Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:3388

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
AWB 10-5263 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Monumenten-, bouw-, en sloopvergunning voor gedeeltelijk veranderen [locatie]. Eisers (eigenaren van omliggende panden) belanghebbenden bij de monumentenvergunning. De akoestiek van de concertzaal is aan te merken als een beschermingswaardig element van het monument. De Commissie voor Welstand en Monumenten heeft de invloed die de herbestemming heeft op het beschermde monument beoordeeld. Vestiging van een kinderdagverblijf in deel van het gebouw niet strijdig met het bestemmingsplan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5263 BESLU

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. M.H.J. van Driel,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. T.M. van Gorsel.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder],

vergunninghouder,

gemachtigde mr. E.M. van Bommel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een monumentenvergunning op grond van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) verleend.

Bij besluit van 31 december 2009 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 6 januari 2010 (het primaire besluit III) heeft verweerder vergunninghouder een sloopvergunning verleend.

Bij besluit van 26 oktober 2010 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten onder verbetering van de grondslag en aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Eiseres en 30 anderen, waarvan de namen aan het beroepschrift zijn gehecht hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 25 januari 2011 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de motivering ten aanzien van de verleende monumentenvergunning aangevuld dan wel gewijzigd.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2013. Namens eisers zijn aanwezig [belanghebbende], bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Als deskundigen zijn namens eisers aanwezig ir. M.L.S. Vercammen en prof. V. Stissi. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eveneens namens verweerder is aanwezig A. Winder van het Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) van de gemeente Amsterdam. Vergunninghouder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en L. de Lange. Als deskundige is namens vergunninghouder aanwezig ir. P.B. Bijvoet.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1

Vergunninghouder is eigenaar van het als gemeentelijk monument aangewezen pand[adres1] te [adres2]. In het pand bevindt zich een concertzaal die bekend staat als de [locatie1].

1.2

Op 18 juni 2009 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een monumentenvergunning en een sloopvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de begane grond en de eerste verdieping met bestemming daarvan tot kinderopvang en naschoolse opvang en met behoud van het gebruik tot concertzaal voor wat betreft een gedeelte van het gebouw[adres1] te [woonplaats]. Op 18 december 2009 heeft vergunninghouder ten behoeve van dit bouwplan een bouwvergunning aangevraagd.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de monumentenvergunning overeenkomstig het advies van 2 december 2009 van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: CWM) verleend.

1.4

Bij het primaire besluit II heeft verweerder vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend. De CWM heeft op 2 december 2009 positief geadviseerd ten aanzien van het bouwplan. Verweerder acht het bouwplan voorts in overeenstemming met het dan vigerende bestemmingsplan[bestemmingsplan]. Op grond van artikel 9, tweede lid, van het bestemmingsplan is het toegestaan om 30% van het vloeroppervlak te gebruiken voor opvang van kinderen.

1.5

Bij het primaire besluit III heeft verweerder vergunninghouder een sloopvergunning verleend ten behoeve van het gedeeltelijk veranderen van de begane grond en de eerste verdieping van het gebouw[adres1] en het verwijderen van asbest.

1.6

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 3 september 2010 overgenomen. Verweerder heeft in heroverweging de grondslag van de bouwvergunning verbeterd door alsnog op grond van artikel 2.5.30, vijfde lid, van de Bouwverordening 2003 ontheffing te verlenen van het gestelde in artikel 2.5.30, tweede en vierde lid, van de Bouwverordening 2003. Gebaseerd op het parkeerbeleid en op de parkeerpraktijk ziet verweerder geen reden om van het kinderdagverblijf te eisen dat zij parkeergelegenheid op eigen terrein realiseren, aangezien op andere wijze in parkeer- of stallingsruimte kan worden voorzien. Daarnaast heeft verweerder de motivering van de monumentenvergunning verbeterd door te overwegen dat het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van een monumentenvergunning niet in strijd is met het belang van behoud van het monument en de monumentenvergunning daarmee op goede gronden is verleend. Verweerder heeft hierbij gewezen op de nadere motivering van de CWM van 15 april 2010 en het positieve advies van de CWM van 1 juli 2010. De CWM heeft daarin aansluiting gezocht bij de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo), waarbij het bevorderen van een herbestemming van een monument één van de speerpunten is. CWM komt tot de conclusie dat de hoofdstructuur van de zaal herkenbaar blijft en niet wordt aangetast. De voorgestelde wijzigingen zijn bovendien reversibel.

