Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:2776

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
02-09-2013
Zaaknummer
13-707111-12 13-825
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer:

Artikel 4.5 van het Kaderbesluit 2002/584 bepaalt dat overlevering moet worden geweigerd indien een opgeëiste persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten op voorwaarde dat (…) de sanctie (…) niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling.

De raadsman heeft bepleit artikel 9, eerste lid, onder e OLW conform het Kaderbesluit te interpreteren. Het land dat de opgeëiste persoon onherroepelijk heeft berecht is Duitsland en de sanctie kan volgens het recht van Duitsland niet meer ten uitvoer worden gelegd, immers de tenuitvoerlegging van de straf is door Duitsland overgedragen.

Oordeel rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat artikel 4.5 van het kaderbesluit 2002/584 geen betrekking heeft op de situatie waarin sprake is van een overname (in casu door Polen) van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf die door een derde land (in casu Duitsland) is opgelegd.

Overige verweren.

De opgeëiste persoon heeft in 1993 in verband met een ernstige hartkwaal een hartoperatie ondergaan waarbij enkele hartkleppen zijn vervangen. Deze kleppen zijn nu aan vervanging toe. Er is sprake van een mitralisinsufficiëntie en mogelijk moet de mitralisklep worden vervangen. De opgeëiste persoon krijgt medicatie tegen trombose en sinds enige tijd tegen boezemfibrillatie. De gezondheidstoestand is uiterst zorgwekkend, aldus de raadsman, en adequate medische verzorging is niet voorhanden binnen een Poolse detentiesituatie, terwijl deze wel kan worden geboden in een Nederlandse detentie. De situatie in de Poolse gevangenissen is dermate slecht dat zij voor de opgeëiste persoon als levensbedreigend moeten worden beschouwd, gelet op zijn gezondheidstoestand.

De raadsman heeft geconcludeerd

a) dat overlevering een onevenredig zwaar middel is en

b) dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de artikelen 2 en/of 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) hetgeen beide tot weigering van het verzoek tot overlevering moet leiden.

Oordeel rechtbank:

De raadsman heeft gesteld dat de gezondheidsklachten waaraan de opgeëiste persoon lijdt in Polen niet adequaat behandeld kunnen worden. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd. Dat de opgeëiste persoon aan hartklachten lijdt is voldoende aannemelijk geworden; dat hij hieraan in Polen niet kan worden behandeld of geopereerd is echter niet aangetoond.

Slechts onder zeer bijzondere medische omstandigheden, waaronder begrepen een door een arts of specialist verwoorde infauste prognose (een prognose van overlijden op de kortere termijn), kan een overlevering als niet evenredig worden geoordeeld, maar van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onevenredigheid van de verzochte overlevering.

Ook het beroep op de in artikel 11 OLW bedoelde weigeringsgrond faalt.

Het rapport van de CPT dat de raadsman ter onderbouwing van dit verweer heeft overgelegd is te zeer gedateerd, terwijl uit het rapport van de Opperste Rekenkamer niet een zo negatief beeld over de detentieomstandigheden in Polen voortvloeit als door de raadsman betoogd.

Dat de gezondheid – en dus ook het leven – van de opgeëiste persoon na overlevering in Polen een daadwerkelijk gevaar loopt is onvoldoende aannemelijk geworden. De gezondheidsproblemen van de opgeëiste persoon bieden zonder twijfel reden tot ernstige bezorgdheid, maar zijn niet van dien aard dat vast staat dat de door de raadsman bedoelde schending zich zal voordoen indien de overlevering wordt toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/707111-12

RK nummer: 13/825

Datum uitspraak: 8 mei 2013

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 februari 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2008 door the District Court in Bielsko-Biała, III Penal Division, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Polen, op [geboortedag] 1966,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’
te [plaats],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is aan de orde geweest op de openbare zitting van 19 maart 2013.

De opgeëiste persoon was niet aanwezig in verband met een spoedopname in het ziekenhuis diezelfde ochtend.

Aanwezig waren de officier van justitie mr. M. al Mansouri en de raadslieden van de opgeëiste persoon mrs. S.J. van der Woude en V.C. van der Velden, advocaten te Amsterdam.

De rechtbank heeft de behandeling van de vordering aangehouden teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen de behandeling in persoon bij te wonen.

De rechtbank heeft op 19 maart 2013 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd.

Op de openbare zitting van 26 april 2013 is de vordering opnieuw aan de orde geweest.

De opgeëiste persoon was ook dit keer niet aanwezig in verband met een spoedopname in het ziekenhuis diezelfde ochtend. Hij is opgenomen op de afdeling hartbewaking van het Flevoziekenhuis te Almere.

Aanwezig waren de officier van justitie mr. A. Oswald en bovengenoemde raadslieden van de opgeëiste persoon, die verklaarden niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en om aanhouding hebben verzocht opdat de opgeëiste persoon aanwezig kan zijn bij de behandeling van het overleveringsverzoek. Dit laatste is zijn uitdrukkelijke wens.

De rechtbank heeft de behandeling van de vordering opnieuw aangehouden en wel tot 3 mei 2013, 11.15 uur, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen de behandeling in persoon bij te wonen, danwel zijn raadslieden uitdrukkelijk te machtigen de verdediging te voeren.

Met ingang van 2 mei 2013 is de overleveringsdetentie geschorst, gelet op het bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de OLW.

Op 3 mei 2013 heeft de inhoudelijke behandeling van het overleveringsverzoek plaatsgevonden.

Het onderzoek vond plaats in aanwezigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon was niet aanwezig, aangezien hij opnieuw voor onderzoek naar het ziekenhuis was overgebracht. Aanwezig was zijn raadsman mr. S.J. van der Woude die verklaard heeft uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens de opgeëiste persoon de verdediging te voeren.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

I. een aanhoudingsbevel, te weten een decision of the Regional Court in Cieszyn d.d. 20 december 2006, zaaksnummer II Kp 900/06
en

II. een vonnis, gewezen door the National Court in Hamburg (Duitsland) d.d. 21 juni 1994 (nummer 623 KLs 30/93), waarvan de verdere tenuitvoerlegging in Polen zal plaatsvinden, ingevolge het besluit van the District Court in Bielsko-Biała van 29 juni 1995, zaaksnummer III Ko 277/95.

De overlevering wordt verzocht

I. ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit en

II. ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog zeven jaren en twee dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en nader omschreven in een brief d.d. 13 maart 2013 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel en van deze brief zijn als bijlage 1 en 2 aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Bevoegdheid van the District Court in Bielsko-Biała

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vraagtekens gezet bij de bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit om een EAB uit te brengen, voor zover dat berust op een aanhoudingsbevel, dat is uitgevaardigd door the Regional Court in Cieszyn. De betrokkenheid van deze laatste rechtbank blijkt niet uit het EAB. De raadsman heeft om aanhouding verzocht zodat dit punt kan worden opgehelderd.

Standpunt officier van justitie

Aan de bevoegdheid moet niet worden getwijfeld. Het vertrouwensbeginsel geldt.

Oordeel rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit in twijfel te trekken. Uitgangspunt is het vertrouwen dat lidstaten hebben in elkanders rechtsstelsel. Dit vertrouwen strekt zich ook uit over de informatie die door middel van een EAB wordt verstrekt aan de uitvaardigende lidstaat. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om er aan te twijfelen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit bevoegd zou zijn een EAB uit te vaardigen, voor zover dit zijn grondslag vindt in het aanhoudingsbevel van de rechtbank te Cieszyn. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen op dit punt.

3.2

De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder e OLW

Standpunt verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het vonnis, gewezen door the National Court in Hamburg (Duitsland) d.d. 21 juni 1994 (nummer 623 KLs 30/93), een beroep gedaan op deze weigeringsgrond en daartoe aangevoerd dat artikel 4.5 van het Kaderbesluit 2002/584 bepaalt dat overlevering moet worden geweigerd indien een opgeëiste persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten op voorwaarde dat (…) de sanctie (…) niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling.

De raadsman heeft bepleit artikel 9, eerste lid, onder e OLW conform het Kaderbesluit te interpreteren. Het land dat de opgeëiste persoon onherroepelijk heeft berecht is Duitsland en de sanctie kan volgens het recht van Duitsland niet meer ten uitvoer worden gelegd, immers de tenuitvoerlegging van de straf is door Duitsland overgedragen. Ook kan de zaak teloor zijn gegaan door verjaring.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman bestreden en betoogd dat artikel 4.5 van het Kaderbesluit betrekking heeft op het ne bis in idem-beginsel.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond niet aan de orde is, nu artikel 4.5 van het kaderbesluit 2002/584 geen betrekking heeft op de situatie waarin sprake is van een overname (in casu door Polen) van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf die door een derde land (in casu Duitsland) is opgelegd. Het verweer faalt.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 26, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (5)

handel in gestolen voertuigen (26)

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Overige verweren

Standpunt verdediging

De raadsman heeft onder meer de volgende stukken in het geding gebracht:

  • -

    een rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) met betrekking tot het onderzoek van deze commissie naar de detentieomstandigheden in Polen. Dit rapport is gedateerd 12 juli 2011 en betreft het bezoek van de CPT dat in de periode 26 november tot 8 december 2009 aan Polen is gebracht.

  • -

    een rapport van de Opperste Rekenkamer in Polen, bevattende ‘Informatie over de resultaten van de controle over de verlening van medische zorg aan gedetineerden’.

De raadsman heeft primair verzocht de overlevering te weigeren.

Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon heeft in 1993 in verband met een ernstige hartkwaal een hartoperatie ondergaan waarbij enkele hartkleppen zijn vervangen. Deze kleppen zijn nu aan vervanging toe. Er is sprake van een mitralisinsufficiëntie en mogelijk moet de mitralisklep worden vervangen. De opgeëiste persoon krijgt medicatie tegen trombose en sinds enige tijd tegen boezemfibrillatie. De gezondheidstoestand is uiterst zorgwekkend, aldus de raadsman, en adequate medische verzorging is niet voorhanden binnen een Poolse detentiesituatie, terwijl deze wel kan worden geboden in een Nederlandse detentie. De situatie in de Poolse gevangenissen is dermate slecht dat zij voor de opgeëiste persoon als levensbedreigend moeten worden beschouwd, gelet op zijn gezondheidstoestand.

De raadsman heeft geconcludeerd

  1. dat overlevering een onevenredig zwaar middel is en

  2. dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de artikelen 2 en/of 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)

hetgeen beide tot weigering van het verzoek tot overlevering moet leiden.


Subsidiair heeft de raadsman verzocht de beslissing op het overleveringsverzoek aan te houden teneinde meer zicht te krijgen op de gezondheidsrisico’s die de opgeëiste persoon daadwerkelijk zou lopen indien hij op korte termijn zou worden overgeleverd aan Polen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman bestreden, gewezen op het vertrouwensbeginsel en betoogd dat de raadsman geen specifieke medische omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot weigering van het overleveringsverzoek zouden moeten leiden. De nodige medische zorg kan ook in Polen worden geboden. Humanitaire gronden kunnen slechts leiden tot uitstel van overlevering. Indien nodig zal de officier van justitie gebruik maken van de bevoegdheid die haar op grond van artikel 35, derde lid OLW toekomt.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren

De raadsman heeft gesteld dat de gezondheidsklachten waaraan de opgeëiste persoon lijdt in Polen niet adequaat behandeld kunnen worden. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd. Dat de opgeëiste persoon aan hartklachten lijdt is voldoende aannemelijk geworden; dat hij hieraan in Polen niet kan worden behandeld of geopereerd is echter niet aangetoond.

Slechts onder zeer bijzondere medische omstandigheden, waaronder begrepen een door een arts of specialist verwoorde infauste prognose (een prognose van overlijden op de kortere termijn), kan een overlevering als niet evenredig worden geoordeeld, maar van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onevenredigheid van de verzochte overlevering.

Ook het beroep op de in artikel 11 OLW bedoelde weigeringsgrond faalt.

Het rapport van de CPT dat de raadsman ter onderbouwing van dit verweer heeft overgelegd is te zeer gedateerd, terwijl uit het rapport van de Opperste Rekenkamer niet een zo negatief beeld over de detentieomstandigheden in Polen voortvloeit als door de raadsman betoogd.

Dat de gezondheid – en dus ook het leven – van de opgeëiste persoon na overlevering in Polen een daadwerkelijk gevaar loopt is onvoldoende aannemelijk geworden. De gezondheidsproblemen van de opgeëiste persoon bieden zonder twijfel reden tot ernstige bezorgdheid, maar zijn niet van dien aard dat vast staat dat de door de raadsman bedoelde schending zich zal voordoen indien de overlevering wordt toegestaan.

Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangedragen op grond waarvan een gegrond vermoeden kan bestaan dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM.

Indien en zolang de opgeëiste persoon niet kan reizen, kan en zal de officier van justitie gebruik maken van de haar toekomende bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 35, derde lid, OLW.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nadere informatie in te winnen over de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Bielsko-Biała, III Penal Division, Polen

ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de twee feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en

ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering eveneens wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 mei 2013.

Zowel de voorzitter als de jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.