valt te verwachten dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken. In de onderhavige zaak zijn dat de navolgende:

  • -

    In zaak A zijn 30 maanden verstreken sinds de aanhouding van verdachte. In zaak B zijn 28 maanden verstreken sinds het eerste verhoor van verdachte. Verdachte was ten tijde van de aanhouding en het eerste verhoor 13 jaar en is thans 16 jaar. De rechtbank merkt op dat minderjarigen in de levensfase van 13 tot 16 jaar in de regel een forse persoonlijke ontwikkeling doormaken.

  • -

    Op 5 januari 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd om zaak A met een werkstraf en een MHS af te doen. Op 24 juni 2011 heeft de Raad meegedeeld dat de MHS, die in zaak A op 21 oktober 2010 was opgelegd als schorsingsvoorwaarde, positief is afgerond. Bij rapport van 28 maart 2013 heeft de Raad gesteld dat verdachte geen verdere strafrechtelijke begeleiding nodig heeft.

  • -

    Op de justitiële documentatie van verdachte staat, naast de onderhavige feiten, dat zij een op 16 juni 2010 door de Officier van Justitie aangeboden transactie terzake overtreding van de Leerplichtwet heeft geaccepteerd. Sinds onderhavige feiten is verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking geweest.

  • -

    De officier van justitie heeft ter zitting in zaak A een verzoek wijziging tenlastelegging aangekondigd, inhoudende dat aan de tenlastegelegde straatroof een subsidiair feit, te weten bedreiging in vereniging, dient te worden toegevoegd omdat in haar optiek het subsidiaire feit meer recht doet aan het feitencomplex zoals dat zich op 8 oktober 2010 heeft afgespeeld. In zaak B gaat het om een mishandeling.

Gelet op het feit dat verdachte inmiddels 16 jaar is, zij na onderhavige feiten niet meer met justitie in aanraking is geweest en er volgens de Raad op dit moment geen begeleiding in een strafrechtelijk kader nodig is, is de rechtbank van oordeel dat het pedagogische effect van een verdere vervolging en eventuele veroordeling terzake een op 13-jarige leeftijd gepleegde mishandeling en, naar het zich thans laat aanzien, bedreiging in vereniging niet alleen verloren is gegaan maar tevens de huidige ontwikkeling van de verdachte op een niet langer aanvaardbare wijze zou kunnen doorkruisen. Ook als bij een eventuele bewezenverklaring de straf zou worden verminderd. Artikel 3, eerste lid, en artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht leiden er dan ook toe dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren. Om die redenen zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het door de Officier van Justitie aangehaalde arrest van 30 juni 2011 van het Gerechtshof Amsterdam maakt het voorgaande niet anders. In dit arrest wordt de vraag waarom de in die zaak geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden immers enkel beantwoord met een verwijzing naar voormeld arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008. Het behelst verder geen specifieke overwegingen met betrekking tot het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het IVRK in relatie tot een, zoals in onderhavig geval, forse overschrijding van de redelijke termijn.

Vordering benadeelde partij

Nu aan de verdachte niet enige straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, zal de benadeelde partij [persoon 2], wonende [adres] die in zaak B op 26 oktober 2011 een vordering heeft ingediend, in die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank realiseert zich dat deze uitkomst voor de benadeelde partij hoogst onbevredigend kan zijn. Ook zij heeft heel lang moeten wachten. Dat gegeven maakt het voorgaande echter niet anders.

4 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart de benadeelde partij [persoon 2] niet ontvankelijk in haar vordering;

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.G. Odink, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.L.L. Briët en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Helder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2013.

1 LJN AA 7309, NJ 2000, 721

2 LJN BD2578, NbSr 2008, 245

3 LJN BL3228, NbSr 2011, 75

4 LJN BY2411, LJN BY3871, LJN BY2419, LJN BZ3522, BZ7798.