1.7

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 5 november 2010 heeft de voorzieningenrechter de monumentenvergunning, zoals verleend bij het primaire besluit I en in stand gelaten bij het bestreden besluit I, geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen dat niet valt uit te sluiten dat de akoestische eigenschappen van de [locatie1] een in aanmerking te nemen waarde is bij de bepaling van de monumentale waarde van het gebouw, waardoor de belangenafweging in een ander licht komt te staan.

1.8

Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter en het in opdracht van vergunninghouder opgestelde rapport van Scena Akoestische Adviseurs van 1 december 2010 heeft verweerder bij het bestreden besluit II alsnog de akoestische aspecten bij de belangenafweging voor het verlenen van de monumentenvergunning betrokken. Verweerder stelt zich daarbij echter nog steeds primair op het standpunt dat de akoestiek van de [locatie1] geen zelfstandig beschermingswaardig element van het monument is. De [locatie1] is volgens Scena niet te beschouwen als een akoestisch monument of als akoestisch erfgoed. Scena concludeert dat de bouwwerkzaamheden geen veranderingen zullen brengen in de zaalakoestiek en de geschiktheid van de zaal voor kamermuziek, repetities en solo-uitvoeringen. Eisers hebben daar twee rapportages van Peutz van 6 december 2010 en

22 december 2010 tegenover gesteld. Verweerder is, na kennis te hebben genomen van alle rapportages, van mening dat het wijzigen van de [locatie1] geen zodanige wijziging van de akoestiek zal opleveren dat de gevraagde monumentenvergunning geweigerd had moeten worden.

1.9

Bij uitspraak van 7 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van vergunninghouder tot opheffing van de voorlopige voorziening die bij uitspraak van

5 november 2010 is getroffen toegewezen. Eveneens bij uitspraak van 7 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eisers tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de verleende bouw- en sloopvergunning afgewezen.

2.

Wettelijk kader
2.1 Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten (waaronder de Woningwet) gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op deze procedure, omdat de aanvraag van de bouwvergunning vóór de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals die luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

2.4

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zo’n plan zijn gesteld, het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

2.5

Ingevolge artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen) – voor zover thans van belang – moet, indien de omvang en de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Op grond van het vijfde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en vierde lid voor zover op andere wijze in de parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.6

Ingevolge artikel 10 van de Monumentenverordening Amsterdam[locatie2] 2008 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het Dagelijks Bestuur of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

  1. . een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

  2. . een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of de monumentale waarden in gevaar worden gebracht.

3.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de monumentenvergunning

3.1.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18 van de Awb en dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep van eisers. Het beroep van eisers ten aanzien van de monumentenvergunning wordt dan ook, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

3.1.2 Het bestreden besluit II bevat een aanvulling c.q. wijziging van de motivering ten aanzien van de verleende monumentenvergunning en ziet niet op de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de verlening van de bouw- en sloopvergunning. Het bestreden besluit I komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal het beroep in zoverre gegrond verklaren en bestreden besluit I gedeeltelijk vernietigen namelijk voor zover dit besluit betrekking heeft op de monumentenvergunning.

3.1.3 De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben moeten maken ten aanzien van het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit I. De rechtbank begroot deze kosten forfaitair op € 472,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt € 472,-, wegingsfactor I). Het door eisers betaalde griffierecht wordt geacht mede betrekking te hebben op het beroep tegen het resterende deel van het bestreden besluit I en tegen bestreden besluit II.

3.2 De rechtbank zal hierna gelet op de systematiek van de wet eerst beoordelen of de monumentenvergunning, zoals voor het laatst gewijzigd bij het bestreden besluit II, in rechte stand kan houden.

3.2.1 De rechtbank ziet zich hierbij allereerst voor de vraag geplaatst of eisers – woonachtig aan [locatie2] – allen zijn aan te merken als belanghebbenden bij de verlening van de monumentenvergunning in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ter zitting heeft vergunninghouder betoogd dat de wijzigingen aan het pand geen ruimtelijke uitstraling hebben op de naastgelegen panden, zeker niet die wijzigingen die zien op de akoestiek van de [locatie1]. Daarbij wijst vergunninghouder op de omstandigheid dat onder het huidige recht eisers op grond van artikel 8:69a van de Awb niet meer zouden kunnen ageren tegen de onderhavige monumentenvergunning.

3.2.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij het verlenen van een monumentenvergunning ten behoeve van werkzaamheden met een ruimtelijke uitstraling voor naastgelegen panden, het belang van de eigenaar van een naburig pand rechtstreeks is betrokken. Onder ruimtelijke uitstraling in het kader van een te verlenen monumentenvergunning moet in het algemeen worden verstaan, de waarneembare invloed die de te vergunnen werkzaamheden zullen hebben op de omgeving (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012, LJ-nummer BV6563).

3.2.3 De rechtbank overweegt dat de wijzigingen waarvoor de monumentenvergunning is verleend niet enkel inpandige wijzigingen betreffen waarop eisers geen zicht hebben. Ter zitting is door eisers gesteld en door verweerder en vergunninghouder niet betwist, dat eisers, die eigenaren zijn van de omliggende woningen, zicht hebben op de wijzigingen aan de gevels en de gevelopeningen van het monument. Gelet op de afstand van de woningen van eisers tot het monument en de omstandigheid dat eisers – in meerdere of minder mate – zicht hebben op de wijzigingen, hebben de werkzaamheden ruimtelijke uitstraling voor deze omwonenden. De rechtbank is van oordeel dat eisers zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de verleende monumentenvergunning. Dit brengt met zich mee dat eisers niet enkel kunnen opkomen tegen de extern waarneembare wijzigingen die met de monumentenvergunning plaats zullen vinden, maar ook kunnen ageren tegen de inpandige wijzigingen, waaronder begrepen de wijzigingen die de werkzaamheden mogelijk teweegbrengen in de akoestiek van de [locatie1]. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste, waaruit – kort gezegd – volgt dat een besluit niet vernietigd kan worden wegens strijd met een bepaling die niet strekt tot de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, doet aan het voorgaande niet af aangezien deze bepaling gelet op het onder 2.1 aangehaalde overgangsrecht niet van toepassing is in deze procedure.

3.3.1 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het niet duidelijk is welk toetsingskader de CWM heeft gehanteerd. Eisers wijzen in dit verband op de contra-expertise van V. Stissi van 24 mei 2010 en de nadere reactie van 19 juli 2010. Het had meer in de rede gelegen om aansluiting te zoeken bij de welstandscriteria van het Programma van Eisen Monumenten (PvEM) en de welstandscriteria voor orde 1 panden, dan ten onrechte aansluiting te zoeken bij de beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo), die ziet op rijksmonumenten. De CWM gaat er ten onrechte vanuit dat de bouwkundige aanpassingen reversibel zouden zijn. Onder verwijzing naar paragraaf 4.7 van het PvEM van 31 maart 2009 wijzen eisers erop dat het aanbrengen van nieuwe vensteropeningen in de oorspronkelijke gevels van de [locatie1] en het verlagen van bestaande gevelopeningen niet als toelaatbare ‘reversibele wijzigingen’ kunnen worden aangemerkt.

3.3.2 De rechtbank volgt eisers niet in het standpunt dat het onduidelijk is welk toetsingskader de CWM bij haar advisering heeft gebruikt, dan wel dat zij van een onjuist toetsingskader zou zijn uitgegaan. De CWM heeft in de brief van 15 april 2010 een toelichting gegeven op het positieve advies van 2 december 2009 en heeft daarbij toegelicht dat bij de beoordeling van monumenten gebruik wordt gemaakt van de redengevende omschrijving en een advies van BMA, waarin in een uitgebreide plananalyse de gevolgen voor de monumentale waarden zijn aangegeven. In de nadere advisering van 1 juli 2010 geeft de CWM aan dat het PvEM, waaraan Stissi refereert, door de BMA wordt gebruikt als leidraad voor een consistente advisering, maar dat deze eisen zijn opgesteld met een meer traditioneel monument in gedachten en dat het PvEM geen door verweerder vastgesteld beleid is. Ter zitting heeft[werknemer BMA] namens BMA toegelicht dat BMA niet de eis stelt dat de wijzigingen reversibel moeten zijn. Reversibiliteit wordt wel nagestreefd, maar is niet altijd haalbaar. De CWM heeft eveneens overwogen dat Stissi er terecht op wijst dat het uitgangspunt voor orde 1 panden behoud is, maar dit betekent volgens de CWM niet dat iedere ingreep of toevoeging onmogelijk zou zijn. De richtlijnen bieden ruimte om ingrepen en toevoegingen toe te staan, daar waar zij passend in de karakteristiek van de architectuur zijn. De CWM heeft daarin aansluiting gezocht bij de MoMo en overwogen dat de moderne monumentenzorg niet louter conserverend meer is. Het bevorderen van herbestemming is hierin één van de speerpunten. Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond van eisers niet.

3.3.3 Eisers hebben voorts betoogd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot verlening van de monumentenvergunning. Met de vergunning wordt louter het private, financiële belang van een professionele projectontwikkelaar gediend. Eisers hebben erop gewezen dat de [locatie1] uniek is en van grote waarde voor de directe leefomgeving. De akoestiek van de [locatie1] is onlosmakelijk verbonden met de beschermingswaardige cultuurhistorische waarde van het pand en wordt als zodanig uitdrukkelijk genoemd in de waardestelling als zelfstandig beschermingswaardig element. Zelfs indien de akoestiek niet als zodanig zou worden aangemerkt, geldt nog dat de akoestiek dusdanig kan veranderen dat dit afbreuk doet aan de monumentwaardigheid van de concertzaal. Door de vestiging van het kinderdagverblijf wordt het gebruik van de concertzaal feitelijk onmogelijk gemaakt. Het is volgens eisers ook niet aan de CWM om te beoordelen of er sprake is van zinvol hergebruik. Deze vraag diende verweerder te beantwoorden bij de belangenafweging.

3.3.4 De rechtbank stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2012, LJ-nummer BY3086) voorop dat een onroerend goed slechts in zijn geheel op de monumentenlijst kan worden geplaatst, waarmee de werking van de Monumentenwet zich uitstrekt over het pand als geheel. De in het register van beschermde monumenten opgenomen omschrijving dient om aan te geven welke aspecten en bestanddelen van het object in het bijzonder beschermingswaardig zijn, maar dat betekent niet dat het monument alleen bescherming geniet voor zover dat staat beschreven in die omschrijving. De CWM heeft ten aanzien van de voorgestelde wijzigingen overwogen dat het exterieur van de [locatie1] niet nadrukkelijk staat beschreven in de waardestelling en ook niet expliciet als waardevol is aangemerkt. Het exterieur bestaat uit sobere, doelmatig ingedeelde gevels. De voorgestelde wijzigingen verstoren de bestaande karakteristiek van het gebouw niet, zeker nadat de detaillering van de raampartijen zodanig was uitgewerkt dat deze goed aansloot bij de detaillering van de bestaande ramen. De CWM heeft op dit punt naar het oordeel van de rechtbank de contra-expertise van Stissi voldoende weerlegd in het nadere advies van 1 juli 2010.

3.3.5 Ten aanzien van de vraag of de akoestiek van de [locatie1] als beschermingswaardig element is opgenomen in de waardestelling bij het besluit tot aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument, overweegt de rechtbank dat de akoestiek op zichzelf niet expliciet vermeld staat in de waardestelling van het gebouw. Gelet op de oorspronkelijke functie van het monument, namelijk het gebruik als concertzaal, is de akoestiek van de concertzaal een onlosmakelijk en essentieel onderdeel van het gebouw. Een verandering in de akoestiek zou afbreuk kunnen doen aan de monumentwaardigheid van de [locatie1] en daarmee van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is de akoestiek dan ook aan te merken als een beschermingswaardig element van het monument.

3.3.6. De rechtbank overweegt voorts dat uit het advies van de Bezwarencommissie van

3 september 2010 volgt dat naar aanleiding van door eisers in bezwaar geuite bezwaren ten aanzien van de gevolgen van de verleende monumentenvergunning verweerder nader advies heeft gevraagd aan de CWM, hetgeen is uitgemond in het nadere advies van 1 juli 2010. In dat advies heeft de CWM opgemerkt dat de wijzigingen in de zaal mogelijk gevolgen zouden kunnen hebben voor de akoestiek. Of de wijziging ook daadwerkelijk gevolgen heeft zou volgens de CWM alsnog beoordeeld moeten worden aan de hand van een akoestisch onderzoek. Dit heeft de CWM ertoe gebracht te adviseren het akoestisch effect van het bouwplan alsnog te laten onderzoeken. Verweerder heeft de aanbeveling van de CWM tot nader onderzoek naar de akoestiek aanvankelijk niet overgenomen. Dit omdat de akoestiek van de [locatie1] volgens verweerder niet uitdrukkelijk is beschreven in de waardestelling en ook niet expliciet als waardevol wordt aangemerkt. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft verweerder de akoestiek in het bestreden besluit II alsnog betrokken bij de beoordeling.

3.3.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de akoestiek als gevolg van het bouwplan zal wijzigingen. Wel verschillen partijen van mening over de waardering van de akoestiek voordat de werkzaamheden plaatsvonden en de mate waarin de akoestiek ten gevolge van de werkzaamheden zal veranderen. Verweerder heeft kennisgenomen van zowel de rapportages van Scena Akoestisch Adviseurs van 1 december 2010 als de daarop namens eisers gegeven reactie van Peutz 6 en 22 december 2012 op dit punt en heeft geconcludeerd dat de wijzigingen aan de [locatie1] niet een zodanige wijziging van de akoestiek opleveren dat de monumentenvergunning geweigerd had moeten worden. De verandering van de akoestische parameters beweegt zich binnen de algemeen geaccepteerde bandbreedte die een zaal kwalificeren als goede kamermuziekzaal en repetitieruimte. De zaalakoestiek is voor en na de werkzaamheden geschikt voor de doelgroep waarvoor de [locatie1] bedoeld was, namelijk voor kamermuziek, repetities en solo-uitvoeringen. De rechtbank is van oordeel dat de nuanceverschillen tussen de verschillende rapportages niet dusdanig zijn dat er grond is voor het oordeel dat verweerder de monumentenvergunning had moeten weigeren.

3.3.8 Ten aanzien van de stelling van eisers dat de CWM ten onrechte spreekt van zinvol hergebruik en dat er met het vestigen van een kinderdagverblijf een wezensvreemd element aan het gebouw wordt toegevoegd, overweegt de rechtbank dat de CWM in het advies van

1 juli 2010 expliciet heeft aangegeven geen directe invloed te hebben op de nieuwe functie van een monument. De CWM heeft de invloed die de herbestemming heeft op het beschermde monument beoordeeld. De gronden van eisers omtrent het gebruik van het pand kunnen bij de beoordeling van de bouwvergunning in het kader van de toetsing aan het bestemmingsplan aan de orde worden gesteld. Het door eisers gestelde belang van behoud van de sfeer van het woon- en leefklimaat is evenmin een belang dat bij de beoordeling van de monumentenvergunning betrokken diende te worden. Bij de beoordeling van de monumentenvergunning worden immers enkel de concrete belangen van de vergunninghouder afgewogen tegen het algemeen belang dat is gediend met de bescherming van het monument. De rechtbank toetst het resultaat van deze belangenafweging terughoudend. Dat er, zoals eiser ter zitting hebben betoogd, nog andere mogelijkheden denkbaar zijn voor het pand leidt niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de monumentenvergunning heeft kunnen verlenen.

3.3.9 De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het deskundigenadvies van de CWM niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel inhoudelijk niet concludent is, of dat verweerder het positieve advies van de monumentencommissie niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder – mede in aanmerking genomen de akoestische effecten van de wijzigingen van het monument – in redelijkheid tot verlening van de monumentenvergunning heeft kunnen besluiten. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder dit besluit, met inachtneming van de aanvullende motivering in het bestreden besluit II, op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd. Hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd, slaagt niet. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de bouwvergunning

4.1.1 Eisers hebben aangevoerd dat het verlenen van de bouwvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, doordat een deel van het pand gebruikt gaat worden als kinderopvang.

Het gebruik van de [locatie1] als concertzaal is door de kinderopvang feitelijk onmogelijk geworden, hetgeen ten tijde van de vergunningverlening voorzienbaar was. Het kinderdagverblijf dat thans gevestigd is in het pand gebruikt de [locatie1] als speelzaal voor de kinderen.

4.1.2 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan[bestemmingsplan1]. Op de gronden waar het pand[adres1] staat rust de bestemming ‘Onderwijsvoorzieningen’. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften is het toegestaan 30% van het vloeroppervlak te bebouwen en te gebruiken als opvang van kinderen.

4.1.3 De rechtbank overweegt dat het gebruik van een deel van het gebouw voor kinderopvang in overeenstemming is met het bestemmingsplan, nu dit gebruik volgens de planvoorschriften is toegestaan. Verweerder heeft het bouwplan beoordeeld en het op dit punt niet in strijd met het bestemmingsplan geoordeeld en heeft erop gewezen dat de [locatie1] niet specifiek als concertzaal is bestemd. Voor zover er thans sprake is van een feitelijke overschrijding van de toegestane 30% van het vloeroppervlak voor kinderopvang, wijst de rechtbank eisers op de mogelijkheid zich tot verweerder te wenden met een verzoek tot handhaving. Hetgeen eisers hebben aangevoerd slaagt dus niet.

4.2.1 Eisers hebben voorts aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Eisers wijzen hierbij op de contra-expertise van Stissi, waaruit volgt dat de CWM ten onrechte de strenge welstandscriteria voor [locatie3]panden negeert. Deze criteria gelden cumulatief voor de[adres1]. De welstandsnota bevat geen afwijkingsbevoegdheid voor de CWM, zodat de afwijking van de strenge welstandscriteria door de CWM in strijd is met de wet. Het bouwplan voorziet in 25 gevelwijzigingen, zodat er geen sprake is van behoud van de oorspronkelijke gevelindeling en restauratief herstel, aldus eisers.

4.2.2 De rechtbank overweegt dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, LJ-nummer BQ2642).

4.2.3 De CWM heeft diverse malen geadviseerd over het bouwplan en heeft aangegeven dat er vanuit welstandsoverwegingen geen bezwaren bestaan tegen het bouwplan.

De CWM heeft in de toelichting van 15 juli 2010 duidelijk aangegeven dat zij bij de beoordeling van de bouwaanvraag de richtlijnen van de geldende welstandsnota ‘De schoonheid van Amsterdam digitaal,[locatie2]’ hanteert. Uit deze welstandscriteria volgt dat er bij de vernieuwing van gevelopeningen moet worden aangesloten bij de voor de [locatie4] karakteristieke vormentaal en dat er bij functieverandering bovendien aandacht moet worden besteed aan het herkenbaar houden van het oorspronkelijke bouwtype. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande niet is gebleken dat de CWM bij de welstandscriteria van de verkeerde uitgangspunten is uitgegaan. De CWM is in het aanvullende advies van 1 juli 2010 uitgebreid ingegaan op het tegenadvies van Stissi. De rechtbank concludeert dat er kennelijk een verschil van inzicht bestaat tussen twee op zichzelf als deskundig aan te merken adviseurs. Gelet op het voorgaande kan echter niet gezegd worden dat Stissi een zodanig sterkere en meer dragende motivering aan zijn advies ten grondslag heeft gelegd dat daaruit volgt dat de diverse adviezen van CWM naar hun wijze van totstandkoming of naar de inhoud bezien ondeugdelijk zijn. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij het verlenen van de bouwvergunning niet heeft mogen baseren op voormelde adviezen van de CWM. De beroepsgrond van eisers kan niet slagen.

4.3.1 Tot slot hebben eisers aangevoerd dat verweerder niet op goede gronden ontheffing heeft verleend van artikel 2.5.30, tweede en vierde lid, van de Bouwverordening 2003. Het parkeeronderzoek is niet zorgvuldig uitgevoerd. Verweerder gaat niet uit van actuele gegevens, maar baseert zich ten onrechte op parkeerdrukgegevens uit 2008. Verweerder miskent dat ouders die hun kinderen komen halen of brengen wel degelijk ter plaatse willen parkeren. Eisers hebben in beroep ter onderbouwing van hun stelling gegevens overgelegd over de groei van het autobezit in[locatie5], waaruit blijkt dat het autobezit veel meer dan gemiddeld is toegenomen.

4.3.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit I onderzocht wat de invloed op de parkeerbehoefte is die het vestigen van een kinderdagverblijf met zich meebrengt. Verweerder heeft bij het bepalen van de parkeernormen gebruik gemaakt van het handboek ASVV (Aanbevelingen Stedelijke Verkeers Voorzieningen) en van het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek). Hierbij heeft verweerder de normen die als ondergrens gelden voor het ‘sterk stedelijk gebied’ als maximumnorm gehanteerd. Uit parkeergegevens uit 2008 blijkt dat de parkeerdruk in de buurt op circa 83% ligt. Op grond van de cijfers concludeert verweerder dat een toevoeging van 12 tot 13 auto’s makkelijk haalbaar is en er voldoende parkeerplaatsen over blijven. Volgens vast beleid van verweerder wordt er bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening gehouden met de parkeerbehoefte van het personeel en niet met bezoekers/kortparkeerders (bij het halen en brengen van kinderen). Er bestaan dan ook volgens verweerder geen redenen vanuit het parkeerbeleid en de parkeerpraktijk om van het kinderdagverblijf te eisen dat zij parkeergelegenheid op eigen terrein realiseren, aldus verweerder.

4.3.4 De rechtbank overweegt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de Bouwverordening. Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt op basis van welke gegevens hij tot het oordeel is gekomen dat de parkeerbehoefte kan worden opgevangen binnen het bestaande aantal parkeerplaatsen in de wijk. Eisers hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden tegenover het hierboven weergegeven beoordelingskader van verweerder gesteld waaruit zou moeten volgen dat verweerder in redelijkheid niet tot deze conclusie had kunnen komen. Het betoog van eisers kan derhalve niet slagen.

T.a.v. de sloopvergunning

5.1 Eisers hebben ten aanzien van de sloopvergunning enkel aangevoerd dat deze niet verleend had mogen worden, aangezien de monumentenvergunning niet verleend had mogen worden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, nu de monumentenvergunning in stand blijft en ook overigens gesteld noch gebleken is dat de sloopvergunning niet verleend had kunnen worden, het beroep van eisers op dit punt niet kan slagen.

Conclusie

6.1 Uit het voorgaande volgt dat bestreden besluit I ten aanzien van de bouw- en sloopvergunning in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep tegen besluit I, voor zover dit ziet op de bouw- en sloopvergunning, en het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

6.2 Eisers hebben verzocht om vergoeding van de kosten die zij hebben moeten maken voor het inschakelen van een deskundige. De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond is verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen de kosten van het inwinnen van deskundigenadvies van het deskundigenbureau Peutz van 6 en 22 december 2010, door eisers begroot op € 3.039,-, te vergoeden, nu dit naar het oordeel van de rechtbank geen redelijkerwijs gemaakte kosten zijn. In bezwaar hebben eisers slechts aangevoerd dat verweerder bij het verlenen van de monumentenvergunning rekening had moeten houden met de akoestische aspecten van het bouwplan, zonder dat nader bewijs is geleverd ten aanzien de gestelde schade aan de akoestiek. Eerst na de uitspraak van de voorzieningenrechter en het in opdracht van vergunninghouder uitgebrachte rapport van Scena van 1 december 2010, waarin is ingegaan op gevolgen van de aanpassingen voor de akoestiek, hebben eisers van hun kant een deskundige ingeschakeld. De reactie van Peutz, heeft – zoals hiervoor is overwogen – niet geleid tot gegrondverklaring van het beroep. In deze gang van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om ondanks de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit II verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond, voor zover gericht tegen de monumentenvergunning;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I, voor zover het ziet op de monumentenvergunning;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I, voor zover het ziet op de bouw- en sloopvergunning, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 472,- aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzitter,

mrs. M.M. Verberne en B. de Vos, leden, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.

de griffier

de voorzitter

Bij ontstentenis van de voorzitter is

deze uitspraak ondertekend door

de oudste rechter.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB