Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:3740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_6497
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak heeft betrekking op het geschil over de hoogte van de immateriële schadevergoeding en de vergoeding van de schade als gevolg van haar verhuizing en de aanschaf van een bril. Verweerder heeft niet onjuist gehandeld door op grond van de beschikbare gegevens letsel behorend bij categorie 2 vast te stellen. Eiseres heeft het causaal verband tussen het misdrijf en de verhuizing en tussen het misdrijf en de aangeschafte bril onvoldoende aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/6497

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. G.M. Haring,

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven,

verweerder,

gemachtigde mr. E.G. Aalbers.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een uitkering van € 1.500,-.

Bij besluit van 16 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en de uitkering verhoogd met een bedrag van € 2.148,-.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiseres heeft op 21 september 2009 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds). De aanvraag is bij het primaire besluit ingewilligd. Aan eiseres is een bedrag van € 1.500,- toegekend voor de immateriële schade die zij heeft opgelopen bij een geweldsmisdrijf gepleegd op 16 mei 2001.

De opgegeven materiële schade wegens reiskosten, kledingkosten, verhuiskosten, rechtsbijstandskosten, kosten van medische hulp en tandheelkundige hulp is afgewezen.

1.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiseres gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Aan haar is na bezwaar een bedrag toegekend van in totaal € 2.148,00. Daarbij is voor de immateriële schade letselcategorie 3 in plaats van 2 gehanteerd en zijn voor de schadeposten reizen en vervoer, kleding en rechtsbijstand tevens bedragen toegekend. Daarnaast heeft verweerder een aanvullende uitkering verstrekt voor telefoon- en portokosten en overige kosten. Het bezwaar ten aanzien van de opgegeven materiële schade wegens verhuiskosten is ongegrond verklaard. Evenmin heeft verweerder aanleiding gezien een aanvullende uitkering toe te kennen voor de schade wegens kosten van de psychotherapie, hulpmiddelen en verlies van arbeidsvermogen.

1.3.

Eiseres heeft in beroep gesteld dat ten aanzien van de immateriële schade uit het besluit onvoldoende blijkt waarom is besloten een letselcategorie hoger toe te kennen. Niet blijkt in hoeverre of op welke wijze de vaststelling van de letselcategorie tot stand gekomen is nu op meerdere lichamelijke vlakken sprake is van (ernstig) letsel en pijn. Eiseres wijst op haar oogletsel, hoofdletsel, gebit/kaakletsel, neusletsel en hoofdpijn en verkalking van het brein. Gelet op de ernst van het letsel, de langdurigheid ervan en het natraject moet van een hogere immateriële schade worden uitgegaan. Ten aanzien van de verhuiskosten heeft eiseres aangegeven dat ook door het VU-ziekenhuis is verwezen naar een blijf van mijn lijf huis en dat het niet altijd mogelijk is om direct te verhuizen. Ten slotte heeft eiseres over de kosten van de aanschaf van een bril gesteld dat de neuroloog heeft aangegeven dat sprake is van een hoofdpijn die toegeschreven wordt aan aangezichtsfracturen.

2.

Wettelijk kader

2.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wet) kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

2.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet wordt de uitkering naar redelijkheid en billijkheid bepaald. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke bedragen ten hoogste kunnen worden uitgekeerd. Deze bedragen kunnen verschillen naar gelang van de aard van de schade.

2.3.

Op grond van dit artikel is de Regeling maximumbedragen uitkeringen schadefonds geweldsmisdrijven tot stand gekomen. In artikel 1 van deze regeling is bepaald dat de bedragen, die ten hoogste uit het fonds kunnen worden uitgekeerd aan de personen, bedoeld in artikel 3 van de Wet, als volgt worden vastgesteld:

  1. indien de uitkering betrekking heeft op vermogensschade: € 25.000,-

  2. indien de uitkering betrekking heeft op andere dan vermogensschade € 10.000,-

2.4.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.

Inhoudelijke beoordeling

3.1.

Tussen partijen is nog in geschil de hoogte van de immateriële schadevergoeding die verweerder heeft toegekend. Daarnaast is eiseres het niet eens met de afwijzing van haar verzoek om schade wegens de kosten die zij heeft gemaakt voor haar verhuizing en de aanschaf van een bril.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet terughoudend dient te worden getoetst, aangezien de beslissing over een uitkering uit het schadefonds op een discretionaire bevoegdheid van verweerder berust.

3.3.

De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling van aanvragen om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven toepassing geeft aan de Beleidsbundel (te vinden op https://schadefonds.nl/voor-instanties/informatie-materiaal). Dit beleid is bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en openheid te geven over de wijze waarop verweerder in het kader van toetsen van aanvragen de belangen afweegt.

3.4.

Op grond van paragraaf 1.4 van de Beleidsbundel moet er, om voor een financiële tegemoetkoming uit het Schadefonds in aanmerking te komen, sprake zijn van ernstig lichamelijk of psychisch letsel (artikel 3 van de Wet). Letsel wordt als ernstig letsel aangemerkt indien het letsel met langdurig, ernstige medische gevolgen betreft. Er moet een oorzakelijk (causaal) verband bestaan tussen het letsel en het misdrijf. De ernst van het letsel wordt bepaald aan de hand van de aard en de gevolgen van het letsel. Verweerder hanteert daarbij richtlijnen, neergelegd in een letsellijst, die eveneens gepubliceerd is op https://schadefonds.nl/voor-instanties/informatie-materiaal. Indien nodig kan de Commissie haar medisch adviseur een onderzoek laten instellen naar de aard en ernst van het letsel. Om het letsel te kunnen beoordelen zijn er objectieve medische gegevens nodig. Bij sommige misdrijven vooronderstelt de Commissie op grond van de toedracht dat er altijd ernstig psychisch letsel aanwezig is.

Immateriële schade

3.5.

Ten aanzien van het beroep van eiseres gericht tegen de hoogte van het bedrag dat is toegekend voor de immateriële schade, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting aan de hand van een gespreksnotitie betreffende een gesprek met zijn medische adviseur, de heer P.M.A. van der Brugh (hierna de medisch adviseur), een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop de hoogte van de immateriële schadevergoeding tot stand is gekomen. De verschillende soorten letsel alsmede de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, zijn in de letsellijst gekoppeld aan vaste uitkeringen voor immateriële schade. Verweerder heeft aangegeven dat de meest ernstige vorm van letsel, in het geval van eiseres de oogkasfractuur, leidend is geweest in het advies van de medisch adviseur. De oogkasfractuur is niet strikt afgrensbaar van het overige letsel. Gebitsklachten, oogletsel, hoofdpijn en neusklachten houden allemaal verband met de oogkasfractuur en zijn eigenlijk inherent aan dit letsel. Dit letsel is aan te merken als een oogkasfractuur met operatieve behandeling, zoals genoemd in letselcategorie 2 van de letsellijst. Omdat eiseres echter onnodig lang met het letsel heeft rondgelopen alvorens de juiste diagnose en behandeling werden gesteld en eiseres als gevolg daarvan onnodig pijn en ongemak heeft ervaren, heeft de medisch adviseur een letselcategorie hoger geadviseerd, hetgeen neerkomt op letselcategorie 3.

3.6.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij van mening is dat het letsel van eiseres behoort tot letselcategorie 3, nu onder die categorie schedel-hersen letsel valt. Het letsel van eiseres moet worden aangemerkt als schedel-hersen letsel, nu de oogkas onderdeel uitmaakt van de schedel. Volgens haar moet de categorie vervolgens worden opgehoogd naar categorie 4 vanwege de bijkomende omstandigheden, zoals het natraject. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat in het beleid dat van toepassing was ten tijde van het bestreden besluit niet is voorzien in deze letselcategorie. In het van toepassing zijnde beleid is wel als letsel behorend bij categorie 3 opgenomen een fractuur van het oogkas/jukbeencomplex, met operatieve behandeling. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat op grond van de beschikbare medische gegevens geen sprake is van een jukbeenfractuur, maar van een oogkasletsel. Verweerder heeft geen toestemming van eiseres gekregen om nadere medische gegevens op te vragen, zodat hij van de beschikbare medische gegevens moest en mocht uitgaan.

3.7.

Nu de gemachtigde van eiseres niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat bij eiseres sprake is van een fractuur van het oogkas/jukbeencomplex of van ander letsel behorend bij categorie 3, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet onjuist gehandeld door op grond van de beschikbare gegevens letsel behorend tot categorie 2 vast te stellen. Daarbij heeft verweerder bovendien blijk gegeven van een zorgvuldige handelswijze door één categorie hoger toe te kennen vanwege de bijzondere omstandigheden waarin eiseres heeft verkeerd. Tevens heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, ter zitting afdoende onderbouwd dat onwaarschijnlijk is dat de door eiseres gestelde verkalking van haar brein het gevolg is geweest van het misdrijf. Daartegen heeft eiseres geen argumenten aangevoerd. Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de door eiseres gestelde immateriële schade als gevolg van het natraject – waarbij eiseres doelt op de wijze waarop de politie met haar aangifte is omgegaan – af te wijzen. Voor zover eiseres schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de politie betreft dit geen schade die in een oorzakelijk (causaal) verband staat tot het misdrijf. De beroepsgrond van eiseres dat zij in aanmerking had moeten komen voor een hoger bedrag aan immateriële schade faalt derhalve.

De verhuiskosten

3.8.

Eiseres heeft gesteld dat zij naar aanleiding van het geweldsmisdrijf heeft moeten verhuizen en hiervoor kosten heeft gemaakt, die zij vergoed wenst. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband tussen het misdrijf en de verhuizing niet valt vast te stellen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres aangegeven dat zij pas twee jaar later kon verhuizen. Gelet op het tijdsverloop tussen het misdrijf en de verhuizing is het causaal verband niet op voorhand aannemelijk. Eiseres heeft verwezen naar informatie van de Dienst Werk en Inkomen waaruit zou blijken dat er over een verhuizing is gesproken en naar correspondentie van het VU-ziekenhuis waarin de suggestie is gedaan contact op te nemen met een blijf van mijn lijf huis. Nog daargelaten dat deze informatie dateert van bijna een jaar na het misdrijf, is de rechtbank – evenals verweerder – van oordeel dat deze gegevens onvoldoende zijn om het causaal verband tussen het misdrijf en de verhuizing aan te nemen. Daarbij komt nog dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangegeven dat de verhuizing van eiseres is ingegeven door contactmomenten met de dader die hebben plaatsgevonden na de mishandeling. Ook om die reden kan niet worden gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de verhuizing en het misdrijf. Deze beroepsgrond van eiseres faalt daarom ook.

De kosten voor de aanschaf van een bril

3.9.

Eiseres heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt voor de aanschaf van een bril. De nota’s die eiseres daarbij heeft overgelegd dateren van maart 2007 en maart 2010. Verweerder heeft de medisch adviseur gevraagd of de hoofdpijnklachten waarover de neuroloog van eiseres spreekt reden kan zijn voor de aanschaf van een bril. Volgens de medisch adviseur kan hoofdpijn ontstaan als het optisch systeem niet goed werkt. Een bril corrigeert het optisch systeem. De medisch adviseur acht echter in dit geval niet aannemelijk dat de noodzaak van een bril het gevolg is van het geweldsmisdrijf. Wanneer een oog door een fractuur dieper komt te liggen, kan dat leiden tot dubbelbeelden. In dat geval is een prismabril nodig. Nu de oogarts er expliciet melding van maakt dat geen sprake is van dubbelbeelden en ook uit de nota’s van de opticien niet blijkt dat sprake is van een prismabril, heeft verweerder op grond van de beperkt beschikbare medische gegevens in redelijkheid kunnen vaststellen dat niet aannemelijk is dat de aangeschafte bril benodigd is door de afwijkende stand van het oog na het misdrijf. Ook deze beroepsgrond van eiseres faalt derhalve.

3.10.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling , voorzitter,

mrs. K. Oldekamp-Bakker en A.M.I. van der Does, leden, in aanwezigheid van

mr. N. Abu Ghazaleh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB