Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:3436

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
AWB 12-4173 en 12-4195 WABOA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1329, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunningen voor het realiseren van een dakopbouw. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke, kenbare motivering. Niet inzichtelijk gemaakt waarom niet het rapport van eisers, maar de andere door verweerder aan de primaire besluiten ten grondslag gelegde rapportages doorslaggevend dienden te worden geacht voor de toetsing aan de eisen van het Bouwbesluit met betrekking tot de constructie. Bezwaarcommissie had juist aangedrongen op inhoudelijke beoordeling rapport eisers.

Finale geschilbeslechting. Instandlating rechtsgevolgen.

Aannemelijkheidsbeoordeling verweerder; toets daarvan door rechter.

Verhouding functionele eis tot specifieke eisen in Bouwbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/4195 WABOA en AWB 12/4173 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers1],

wonende te [woonplaats],

en

[eiser1] ,

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. G.G. Kranendonk,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. H. de Groot.

Tevens hebben als partij aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder1] ,

vergunninghouder,

gemachtigde mr. A Barada.

en

[naam vergunninghouder2 1],

vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan [naam vergunninghouder2 1] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw en een dakterras.

Bij besluit van 5 oktober 2011 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan [naam vergunninghouder1] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw met inpandige serre.

Bij besluit van 11 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2013. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eveneens is namens eisers aanwezig ing. B. Olij. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder [naam vergunninghouder3] is aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is vergunninghouder [naam vergunninghouder4] aanwezig.

In overleg met partijen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Verweerder dient de ontbrekende technische stukken aan de rechtbank over te leggen, alsmede een nadere inhoudelijke reactie van constructeur H. Yap. De gemachtigde van eisers is in de gelegenheid gesteld – conform hierover op zitting gemaakte afspraken – een analyse van de relevante jurisprudentie over te leggen op het punt van het op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door de rechter te hanteren beoordelingskader.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak hervat in de stand waarin zij zich bevond op de zitting van 11 maart 2013. Eiser en eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eveneens is namens eisers aanwezig ing. B. Olij. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen H. Yap. Vergunninghouder [naam vergunninghouder3] is aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder [naam vergunninghouder3] is eveneens als technisch deskundige aanwezig R. van Dorp. Tevens is vergunninghouder [naam vergunninghouder4] aanwezig.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1

Verweerder heeft aan vergunninghouders toestemming verleend om een dakopbouw met serre dan wel terras te realiseren op de panden [adres1] in [woonplaats].

1.2

Eisers zijn buren die hiertegen opkomen, vooral omdat zij vrezen dat de bouwplannen leiden tot funderingsproblemen en verzakkingen bij hun woningen.

1.3

Eisers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de fundering en de constructieve veiligheid van de bouwplannen. Er had funderingsonderzoek plaats moeten vinden waaruit blijkt dat de bestaande fundering de nieuwe etage met dakterras op beide panden kan dragen. Het door eisers ingeschakelde bureau Strackee heeft aangetoond dat de opbouw met een hele verdieping op een bestaand pand gevolgen heeft voor de constructie van de panden ernaast en de verdiepingen eronder. Verweerder heeft ter weerlegging van het rapport van Strackee enkel gewezen op de email van H. Yap. Uit deze email blijkt echter dat er vooral nog veel onderzocht moet worden voordat er een omgevingsvergunning verleend had kunnen worden. Gelet op de gevolgen voor de constructieve veiligheid voor de woningen van eiser en eisers is het besluit van verweerder om het bezwaar ongegrond te verklaren onbegrijpelijk.

Het besluit is eens te meer onbegrijpelijk, waar verweerder dat doet maar meteen aangeeft dat wanneer een rechter het besluit zou vernietigen, dat bepaalde inhoudelijke consequenties heeft voor de beoordeling van de bouwplannen onder het Bouwbesluit. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid om aanvragen omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen te toetsen aan het Bouwbesluit. Uit het bestreden besluit valt verder niet op te maken op welke wijze is getoetst aan het Bouwbesluit. Uit het rapport van Strackee volgt dat de bouwplannen niet voldoen aan de minimaal in acht te nemen normen. De aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen verschaffen onvoldoende informatie over de situatie ten opzichte van de panden van eiser en eisers, doordat er niet gekeken is naar de fundering, aldus eisers.

2.

Wettelijk kader

2.1

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met

31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór

1 januari 2013.

2.2

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

2.3

Op grond van artikel 2.10, eerste lid onder a, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld in het Bouwbesluit 2003.

2.4

Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Regeling omgevingsrecht (Ror) wordt in de vergunning voor een bouwactiviteit, indien de aanvrager een verzoek tot latere aanlevering heeft ingediend, bepaald dat de volgende gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd:

  1. . gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft.

  2. . (…)

2.5

2.5 Hoofdstuk 2 van het Bouwbesluit 2003 bevat voorschriften uit het oogpunt van veiligheid. Afdeling 2.1 stelt daarbinnen regels omtrent de algemene sterkte van de bouwconstructie.

De artikelen 2.1 tot en met 2.4 bevatten voorschriften met betrekking tot nieuwbouw; de artikelen 2.5 tot en met 2.7 met betrekking tot bestaande bouw.

3.

Beoordeling van het geschil

3.1

De rechtbank overweegt dat de bezwarencommissie in het advies van 5 januari 2012 heeft geconstateerd dat uit de primaire besluiten niet blijkt dat verweerder de hoofdlijnen van de constructie heeft beoordeeld en dat de primaire besluiten op dit punt aan een gebrek lijden. Dit gebrek kan hersteld worden, aangezien tijdens de hoorzitting is gebleken dat de constructietekeningen en –berekeningen kort voor de hoorzitting door vergunninghouders bij verweerder waren ingediend. Eisers beschikten ten tijde van de hoorzitting niet over deze gegevens, maar zijn door de bezwarencommissie in de gelegenheid gesteld hier een nadere reactie op te geven. Eisers hebben na ontvangst van de gegevens de rapportage van Strackee aan verweerder overgelegd. De bezwarencommissie heeft verweerder vervolgens geadviseerd om bij de heroverweging in bezwaar alsnog te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit met betrekking tot de constructie en het rapport van Strackee bij deze beoordeling te betrekken, vooral nu in dit rapport een andere conclusie staat dan uit de berekeningen van verweerder volgt.


3.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de conclusie van Strackee van de hand heeft gewezen, omdat deze voorbij gaat aan het volgens het Bouwbesluit van toepassing zijnde risiconiveau voor bestaande bouw. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de email van de door verweerder ingeschakelde externe constructeur H. Yap, destijds verbonden aan Interconcept Advies & Uitvoering, van 20 april 2012, waaruit volgens verweerder kan worden opgemaakt dat Yap stelt dat het rapport van Strackee voor hem geen reden is voor een ander advies onder het in het Bouwbesluit voor dit plan gestelde risicoprofiel voor bestaande bouw. Mocht er in het vervolgtraject sprake zijn van een Nederlandse rechter die oordeelt dat opnieuw moet worden gekeken naar de constructie, dan beschouwt Yap dit als een aanwijzing om het risico profiel voor de fundering te baseren op het profiel voor nieuwbouw (en niet op dat van bestaande bouw), aldus de tekst van het bestreden besluit.

3.3

Onder meer ter zitting hebben eisers gemotiveerd gesteld dat in het rapport van Strackee niet van het profiel voor nieuwbouw, maar van bestaande bouw is uitgegaan. Ook eisers menen dat dat het relevante profiel is. Verweerder heeft dat niet (meer) betwist.

Dan is in het bestreden besluit echter niet inzichtelijk gemaakt waarom niet het rapport van Strackee, maar de andere door verweerder aan de besluiten ten grondslag gelegde rapportages doorslaggevend dienen te worden geacht voor de toetsing aan de eisen van het Bouwbesluit met betrekking tot de constructie. Dit gebrek aan inzichtelijkheid doet zich extra sterk gevoelen, waar de door verweerder ingeschakelde bezwarencommissie zich in het advies van 5 januari 2012 ook niet inhoudelijk heeft uitgelaten over de rapportage van Strackee, maar er wel bij verweerder op heeft aangedrongen dat rapport te betrekken bij de beoordeling aan de eisen van het Bouwbesluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit ter onderbouwing van zijn oordeel echter enkel aangehaakt bij een email van Yap.

Deze email kan ook overigens niet gelden als een deugdelijke motivering, waar Yap ter zitting van 11 maart 2013 heeft verklaard dat deze email enkel voor intern gebruik was opgesteld en dat het gestelde in de email feitelijk niet helemaal juist is, aangezien dat ziet op toetsing aan de nieuwbouweisen in het nieuwe beoordelingskader, dat in deze zaak niet van toepassing is. Het gestelde geldt bovendien enkel voor specifieke kader van wijzigingen in bestaande bouw, en ook dat speelt in deze zaak niet, aldus Yap.

3.4

Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat de passage met betrekking tot een eventueel oordeel van een Nederlandse rechter niet al te letterlijk moet worden opgevat. Wel heeft verweerder daar benadrukt dat “de nieuwe zaaksbehandeling” bij de rechtbank de mogelijkheid biedt om alle ins en outs van de zaken nog eens op een rij te zetten.

3.5

Ook dan blijft echter staan dat de betreffende passage uit het bestreden besluit voor eisers niet inzichtelijk is, en veeleer een begrijpelijke verwarring bij eisers creëert over de rol en taak van verweerder. Het bestreden besluit ontbeert daardoor een deugdelijke, kenbare motivering.

3.6

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens schending van de artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.7 Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient de rechtbank in geval van vernietiging van een besluit te onderzoeken of het geschil finaal kan worden beslecht. Ter zitting hebben eisers te kennen gegeven dat zij in geval van vernietiging de zaak graag terugverwezen zouden willen zien naar verweerder, zodat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar kan nemen.

Daar staat echter tegenover dat verweerder en vergunninghouders de rechtbank juist uitdrukkelijk hebben verzocht het geschil, indien mogelijk, finaal te beslechten.

In de stellingname van eisers ziet de rechtbank dan ook geen grond om af te wijken van de lijn die is getrokken door de Afdeling, te weten het onderzoeken van de mogelijkheden van finale geschilbeslechting.

In dat kader overweegt de rechtbank verder als volgt.

3.8

Aan de beoordeling van de bouwplannen van vergunninghouders heeft verweerder feitelijk diverse rapportages ten grondslag gelegd, waaronder twee rapportages van Interconcept opgesteld door H. Yap van 27 december 2011 en 30 december 2011, waaruit volgt dat de constructie voor zowel de[naam constructeur1] voldoet aan de toetsingscriteria voor constructieve veiligheid; een sterkteberekening van Helmers Constructiebureau B.V. van 16 juni 2011, een rapportage over funderingsherstel voor de[adres3] van Pieters Bouwtechniek van 26 juli 2005 en een rapportage van Allnamics van 6 december 2011 over de draagkracht van de bestaande fundering onder de [adres4].

3.9

De door verweerder extern ingeschakelde constructeur Yap heeft ter zitting van

11 maart 2013 verder verklaard dat aannemelijk is dat met de bouwplannen aan de eisen voor bestaande bouw is voldaan. In een reactie op de rapportage van Strackee heeft Yap daar voorts aangegeven dat de berekeningen van Strackee bij alles zijn uitgegaan van voor eisers zo gunstig mogelijke aannamen.

Strackee heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe de belasting verdeeld gaat worden over de aanwezige bouwmuren, aldus Yap. Yap ziet in de rapportage van Strackee geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan door hem al is gegeven. Daaraan heeft Yap nog toegevoegd dat de bouwplannen niet wezenlijk afwijken van andere, reeds vergunde aanvragen voor realisatie van dakopbouwen, en dat er ook zo bezien geen reden is om de vergunningen te weigeren.

3.10

Eisers hebben zich beroepen op de rapportage van Strackee en de verklaring van ing. B. Olij.

In de rapportage van Strackee is een analyse gemaakt met betrekking tot de consequenties van de bouwplannen voor het casco en de fundering van de panden. Strackee komt tot de conclusie dat er sprake is van een belastingtoename, maar dat dit verder niet te toetsen is zonder funderingsinspecties en een meer uitgebreid grondonderzoek. De verklaring van Olij (die werkzaam is bij Strackee) sluit daarop aan. Waar de rechtbank hierna spreekt over de rapportage, analyse en conclusies van Strackee, wordt daarmee tevens gedoeld op de verklaring van Olij.

3.11

Bij de beantwoording van de vraag of het geschil tussen eisers finaal kan worden beslecht, heeft voor de rechtbank als uitgangspunt te gelden dat artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo aan het bevoegd gezag (in dit geval: verweerder) opdraagt te beoordelen of de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat het te bouwen bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit 2003. Die bijzondere opdracht aan verweerder is te verklaren uit het gegeven dat verweerder ook beschikt over de bouwtechnische expertise om een dergelijke beoordeling te verrichten.

Dat betekent juridisch gezien dat de rechter niet zelf dient te beoordelen of de bouwplannen strijden met het Bouwbesluit, ook al ligt de zaak thans bij de rechter.

De rechtbank dient zich te beperken tot vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de aanvragers aannemelijk hebben gemaakt dat de bouwplannen voldoen aan het Bouwbesluit.

3.12

De rechtbank overweegt vervolgens dat artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo verweerder niet opdraagt om met zekerheid vast te stellen dat het bouwwerk aan het Bouwbesluit 2003 voldoet. Voorzover eisers menen dat die taak wel op verweerder rust, en het rapport van Strackee daarvan uitgaat, vindt dat geen steun in de wet. De wet draagt verweerder slechts op om te beoordelen of de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat het te bouwen bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit 2003.

3.13

De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het rapport van Strackee geen stellige, duidelijke conclusie te lezen is omtrent de vraag of de constructie in hoofdlijnen voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit of niet. Geconcludeerd wordt juist dat verder onderzoek noodzakelijk is om die vraag te beantwoorden.

Uit dat rapport kan dan ook niet worden afgeleid dat de bouwwerken niet voldoen aan het Bouwbesluit. Ook gelet op dat rapport is en blijft denkbaar dat de bouwwerken dat wel doen.

Ter zitting van 11 maart 2013 zijn bij monde van ing. Olij van de zijde van eisers ook vraagtekens gesteld ten aanzien van de dwarsstabiliteit en de windbelasting. Ook daarbij gaat het echter niet om stellige conclusies dat de bouwwerken niet voldoen aan het Bouwbesluit. Die conclusies kunnen wel grond bieden voor twijfel op het punt of de bouwwerken niet voldoen aan het Bouwbesluit.

3.14

Onder die omstandigheden, en gelet op de onder 3.8 en 3.9 genoemde gegevens die verweerder aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder meer in het algemeen gesproken in redelijkheid tot zijn ook ter zitting verdedigde conclusie kon komen dat de aanvragers aannemelijk hebben gemaakt dat de te bouwen bouwwerken voldoen aan het Bouwbesluit 2003.

3.15

Voor zover eisers hebben bedoeld te stellen dat ook een conclusie van verweerder denkbaar was geweest dat de bouwplannen daar niet aan voldoen, is dat niet een grond die zij met succes kunnen inroepen bij de rechter. De rechter heeft op dit punt een zekere beoordelingsvrijheid van verweerder te respecteren. Zo lang verweerder de grenzen van die vrijheid niet overschrijdt, is er geen grond voor de rechter om in te grijpen.

Meer concreet: zelfs wanneer gezegd zou moeten worden dat verweerder ook de voor eisers meer gunstige aannames uit het rapport Strackee ten grondslag had kunnen leggen aan zijn oordeel, dan bestond en bestaat daartoe voor verweerder wettelijk geen plicht, en kan de rechter een dergelijke plicht ook niet opleggen aan verweerder. De rechtbank merkt daarbij nog op dat gesteld noch gebleken is dat het onderzoek van verweerder in de persoon van Yap onzorgvuldig is geweest. Daarvan uitgaande, en gevoegd bij het feit dat verweerder niet met zekerheid dient vast te stellen of is voldaan aan het Bouwbesluit 2003, is er ook geen grond voor het oordeel dat verweerder juridisch bezien een verdergaand onderzoek had moeten doen.

3.16

Eisers hebben desgevraagd ter zitting verklaard vooral een beroep te doen op het bepaalde in artikel 2.1 c.q. 2.5 van het Bouwbesluit 2003. Specifiek met betrekking tot deze stelling overweegt de rechtbank aanvullend nog als volgt.

3.17

Waar het betreft de beoordeling van deze beroepsgrond kan en zal de rechtbank in het midden laten in hoeverre artikel 2.1 dan wel artikel 2.5 van het Bouwbesluit 2003 in casu van toepassing is. Een beoordeling leidt onder beide artikelen tot eenzelfde resultaat, zoals uit het navolgende blijkt.

3.18

Beide artikelen bepalen dat het bouwwerk gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Dit wordt ook wel de functionele eis genoemd.

3.19

In de Toelichting op het Bouwbesluit 2003 wordt waar het betreft de uitleg en toepassing van de functionele eis in artikel 2.1 het volgende opgemerkt:

“De tabel van het tweede lid (van artikel 2.1 – rechtbank) wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

  • -

    artikel 2.2 bepaalt welke combinaties van belastingen een bouwconstructie moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties bouwconstructie);

  • -

    artikel 2.3 regelt welke belastingscombinaties een hoofddraagconstructie bovendien moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties hoofddraagconstructie), en

  • -

    artikel 2.4 geeft aan welke normen moeten worden toegepast bij de toetsing of een bouwconstructie voldoet aan de eisen van het eerste en tweede artikel (uiterste grenstoestand)”.

In diezelfde toelichting wordt vervolgens waar het artikel 2.5 betreft terugverwezen naar artikel 2.1.

3.20

Eisers hebben wel strijd met artikel 2.1 dan wel 2.5 gesteld, maar zij hebben dat niet met daarop toegespitste gegevens concreet gemaakt.

Daar komt bij dat eisers in het geheel niet hebben gesteld (en evenmin geconcretiseerd) dat sprake is van strijd met een van de artikelen 2.2 -2.4 of 2.6 of 2.7. Ook in de rapportage van Strackee wordt niet aangesloten bij die artikelen.

Er is dus op geen enkele wijze gebleken van strijd met deze laatste artikelen. Gelet op de Toelichting kan dan juridisch gezien van strijd met de door eisers ingeroepen functionele norm uit de artikelen 2.1 dan wel 2.5 van het Bouwbesluit 2003 geen sprake meer zijn.

Deze beroepsgrond van eisers kan daarom hoe dan ook niet leiden tot het door hen gewenste resultaat.

3.21

Onder alle hiervóór weergeven omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor inwilliging van het verzoek van eiser en eisers een onafhankelijke, deskundige constructeur te benoemen.

3.22

Eiser heeft ter zitting van 31 januari 2013 er op gewezen dat door het realiseren van de bouwplannen hij in zijn woongenot wordt aangetast, aangezien er een drie meter hoge muur voor zijn dakterras zal worden gebouwd.

3.23

De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de vergunningen strijden met het bestemmingplan.

3.24

Nu geen van de in artikel 2.10 van de Wabo limitatief opgesomde weigeringsgronden zich voordoet, is verweerder gehouden de gevraagde vergunningen te verlenen. Er bestaat gelet op het limitatief imperatieve stelsel voor vergunningverlening geen ruimte voor een belangenafweging waarbij het woongenot van eiser betrokken dient te worden. De beroepsgrond van eiser dat hij wordt aangetast in zijn woongenot, treft daarom geen doel.

3.25

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat er in al hetgeen namens eisers is aangevoerd geen juridische grond is te vinden om de verleende bouwvergunningen aan te tasten. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

4.

Conclusie

4.1

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

4.2

De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser en eisers betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Nu eisers zijn bijgestaan door dezelfde rechtshulpverlener, begroot de rechtbank deze kosten eenmalig op € 1.416,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, € 472,- per punt, wegingsfactor 1).

4.3

Eisers hebben de rechtbank middels het formulier proceskosten verzocht om vergoeding van de kosten die zij hebben moeten maken voor het inschakelen van – naar de rechtbank begrijpt – een deskundige. Nu eisers deze kosten op geen enkele wijze hebben gespecificeerd, onderbouwd of aannemelijk gemaakt, wijst de rechtbank dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers [namen eisers] het door hen betaalde griffierecht van € 156,- (zegge: honderd en zesenvijftig euro) vergoedt;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser [naam eiser] het door hem betaalde griffierecht van

€ 156,- (zegge: honderd en zesenvijftig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1416,- (zegge: veertienhonderd en zestien euro), te betalen aan eisers

gezamenlijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13 juni 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB