Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:1294

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
13-529106-06, 13-529057-07, 13-529042-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat er sprake is van:

medeplegen van het door beloften en het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk uitlokken van moord; medeplegen van voorbereiding tot moord; medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; poging om een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen en door bedreiging te bewegen een moord te begaan; medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen een moord te begaan; het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen misdrijven.

De rechtbank verklaart verdachte daarvoor strafbaar en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig jaar.

(Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2013:BY9841, CA4041, BZ3412, BZ0392, 1289, 1290,1291,1292, 1295, 1296)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

13/529106-06 (zaak A) + 13/529057-07 (zaak B) + 13/529042-07 (zaak C), ter terechtzitting gevoegd (Promis)

Datum uitspraak: 29 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen


[verdachte],

geboren te [plaats] op [1968],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in P.I. [plaats], [locatie] Bijzondere Afdeling te [plaats].


A. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op de data zoals vervat in het als bijlage 1 aangehechte overzicht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. B. Wind, H. Oppe, S. Tammes, N.M. van Ditzhuyzen en M.R.A. van IJzendoorn en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden, mrs. Plasman, Bos en Van Oosten, naar voren hebben gebracht.


B. Inleidende opmerkingen

1 Algemene overwegingen in alle zaken

Aanduiding verdachten

Het onderzoek [X] heeft betrekking op 11 verdachten, die ervan zijn beschuldigd in steeds wisselende samenstelling dan wel alleen betrokken te zijn geweest bij één of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Zes verdachten zijn beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. De zaken tegen de respectievelijke verdachten zijn deels gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

Tijdens het proces heeft een aantal centrale thema’s en verweren gespeeld die voor de individuele verdachten in meerdere af mindere mate van belang zijn. Om redenen van efficiency heeft de rechtbank de betreffende onderwerpen voor alle betrokken verdachten op gelijke wijze beschreven. De rechtbank onderkent dat als gevolg hiervan niet alle onderdelen van het vonnis voor verdachte in gelijke mate van belang zijn.

Ter wille van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de verdachten binnen [X] ([medeverdachte 1], [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10]) steeds bij hun achternaam aanduiden.

Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan

In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten [X]-dossier (betreffende 15 deelonderzoeken), tevens gevoegd:

  • -

    alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen enige van de hierboven genoemde [X]-verdachten;

  • -

    alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van bovengenoemde verdachten zijn opgemaakt;

  • -

    documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer van bovengenoemde verdachten.

De rechtbank heeft hiermee beoogd te bewerkstelligen dat iedere verdachte toegang heeft tot alle van belang zijnde documenten en bescheiden, zowel belastend als ontlastend, die ter zitting ter sprake zijn gekomen, dan wel die de rechtbank in dit vonnis aan de orde zal stellen.

2 Algemene opmerkingen in de zaak tegen [verdachte]

Bij brief van 15 april 2011 heeft de toenmalige raadsman van [verdachte] te kennen gegeven dat [verdachte] om verschillende redenen - behandeling door de rechtbank in de onderhavige samenstelling na afwijzing van een eerder wrakingsverzoek, alsmede zijn langdurige detentie onder een zwaar regime - het vertrouwen in een faire behandeling van zijn zaak had verloren. Om die reden had [verdachte] besloten niet langer ter zitting te verschijnen. Tevens had hij zijn raadslieden verzocht hem niet meer te verdedigen. De raadsman gaf tevens te kennen de gevolgen van deze stap goed met [verdachte] te hebben doorgesproken en daarop te hebben besloten zijn verzoek te respecteren.

Ter zitting van 18 april 2011 heeft de rechtbank laten weten het als ongemakkelijk te ervaren dat [verdachte] zich in een zo zware zaak niet langer rechtskundig wilde laten bijstaan. Daarna heeft de rechtbank de gewezen advocaten van [verdachte] gevraagd hoe met processtukken om te gaan. Bij brief van 26 april jl. heeft [verdachte] laten weten - kort gezegd - dat het hem om het even was of hij nog langer processtukken zou ontvangen. De raadslieden hebben zich uiteindelijk bereid verklaard nader toe te voegen stukken voor [verdachte] in ontvangst te blijven nemen. Op die manier heeft de rechtbank het er binnen de grenzen van haar mogelijkheden toe trachten te leiden dat enige juridische controle ten behoeve van [verdachte] op het verloop van het proces kon blijven plaatsvinden. Dat [verdachte] na 15 april 2011 niet volledig van alle juridische bijstand verstoken is gebleven bleek ook uit het feit dat op 6 maart 2012 een verzoek tot opheffing van zijn voorlopige hechtenis is ingediend door zijn oorspronkelijke raadsvrouwe.

De rechtbank heeft zich zeker ook in de zaak van [verdachte] bij alle door de raadslieden van medeverdachten aangevoerde verweren en argumenten, ambtshalve beraden of deze van belang konden zijn voor [verdachte]. In het onderhavige vonnis zijn daarom uitgebreide overwegingen gewijd aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de waardering van de verklaringen van de kroongetuige [medeverdachte 7].


C. Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijzigingen op de zittingen van 9 februari 2009, 17 november 2009, 8 december 2009 en 25 januari 2010 – ten laste gelegd dat:

ten aanzien van zaak A:

1.
([A])

hij op 20 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, zeven, althans een aantal, kogels in de rug en/of het achterhoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam van die [persoon 1] geschoten, waardoor die [persoon 1] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan (door bloedverlies en weefselschade) is overleden;

subsidiair:

[persoon 2] en/of [persoon 3] op 20 april 2006 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 1] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [persoon 2] en/of [persoon 3] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, zeven, althans een aantal, kogels in de rug en/of het achterhoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam van die [persoon 1] geschoten, waardoor die [persoon 1] zodanige verwondingen aan (onder meer) hart en/of aorta en/of hersenen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden,

welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam en/of Abcoude en/of Leidschendam, in elk geval in Nederland, door voornoemde [persoon 2] en [persoon 3] een (groot) geldbedrag en/of een of meer goed(eren) (zoals een of meer auto's en/of de financiering van rijlessen en/of een rijbewijs) in het vooruitzicht te stellen, althans door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen (zoals vuurwapen(s) en/of (vlucht)auto(s) en/of telefoon(s)) en/of inlichtingen (zoals adresgegevens/verblijfsplaats(en) van die [persoon 1]) opzettelijk heeft uitgelokt;

2.
([A])

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam en/of Zwanenburg, in elk geval op (enige) plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het al dan niet met anderen of een ander te plegen misdrijf moord, opzettelijk een of meer personenauto’s, te weten (onder meer) een Audi A4, kleur grijs en/of een of meer vuurwapens, te weten (onder meer) een pistool, merk Ruger, type P95, kaliber 9x19 en/of (daartoe bestemde) munitie, kennelijk bestemd tot het al dan niet in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

3.
(criminele organisatie)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam en/of Zwanenburg, in elk geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten onder meer een pistool, merk Ruger, type P95, kaliber 9x19 (kleur zwart/zilver), en/of munitie van categorie III, te weten onder meer tien, althans een aantal patronen, kaliber 9x19 mmm, voorhanden heeft/hebben gehad;

4.
([A])

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam en/of Zwanenburg en/of Abcoude en/of Leidschendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gepoogd [persoon 4] door middel van giften en/of beloften en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord (op de eigenaar/uitbater van café “[naam A]” te Amsterdam ([persoon 1])), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)
- aan die [persoon 4] een (groot) geldbedrag en/of een of meer goed(eren) (een auto) in het vooruitzicht gesteld en/of
- aan die [persoon 4] een (vlucht)auto en/of een of meer telefoon(s) en/of een vuurwapen met daarbij behorende munitie en/of informatie met betrekking tot het adres/verblijfplaats(en) van die [persoon 1] ter beschikking gesteld en/of
- die [persoon 4] een of meermalen meegenomen naar café “[naam A]” en/of
- die [persoon 4] een of meermalen gevraagd; “Zou je iemand kunnen vermoorden”, althans (met) woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- aan die [persoon 4] duidelijk gemaakt dat de eigenaar/uitbater van café “[naam A]” “er aan moest” en/of
- die [persoon 4] (daarbij) een of meermalen (dreigend) de woorden toegevoegd: “Als ik het je laat zien, zit je erbij in; kan je niet meer terug, en als het wel zo is dan alleen maar door de kogel”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

ten aanzien van zaak B:

([B])

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 7 juli 2006 te Aerdenhout en/of Amsterdam en/of Leidschendam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gepoogd [persoon 4] en/of een of meer ander(en) door middel van giften en/of beloften en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord (op een persoon genaamd [persoon 5]), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders
- aan die [persoon 4] een (groot) geldbedrag en/of een of meer goederen (een auto) in het vooruitzicht gesteld en/of
- informatie met betrekking tot het adres en/of de verblijfplaats(en) van die [persoon 5] en/of het signalement van die [persoon 5] en/of andere voor de moord relevante informatie over die [persoon 5] aan die [persoon 4] ter beschikking gesteld en/of
- die [persoon 4] een of meermalen meegenomen naar het woonadres van die [persoon 5] en/of (daarbij) die [persoon 4] een of meermalen de woorden toegevoegd; “Die moet er ook aan”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- die [persoon 4] (daarbij) een of meermalen de woorden toegevoegd: “Als ik het je laat zien, zit je erbij in; kan je niet meer terug, en als het wel zo is dan alleen maar door de kogel”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

ten aanzien van zaak C:

1.
([C])

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 1 mei 2005 te Scheveningen en/of Amsterdam en/of Landsmeer, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ([medeverdachte 7]) of anderen, althans alleen, heeft gepoogd [persoon 6], door middel van giften en/of beloften en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord (op [persoon 7]), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aan die [persoon 6] een (groot) geldbedrag (50.000 euro) en/of een of meer goed(eren) in het vooruitzicht gesteld en/of (een briefje met) de naam en/of woonplaats van die [persoon 7] aan die [persoon 6] gegeven en/of overhandigd en/of ter beschikking gesteld en/of medegedeeld en/of een vuurwapen (Uzi) en/of een auto voor/ aan die [persoon 6] geregeld/beloofd en/of toegezegd;

subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 1 mei 2005 te Scheveningen en/of Amsterdam en/of Landsmeer, in ieder geval in Nederland, heeft gepoogd [persoon 6], door middel van giften en/of beloften en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord (op [persoon 7]), immers heeft hij, verdachte,
- door tussenkomst van [medeverdachte 7] aan die [persoon 6] een (groot) geldbedrag (50.000 euro) en/of een of meer goed(eren) in het vooruitzicht gesteld en/of
- door tussenkomst van [medeverdachte 7] (een briefje met) de naam en/of woonplaats van die [persoon 7] en/of het telefoonnummer van die [persoon 6] aan die [medeverdachte 7] gegeven en/of overhandigd en/of ter beschikking gesteld en/of medegedeeld en/of
- die [medeverdachte 7] gevraagd die [persoon 6] te bellen en/of te benaderen en/of te vragen de moord te plegen en/of voormelde gegevens door te spelen aan die [persoon 6] en/of
- een vuurwapen (Uzi) en/of een auto voor/aan die [persoon 6] geregeld/beloofd en/of toegezegd;

2.
(criminele organisatie)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2008 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Leiderdorp en/of Alkmaar en/of andere plaatsen in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer) moord/doodslag (artt.287/289 Wetboek van Strafrecht) en/of poging en/of uitlokking moord en/of voorbereidingshandelingen tot moord (art. 46 Wetboek van Strafrecht) en/of poging om een ander te bewegen een misdrijf (te weten: moord) te (laten) begaan (art. 46a Wetboek van Strafrecht) en/of overtreding van artt. 9, 22, 26, 31 juncto 55 Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank leest taalfouten in de ten laste gelegde feiten als verbeterd daar waar sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslagen wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

D. Voorvragen

1 Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat waar ten laste is gelegd dat de criminele organisatie tot oogmerk had “de overtreding van de artt. 9, 22, 26, 31 juncto 55 Wet wapens en munitie” (zaak C feit 2), de inhoud en omvang van het verwijt, tegen de achtergrond van het dossier en verhandelde ter zitting, onvoldoende duidelijk is geworden en de dagvaarding in zoverre nietig dient te worden verklaard.

Voor het overige is de dagvaarding geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

2 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1

Niet-ontvankelijkheidsverweren in alle zaken

2.1.1

Algemeen juridisch kader inzake vormverzuimen

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie en de politie zich schuldig hebben gemaakt aan schending van een aantal rechtsnormen. Schending zou zowel tijdens het voorbereidend onderzoek als na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting hebben plaatsgevonden. Enkele schendingen van vormverzuimen zouden zo ernstig zijn dat deze op zichzelf beschouwd reeds tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachten zouden moeten leiden. In ieder geval zouden alle schendingen beschouwd in onderling verband en samenhang tot dit rechtsgevolg, dan wel subsidiair tot uitsluiting van alle bewijsmiddelen moeten leiden.

De verdediging betwijfelt of de jurisprudentie van de Hoge Raad waarbij de werkingssfeer van artikel 359a Sv wordt beperkt tot normschendingen tijdens het voorbereidend onderzoek, wel kan worden toegepast op zaken waarin na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting nog een grote hoeveelheid opsporingshandelingen heeft plaatsgevonden. De werking van artikel 359a Sv. zou zich ook moeten uitstrekken tot die latere opsporingshandelingen. Verder meent de verdediging dat het zogenaamde Zwolsmancriterium een zelfstandige betekenis heeft buiten de werkingssfeer van artikel 359a Sv. Wanneer door activiteiten van opsporingsambtenaren en officieren van justitie na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan, zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard wegens een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verder kent het Nederlandse recht in de visie van de verdediging nog steeds de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie buiten het Zwolsmancriterium om door relativering van de Schutznorm (zie hieronder).

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat consequenties van eventuele vormverzuimen dienen te worden beoordeeld aan de hand van artikel 359a Sv., en dat vormverzuimverweren niet kunnen slagen voor zover zij niet zien op het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens het openbaar ministerie hebben tijdens de fase van het vooronderzoek geen vormverzuimen plaatsgevonden die niet-ontvankelijkheid dan wel bewijsuitsluiting tot gevolg moeten hebben. Op stellingen van de verdediging over vormverzuimen buiten het voorbereidend onderzoek is het openbaar ministerie niet inhoudelijk ingegaan.

Ook volgens het openbaar ministerie bestaat er enige ruimte om aan vormverzuimen waarbij niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste een sanctie te verbinden. Het kan dan wel komen tot bewijsuitsluiting, maar niet-ontvankelijkverklaring kan afstuiten op het relativiteitsvereiste.

Toetsingskader rechtbank

De rechtbank zal bij de behandeling van vormverzuimverweren het volgende toetsingskader hanteren.

Voorbereidend onderzoek: toepassing art. 359a Sv.

Artikel 359a Sv. heeft betrekking op vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek, dat wil zeggen het onderzoek voorafgaande aan de terechtzitting (art. 132 Sv.). In zijn (standaard)arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, heeft de Hoge Raad benadrukt dat artikel 359a Sv uitsluitend van toepassing is indien het vormverzuim is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten.

Artikel 359a Sv. ziet op onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Als er sprake is van een vormverzuim als hier bedoeld, moet de rechter beoordelen of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt volgens het arrest van 30 maart 2004 als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bewijsuitsluiting als reactie op een vormverzuim kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en als hierdoor een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Strafvermindering komt slechts in aanmerking als de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het verzuim, het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en de strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Parallel opsporingsonderzoek na aanvang onderzoek ter terechtzitting: toetsing op de voet van art. 359a Sv.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Hoge Raad, waar hij de werking van artikel 359a Sv. strikt beperkt tot het voorbereidend onderzoek, niet het oog gehad op voortgezet opsporingsonderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie wordt uitgevoerd, parallel aan het onderzoek ter terechtzitting doch niet als direct uitvloeisel daarvan en niet in opdracht van een rechterlijke autoriteit (verder: parallel opsporingsonderzoek). Parallel opsporingsonderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank, op gelijke wijze als het vooronderzoek, worden getoetst op de voet van artikel 359a Sv. Het gaat daarbij immers om onderzoekshandelingen die materieel kunnen worden gelijkgesteld met onderzoekshandelingen in verband van het voorbereidend onderzoek.

Ander handelen openbaar ministerie en politie na aanvang onderzoek ter terechtzitting: toetsing aan artikel 6 EVRM en algemene rechtsbeginselen

Anders dan het openbaar ministerie blijkens zijn repliek schijnt te menen, is handelen van het openbaar ministerie en de politie na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting wel degelijk aan rechterlijke toetsing onderworpen, ook als dit handelen niet plaatsvindt in het kader van parallel opsporingsonderzoek. De rechtbank is er immers verantwoordelijk voor dat alle verdachten worden berecht met inachtneming van de eisen van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Als door onrechtmatig handelen van het openbaar ministerie of de politie buiten het voorbereidend onderzoek of het parallelle opsporingsonderzoek de verdachte onherstelbaar in zijn verdedigingsrechten is geschaad, waardoor zijn strafproces niet aan de eisen van artikel 6 EVRM heeft voldaan, dient de rechtbank hieraan gevolgen te verbinden.

Verder dient de rechtbank het doen en laten van het openbaar ministerie in de loop van het strafproces te toetsen aan ongeschreven rechtsregels en meer in het bijzonder aan de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht. De toetsing aan een aantal beginselen van behoorlijk procesrecht, zoals het beginsel van fair play en het beginsel van equality of arms, is reeds begrepen in de toetsing aan artikel 6 EVRM. Andere ongeschreven rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel, hebben ook betekenis buiten de werkingssfeer van artikel 6 EVRM.

Als de rechtbank buiten het voorbereidend onderzoek en het parallelle opsporingsonderzoek schending constateert van artikel 6 EVRM of één of meer beginselen van behoorlijk procesrecht, rijst de vraag of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg passend is. De rechtbank zal bij de beantwoording van die vraag aanknoping zoeken bij de criteria van artikel 359a Sv zoals hierboven weergegeven.

Verder merkt de rechtbank nu reeds op dat zij de verweren die betrekking hebben op een vermeend gebrek aan magistratelijkheid en transparantie van het openbaar ministerie na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting begrijpt als klachten over de proceshouding van het openbaar ministerie. De rechtbank zal deze verweren beoordelen in het licht van artikel 6 EVRM.

Schending van rechtsnormen buiten de context van het voorbereidend onderzoek, het parallelle opsporingsonderzoek en het strafproces

Schending van rechtsnormen door het openbaar ministerie of de politie buiten de context van het voorbereidend onderzoek, het parallelle opsporingsonderzoek en het strafproces blijft -behoudens de rechterlijke vrijheid bij straftoemeting - in beginsel zonder rechtsgevolgen in de strafzaak. Dit kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als blijkt dat de opsporings- dan wel vervolgingsautoriteiten actieve bemoeienis hebben (gehad) met dat onrechtmatig handelen teneinde daarvan in het kader van de verdere vervolging te profiteren, waardoor doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van één of meer verdachten aan hun recht op een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan.

Relativering van de Schutznorm?

Als het niet de verdachte is die door de niet naleving van een rechtsnorm is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal volgens vaste jurisprudentie als regel geen rechtsgevolg aan het verzuim behoeven te worden verbonden (de zgn. Schutznorm). Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan daarbij niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Een eventuele schending van dat belang levert dus niet een nadeel op als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv.1

De verdediging heeft gepleit voor relativering van de Schutznorm en daarbij gewezen op jurisprudentie op grond waarvan onder bijzondere omstandigheden ook consequenties kunnen worden verbonden aan onrechtmatig overheidshandelen als de verdachte door dit handelen niet in zijn belangen is geschaad. In het bijzonder is daarbij een beroep gedaan op het Karman-arrest (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567).

Bij arrest van 3 juli 2001, NJ 2002, 8, heeft de Hoge Raad, zo begrijpt de rechtbank, de strekking van het arrest Karman beperkt tot gevallen waarin de handelwijze van de officier van justitie in strijd is met de grondslag van het strafproces en met name de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter, waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Daarbij dient aan de orde te zijn het fundamentele belang dat de gemeenschap heeft bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter slechts in dergelijke zeer uitzonderlijke gevallen de bevoegdheid om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de verdachte niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad. De rechtbank onderschrijft niet het in de literatuur wel ingenomen standpunt dat de Karmandoctrine niet meer tot het geldende recht behoort. Verder staat in bijzondere gevallen het relativiteitsvereiste niet aan bewijsuitsluiting in de weg.


2.1.2 Toezeggingen aan de kroongetuige

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie, deels onder het mom van getuigenbescherming, een reeks van ontoelaatbare toezeggingen heeft gedaan aan de kroongetuige [medeverdachte 7]. Verder zou het openbaar ministerie zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens het strafproces niet transparant zijn geweest over het volledige pakket van afspraken en toezeggingen. Relevante informatie zou bewust zijn weggehouden en de informatievoorziening die wel heeft plaatsgevonden zou misleidend zijn geweest. Om deze redenen zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging van de medeverdachten van [medeverdachte 7].

Het openbaar ministerie meent dat van ontoelaatbare toezeggingen geen sprake is en dat het volkomen transparant heeft geopereerd, behalve voor zover de aard van het onderwerp zich hiertegen verzette.

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de met [medeverdachte 7] gesloten overeenkomst, aspecten van getuigenbescherming, overige toezeggingen die volgens de verdediging zijn gedaan, de weglatingsafspraak en klachten over de mate van transparantie bij het openbaar ministerie.

De overeenkomst met [medeverdachte 7]

Feiten

Op 20 februari 2007 heeft de Staat een overeenkomst gesloten met [medeverdachte 7]. Daarbij heeft [medeverdachte 7] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (“dealfeiten”) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte (de rechtbank begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige). De officier van justitie verbond zich om bij onverkorte nakoming door [medeverdachte 7] de strafeis voor diens eigen aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op 8 jaar gevangenisstraf. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige was, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van zestien jaren zou bedragen (“de basisstrafeis”). De strafvervolging van [medeverdachte 7] zou zich, behoudens na het tot stand komen van de deal blijkende omstandigheden die tot afwijking daarvan noopten, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [persoon 8], het medeplegen van een poging tot en voorbereidingshandelingen voor moord op [persoon 1] en het medeplegen van een poging tot uitlokking van moord op [persoon 7]. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toegelicht dat het openbaar ministerie uitbreiding van de vervolging alleen geoorloofd acht als zou blijken dat de betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij dealfeiten substantieel anders was geweest dan hij in zijn eerdere kluisverklaringen had aangegeven.

Uit de deal blijkt verder het volgende. Hoewel [medeverdachte 7] als verdachte werd beschouwd van voorbereidingshandelingen voor de moord op, naar later is gebleken, [persoon 9], werd hij hiervoor niet vervolgd omdat er nog onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden was. Mocht na het sluiten van de deal blijken van nieuw bewijsmateriaal of van een andere betrokkenheid van [medeverdachte 7] dan verklaard, dan zou het openbaar ministerie opnieuw een vervolgingsbeslissing nemen. Voor zover er uit de verklaring van [medeverdachte 7] over de moord op [persoon 10] en overig tactisch onderzoek al voldoende bewijs kon worden geput voor vervolging van [medeverdachte 7] ter zake van verboden wapenbezit, heeft het openbaar ministerie een dergelijke vervolging niet opportuun geacht, gelet op de voorgenomen vervolging in de zaken [persoon 8] en [persoon 1]. Ten slotte heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak [persoon 8] om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [medeverdachte 7] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [medeverdachte 7] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de Regeling bijzondere opsporingsgelden (RBO). Daarbij werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.

Begin 2009 is de tenlastelegging van een aantal medeverdachten uitgebreid met deelname aan een criminele organisatie. Het openbaar ministerie heeft [medeverdachte 7] hiervoor niet vervolgd omdat [medeverdachte 7] erop mocht vertrouwen dat hij uitsluitend zou worden vervolgd voor de in de overeenkomst genoemde feiten.

Standpunt verdediging

De verdediging acht de overeenkomst met [medeverdachte 7] onrechtmatig. Volgens de verdediging bevat de overeenkomst een aantal (deels verkapte) ontoelaatbare toezeggingen. Daartoe voert zij, kort samengevat, het volgende aan.

  • -

    De wet staat blijkens haar tekst en totstandkomingsgeschiedenis als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen uitsluitend vermindering van de strafeis toe en kleine gunsten in het kader van het opportuniteitsbeginsel. De stelling van het openbaar ministerie dat uit het opportuniteitsbeginsel verdergaande bevoegdheden voortvloeien is onjuist.

  • -

    De deal bevat een verkapte immuniteitstoezegging, in ieder geval waar niet wordt vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie. Ook op andere punten is de omvang van de vervolging discutabel (zaak [persoon 9]) of door het onderzoek ter terechtzitting discutabel geworden (zaken [persoon 11] en [persoon 10]). Het openbaar ministerie heeft zich ten onrechte niet de vrijheid voorbehouden om voor feiten waarover alleen de verklaring van de kroongetuige voorhanden was, alsnog tot vervolging over te gaan als meer bewijsmateriaal zou worden gevonden. Mede als gevolg daarvan wordt [medeverdachte 7] niet vervolgd voor feiten waarvoor één of meer andere verdachten wel vervolgd worden.

  • -

    De met de kroongetuige overeengekomen basisstrafeis van 16 jaren is zeer onevenredig aan de strafeisen jegens medeverdachten. De onevenredigheid klemt temeer nu bij de basisstrafeis ook nog rekening zou zijn gehouden met een aantal niet ten laste gelegde feiten. Kennelijk is er sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering. Deze is in strijd met artikel 226g, eerste lid, Sv.

  • -

    In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal wordt toegestaan dat aan de getuige wordt toegezegd, de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen met ten hoogste de helft. Dit is in strijd met de wet. Uit de toevoeging van de laatste volzin aan artikel 226g, eerste lid, Sv blijkt duidelijk dat de wetgever andere toezeggingen zonder expliciete wettelijke regeling onmogelijk achtte en ook heeft willen voorkomen.

  • -

    In deze zaak is volledig van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgezien. Dit is in strijd met de wet en de Aanwijzing.

  • -

    Een overeenkomst met een getuige die zelf een levensdelict op zijn geweten heeft, is op zichzelf niet door de wetgever uitgesloten. Gelet op de toegenomen verdenking tegen [medeverdachte 7] dat hij actief betrokken is geweest bij de dood van [persoon 11] en een aanslag op [persoon 12] heeft uitgelokt, voldoet de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en [medeverdachte 7] bij de huidige stand van zaken echter niet langer aan de proportionaliteitseis.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft toegelicht tot de overeenkomst te zijn gekomen omdat de verwachting was dat zonder de overeenkomst vervolging niet, althans niet binnen afzienbare termijn, zou kunnen plaatsvinden. Zonder aanhouding van de verdachten zouden mogelijk nog meer slachtoffers zijn gevallen. Het openbaar ministerie kan zijn reguliere bevoegdheden inzetten om met een potentiële getuige tot overeenstemming te komen, zolang het daarbij de grenzen van de Aanwijzing niet overschrijdt. Over de omvang van de vervolging en de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie zelfstandig beslist, zonder dat hierover met [medeverdachte 7] is onderhandeld.

Ter onderbouwing van de vervolgingsbeslissing, de strafeis en de overige elementen van de overeenkomst heeft het openbaar ministerie in diverse fasen van het proces het volgende aangevoerd.

  • -

    Bepaalde gedragingen waarover [medeverdachte 7] verklaarde waren volgens de inschatting destijds verwerpelijk maar niet strafbaar (bv. voorverkenningen [persoon 13] en [persoon 5]). Hiervoor kon [medeverdachte 7] dus niet worden vervolgd. Voor andere gedragingen was de verklaring van [medeverdachte 7] het enige beschikbare bewijsmiddel (bv. zaak [persoon 9]). Besloten is [medeverdachte 7] voor deze gedragingen niet te vervolgen omdat zij onvoldoende bewijsbaar werden geacht. Na het sluiten van de overeenkomst mocht [medeverdachte 7] erop vertrouwen dat hij voor deze zaken niet alsnog zou worden vervolgd, tenzij zou blijken dat hij daarover opzettelijk niet naar waarheid heeft verklaard.

  • -

    De strafeis is gebaseerd op alle verwerpelijke gedragingen waarover [medeverdachte 7] heeft verklaard, dus ook op de feiten waarvoor hij niet wordt vervolgd. Bij de bepaling van de strafeis is gelet op de ernst van de feiten, alsmede op het feit dat [medeverdachte 7] door zich te melden zijn eigen vervolging heeft mogelijk gemaakt terwijl hij bij het openbaar ministerie niet in beeld was, en zijn leven wilde beteren.

  • -

    Artikel 226g Sv doet niet af aan het reguliere opportuniteitsbeginsel.

  • -

    Ook bij de toepassing van de ontnemingsregeling is het opportuniteitsbeginsel van toepassing. Voor zover de Aanwijzing het afzien van een ontnemingsvordering tot slechts de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel toestaat, is zij te stellig geformuleerd, omdat zij in strijd is met het wettelijk vastgelegde opportuniteitsbeginsel.

  • -

    Op grond van dit opportuniteitsbeginsel is afgezien van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [medeverdachte 7] bood op het moment dat de deal gesloten werd geen verhaal, en in verband met te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen zou executie in een later stadium moeilijk worden. Verder was het te ontnemen bedrag lager dan het bedrag waarop [medeverdachte 7] op grond van de RBO aanspraak kon maken.

Beoordeling door de rechtbank

Overeenkomst ex art. 226g Sv in dit geval mogelijk?

Gelet op de wetsgeschiedenis is het maken van een afspraak als de onderhavige met de verdachte alleen toelaatbaar als uiterste redmiddel in zaken van georganiseerde criminaliteit of in zaken van leven en dood. De rechtbank dient, mede op basis van de gevoerde verweren, allereerst te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 7] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.2

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 7] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv. De rechtbank is verder van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 7] te komen. [medeverdachte 7] kon immers verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd mogelijk was geweest. Verder kon hij verklaren over een aantal voorgenomen levensdelicten die bij tijdige aanhouding van de personen over wie hij verklaarde wellicht voorkomen zouden kunnen worden. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders en vermeende tussenpersonen, maar ook vermeende opdrachtgevers. Het ligt voor de hand dat een getuige die zo veelomvattend over een reeks van al dan niet voltooide levensdelicten kan verklaren, zelf veelal ook ernstige strafbare feiten en mogelijk één of meer levensdelicten zal hebben begaan. De wetgever heeft de mogelijkheid van een overeenkomst met een criminele getuige echter juist met het oog op de bestrijding van zeer ernstige criminaliteit in het leven geroepen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het feit dat [medeverdachte 7] stelde zelf bij meerdere pogingen tot levensdelicten en één voltooide moord betrokken te zijn geweest, dan ook niet in de weg aan een overeenkomst ex artikel 226g Sv. Onder deze omstandigheden heeft het openbaar ministerie zonder overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit een overeenkomst met [medeverdachte 7] kunnen sluiten waarbij hem de maximaal mogelijke strafkorting werd toegezegd.

De verdediging heeft niet bestreden dat het openbaar ministerie met [medeverdachte 7] tot een overeenkomst heeft kunnen komen. Zij acht de uiteindelijke overeenkomst echter onrechtmatig waar het gaat om de vaststelling van de aan [medeverdachte 7] ten laste te leggen feiten, de toegezegde strafeis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering.

Het openbaar ministerie heeft hier tegenover gesteld dat het op al deze punten rechtmatig gebruik heeft gemaakt van het opportuniteitsbeginsel. Om die reden zal de rechtbank vóórdat zij overgaat tot bespreking van de door de verdediging benoemde punten, eerst stilstaan bij de vraag in hoeverre het openbaar ministerie bij de toenmalige (zijnde ook de huidige) stand van het recht ruimte had om ten opzichte van een getuige met wie een overeenkomst ex art. 226g Sv wordt overwogen, het opportuniteitsbeginsel toe te passen. In het geval van [medeverdachte 7] is in het bijzonder van belang of het openbaar ministerie bevoegd is om naast de toezegging als bedoeld in artikel 226g Sv geheel of gedeeltelijk af te zien van een ontnemingsvordering. Met betrekking tot die vraag overweegt de rechtbank als volgt.

Verhouding overeenkomst ex art. 226g Sv en reguliere bevoegdheden openbaar ministerie

Juridisch kader

Wetsgeschiedenis

De artikelen 226g t/m 226l Sv en 44a Sr (verder: de kroongetuigenregeling) en een groot aantal andere strafvorderlijke bepalingen zijn tot stand gebracht naar aanleiding van het rapport Inzake Opsporing van de Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden (hierna: Commissie Van Traa). Deze Commissie constateerde dat in de opsporingspraktijk tal van ingrijpende en soms ook discutabele opsporingsmethoden werden gehanteerd waarvoor geen wettelijke grondslag bestond, dat de legitimiteit van de rechtshandhaving in het geding was en dat opsporing in de toekomst zou moeten plaatsvinden op de wijze bij de wet voorzien. De rechter zou de toepassing van het gebruik van de gehanteerde opsporingsmethodes aan de wettelijke normering moeten toetsen. Om deze toetsing mogelijk te maken, zou het gebruik van opsporingsmethoden expliciet moeten worden vastgelegd.

De latere Commissie Kalsbeek onderstreepte in het rapport Uitvoering aanbevelingen enquêtecommissie opsporingsmethoden deze noties en merkte daarnaast op dat opsporingsmethodes doelmatig dienden te worden gebruikt en dienden bij te dragen aan een effectieve bestrijding van de criminaliteit. Organisaties in de opsporing dienden zorg te dragen voor de geloofwaardigheid en legitimiteit van de criminaliteitsbestrijding.3

Binnen het parlement is de omvang van mogelijke toezeggingen aan kroongetuigen en de wettelijke verankering hiervan frequent voorwerp geweest van debat. Belangrijk punt daarbij was of de officier van justitie, behalve de in het wetsvoorstel neergelegde mogelijkheid tot vermindering van de strafeis, op basis van zijn reguliere bevoegdheden ook andere toezeggingen zou mogen doen aan de potentiële getuige en zo ja, of daarvoor een aparte formeelwettelijke grondslag nodig was.

Aanvankelijk was de Tweede Kamer van oordeel dat aan een getuige uitsluitend verlaging van de strafeis zou mogen worden toegezegd. Op basis van dit oordeel, dat was verwoord in het wetsvoorstel Toezeggingen aan getuigen in strafzaken4, was ook de Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken d.d. 13 juli 2001 gebaseerd.5 Bij brief van 5 februari 2003 liet het College van Procureurs-Generaal echter aan de Minister weten dat de Tijdelijke aanwijzing het openbaar ministerie te zeer in zijn mogelijkheden beperkte om ernstige strafzaken tot een goed einde te brengen en stelde een werkgroep in om na te gaan in welke mate verruiming of versoepeling wenselijk en mogelijk was. Deze werkgroep bracht medio 2004 een advies uit over toezeggingen aan getuigen in strafzaken, waarin werd aanbevolen een groot aantal andere toezeggingen aan criminele getuigen mogelijk te maken.

Het ging hier om toezeggingen inzake sepot, inhoud en omvang van de tenlastelegging, intrekking van uitleverings- of overleveringsverzoek, afzien van het vorderen van bijkomende straffen of maatregelen, waaronder ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bemiddeling naar derden, het in Nederland mogen ondergaan van een in het buitenlang opgelegde vrijheidsstraf, een financiële beloning, alsmede een combinatie van dit soort prestaties.

De minister nam een deel van de voorstellen van het CPG over en gaf in een brief aan de Tweede Kamer aan welke andere toezeggingen dan strafvermindering aan een criminele getuige zouden moeten kunnen worden gedaan. Het ging daarbij om de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel, gunstbetoon en de intrekking van een Nederlands uitleveringsverzoek of EAB. De minister meende dat dergelijke toezeggingen konden worden gedaan onder gebruikmaking van reguliere bevoegdheden die het openbaar ministerie al had. Naar zijn oordeel zou in een verruimde aanwijzing van het CPG moeten worden vastgelegd of en in hoeverre het openbaar ministerie deze bevoegdheden zou kunnen gebruiken om met potentiële getuigen tot overeenstemming te komen.6

Binnen de Tweede Kamer is in september 2004 uitvoerig gedebatteerd over dit standpunt van de minister. Enkele fracties verzetten zich met klem tegen een bevoegdheid voor het openbaar ministerie om op basis van bestaande bevoegdheden meer toezeggingen te kunnen doen aan criminele getuigen; andere fracties stonden hier meer welwillend tegenover of lieten hun standpunt afhangen van nader door de minister te verstrekken informatie. Wel was de Tweede Kamer van mening dat er zo spoedig mogelijk een formeelwettelijke grondslag zou moeten komen voor het fenomeen overeenkomst met een kroongetuige. Voor ingrijpende aanpassingen in het wetsvoorstel was op korte termijn geen meerderheid te vinden. Besloten werd dat de behandeling in de Eerste Kamer van het aanhangige wetsvoorstel (met één hier niet ter zake doende aanpassing) kon worden voortgezet. De vraag of verruiming van de mogelijkheden van het openbaar ministerie wenselijk was en of hiervoor een formeel-wettelijke basis nodig was, zou nog nader worden besproken.7

Bij brief van 12 april 2005 aan de Tweede Kamer heeft de minister met betrekking tot het te ontnemen voordeel erop gewezen dat het openbaar ministerie zolang het onderzoek ter terechtzitting niet is gesloten op grond van artikel 511c Sv met een verdachte of veroordeelde kan onderhandelen over het uiteindelijk te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen deze achtergrond toonde de minister begrip voor de wens van het openbaar ministerie om het categorische verbod op het doen van toezeggingen in het kader van de oplegging van de ontnemingsmaatregel op te heffen. Ook voorspraak bij andere instanties (de fiscus, de IND, buitenlandse autoriteiten) en intrekking van een Nederlands uitleveringsverzoek of EAB als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen achtte de minister niet onaanvaardbaar. Wel zou steeds de eis hebben te gelden dat het geheel aan toezeggingen de grenzen van de proportionaliteit niet zou overschrijden.

De minister achtte wel onaanvaardbaar dat toezeggingen zouden worden gedaan over sepot, de inhoud van de tenlastelegging of een financiële beloning. De minister kondigde aan dat een verruiming van de Aanwijzing zou plaatsvinden en dat hij daarbij een opvatting van de Tweede Kamer over de reikwijdte van eventuele verruiming bij de herziening van de Aanwijzing zou laten meewegen.8

In de Eerste Kamer namen diverse fracties in eerste instantie het standpunt in dat het OM, om zijn bestaande bevoegdheden te kunnen inzetten om met een getuige tot overeenstemming te komen, in alle gevallen een uitdrukkelijke basis in de wet zou moeten hebben. Bij brief van 18 maart 2005 gaf de minister echter als zijn visie te kennen dat aard noch bevoegdheidsregeling zich ertegen verzetten dat deze bevoegdheden mede dienstbaar werden gemaakt aan een afspraak om een getuigenverklaring af te leggen.9

Volgens de minister zou voldoende zijn dat hiervan melding werd gemaakt in een proces-verbaal, zodat de toezegging voor de verdediging en de rechtbank kenbaar zou zijn. Van onrechtmatigheid zou in het algemeen geen sprake kunnen zijn zolang de officier van justitie binnen de grenzen van zijn ruim omschreven bevoegdheden was gebleven. Volgens de minister moest de figuur van de overeenkomst met een criminele getuige wettelijk worden geregeld en moest ook de mogelijkheid tot toezegging van verlaging van de strafeis wettelijk worden vastgelegd omdat hier rechtstreeks werd geraakt aan de door de rechter op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. Ten aanzien van overige, reeds bestaande bevoegdheden diende bij Aanwijzing te worden bepaald of die wel of niet konden worden ingezet om met een getuige tot overeenstemming te komen. Toezeggingen zonder enige wettelijke grondslag zouden niet kunnen worden gedaan. De minister kondigde een verruiming van de Aanwijzing aan en merkte op dat hij daarbij een opvatting van de Eerste Kamer over de reikwijdte van eventuele verruiming bij de herziening van de Aanwijzing zou laten meewegen.

Uit debat hierna in de Eerste Kamer bleek dat de meerderheid op zichzelf geen moeite had met het reguleren van (een belangrijk deel van) toezeggingen aan criminele getuigen door middel van aanwijzingen van het CPG. Wel bestond twijfel of het in artikel 167 Sr verwoorde opportuniteitsbeginsel een voldoende wettelijke grondslag bood voor het doen van toezeggingen aan getuigen op basis van de bestaande strafvorderlijke bevoegdheden en of er geen sprake zou kunnen zijn van détournement de pouvoir.10

De minister merkte op dat al geruime tijd werd gewerkt op basis van de Tijdelijke aanwijzing, die geen specifieke wettelijke grondslag had, zonder dat dit had geleid tot een geslaagd beroep op détournement de pouvoir door degene tegen wie de verklaring was afgelegd. Hij bleef van oordeel dat aanvullende wetgeving pas aan de orde diende te komen als de rechter toezeggingen die volgens de Aanwijzing toelaatbaar zouden zijn, ontoelaatbaar zou achten wegens een ontoereikende wettelijke verankering. Uiteindelijk heeft de Eerste Kamer, na de Minister nog eens op de mogelijke juridische risico’s van een dergelijke inrichting van het stelsel van toezeggingen aan criminele getuigen te hebben gewezen, het wetsvoorstel aangenomen waarin uitsluitend strafvermindering werd geregeld.

Wettelijke regeling

De uiteindelijk tot stand gebrachte wettelijke regeling luidt voor zover hier van belang als volgt. Op grond van artikel 226g Sv kan het openbaar ministerie een afspraak maken met een verdachte om een getuigenverklaring af te leggen in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging van zijn eigen strafzaak strafvermindering zal worden gevorderd. De overeenkomst met de getuige bevat een omschrijving van de feiten waarvoor de getuige zal worden vervolgd en de inhoud van de toezegging van de officier van justitie. De overeenkomst heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering. Op grond van artikel 44a Sr kan de door de rechter vast te stellen strafvermindering in geval van een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf bestaan uit maximaal de helft van de straf die hij overwoog op te leggen. De overeenkomst treedt pas in werking nadat de rechter-commissaris de rechtmatigheid daarvan heeft vastgesteld (art. 226h, derde lid, Sv). De rechter-commissaris toetst onder andere of er een dringende noodzaak is om de verklaring van de verdachte te verkrijgen, en wat het belang is van het verkrijgen van de af te leggen verklaring. Het oordeel van de rechter-commissaris is niet bindend voor de zittingsrechter, aan wie het uiteindelijke oordeel over de rechtmatigheid van de overeenkomst is voorbehouden.

De Aanwijzing

Bij de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, in werking getreden op 1 april 2006, heeft het CPG beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g t/m 226l Sv. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. De Aanwijzing is op 20 maart 2006 in het kader van de evaluatie van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gezonden. Voor zover te achterhalen heeft de Kamer niet meer gereageerd op de inhoud van de Aanwijzing.

Op grond van punt 4 van de Aanwijzing kan de officier van justitie aan een getuige die tevens verdachte is toezeggen, de te vorderen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te verminderen met ten hoogste de helft. Ook kan worden toegezegd de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen met ten hoogste de helft, al dan niet in het kader van een schikking op grond van artikel 511c Sv.

Punt 5.1 van deze Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bv. het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.

Beschouwing



Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever in eerste instantie een gesloten formeel-wettelijk systeem tot stand heeft willen brengen en dat daarbij alleen de toezegging van verlaging van de strafeis en beperkte gunsten toelaatbaar werden geacht. Met de toevoeging bij amendement van de laatste volzin aan artikel 226g, eerste lid, is dit nog eens extra benadrukt.

Nadat enige jaren praktijkervaring was opgedaan met de voorgestane regeling (in de vorm van de Tijdelijke aanwijzing) en deze door het openbaar ministerie in de praktijk ontoereikend was bevonden, zijn de panelen echter gaan schuiven. Een minderheid van de Tweede Kamer wilde er onverkort aan vasthouden dat alleen strafvermindering en beperkte gunsten aan criminele getuigen zouden mogen worden toegezegd. Een meerderheid stond - in meerdere of mindere mate - welwillend tegenover de wensen van de minister maar wilde een nadere juridische en/of inhoudelijke toelichting op het door hem voorgestane systeem. Omdat men in ieder geval geen verdere vertraging wilde oplopen bij het creëren van enige formeelwettelijke basis voor de overeenkomst met de kroongetuige, is de discussie met stemming over een amendement en met de aankondiging door de minister van een ruimere aanwijzing geëindigd. Toezending van die ruimere, ten tijde in geding geldende aanwijzing op een later moment heeft niet tot enige reactie van de Tweede Kamer geleid.

In de Eerste Kamer heeft het debat zich met name toegespitst op de vraag of artikel 167 Sv een voldoende specifieke wettelijke basis bood voor toezeggingen aan criminele getuigen, maar tot een eenduidig antwoord is het niet gekomen. Kennelijk onder het motto: “Beter iets dan niets” is het wetsvoorstel aangenomen.

Uit de geschetste gang van zaken leidt de rechtbank af dat een meerderheid in beide Kamers ten tijde van de inwerkingtreding van de kroongetuigenregeling niet zozeer de wens had de toezeggingen aan criminele getuigen te beperken tot uitsluitend verlaging van de strafeis en kleine gunsten. Men wilde de overeenkomst formeelwettelijk vastleggen en men wilde geen toezeggingen waarvoor geen enkele wettelijke basis bestond. Gebruikmaking van reeds bestaande bevoegdheden lijkt door de meerderheid van beide Kamers op zich niet onaanvaardbaar te zijn geacht, mits bij aanwijzing duidelijk zou worden geregeld welke toezeggingen wel en welke toezeggingen niet toelaatbaar waren en mits het openbaar ministerie over gemaakte afspraken volledige openheid zou betrachten. Of een dergelijke inrichting van de regelgeving rondom toezeggingen aan kroongetuigen juridisch kon standhouden, werd betwijfeld maar is ter beoordeling aan de rechter gelaten. Uit het feit dat de Tweede Kamer sinds de toezending van de huidige Aanwijzing in maart 2006 het stilzwijgen heeft bewaard, maakt de rechtbank op dat er binnen het parlement geen overwegende materiële bezwaren leven tegen de wijze waarop het openbaar ministerie volgens de Aanwijzing zijn bevoegdheden mag hanteren om met criminele getuigen tot overeenstemming te komen.

De rechtbank zal tegen deze achtergrond bezien of er een toereikende juridische grondslag is voor de in de Aanwijzing geregelde inzet van algemene bevoegdheden door het openbaar ministerie om met een criminele getuige tot overeenstemming te komen. Daarbij zal de rechtbank vooral letten op de hoofddoelen die destijds bij de wetgever hebben voorgezeten, te weten: een wettelijke basis, transparantie en toetsbaarheid door de rechter. De rechtbank overweegt dan als volgt.

De Aanwijzing betreft de hantering van bevoegdheden die het openbaar ministerie op grond van de wet heeft, met het doel om met een criminele getuige tot overeenstemming te komen. Bij de Aanwijzing heeft het openbaar ministerie beleidsregels vastgesteld waarmee het zichzelf zichzelf beperkt in de wijze waarop het voor dat doel van die wettelijke bevoegdheden gebruik maakt. Daarbij zijn de instrumenten die tijdens de parlementaire behandeling steeds onaanvaardbaar zijn bevonden, zoals onderhandelingen over de inhoud van de tenlastelegging en het toezeggen van strafrechtelijke immuniteit, gekwalificeerd als ontoelaatbare toezeggingen.

Het enkele feit dat algemene bevoegdheden, die door het openbaar ministerie mogen worden gehanteerd vanuit het opportuniteitsbeginsel, worden ingezet voor het specifieke doel om met een criminele getuige tot overeenstemming te komen, betekent naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het kan immers in het algemeen belang zijn om over de verklaringen van een criminele getuige te kunnen beschikken. Wel zal de wijze waarop de algemene bevoegdheden in het concrete geval zijn ingezet moeten voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Aanwijzing vormt recht in de zin van artikel 79 van de Wet RO. De rechter kan daarom gemaakte afspraken aan de Aanwijzing toetsen en aan eventuele overschrijding van de bij de Aanwijzing geformuleerde grenzen consequenties verbinden. Verder is de Minister over de inhoud en de toepassing van de Aanwijzing verantwoording verschuldigd aan het parlement. De toezending aan het parlement van de Aanwijzing, waarin aan het openbaar ministerie werd toegestaan om bepaalde algemene bevoegdheden in te zetten om tot overeenstemming met de getuige te komen, heeft voor zover valt na te gaan niet geleid tot enig kritisch geluid vanuit het parlement.

Ten slotte voorziet de Aanwijzing in duidelijke procedurele waarborgen doordat de Centrale Toetsingscommissie, het College van Procureurs-Generaal en zo nodig de Minister van Justitie de voorgenomen overeenkomst toetsen alvorens deze tot stand komt. De wet en de Aanwijzing voorzien in transparantie over de (totstandkoming van de) gemaakte afspraken naar de rechter en de verdediging, en in toetsing van de uiteindelijke overeenkomst door de rechter-commissaris en de zittingsrechter aan de eisen van o.a. proportionaliteit en subsidiariteit.

Naast het bestaan van een formeelwettelijke basis en de aanwezigheid van procedurele waarborgen acht de rechtbank voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de Aanwijzing van groot belang dat de kroongetuigenregeling in het leven is geroepen met het oog op de bestrijding van zeer zware criminaliteit met behulp van getuigenverklaringen vanuit het criminele circuit. Van een potentiële kroongetuige die uiterst belastend kan verklaren over zeer ernstige delicten, wordt veelal gevraagd inzicht te geven in eigen, ernstig strafbaar handelen en zijn eigen veiligheid ernstig en zeer langdurig op het spel te zetten. Het openbaar ministerie zal het vertrouwen van de potentiële getuige langzaam maar zeker moeten winnen. In een dergelijke situatie heeft het openbaar ministerie per definitie een zekere speelruimte nodig om effectief te kunnen opereren. Een interpretatie waarbij vrijwel iedere speelruimte aan het openbaar ministerie wordt ontnomen doet het nuttig effect van de regeling teniet.

De rechtbank komt dan tot de volgende conclusies ten aanzien van het juridisch kader.

In de eerste plaats blijven algemene bevoegdheden van het openbaar ministerie, zoals de bevoegdheid om de verdachte voor bepaalde zaken niet te vervolgen op grond van het opportuniteitsbeginsel en de bevoegdheid om schikkingen te treffen met betrekking tot wederrechtelijk verkregen voordeel bestaan, ook al wordt met de verdachte een overeenkomst ex artikel 226g Sv gesloten. Niet uit te sluiten valt echter dat deze bevoegdheden worden gebruikt op een wijze die geen andere conclusie toelaat dan dat sprake is van een verkapte toezegging voor verklaringen. In dat geval rijst de vraag of er sprake is van een geoorloofde toezegging.

In de tweede plaats bieden artikel 226g Sv, de wettelijke bepalingen waarbij aan het openbaar ministerie algemene bevoegdheden worden toegekend en de Aanwijzing in hun onderlinge samenhang een toereikende wettelijke grondslag aan het openbaar ministerie om deze algemene bevoegdheden op de door de Aanwijzing voorziene wijze in te zetten om met een getuige tot overeenstemming te komen. Van een intransparant gebruik van een omstreden opsporingsmethode zonder wettelijke grondslag, voor welk gevaar in het rapport van de commissie Van Traa werd gewaarschuwd, is bij naleving van de Aanwijzing in het geheel geen sprake. Uiteraard dient het openbaar ministerie bij het sluiten van een overeenkomst niet alleen de grenzen van de Aanwijzing in acht te nemen, maar dient het geheel van toezeggingen ook te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dient het openbaar ministerie (met een uitzondering waar het gaat om getuigenbescherming) transparant te zijn over gemaakte afspraken.

Meer in het bijzonder vormen naar het oordeel van de rechtbank de artikelen 36e Sr (inzake de ontnemingsvordering) en 511c Sv (inzake de bevoegdheid van het openbaar ministerie om met de verdachte of veroordeelde tot een schikking te komen totdat de rechter op de ontnemingsvordering heeft beslist), het opportuniteitsbeginsel en punt 4 van de Aanwijzing, beschouwd in onderlinge samenhang, een voldoende juridische grondslag voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie om in het kader van een overeenkomst met een criminele getuige toe te zeggen voor ten hoogste de helft van een ontnemingsvordering af te zien, waarbij moet worden voldaan aan de eisen van proportionalietit, subsidiariteit en transparantie.

Beoordeling van de geschreven OM-deal met [medeverdachte 7]

De rechtbank moet thans de vraag beantwoorden of de OM-deal met [medeverdachte 7] binnen de grenzen van het recht is gebleven.

De rechter dient de rechtmatigheid van een OM-deal te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment dat de overeenkomst tussen partijen tot stand kwam. Feiten en omstandigheden die na de totstandkoming van de OM-deal hebben plaatsgevonden, zoals de ontwikkelingen in de zaken [persoon 11] en [persoon 12], kunnen de rechtmatigheid van de OM-deal niet aantasten.

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging, de basisstrafeis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering.

Omvang van de vervolging

Over de omvang van de vervolging overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van iedere verdachte geldt als uitgangspunt dat het openbaar ministerie beslist voor welke feiten een vervolging opportuun is (art. 167, tweede lid, Sv). Het openbaar ministerie houdt daarbij rekening met alle omstandigheden van het geval en heeft een ruime beoordelingsvrijheid. Die beoordelingsvrijheid is in het geval van een potentiële kroongetuige niet anders dan in geval van een reguliere verdachte. In artikel 226g Sv wordt immers de toepasselijkheid van artikel 167, tweede lid, Sv niet uitgesloten en evenmin valt artikel 226g Sv op te vatten als een lex specialis ten opzichte van artikel 167, tweede lid, Sv.

Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen.

Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan (zgn. plea bargaining) en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er immers sprake kunnen zijn van een niet toegestane toezegging in de zin van de Aanwijzing.

De rechtbank stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 7] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft herhaaldelijk verklaard dat de vervolgingsbeslissing een resultante is geweest van intern overleg en dat het resultaat daarvan aan [medeverdachte 7] is medegedeeld. [medeverdachte 7] heeft zich eveneens in die zin uitgelaten, terwijl ook het gespreksverslag van de CIE-officier De Haas van 22 november 2006 in die richting wijst. De rechtbank ziet dan ook geen aanwijzingen dat dit een onjuiste weergave van de gang van zaken is.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [medeverdachte 7] voor bepaalde feiten waarover hij heeft verklaard (met name de zaken [persoon 5], [persoon 13] en [persoon 9]), is te duiden als een verboden toezegging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 226g, tweede lid, schrijft voor dat in de overeenkomst met een kroongetuige wordt vastgelegd voor welke feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor reeds op dat moment voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn. Wanneer het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is, of zich het recht zou moeten voorbehouden in een later stadium voor meer feiten te vervolgen, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou in die interpretatie ernstig worden aangetast. De rechtbank acht de beslissing van het openbaar ministerie om [medeverdachte 7] alleen te vervolgen in bewijstechnisch stevig ogende zaken dan ook rechtmatig.

Los hiervan heeft het openbaar ministerie ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat in de zaken [persoon 5], [persoon 13] en [persoon 9] de grens van strafbaarheid (nog net) niet werd bereikt. De rechtbank acht deze beoordeling in de zaak [persoon 9] weliswaar voor (enige) discussie vatbaar, maar niet zo kennelijk onjuist dat het achterwege laten van vervolging voor dit feit moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.

De basisstrafeis

Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

De verdediging stelt dat de tegen [medeverdachte 7] geformuleerde basisstrafeis van 16 jaren verhoudingsgewijs zo laag is dat kennelijk sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Bij de vaststelling van de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie in de eerste plaats de ernst van de feiten ingewogen. Het openbaar ministerie betrok daarbij dat voor de aan [medeverdachte 7] ten laste gelegde feiten, die alle dateren van voor 1 februari 2006, als tijdelijke vrijheidsstraf ten hoogste een gevangenisstraf van 20 jaren zou kunnen worden opgelegd. Daarnaast is ingewogen dat er, voordat [medeverdachte 7] ging verklaren, geen enkele reden was om hem in verband te brengen met de feiten waarover hij verklaarde, en dat hij uit het criminele milieu wilde stappen.

De verdediging heeft gesteld dat de hoedanigheid van zelfmelder al is verwerkt in de halvering van de strafeis en niet ook nog mag meetellen bij de vaststelling van de basisstrafeis. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. De regel dat de strafeis voor een kroongetuige met ten hoogste de helft mag worden verminderd heeft ook betrekking op de verdachte die, nadat hij is aangehouden, probeert zijn procespositie te verbeteren door een overeenkomst te sluiten tot het afleggen van verklaringen tegen andere personen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom in het voordeel van een kroongetuige die nog geen verdachte was, niet zou mogen meewegen dat hij zichzelf heeft gemeld. Dit is immers een omstandigheid die bij de bepaling van de strafeis jegens andere verdachten ook pleegt te worden meegewogen. Dat [medeverdachte 7] mogelijk ook is gaan verklaren uit angst dat hij op enig moment toch verdacht zou worden van betrokkenheid bij de moord op [persoon 1] maakt niet dat het openbaar ministerie aan het feit dat [medeverdachte 7] zichzelf heeft gemeld terwijl hij nog geen verdachte was, geen betekenis had mogen hechten.

De verdediging heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de ernst van de wens van [medeverdachte 7] om het criminele milieu te verlaten. De rechtbank zal dit punt in het midden laten, nu er in ieder geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zoveel twijfels moest hebben bij deze wens dat deze voor de basisstrafeis geen wegingsfactor had mogen zijn.

De rechtbank slaat ten slotte geen acht op de stellingen van partijen omtrent de invloed van gedragingen die wel verwerpelijk zijn maar waarvoor [medeverdachte 7] niet wordt vervolgd op de basisstrafeis. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die eis immers slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [medeverdachte 7] ten laste zijn gelegd.

Alles overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van zestien jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Derhalve acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 7] ook op dit punt niet onrechtmatig.

Het achterwege laten van een ontnemingsvordering

Op grond van de Aanwijzing mag het openbaar ministerie in ruil voor verklaringen aan een potentiële criminele getuige toezeggen een vordering tot ontneming tot ten hoogste de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag achterwege te laten. Deze toezegging kan de vorm aannemen van een schikking ex artikel 511 Sv. Een dergelijke toezegging komt aan de orde op het moment dat het openbaar ministerie normaal gesproken, dus als er geen overeenkomst tot het afleggen van verklaringen was, tot ontneming van het volledige bedrag zou overgaan.

Dit wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige met wie het een overeenkomst zou willen sluiten, altijd gehouden is om ten minste de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel te vorderen. Voor zover het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.

Blijkens de considerans bij de OM-deal heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak [persoon 8] om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [medeverdachte 7] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [medeverdachte 7] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de RBO. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.

De rechtbank slaat geen acht op de stelling van het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.000 kan worden weggestreept tegen tip- en toondergeld, nu onvoldoende is komen vast te staan dat [medeverdachte 7] hierop zonder overeenkomst ex art. 226g Sv daadwerkelijk recht zou hebben gehad. Evenwel heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 7] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat [medeverdachte 7] na ommekomst van een langdurige vrijheidsstraf door middel van getuigenbeschermingsmaatregelen vanaf de grond een zelfstandig bestaan zou moeten gaan opbouwen, waardoor een ontnemingsmaatregel in feite een vestzak-broekzak-kwestie zou worden. Bovendien is een voorbehoud gemaakt voor het geval alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.

Nu voorts niet is gebleken dat het openbaar ministerie met [medeverdachte 7] heeft onderhandeld over het al dan niet achterwege laten van een ontnemingsvordering, is er geen sprake van een toezegging in ruil voor af te leggen verklaringen. De stelling dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing mist dan ook feitelijke grondslag.

Het verweer wordt verworpen.

Samenvatting en conclusie

De overeenkomst met [medeverdachte 7] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Noch uit de omvang van de vervolging, noch uit de strafeis, noch uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [medeverdachte 7] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen.

2.1.3

Getuigenbescherming en andere vermeende toezeggingen

Feiten

De rechtbank stelt op basis van de processen-verbaal van de officieren van justitie Van der Bel, De Haas en/of Verwiel d. dis. 8 juni 2009, 22 maart 2010, 9 april 2010, 29 maart 2012 en 6 april 2012 en op basis van verklaringen van [medeverdachte 7] ter terechtzitting de volgende feiten vast.

Vanaf november 2006 hebben tussen [medeverdachte 7] en de TGB-officier gesprekken plaatsgevonden over te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen na de detentie van [medeverdachte 7]. In december 2006 heeft de CIE-officier van justitie De Haas een gesprek gehad met [medeverdachte 7] om uit een ontstane impasse te komen. De Haas heeft toen toegezegd, wensen van [medeverdachte 7] over een aan hem te verstrekken lening te zullen doorgeven aan de TGB-officier Van der Bel. Hierna hebben nog enkele besprekingen plaatsgevonden tussen [medeverdachte 7] en de TGB-officier over de te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen.

Vervolgens is er op 23 januari 2007 overeenstemming bereikt over een aan [medeverdachte 7] te verstrekken lening als startkapitaal voor het kunnen starten of overnemen van een onderneming teneinde hem in staat te stellen, zelfstandig te voorzien in zijn bestaan. Deze overeenstemming is neergelegd in een intentieverklaring. De lening zou worden verstrekt onder voorwaarde van het betalen van een jaarlijks rentepercentage over de hoofdsom, het overleggen van een realistisch en aanvaardbaar ondernemingsplan, het verschaffen van zoveel mogelijk zekerheden aan de Staat en een looptijd waarbinnen de lening dient te worden terugbetaald. Tevens heeft de staat zich garant gesteld om voor een periode van drie jaar na het starten van de onderneming een bruto inkomen van de getuige, verworven uit de op te starten onderneming, aan te vullen tot een bedrag iets hoger dan een modaal inkomensniveau. Op dat moment ging de staat er nog vanuit dat [medeverdachte 7] voor zijn fysieke veiligheid in een getuigenbeschermingsprogramma zou worden opgenomen. De intentieverklaring is goedgekeurd door het CPG en de minister van justitie.

Begin januari 2008 liet [medeverdachte 7] weten, na ommekomst van zijn detentie niet in een getuigenbeschermingsprogramma te willen worden opgenomen, maar zelf in zijn veiligheid te willen voorzien. De staat heeft toen een begroting gemaakt van de kosten voor een beschermingsprogramma zoals dat noodzakelijk werd geacht voor [medeverdachte 7] en is met hem gaan onderhandelen over een programma waarbinnen hij zelf zou voorzien in zijn eigen veiligheid. Begin maart 2009 heeft het CPG het concrete kader vastgesteld waarbinnen de getuigenbeschermingsmaatregelen vorm dienden te krijgen.

Op 2 juni 2009 zijn de onderhandelingen voorlopig afgerond door een overeenkomst op hoofdlijnen. Deze overeenkomst voorzag er volgens het openbaar ministerie in dat [medeverdachte 7] na ommekomst van zijn detentie zelf in zijn veiligheid zou voorzien en hiertoe een financiële tegemoetkoming van de staat zou ontvangen. Er werd voorzien in een financiële ondersteuning, deels in de vorm van een lening, die gefaseerd zou plaatsvinden over een periode van 10 jaren en gebonden zou zijn aan voorwaarden teneinde te verzekeren dat de gelden besteed zouden worden aan benoemde doeleinden als veilig wonen, werken en leven. De NOS heeft op 18 maart 2012 bericht dat zij inzage heeft gehad in een overeenkomst met [medeverdachte 7] op hoofdlijnen. Volgens dit bericht is aan [medeverdachte 7] een bedrag van 1,4 miljoen euro toegezegd voor na zijn detentie. Dit bedrag zou bestaan uit een renteloze lening van € 600.000 voor een woning en een bedrijf met een aflossingsverplichting na 25 jaren. De overige € 800.000 zou over een looptijd van 10 jaar worden uitgekeerd ter vergoeding voor beveiliging en het verwerven van een garantie-inkomen. Het openbaar ministerie heeft deze bedragen erkend noch weersproken.

Na 2 juni 2009 hebben [medeverdachte 7] en de staat onderhandeld over de verdere uitwerking van de hoofdlijnenovereenkomst. Vanuit de staat zijn aan de verstrekking van financiële tegemoetkomingen diverse voorwaarden gesteld. Zo dient [medeverdachte 7] de Staat alle relevante gegevens te verstrekken om te beoordelen of de leningen met het oog op rechtmatige investeringen en activiteiten redelijk zijn. De Staat behoudt zich de mogelijkheid voor de eventueel benodigde koopsom(men) rechtstreeks aan de verkoper(s) te voldoen. Als [medeverdachte 7] binnen drie jaar na beëindiging van zijn detentie geen beroep heeft gedaan op de eventueel te verstrekken leningen, zullen deze vervallen. [medeverdachte 7] is belasting verschuldigd over de periodieke uitkering. Als [medeverdachte 7] controle op de besteding van de financiële tegemoetkomingen blijft weigeren zal de Staat overgaan tot een eenzijdige en uiterst beperkte invulling van de zorgplicht jegens de getuige.

De onderhandelingen zijn in een impasse geraakt, volgens de officieren Verwiel, De Haas en Maan doordat [medeverdachte 7] zich verzette tegen het betalen van belasting en tegen de voorwaarden waaronder de leningen zouden worden verstrekt en door verschil van inzicht over te leveren identiteitsdocumenten en registratie in de registers van politie en justitie. Een en ander heeft ertoe geleid dat [medeverdachte 7] herhaaldelijk is gestopt met het afleggen van verklaringen ter terechtzitting als getuige.

In de periode oktober 2010 tot januari 2012 hebben de officieren van justitie De Haas en Maan oriënterende gesprekken gevoerd met [medeverdachte 7] en geïnventariseerd welke punten nader uitgewerkt moesten worden. Op 31 mei 2012 is uiteindelijk een uitwerkingsovereenkomst tot stand gekomen. Nadere bijzonderheden daarvan ontbreken.

Standpunt verdediging

Volgens de verdediging heeft het openbaar ministerie onder het mom van getuigenbescherming verboden (financiële) toezeggingen aan [medeverdachte 7] gedaan in ruil voor af te leggen verklaringen, welke toezeggingen het openbaar ministerie stelselmatig aan het oog van de rechter en de verdediging heeft geprobeerd te onttrekken. Om die reden zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging van verdachten. De verdediging voert hiertoe in hoofdzaak het volgende aan.

  • -

    De toenmalige CIE-officier van justitie De Haas heeft aan [medeverdachte 7] diverse toezeggingen gedaan over de strafeis en over getuigenbescherming. Daarbij is bewust het grootste gedeelte van de toezeggingen in de getuigenbeschermingsovereenkomst ondergebracht. Het doel daarvan was de toezeggingen aan het zicht van de verdediging en de rechtbank te onttrekken.

  • -

    Uit de wetsgeschiedenis en de nota van toelichting bij het Besluit getuigenbescherming blijkt dat de wetgever niet voor ogen heeft gestaan dat de te beschermen persoon inhoudelijke bemoeienis zou hebben met zijn beveiliging. Waar de Instructie getuigenbescherming ruimte laat voor onderhandelingen tussen de bedreigde persoon en het openbaar ministerie, is zij in strijd met de wet en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan.

  • -

    Voor [medeverdachte 7] zijn de hem in het kader van zijn getuigenbescherming toegezegde gelden doorslaggevend geweest om in te stemmen met tactisch gebruik van zijn verklaringen. De getuigenbeschermingsafspraken maken daarom materieel onderdeel uit van de OM-deal.

  • -

    De toezeggingen in het kader van getuigenbescherming zijn ten onrechte niet aan de rechter-commissaris voorgelegd in het kader van de toetsing van de OM-deal.

  • -

    In 2008 en 2009 zijn nieuwe afspraken over getuigenbescherming gemaakt met de kroongetuige. De getuigenbeschermingsmaatregelen die toen aan [medeverdachte 7] zijn toegezegd gaan veel verder dan wat de wetgever voor ogen heeft gestaan en van de beschermingsmaatregelen die in andere gevallen worden getroffen. Met name is de verstrekking van een geldbedrag aan de getuige om zijn eigen beveiliging te regelen in plaats van het treffen van feitelijke beschermingsmaatregelen onrechtmatig. Er is sprake van een verkapte beloning voor afgelegde verklaringen.

  • -

    Het openbaar ministerie heeft geprobeerd ook de nadere afspraken in 2008 en 2009 zoveel mogelijk geheim te houden. De informatie die wel is verstrekt was misleidend. Een deel van de relevante informatie ontbreekt nog steeds.

  • -

    Tevens zijn onbekend gebleven toezeggingen gedaan omtrent beveiliging van een aanverwant van [medeverdachte 7], met wie [medeverdachte 7] geen nauwe banden onderhield. Dit zijn verboden toezeggingen ten behoeve van een derde.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is van oordeel dat de inhoud van getuigenbeschermingsmaatregelen niet relevant is voor het beoordelen van de rechtmatigheid van een OM-deal. Zij behoeven dan ook niet ter toetsing aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd. Dit is, zo ontleent het openbaar ministerie aan de tussenbeslissing van de rechtbank van 27 april 2012, slechts anders als er sprake is van een excessieve of inhoudelijk volstrekt niet te onderbouwen voorziening of toezegging hiertoe, waartoe geen redelijk handelend officier van justitie met het oog op gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van de kroongetuige had kunnen komen. Daarvan is in het geval van [medeverdachte 7] echter geen sprake.

Oordeel rechtbank

Het juridisch toetsingskader

Bij tussenbeslissing van 27 april 2010, LJN BM2493, heeft de rechtbank, met uitgebreide verwijzing naar de wet- en regelgeving en naar de wetshistorie, op het punt van de invloed van getuigenbeschermingsperikelen voor het strafproces het volgende toetsingskader aangelegd.

De rechtbank dient zich in de onderhavige procedure op de voet van artikel 359a Sv een oordeel te vormen over de vraag of bij het voorbereidend onderzoek onherstelbare vormverzuimen hebben plaatsgevonden, welke één van de in artikel 359a Sv voorziene rechtsgevolgen tot gevolg zouden moeten of kunnen hebben. Dit oordeel omvat mede een stellingname over de vraag of de verklaringen van [medeverdachte 7] op rechtmatige wijze zijn verkregen.

In zijn (standaard)arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, heeft de Hoge Raad benadrukt dat artikel 359a Sv uitsluitend van toepassing is indien het vormverzuim is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten. De bepaling is niet van toepassing indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. In geval van een onherstelbaar vormverzuim, begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek, kan bewijsuitsluiting uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is gekregen en als hierdoor een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Onrechtmatig handelen jegens de verdachte buiten het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten blijft derhalve in beginsel zonder rechtsgevolgen in de strafzaak. Dit kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als blijkt dat de opsporings- dan wel vervolgingsautoriteiten, actieve bemoeienis hebben (gehad) met dat onrechtmatig handelen teneinde daarvan in het kader van de opsporing of vervolging te profiteren, waardoor doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte/kroongetuige aan diens recht op een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan.

Zo zou van onrechtmatige verkrijging van de verklaringen onder omstandigheden sprake kunnen zijn als het zaaks-OM, met welbewust gebruik van misleidende informatieverstrekking door TGB-functionarissen inzake te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen, een getuige overhaalt de verplichting op zich te nemen, verklaringen af te leggen.

Afhankelijk van het geval kan er derhalve aanleiding zijn om nader onderzoek te plegen naar hetgeen in het kader van onderhandelingen over getuigenbeschermingsmaatregelen vóór de totstandkoming van een OM-deal is voorgevallen.

Van onrechtmatige verkrijging van verklaringen zou voorts sprake kunnen zijn als aan een kroongetuige vóór het afleggen c.q. ondertekenen van zijn verklaringen ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan. In zijn algemeenheid valt niet uit te sluiten dat afspraken worden gemaakt in het kader van een getuigenbeschermingsovereenkomst, die materieel het niveau te boven gaan van hetgeen in het kader van getuigenbescherming rechtmatig kan worden geacht. In een dergelijk geval heeft de officier van justitie, belast met getuigenbescherming, niet gehandeld binnen de grenzen van de hem in het kader van de getuigenbescherming toekomende bevoegdheid, en kan, zeker wanneer zaaksofficieren van justitie bij de onderhandelingen betrokken zijn geweest, onder omstandigheden in essentie sprake zijn van een ongeoorloofde toezegging in ruil voor het afleggen van verklaringen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan er dan ook aanleiding zijn, toegezegde getuigenbeschermingsmaatregelen niet volledig buiten het onderzoek in het strafproces te laten.

Bij deze laatste vaststelling passen evenwel enkele kanttekeningen.

In de eerste plaats biedt het Besluit getuigenbescherming nauwelijks concrete aanknopingspunten voor een zinvolle rechterlijke toetsing. Zoals de rechtbank in haar tussenbeslissing van 9 juni 2009 reeds opmerkte, voorziet het Besluit in een zeer ruime beoordelingsvrijheid voor het openbaar ministerie, die de rechter heeft te respecteren. Zolang de prestatie in het kader van de getuigenbescherming er één is waartoe het openbaar ministerie met het oog op de gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van de getuige in redelijkheid heeft kunnen komen, kan in het algemeen niet met vrucht worden gesteld dat er in wezen sprake is van een (financiële) tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. In dit verband is mede van belang dat de verantwoordelijkheid tot het waarborgen van de rechtmatigheid van getuigenbeschermingsmaatregelen berust bij het CPG, in voorkomende gevallen onder preventief toezicht van de minister.

In de tweede plaats kan de vraag of het openbaar ministerie met het oog op de gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van een getuige in redelijkheid tot een bepaalde, al dan niet financiële, voorziening heeft kunnen komen, naar het oordeel van de rechtbank niet zinvol worden beantwoord zonder gedetailleerde kennisname van het totaal van maatregelen en de redenen die tot het gekozen pakket, voor zover reeds bekend, hebben geleid. Het onderwerp getuigenbescherming verzet zich echter, zoals ook blijkt uit artikel 226j, derde lid, laatste volzin, Sv, naar zijn aard tegen een dergelijke kennisname door de procesdeelnemers in het strafproces, en dus des te meer tegen een openbare behandeling hiervan. Bij de beoordeling van verzoeken in dit kader dient het veiligheidsbelang van de getuige, evenals het belang van het getuigenbeschermingstraject in zijn algemeenheid en het daarmee gepaard gaande opsporingsbelang, een zwaarwegende rol te spelen.

In de derde plaats is er, gelet op de, ook door de regelgever reeds onderkende, onvermijdelijke wisselwerking tussen de bereidheid van een criminele getuige tot het afleggen van verklaringen en de uit haar zorgplicht voortvloeiende daadwerkelijke bereidheid van de overheid, getuigenbeschermingsmaatregelen te treffen, naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijkerwijze sprake van een onrechtmatige situatie als de onderhandelingen over een OM-deal en de onderhandelingen over getuigenbeschermingsmaatregelen synchroon lopen. Ook heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het binnen de grenzen van een rechtmatige wetstoepassing niet mogelijk is dat een (CIE-)officier van justitie, die een belangrijke rol speelt bij de onderhandelingen over een OM-deal, tevens een bemiddelende rol vervult bij de onderhandelingen over getuigenbescherming.

Evenmin acht de rechtbank de omstandigheid dat een toezegging inzake te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen door een TGB-officier van justitie plaatsvindt vóórdat de getuige zich verplicht tot het afleggen van verklaringen, op zichzelf in strijd met de regelgeving. De eis dat over getuigenbescherming ook door een TGB-officier pas toezeggingen zouden mogen worden gedaan nadat een kroongetuige zich heeft verplicht om verklaringen af te leggen, is in de regelgeving niet te vinden en zou de kroongetuigenregeling aanmerkelijk minder hanteerbaar maken. De Aanwijzing verbiedt uitsluitend het doen van bindende toezeggingen inzake getuigenbescherming door de zaaksofficier van justitie in het kader van de OM-deal, omdat dergelijke getuigenbeschermingsmaatregelen niet kunnen worden aangemerkt als een reëel voordeel voor het afleggen van verklaringen.

Wel kunnen in gevallen waarin er sprake lijkt te zijn van een inhoudelijk excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorziening, het moment waarop de toezeggingen zijn gedaan en de vraag in hoeverre een zaaksofficier hierin een rol heeft gespeeld, van belang zijn voor de beoordeling of er in essentie sprake is van een verkapte beloning.

De rechtbank concludeert dan als volgt.

Gelet op al deze kanttekeningen zullen er naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende aanwijzingen moeten zijn dat er sprake is van een tegen de achtergrond van de nota van toelichting bij het Besluit getuigenbescherming inhoudelijk excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorziening of toezegging hiertoe, waartoe geen redelijk handelend officier van justitie met het oog op de gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van de kroongetuige had kunnen komen, willen verzoeken om nader onderzoek naar de uiteindelijk gesloten TGB-deal(s), dan wel naar de onderhandelingen in de aanloop hiertoe, voor toewijzing in aanmerking komen.

Met het oog op de verdere invulling van het begrip “inhoudelijk excessieve voorziening” merkt de rechtbank nog het volgende op. Noch eigen kennisname van de regelgeving inzake getuigenbescherming, met inbegrip van de wetsgeschiedenis en de - beperkte - jurisprudentie, noch het tot op heden gevoerde debat hierover, hebben de rechtbank tot het oordeel gebracht dat een financiële voorziening in het kader van getuigenbescherming op zichzelf in strijd zou zijn met de strekking van het Besluit getuigenbescherming. In de nota van toelichting wordt immers slechts een permanente voorziening uitgesloten en wordt gesteld dat de maatregelen in beginsel niet zijn bedoeld om volledig in het levensonderhoud van de getuige te voorzien. Verder worden de maatregelen, blijkens genoemde nota, afgestemd op de specifieke noden in het concrete geval, en kunnen zij variëren in duur en intensiteit.

De rechtbank is van oordeel dat, indien zich een situatie voordoet waarin een getuige, die langdurig niet aan het reguliere arbeidsproces heeft deelgenomen, als gevolg van zijn verklaringen zodanige bedreigingen lijkt te ondergaan dat zijn veiligheid menselijkerwijze slechts kan worden gegarandeerd wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld, al dan niet onder een nieuwe identiteit, in een ander land een geheel nieuw leven op te bouwen, verstrekkende maatregelen, ook in financieel opzicht, gericht op economische zelfstandigheid van de getuige, redelijkerwijze tot de zorgplicht van de Staat kunnen worden gerekend. De rechtbank heeft voorshands geen aanknopingspunten gevonden om een, onder voorwaarden verstrekte, financiële voorziening, bedoeld om een dergelijke getuige in de gelegenheid te stellen zo spoedig mogelijk sociaal-economisch zelfstandig te worden, in zijn algemeenheid in strijd met de strekking van het Besluit te achten en derhalve op voorhand aan te merken als een verkapte beloning voor het afleggen van verklaringen.

De rechtbank onderschrijft bovenstaand toetsingskader nog steeds, met dien verstande dat zij (zoals reeds opgemerkt bij tussenbeslissing van 16 april 2012) nader van oordeel is dat óók toezeggingen die zijn gedaan na het sluiten van de OM-deal eventueel ter beoordeling aan de rechtbank kunnen staan, omdat daarmee feitelijk de voortduring van de verklaringsbereidheid van de getuige wordt veiliggesteld.

Beoordeling van het verweer

De verdediging heeft zich in grote lijnen aangesloten bij het materiële toetsingskader van de rechtbank, maar meent dat het openbaar ministerie, toen het de OM-deal ter toetsing aan de rechter-commissaris voorlegde, ook de tot op dat moment overeengekomen getuigenbeschermingsmaatregelen had moeten voorleggen.

De rechtbank verwerpt deze stelling van de verdediging. Dat niet op voorhand volledig valt uit te sluiten dat in het getuigenbeschermingstraject onregelmatigheden plaatsvinden die van invloed kunnen zijn op het strafproces, wil niet zeggen dat het getuigenbeschermingstraject steeds onderdeel dient uit te maken van een rechtmatigheidstoetsing door de strafrechter. Het getuigenbeschermingstraject maakt immers geen deel uit van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv of van het optreden van het openbaar ministerie binnen de strafvorderlijke procedure.

Op het openbaar ministerie rust bij de huidige (en destijds geldende) stand van het recht dan ook niet de rechtsplicht om de hoofdlijnen van de te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen of belangrijke wijzigingen in de afspraken hierover ter toetsing aan de rechter-commissaris voor te leggen. De rechter-commissaris toetst op grond van artikel 226g, derde lid, Sv immers uitsluitend de rechtmatigheid van de voorgenomen afspraak als bedoeld in artikel 226g, tweede lid, dat wil zeggen de afspraak tot het afleggen van verklaringen over bepaalde misdrijven in ruil voor de toezegging van de officier van justitie, een vordering in te dienen tot strafvermindering ex art. 44a Sr voor omschreven strafbare feiten van de getuige, waaronder, naar de rechtbank afleidt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2012, LJN BU8741, mede te begrijpen eventueel in dat verband opkomende andere kwesties die rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv. Bij die toetsing betrekt de rechter-commissaris de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, tweede lid, Sv). De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die de rechter-commissaris voor die toetsing nodig heeft. Bijzonderheden over te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen horen hierbij in beginsel niet, aangezien het getuigenbeschermingstraject als regel niet van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat de te toetsen afspraak als bedoeld in artikel 226g, tweede lid, omvat de inhoud van de toezegging van de officier van justitie, terwijl volgens artikel 226l Sv niet de officier van justitie maar de Minister van Justitie getuigenbeschermingsmaatregelen treft. Ook hierom kan de rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris binnen de systematiek van de wet niet mede zien op getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen.

Met de bepaling in artikel 226j, derde lid, Sv., dat de rechter-commissaris aan de verdediging geen mededelingen hoeft te doen over de getuigenbeschermingsmaatregelen, welke bepaling in het wetsvoorstel is opgenomen vóórdat de laatste volzin aan artikel 226g, eerste lid, Sv. werd toegevoegd, heeft de wetgever dan kennelijk willen benadrukken dat, mocht de rechter-commissaris om enige reden toch bekend raken met de inhoud van de getuigenbeschermingsmaatregelen, deze geheim moeten blijven, mede omdat zij in de regel niet van belang zijn voor de rechtmatigheid van de overeenkomst.

Als de rechter-commissaris in dit concrete geval ten behoeve van zijn rechtmatigheidstoetsing om enige reden behoefte zou hebben gehad aan inzicht in de jegens [medeverdachte 7] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen, had het op zijn weg gelegen het openbaar ministerie hiernaar te vragen. Van een dergelijke vraag is niet gebleken.

Gelet op al het bovenstaande verwerpt de rechtbank de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie, door de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de deal met [medeverdachte 7] niet op de hoogte te stellen van de stand van zaken op het gebied van getuigenbescherming, enige rechtsregel heeft geschonden.

De rechtbank verwerpt verder de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie op het punt van getuigenbescherming uit zichzelf transparant zou moeten zijn. In beginsel dient het openbaar ministerie getuigenbeschermingsmaatregelen nu juist geheim te houden. Het hoeft hierover in het strafproces pas informatie te verstrekken indien en voor zover de strafrechter hierom vraagt. Het openbaar ministerie heeft in casu toereikend aan die verplichting voldaan. De in de processen-verbaal van 8 juni 2009 en 9 april 2010 verstrekte informatie was globaal, maar dat deze onjuist en misleidend is geweest omdat onvoldoende helderheid werd verschaft over de hoofdlijnenovereenkomst van 2 juni 2009 heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. In dit verband is mede van belang dat het openbaar ministerie zich steeds gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat kwesties rondom de getuigenbescherming van [medeverdachte 7] niet van belang waren voor enige door de strafrechter te nemen beslissing, welk standpunt langdurig en intensief voorwerp van debat is geweest. Bij tussenbeslissing van 9 juni 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat zolang de prestatie in het kader van de getuigenbescherming er één is waartoe het openbaar ministerie met het oog op de gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van de getuige in redelijkheid heeft kunnen komen, er geen sprake is van een prestatie die kan worden beschouwd als een (financiële) tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Bij tussenbeslissing van 27 april 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat slechts toezeggingen van vóór het afleggen of ondertekenen van de kluisverklaringen voor de toepassing van artikel 359a Sv mogelijk van belang konden zijn. Nog twee jaar later, bij tussenbeslissing van 16 april 2012, heeft de rechtbank geoordeeld dat ook de toelaatbaarheid van toezeggingen over getuigenbescherming van na het afleggen of ondertekenen van de kluisverklaringen ter beoordeling van de rechtbank kunnen zijn omdat daarmee feitelijk het voortduren van de verklaringsbereidheid van de getuige wordt veiliggesteld. Pas vanaf die laatste tussenbeslissing moest het openbaar ministerie ervan uitgaan dat de hoofdlijnenovereenkomst van 2 juni 2009 mogelijk relevant kon zijn voor het proces [X]. Ook om die reden kunnen de processen-verbaal van 8 juni 2009 en 9 april 2010 niet vanwege hun globale niveau als misleidend worden beschouwd.

Met betrekking tot de klacht van de verdediging dat onder de vlag van getuigenbescherming aan [medeverdachte 7] een ongeoorloofde financiële beloning is toegezegd voor het afleggen van verklaringen, overweegt de rechtbank als volgt. In casu is komen vast te staan dat aan [medeverdachte 7] op 2 juni 2009 gemaximeerde leningen zijn toegezegd voor de aankoop van een woning en/of een bedrijf. Een impasse tussen de Staat en [medeverdachte 7] is ontstaan doordat de Staat deze leningen uitsluitend wilde verstrekken na voorafgaande inzage en beoordeling van alle relevante gegevens door de Staat, waarbij de Staat zich de mogelijkheid voorbehield de koopsommen rechtstreeks aan de verkopers te voldoen. Verder zal [medeverdachte 7] gedurende tien jaren een financiële voorziening ontvangen die bestaat uit een inkomenscomponent en een veiligheidskostencomponent. Kennelijk dient [medeverdachte 7] hierover, zeer tegen zijn zin, belasting te betalen.

Voor zover de in de NOS-berichtgeving genoemde bedragen en terugbetalingsfaciliteiten juist zouden zijn, komt het aan [medeverdachte 7] verleende getuigenbeschermingspakket de rechtbank zeker royaal voor. De rechtbank constateert voorts met de verdediging dat de wetgever een situatie waarin de getuige op kosten van de Staat zelf in zijn veiligheid zou voorzien, niet voor ogen lijkt te hebben gehad.

Bij gebreke van een helder toetsingskader en van gedetailleerde gegevens omtrent het leven dat [medeverdachte 7] uiteindelijk zal gaan leiden kan de rechtbank echter niet vaststellen dat er sprake is van onrechtmatige, excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorzieningen. De financiële voorzieningen worden verstrekt onder voorwaarde van besteding voor bepaalde doelen die in de nota van toelichting bij het Besluit getuigenbescherming met zoveel woorden zijn genoemd. Van een ongeclausuleerde geldverstrekking aan [medeverdachte 7] is geen sprake. Een belangrijke oorzaak van de jarenlange onenigheid tussen [medeverdachte 7] en de Staat lijkt nu juist te zijn geweest dat de Staat vasthield aan het beginsel van doelbinding en dat [medeverdachte 7] zich daarnaar niet wilde voegen.

De mogelijkheid dat een getuige zelf voorziet in veiligheidsmaatregelen en daartoe door de Staat financieel wordt ondersteund is in de regelgeving niet uitgesloten. Het feit dat bij [medeverdachte 7] uiteindelijk voor deze constructie is gekozen maakt de betreffende voorziening naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig.

Opmerkingen van de verdediging als zou [medeverdachte 7] feitelijk geen belasting hoeven betalen en feitelijk de leningen niet hoeven terug te betalen, wijst de rechtbank als zuiver speculatief van de hand.

De verdediging heeft verder gesteld dat getuigenbeschermingsmaatregelen zijn getroffen ten behoeve van een aanverwant van [medeverdachte 7] met wie [medeverdachte 7] geen nauwe band onderhoudt. Volgens de verdediging gaat het hier om verboden toezeggingen ten behoeve van een derde. De rechtbank constateert dat dit verweer, dat overigens beneden het niveau van de raadsman in kwestie moet worden geacht, feitelijk niet is onderbouwd. De rechtbank zal hieraan dan ook voorbij gaan.

Conclusie en aanbeveling

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat aan [medeverdachte 7] in het kader van de van getuigenbescherming excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorzieningen zijn toegezegd die moeten worden opgevat als een verkapte beloning voor het afleggen van verklaringen. Het getuigenbeschermingspakket behoefde bij de huidige stand van het recht niet ter toetsing aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd. Verder is niet gebleken dat het openbaar ministerie over dit onderwerp onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt. De verweren worden verworpen.

De rechtbank constateert wel dat bij de huidige stand van de regelgeving toezicht op het getuigenbeschermingstraject buiten de eigen kolom van de Minister van Veiligheid en Justitie nauwelijks mogelijk is, waardoor de schijn zou kunnen ontstaan dat dit traject als vrijplaats kan worden gebruikt voor gedragingen die de rechterlijke toetsing niet zouden kunnen doorstaan. Problemen rondom de getuigenbescherming van [medeverdachte 7] hebben het onderhavige strafproces gecompliceerd en vertraagd. De rechtbank sluit zich aan bij het pleidooi van Bleichrodt en Korten in NJB 2012, p. 1300 ev., een meer concrete normstelling voor getuigenbescherming te introduceren en daarbij ook een aparte rechterlijke toetsingsprocedure voor voorgenomen beschermingstrajecten in te voeren bij een op dit terrein deskundig (deels) rechterlijk college dat onbelemmerd van alle feiten kan kennisnemen.

Andere vermeende toezeggingen

Gratie

De verdediging heeft uit verklaringen van [medeverdachte 7] afgeleid dat het openbaar ministerie aan [medeverdachte 7] heeft toegezegd dat het een verzoek om een half jaar gratie zou ondersteunen. De verdediging beschouwt dit als een ongeoorloofde toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat het openbaar ministerie een toezegging als hier bedoeld heeft gedaan. Uit de stukken valt wel af te leiden dat [medeverdachte 7] in 2008 een aanbod heeft gedaan aan de CIE-officier van justitie De Haas om in ruil voor zes maanden gratie nadere verklaringen af te leggen. Deze officier heeft echter bij proces-verbaal van 17 mei 2010 te kennen gegeven dat hij geen gratie heeft toegezegd en ook niet heeft beloofd dat het openbaar ministerie een eventueel verzoek van [medeverdachte 7] om gratie zou ondersteunen. De verklaringen van [medeverdachte 7] inzake de ondersteuning van een gratieverzoek werden afgelegd in het kader van een ruimer offensief van [medeverdachte 7] d.d. 29 maart 2012 om tot een bevredigende overeenkomst inzake zijn getuigenbescherming te komen. [medeverdachte 7] heeft ter terechtzitting van 24 en 27 september 2012 verklaard dat het hier gekleurde, geformuleerde verklaringen betrof. Mede om die reden ziet de rechtbank geen reden om aan het proces-verbaal van de CIE-officier van justitie te twijfelen.

Invrijheidstelling [medeverdachte 7]

De verdediging heeft opgeworpen dat de invrijheidstelling van [medeverdachte 7] zonder rechterlijke tussenkomst erop wijst dat hem is toegezegd dat hij zonder voorafgaand rechterlijk oordeel in vrijheid zou worden gesteld. Voor zover er geen sprake zou zijn van een toezegging, dient de eigenmachtige invrijheidstelling van [medeverdachte 7] zonder rechterlijke tussenkomst, waardoor het vigerende besluit gevangenhouding niet langer ten uitvoer werd gelegd, bij te dragen aan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de OM-deal op dit punt een onrechtmatige toezegging zou bevatten, nu niet is gebleken dat hierover aan [medeverdachte 7] enige toezegging is gedaan. Voor het overige oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 69, derde lid, Sv kan de officier van justitie de invrijheidstelling van een verdachte gelasten in afwachting van de beslissing op een verzoek, voordracht of vordering tot opheffing van een bevel gevangenhouding. Wanneer het openbaar ministerie meent dat er termen zijn voor de opheffing van de voorlopige hechtenis van een verdachte is het dus bevoegd een voorlopig gehechte verdachte in vrijheid te stellen, mits voorafgaand een vordering tot opheffing van het bevel gevangenhouding wordt ingediend. Door indiening van een dergelijke vordering na te laten alvorens [medeverdachte 7] na ommekomst van twee derden van de tegen hem geëiste straf in vrijheid te stellen heeft het openbaar ministerie artikel 69, derde lid, geschonden. De rechtbank ziet evenwel geen reden om hieraan enig rechtsgevolg te verbinden. De overige verdachten zijn door het achterwege blijven van een vordering tot opheffing van het bevel gevangenhouding van [medeverdachte 7] niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. Van een zeer uitzonderlijk geval waarin de grondslagen van het strafproces in het geding zijn, is evenmin sprake. Uit de toelichting van het openbaar ministerie ter zitting blijkt op geen enkele wijze van de intentie, een rechterlijk oordeel naast zich neer te willen leggen. Voor het overige raakt de invrijheidstelling het eindoordeel van de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte 7] niet en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het openbaar ministerie een einduitspraak van de rechtbank niet ten uitvoer zal leggen.

2.1.4

Transparantie verhoren [medeverdachte 7] en de weglatingsafspraak

In oktober 2011 is door onthullingen van [medeverdachte 7] bekend geworden dat het openbaar ministerie bij het sluiten van de OM-deal met [medeverdachte 7] had afgesproken dat [medeverdachte 7] krachtens die deal niet gehouden zou zijn om als getuige over de betrokkenheid van een medeverdachte, te weten [persoon 14] (hierna: [persoon 14]) een verklaring af te leggen, en dat als gevolg van die afspraak (hierna: weglatingsafspraak) eerder gedane uitlatingen van [medeverdachte 7] over [persoon 14] voor procespartijen en zittingsrechter waren weggehouden. Uit het nadien ingestelde onderzoek zijn voorts nog meer zaaksinhoudelijk relevante uitlatingen van [medeverdachte 7] over andere onderwerpen op tafel gekomen.

De verdediging heeft in verband met deze gang van zaken de volgende twee verweren gevoerd die in elkaars verlengde liggen en de rechtbank hierna gezamenlijk zal bespreken:

  1. het openbaar ministerie is tekortgeschoten in de te betrachten transparantie inzake de verhoren van [medeverdachte 7], en

  2. in het bijzonder is de gang van zaken rondom de weglatingsafspraak onrechtmatig geweest.

Voor beide verweren is hetzelfde feitencomplex relevant dat hier voor de duidelijkheid voorop wordt gesteld.

De feiten

Het dealtraject en de deal

Tot aan de onthullingen van [medeverdachte 7] was op hoofdlijnen de volgende gang van zaken over het dealtraject en de OM-deal bij procespartijen en rechtbank bekend.

Na vijf á zes oriënterende gesprekken met [medeverdachte 7], waarbij deze op hoofdlijnen de zaken had aangeduid waarover hij zou kunnen verklaren, heeft de toenmalige CIE-officier van justitie op 5 september 2006 een gesprek met [medeverdachte 7] gevoerd over de mogelijkheden van een deal en de voorwaarden waaronder vervolggesprekken zouden plaatsvinden.

Vervolgens heeft [medeverdachte 7] in de periode van 11 september 2006 tot en met 2 november 2006 tegenover medewerkers van de CIE vijftien zogenaamde kluisverklaringen afgelegd in diverse liquidatiezaken, welke verklaringen schriftelijk zijn vastgelegd en opgenomen, waarna is onderhandeld over de voorwaarden voor de kroongetuigendeal. Nadat overeenstemming over de OM-deal was bereikt en deze door het College van Procureurs-Generaal was goedgekeurd, zijn de vijftien kluisverklaringen van naam voorzien en ondertekend door [medeverdachte 7] en de verhorende verbalisanten en als bijlage aan de OM-deal gehecht. Op 20 februari 2007 hebben partijen de OM-deal ondertekend onder voorbehoud van goedkeuring door de rechter-commissaris. Deze heeft op 15 maart 2007 de voorgenomen afspraak rechtmatig bevonden, waarna de kluisverklaringen tactisch bruikbaar werden.11

De aan de OM-deal gehechte kluisverklaringen bevatten een zakelijke weergave van de verklaringen van [medeverdachte 7] aangaande de dealfeiten, zonder dat daaruit van de later bekend geworden uitlatingen over [persoon 14] bleek. Deze uitlatingen ontbraken eveneens in de letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen, welke in 2008 zijn ingebracht en waarin zichtbaar enkele passages waren weggelaten onder vermelding van een W-nummer. Deze weglatingen betroffen volgens het openbaar ministerie geen ontlastend bewijs of aanwijzing voor enige verdachte in [X], maar passages met betrekking tot het onderhandelingsproces en/of andere (toekomstige) onderzoeken die daardoor geschaad zouden kunnen worden en/of passages die de veiligheid van getuige, diens familie of derden in gevaar konden brengen en/of de tactiek van opsporing en/of CIE en/of TGB.

Het openbaar ministerie heeft zich voorts op verschillende momenten tegen letterlijke uitwerking van de eerste twee kluisverhoren verzet, welk verzet de rechtbank lange tijd heeft gehonoreerd. Als argument werd door het openbaar ministerie naar voren gebracht dat deze verhoren inventariserend van aard waren, als onderdeel van het vertrouwelijk overleg moesten worden beschouwd, dan wel integraal het vertrouwelijke onderhandelingsproces betroffen.12 Op 11 juni 2010 heeft de CIE-officier van justitie gerapporteerd dat alle inhoudelijke, relevante onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 7] verwerkt waren in de zakelijk weergegeven processen-verbaal, “met uitzondering van enkele passages die de veiligheid van de getuige, diens familie of derden in gevaar kunnen brengen” en dat deze passages “geen ontlastende informatie voor enige verdachte in [X] vormen”, wat opnieuw beoordeeld was aan de hand van de verbatim uitwerkingen.13

Krachtens de (tekst van de) OM-deal is [medeverdachte 7] verplicht tot het afleggen van getuigenverklaringen met betrekking tot de misdrijven die in de aangehechte kluisverklaringen (op één hier niet ter zake doende verklaring na) worden beschreven, mag hij niet weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij deze feiten, moet hij deze verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen en doet hij afstand van zijn verschoningsrecht ex artikel 219 Sv. De voorwaarden waaraan [medeverdachte 7] het gebruik van zijn verklaringen als bewijsmiddel heeft verbonden zijn volgens de OM-deal in die overeenkomst vastgelegd (zie: de considerans, alsmede de bepalingen 1.1, 1.2 en 1.3).

De weglatingsafspraak

Na de onthullingen van [medeverdachte 7] in oktober 2011 heeft het openbaar ministerie de onderdelen van de kluisverklaringen betreffende [persoon 14] letterlijk uitgewerkt en ingebracht, met uitzondering van de weglatingen uit de kluisverklaringen 1 en 2, waarover slechts in samenvattende vorm werd gerapporteerd. Als argument voor het niet-letterlijk uitwerken van de weglatingen uit de kluisverhoren 1 en 2 voerde het openbaar ministerie aan dat het om ongestructureerde gesprekken ging die nog steeds niet letterlijk uitgewerkt in het dossier waren aangeleverd en dat het niet doenlijk en weinig betekenisvol was om de weglatingen dan verbatim als W-passages zichtbaar te maken.14

In een begeleidend schrijven werd tevens voor het eerst melding gemaakt van een dealbespreking op 22 november 2006 waarbij, tussen de CIE-officier van justitie en [medeverdachte 7] de misdrijven en de verdachten tegen wie [medeverdachte 7] bereid was een getuigenverklaring af te leggen zouden zijn besproken.15

Uit deze stukken en het verhoor nadien van de betrokken CIE-officier van justitie is naar voren gekomen dat [medeverdachte 7] tijdens het afleggen van de kluisverklaringen én genoemde dealbespreking van 22 november 2006 had verklaard over betrokkenheid van [persoon 14] als opdrachtgever bij twee dealfeiten, te weten de liquidaties op [persoon 8] en [persoon 1]. Omdat [medeverdachte 7] niet bereid was over [persoon 14] een getuigenverklaring af te leggen en de door [medeverdachte 7] daartoe aangegeven veiligheidsrisico’s op dat moment als reëel werden beoordeeld is, na een belangenafweging, er voor gekozen de OM-deal met [medeverdachte 7] aan te gaan onder de afspraak dat hij krachtens die deal niet gehouden zou zijn als getuige over betrokkenheid van [persoon 14] bij [X-liquidaties] te verklaren.16

Deze afspraak is niet op papier gezet. Uitsluitend de Centrale Toetsingscommissie (CTC) en het College van procureurs-generaal zijn in het kader van de beoordeling van de OM-deal globaal van het bestaan ervan op de hoogte gesteld.17

De inhoud van de uitlatingen van [medeverdachte 7] over [persoon 14] is voorts vastgelegd en, voor zover het om onderdelen van de kluisverklaringen ging, in de kluis bij de CIE bewaard.

De zaaksofficieren van justitie, de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdediging zijn over de gemaakte weglatingsafspraak - en daarmee over de eerder afgelegde verklaringen van [medeverdachte 7] over betrokkenheid van [persoon 14] - niet geïnformeerd.18 Wel is de toenmalige CIE-officier van justitie het [X-proces] blijven volgen. Hij had de beschikking over de als getuige door [medeverdachte 7] afgelegde verklaringen en heeft geconstateerd dat [medeverdachte 7] geen volledige openheid van zaken leek te geven als hem iets werd gevraagd in de richting van [persoon 14]. Hij zag tussentijds echter geen aanleiding om de achtergehouden informatie in te brengen. Er zijn wel momenten geweest die aanleiding gaven voor heroverweging, daar waar [medeverdachte 7] meer zou worden bevraagd over [persoon 14], bijvoorbeeld toen de [persoon 15]-tapes (in september 2010) werden ingebracht. Vandaar dat door hem de afronding van het getuigenverhoor van [medeverdachte 7] (in april 2012) in de gaten is gehouden.19

Nader onderzoek kluisverklaringen

Vervolgens heeft de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank een onderzoek uitgevoerd naar álle weglatingen in álle kluisverklaringen, welk onderzoek resulteerde in het toevoegen in januari 2012 aan het procesdossier (na screening) van de volledig letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen 1 en 2. Hieruit bleek dat tijdens het eerste kluisverhoor verbalisanten beschikten over een overzicht van met [medeverdachte 7] te bespreken onderwerpen, waaronder [persoon 14], [persoon 11] en andere dealfeiten, hetgeen derhalve daarvóór, in de oriënterende fase, moet zijn besproken. De inhoud van deze gesprekken is tot op heden niet ingebracht. Voorts heeft de rechter-commissaris nog meer [X-relevante] uitlatingen van [medeverdachte 7] (niet over [persoon 14]) in de weglatingen uit de kluisverklaringen 3 tot en met 15 aangetroffen en bij de stukken gevoegd. Tot slot heeft het openbaar ministerie in opdracht van de rechtbank een aantal letterlijk uitgewerkte onderdelen van het verslag van de dealbespreking van 22 november 2006 ingebracht, waaruit nog meer nieuwe, zaaksrelevante uitlatingen van [medeverdachte 7] over [persoon 14] (zogenaamde [persoon 14]-klus-vragen-[plaats]-verhaal) naar voren kwamen.

De rechtbank merkt voor de duidelijkheid op dat zij tot de achtergehouden “[persoon 14-informatie]” rekent: de uiteindelijk volledig op tafel gekomen onderdelen betreffende [persoon 14] uit de kluisverklaringen 1 tot en met 15, zoals aangevuld door de rechter-commissaris, evenals de over [persoon 14] gedane uitlatingen door [medeverdachte 7] als vervat in het letterlijk uitgewerkte gespreksverslag van 22 november 2006.

Standpunt verdediging

De verdediging verwijt het openbaar ministerie een gebrek aan transparantie over de inhoudelijke contacten met de kroongetuige voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal. Samen met de overigens aangevoerde, elders in dit vonnis besproken, vormverzuimen, waaronder de weglatingsafspraak, dient dit te leiden tot ontzegging van het recht op vervolging in alle zaken van alle verdachten.

Wat betreft de gang van zaken rondom de weglatingsafspraak heeft de verdediging gesteld dat dit een vormverzuim oplevert dat op zichzelf beschouwd al tot de algehele niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in alle zaken voor alle verdachten moet leiden. Subsidiair is een partiële niet-ontvankelijkheid bepleit, dat wil zeggen alleen in de zaken [persoon 8], [persoon 1] en de criminele organisatie, met uitsluiting van al het bewijs aangaande de overigens ten laste gelegde feiten, zijnde vruchten uit opsporing en vervolging uit een onrechtmatige deal. Daar is aan toegevoegd dat in ieder geval de verklaringen van [medeverdachte 7] voortkomende uit de weglatingsafspraak in alle zaken, dan wel alleen in de zaken [persoon 8], [persoon 1] en de criminele organisatie, van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De verdediging heeft kort samengevat het volgende aangevoerd.

Het openbaar ministerie is ernstig tekortgeschoten in de verplichting al hetgeen dat is gebeurd in aanloop tot en rondom de kroongetuige en de OM-deal en dat verband houdt met dealfeiten of dealverdachten, inzichtelijk te maken. Dit vereiste volgt vooral uit de wetsartikelen 152 Sv (de algemene verbaliseringsplicht) en 226h lid 4 Sv (a contrario geïnterpreteerd), evenals uit de Aanwijzing toezeggingen getuigen (punt 7:3, 3e gedachtestreep). Een zinvolle toets van de afspraak door verdediging en zittingsrechter is zonder die inzichtelijkheid ook niet denkbaar. De kluisverklaringen zijn in dit verband als normale processen-verbaal te beschouwen. Het openbaar ministerie valt met name te verwijten dat het niet alle voor de waarheidsvinding relevante uitlatingen van [medeverdachte 7] uit die voorfase van oriënterende gesprekken, dealbesprekingen en kluisverhoren - over [persoon 14], maar ook anderszins [X-relevante] opmerkingen - heeft ingebracht. Door het achterhouden van de [persoon 14]-informatie is aan de waarheidsvinding onherstelbare schade toegebracht.

Dit achterhouden was het gevolg van de weglatingsafspraak, welke afspraak op zichzelf al onrechtmatig was. Daarmee werd immers in strijd met de wet (vooral de artikelen 215 en 290 Sv), de (totstandkominggeschiedenis van de) Aanwijzing toezeggingen getuigen (punt 6 en advies werkgroep Plooy), de letterlijke tekst van de onderhavige overeenkomst (artikelen 1.1, 1.2 en 1.3) en de jurisprudentie (Juliët-zaak20) voor lief genomen dat de kroongetuige op een belangrijk onderdeel van een aantal ten laste gelegde dealfeiten, het opdrachtgeverschap van liquidaties, een onvolledige en daardoor onjuiste verklaring zou afleggen en zelfs meineed zou plegen. Het openbaar ministerie heeft daarbij tevergeefs een beroep gedaan op noodtoestand (dat de OM-deal noodzakelijk was om toekomstige liquidaties te voorkomen). Er waren immers diverse alternatieven voorhanden, de andere vermeende opdrachtgever, [persoon 14], werd niet vervolgd en bovendien was de grote angst die [medeverdachte 7] beweerde te hebben voor [persoon 14] ongeloofwaardig en werd zonder slag of stoot aanvaard.

Het openbaar ministerie valt verder in verband met deze afspraak te verwijten dat de belangenafweging onzorgvuldig was, omdat de achtergehouden informatie ontlastend was voor verdachten. Ook is de afspraak ten onrechte niet als onderdeel van de deal ter toetsing aan de rechter-commissaris voorgelegd en niet op enigerlei wijze aan de verdediging en zittingsrechter kenbaar gemaakt. Dan had de verdediging zich daarnaar kunnen richten en was het ook duidelijk geweest voor iedereen dat [medeverdachte 7] een voorbehoud had gemaakt wat betreft zijn afstandsverklaring en zou hij dus ook niet tot meineed zijn verleid. Het is misleidend dat in de deal is vastgelegd dat de kroongetuige volledig moet gaan verklaren over de dealfeiten. Dat de [persoon 14]-informatie schuilging achter de verschillende “W”-nummers in de kluisverklaringen doet geen recht aan wat procespartijen mogen verwachten aan volledigheid van de ingebrachte verklaringen en aan de stellige wijze waarop steeds te kennen was gegeven dat de tekst van de weglatingen uitsluitend zag op veiligheid, TGB-trajecten of voor [X] niet-relevante onderzoeksgegevens. Tot slot zijn door deze afspraak verdachten benadeeld, omdat door het achterhouden van de [persoon 14]-informatie daadwerkelijk en onherstelbare schade aan de waarheidsvinding is toegebracht.

Het openbaar ministerie is ook overigens, dus afgezien van het achterhouden van de [persoon 14]-informatie, tekortgeschoten in de te dezen te betrachten transparantie. Zo is uit het door de rechtbank gelaste onderzoek naar de kluisverklaringen naar voren gekomen dat de weglatingen uit de kluisverklaringen nog meer Passagerelevante uitlatingen van [medeverdachte 7] bevatten die van belang voor de verdediging waren.

De raadsman heeft dienaangaande gewezen op de volgende zogenaamde niet-[persoon 14]-weglatingen, kort samengevat:

  • -

    dat [persoon 16] op de vermeende drie jaar oude lijst stond,

  • -

    dat de raadsman van [medeverdachte 7] vragen stelde tijdens de verhoren, onder meer kluisverklaring 15,

  • -

    dat de daadwerkelijke reden voor [medeverdachte 7] om de OM-deal aan te gaan was gelegen in zijn vrees dat [verdachte] hem voor zou zijn of dat er sporen van hem zouden zijn aangetroffen,

  • -

    dat [medeverdachte 7] op 22 november 2006 in het overleg bekende in de eerste kluisverklaring te hebben gelogen over opdrachtverstrekking door [persoon 14] tot de moord op [persoon 17],

  • -

    dat [medeverdachte 7] niets wist over de moord op [persoon 8].


Ook is de inhoud van de vijf á zes oriënterende gesprekken CIE-medewerkers met [medeverdachte 7] nog steeds niet ingebracht, hoewel na genoemd onderzoek vaststaat dat onder andere over [persoon 14], [persoon 11] en andere dealfeiten is gesproken. Voorts zijn ten onrechte de zakelijke weergaven van de weglatingen uit de kluisverklaringen nooit ingebracht. Door deze omissies is nog steeds niet toetsbaar of [medeverdachte 7] eerder anders verklaard heeft en/of hem door CIE-medewerkers informatie is verschaft tijdens die in de voorfase plaatsgehad hebbende verhoren/gesprekken.

Tot slot is uit dit nader door de rechtbank gelaste onderzoek ook naar voren gekomen dat de letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen 1 en 2 goed leesbaar zijn, zodat het openbaar ministerie de verdediging en de rechtbank heeft misleid waar het altijd opzettelijk en klaarblijkelijk op onjuiste gronden de letterlijke uitwerking van die kluisverklaringen heeft geweerd. En er is door de verdediging van [medeverdachte 8] een weglating in een weglating ontdekt: hetgeen in eerste instantie als letterlijke weergave van een weglating in kluisverklaring 4 (weglating *W04-03) werd gepresenteerd, was niet volledig uitgewerkt en wel op een voor [medeverdachte 8] uiterst relevant onderdeel.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De wettelijke regeling biedt geen aanknopingspunten voor de door de verdediging gestelde vergaande transparantieverplichting. Integendeel, de gehele fase voorafgaand aan de sluiting van de OM-deal, inclusief de oriënterende fase, de diverse dealbesprekingen én de kluisverhoren, hoort integraal te worden gerekend tot het vertrouwelijk overleg als bedoeld in artikel 226h lid 1 Sv. De verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv kent immers uitzonderingen op grond van opsporingsbelangen en uit de artikelen 226g tweede en derde lid, evenals artikel 226h lid 4 Sv, volgt dat de rechter-commissaris en de zittingsrechter alleen de OM-deal en niet de totstandkoming daarvan toetst. Het voortraject wordt pas van belang, als er tijdens het strafproces onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de OM-deal.

Kluisverklaringen zijn geen processtukken, ook niet indien een OM-deal volgt, en behoeven (dus) op zich geen deel uit te maken van het procesdossier. De kluisverklaringen dienen alleen om de omvang en reikwijdte van de toekomstige verklaringsplicht van de getuige te bepalen en om zijn betrouwbaarheid te beoordelen, alsmede voor de beoordeling waar de getuige zelf voor vervolgd moet worden en wat een passende eis is. Het primaire doel is dus niet om als bewijs te dienen. De onderhavige kluisverklaringen zijn later, in de vorm van zakelijk weergaven, aan de overeenkomst gehecht, teneinde de verklaringsplicht van [medeverdachte 7] nader te omschrijven en aldus in het dossier gevoegd. De Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken schrijft ook slechts voor dat de inhoud en strekking van de verklaringen van de getuige globaal worden vastgelegd. Dat in het onderhavige geval bandopnamen van de kluisverhoren zijn gemaakt had, kort gezegd, te maken met de persoon van [medeverdachte 7] en de hoeveelheid en zwaarte van de zaken. De Aanwijzing Auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten is niet van toepassing op kluisverhoren.

De weglatingsafspraak past derhalve binnen de wettelijke kaders en het openbaar ministerie heeft dienaangaande een weloverwogen en verantwoorde beslissing genomen. De Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken staat ook toe dat dealgetuigen geen volledige openheid van zaken hoeven te geven over andere bij de zaken betrokken verdachten, nu zij slechts over hun eigen rol volledige openheid van zaken moeten geven. De onderhavige OM-deal stelt ook alleen als eis dat [medeverdachte 7] volledig verklaart over daarin (in de kluisverklaringen voorkomende) genoemde verdachten, dus niet over de dealfeiten. De [persoon 14]-informatie kon buiten het procesdossier blijven, omdat dit vertrouwelijke informatie betrof over het tactisch gebruik waarvan geen overeenstemming was bereikt. Dan kan dergelijke informatie op basis van een zorgvuldige belangenafweging en/of artikel 226h lid 4 Sv in de kluis blijven. Ook onderdelen van kluisverklaringen waarover geen overeenstemming is bereikt zijn geen processtukken. Onderbouwing van dit standpunt kan ook worden gevonden in het Wetsvoorstel herziening regels processtukken dat, zo valt uit de wetsgeschiedenis op te maken, niet ziet op kluisverklaringen.21

Bij de toe te passen belangenafweging (met verwijzing naar EHRM-uitspraken zoals de zaken Jasper en Fitt), is voorts terecht de doorslag gegeven aan de legitieme veiligheidsbelangen van de getuige en zijn naasten, alsmede de zwaarwegende opsporingsbelangen die met het sluiten van de deal gemoeid waren, te weten: de aanhouding en vervolging van rond de 15 verdachten in 14 liquidatiezaken, alsmede het voorkomen van nieuwe liquidaties.

De [persoon 14]-verklaringen bevatten voorts geen voor de [X]-verdachten ontlastend materiaal en werpen niet een zodanig licht op de wél te verstrekken verklaringen dat deze door niet verstrekking van de [persoon 14]-verklaringen gedenatureerd zouden worden.

De toenmalige CIE-officier is ook heel zorgvuldig te werk gegaan en heeft het proces op de voet gevolgd, teneinde te bezien of de bij aanvang gemaakte belangenafweging door nieuwe ontwikkelingen anders zou moeten uitvallen en de weggehouden informatie alsnog ingebracht zou moeten worden, welke situatie zich niet heeft voorgedaan.

De [persoon 14]-onderdelen zijn niet opgenomen in de OM-deal of de ingebrachte kluisverklaringen als logisch gevolg van de weglatingsafspraak en evenzo vanzelfsprekend niet in de later aan het dossier gevoegde letterlijke uitwerkingen van die kluisverklaringen. Het openbaar ministerie was immers jegens [medeverdachte 7] gehouden de toezegging tot vertrouwelijkheid in verband met diens veiligheid gestand te doen.

Omdat de afspraak tot slot geen deel uitmaakt van de OM-deal hoefde deze ook niet aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd in het kader van de door deze uit te voeren rechtmatigheidtoets. Er is op basis van de huidige regeling geen wettelijke mogelijkheid voor de rechter-commissaris (uitgezonderd informatie over getuigenbescherming) om informatie die hij krijgt van de officier van justitie die de rechtmatigheidtoets vordert, weg te houden bij procespartijen. Dat maakt dat de officier van justitie niet méér informatie met de rechter-commissaris kan delen dan aan procespartijen kan worden verstrekt.

Het openbaar ministerie concludeert dat het feitelijk over het voortraject met [medeverdachte 7] vergaand en genoegzaam verantwoording heeft afgelegd en dat waar mogelijk volledige opening van zaken is gegeven. De meeste kluisverklaringen zijn op enig moment letterlijk uitgewerkt. Juist is dat een deel van de stukken eerst op last van de rechtbank en na toetsing door de rechter-commissaris aan het dossier is toegevoegd. Dat het openbaar ministerie met tegenzin aan deze opdrachten van de rechtbank heeft voldaan, heeft te maken met zwaarwegende, andere belangen dan die van de verdediging, waarvoor het ook heeft te waken. Het openbaar ministerie wilde de op basis van de wet aan de getuige gedane toezeggingen van vertrouwelijkheid gestand doen. Het niet geopenbaarde onderdeel van het vertrouwelijk overleg als bedoeld in artikel 226h lid 1 Sv laat zich vergelijken met het fenomeen kluisverklaring dat evenmin tot de processtukken behoort.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat in de kern het debat tussen partijen zich concentreert rondom de vraag wat de mate van transparantie moet zijn die het openbaar ministerie heeft te betrachten over een kroongetuige(deal) in verband met de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal. Daarmee hangt samen de vraag of alle gesprekken en alle zaaksrelevante uitlatingen van de kroongetuige uit die voorfase kenbaar moeten zijn gemaakt in het procesdossier. En spiegelbeeld daarvan is de vraag of, en zo ja in hoeverre, bepaalde informatie door het openbaar ministerie kan worden onthouden aan verdediging en zittingsrechter. Meer specifiek gaat het om de vraag naar de juridische status van kluisverklaringen en andere stukken uit die voorfase en hoe de weglatingsafspraak binnen dit geheel moet worden geduid.

Voor de beoordeling van deze vragen is het navolgende juridisch toetsingskader relevant, zoals dat gold ten tijde van het maken van de OM-deal en weglatingsafspraak. Het gaat dan over de verbaliseringsplicht en dossiervorming, alsmede de bijzondere positie van de kroongetuige.

Per 1 januari 2013 is een nieuwe wettelijke regeling in werking getreden, waarbij een aantal onderdelen van dat juridisch kader wettelijke verankering heeft gevonden.22 Voor zover relevant en het openbaar ministerie er een beroep op doet, zal de rechtbank hier ook aandacht aan besteden.

Juridisch toetsingskader

Verbaliseringsplicht en dossiervorming

Algemeen

Het belang dat is gemoeid met de samenstelling van het procesdossier is de garantie van een eerlijk proces, waarin de betrokkenen in gelijke mate beschikken over het materiaal dat relevant is voor de te nemen beslissingen. Voor de verdachte is de samenstelling van het procesdossier van groot belang. Niet alleen om zich een beeld te kunnen vormen van de belastende en ontlastende informatie die te zijnen aanzien bestaat. Het stelt hem ook in de gelegenheid zijn verdediging daarnaar in te richten en invloed uit te oefenen op de loop van het onderzoek.

Voor de beantwoording van de vraag wie het procesdossier samenstelt, wat processtukken zijn en welke informatie uit het procesdossier mag blijven, ontbrak ten tijde van het geding een algemene wettelijke regeling. Het Wetboek van Strafvordering kende, afgezien van de algemene bepalingen voor tijdelijke onthouding van processtukken (art. 30 ev Sv) en de verbaliseringsverplichting, een gering aantal wettelijke voorschriften waarin permanente afscherming van bepaalde gevoelige informatie door de rechter-commissaris in bijzondere gevallen is toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de permanente afscherming van de identiteit van bedreigde getuigen (art. 226a ev Sv) en afgeschermde getuigen (art. 226m ev Sv). Ook voorziet artikel 187d Sv in de mogelijkheid voor de rechter-commissaris om bepaalde informatie waarover getuigen zijn gehoord af te schermen. Daarnaast bevat de wettelijke kroongetuigenregeling één specifieke bepaling in verband met dossieropbouw, te weten artikel 226h lid 4 Sv, waarover hierna meer.

Aan de basis van dossiervorming in strafzaken ligt de verbaliseringsplicht van de opsporingsambtenaar zoals vervat in de artikelen 152 en 155 Sv en nader vormgegeven in de jurisprudentie. Uitgangspunt daarbij is dat van voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing relevante informatie telkens proces-verbaal wordt opgemaakt. Belangen van derden en/of van verdere bruikbaarheid van een opsporingsmethode vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van proces-verbaal achterwege te laten, nu aan die belangen tegemoet kan worden gekomen door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in het proces-verbaal worden gerelateerd. Dit kan wel reden zijn om een proces-verbaal niet onnodig gedetailleerd te maken.23

Dit uitgangspunt is ook nader uitgewerkt in bijvoorbeeld artikel 126aa Sv en de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden. Deze regelgeving, die ziet op bevoegdheden die soms diep ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer van burgers, is voortgekomen uit de noodzaak om aan geheime trajecten een einde te maken en de opsporingspraktijk te dwingen meer inzicht te verschaffen in en verantwoording af te leggen van opsporingsactiviteiten, ook in de concrete strafzaak. Uit deze regelgeving volgt dat indien de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid een relevant resultaat (in be- of ontlastende zin) heeft opgeleverd, dit resultaat in een proces-verbaal wordt vervat en aan het dossier moet worden gevoegd. Daarbij kunnen bijzondere belangen, zoals de afscherming van methodieken en middelen of de bescherming van de veiligheid van personen, een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen. Dit mag er echter niet toe leiden dat de rechter aan de hand van het samengestelde dossier niet meer kan beoordelen of de opsporing overeenkomstig de relevante rechtsregels heeft plaatsgevonden.24

Eenzelfde relevantiecriterium is terug te vinden in vaste jurisprudentie rondom de bepalingen over tijdelijke onthouding van processtukken (zgn. Dev Sol-jurisprudentie).25 Hieruit volgt dat het procesdossier primair onder leiding en in opdracht van de officier van justitie wordt aangelegd uit het onderzoeksdossier.26 Alle vastgelegde gegevens die van invloed kunnen zijn op enige door de rechter - op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv - te nemen beslissing moeten daarbij uit het dossier kenbaar zijn. De officier van justitie voegt wat betreft de bewijsvraag de stukken aan het procesdossier toe, inhoudende de resultaten van het opsporingsonderzoek die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het bewijs. In gevolge het uitgangspunt dat het strafproces de materiële waarheidsvinding dient, gaat het daarbij niet alleen om stukken die van belang kunnen zijn in voor verdachte belastende zin, maar uiteraard ook om stukken die redelijkerwijs van belang zouden kunnen zijn in voor hem ontlastende zin.

Wat betreft het begrip processtuk wordt in deze jurisprudentie vervolgens onderscheid gemaakt tussen enerzijds processtukken en anderzijds een niet specifiek afgebakende categorie van bescheiden, voorwerpen en andere gegevensdragers. Bij processtukken gaat het om de door politie en justitie gegenereerde resultaten van feitenonderzoek, neergelegd in de vorm van wettige bewijsmiddelen. De andere gegevensdragers zien op de aanleiding van dat onderzoek en de middelen en methoden met behulp waarvan die onderzoeksresultaten tot stand zijn gekomen, waarvan andere documenten en gegevensdragers zouden kunnen getuigen. Tot deze categorie wordt dan bijvoorbeeld onder meer gerekend verklaringen van anonieme CIE-informanten voor zover zij enkel de aanleiding zijn geweest voor nader onderzoek en niet het (tot bewijs gebezigde) resultaat van dat onderzoek.

Dit onderscheid heeft consequenties voor het recht op kennisneming. Kennisneming van processtukken mag, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen voor beperkte duur, aan de verdachte en zijn raadsman niet worden onthouden. Van de processtukken worden ook afschriften verstrekt. Ten aanzien van genoemde tweede categorie gegevensdragers geldt dat, indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel (deugdelijk gemotiveerd) aanvecht, beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten ook niet mag worden onthouden. Dat brengt echter niet zonder meer aanspraak op kennisneming of afschrift met zich mee. Hier is een belangenafweging op zijn plaats. Soms is beluisteren of inzage afdoende of kan kennisneming helemaal achterwege blijven. Zo is in de jurisprudentie aanvaard dat op zich geen openheid van zaken hoeft te worden gegeven over een methode van opsporing of over de identiteit van een anonieme CIE-informant.27 Het bewust achterhouden van ontlastende informatie blijft echter te allen tijde ontoelaatbaar, omdat daarmee de integriteit van de rechtspleging in het geding komt en risico’s ontstaan voor schade aan de materiële waarheidsvinding.28

De rechtbank is overigens van oordeel dat genoemd processtukkenregiem moet gelden voor resultaten van voorbereidend onderzoek in verband met het misdrijf ten aanzien waarvan jegens de verdachte verdenkingen zijn gerezen. Het is immers praktisch onuitvoerbaar per definitie tot de processtukken te rekenen alle resultaten van opsporingsonderzoek in alle strafzaken in Nederland of zelfs daarbuiten, zodra en voor zover daarin (enige) relevantie voor de voorliggende strafzaak valt te bespeuren.

Tot slot en ten overvloede wijst de rechtbank erop dat vanaf 1 januari 2013 eenzelfde relevantiecriterium is opgenomen in een nieuwe definitiebepaling (artikel 149a Sv) in het Wetboek van Strafvordering.29

De rechtbank merkt vervolgens op dat ofschoon deze jurisprudentie van de Hoge Raad meer rechtsbescherming voor de verdachte biedt, het hier geschetste beoordelingskader strookt met de minimumeisen van het EVRM. Het EHRM onderscheidt “intelligence” van “evidence”, maar kent aan de term “witness” in artikel 6 lid 3 sub d EVRM wel een autonome betekenis toe. Het gaat er daarbij alleen om of een verklaring van iemand, in welke vorm dan ook, door verhoor ter zitting of via een proces-verbaal, ter kennis van de rechter komt en voor het bewijs gebruikt kan worden. Uit de rechtspraak van het EHRM kan voorts worden afgeleid dat een fair trial onder artikel 6 EVRM meebrengt dat de vervolgende autoriteiten “should disclose to the defence all material evidence in their possesion for or against the accused”.30 Het recht van de verdachte om kennis te nemen van relevant bewijsmateriaal is volgens het Hof echter niet absoluut. Er kunnen andere belangen zijn die hiertegen moeten worden afgewogen, zoals nationale veiligheid, bescherming van getuigen tegen de dreiging van repressailles en geheimhouding van opsporingsmethoden. Het achterhouden van informatie voor de verdachte moet wel strikt noodzakelijk zijn, hetgeen het Hof ter beoordeling overlaat aan de nationale rechter, en er moeten voldoende compenserende mogelijkheden tot verweer worden geboden in de procedure voor de gerechtelijke autoriteiten.31 De noodzaak tot geheimhouding moet in ieder geval worden getoetst door een rechterlijke autoriteit en niet door de vervolgende instantie zelf.32

Artikel 226h lid 4 Sv

De wettelijke kroongetuigenregeling kent één specifieke bepaling in verband met dossiervorming, te weten artikel 226h lid 4 Sv. Dit artikel houdt in dat de officier van justitie door het maken van een afspraak verkregen verklaringen van een potentiële getuige niet bij de processtukken voegt voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft beoordeeld. Deze bepaling is niet alleen van belang in de situatie dat de voorgenomen afspraak door de rechter-commissaris onrechtmatig wordt beoordeeld, maar ook in de situatie dat het niet tot een voorgekomen afspraak komt, omdat de onderhandelingen tussen de officier van justitie en de potentiële getuige in een eerder stadium zijn gestrand.

Blijkens de wetsgeschiedenis33 is deze bepaling per amendement aangebracht met als motivering dat de potentiële getuige dan vrijer en dus concreter kan verklaren over hetgeen hij ter zitting zal getuigen, met bijkomend effect dat de rechter-commissaris beter in staat wordt gesteld over de rechtmatigheid van de afspraak te oordelen. Na aanvankelijk geuit bezwaar van de minister die er moeite mee had dat “het te categorisch uitsluiting van voeging van stukken regelt, terwijl niet meer wordt gekeken naar de relevantie” is het amendement in het wetsvoorstel verwerkt en uiteindelijk aanvaard.

Uit artikel 226h lid 4 Sv vloeit voort dat indien géén OM-deal tot stand komt een eerder afgelegde kluisverklaring niet in het procesdossier dient te worden gevoegd van de verdachte die het betreft en dan dus geen processtuk is in de zin van artikel 30ev Sv. Wel is het mogelijk om, ondanks dat de onderhandelingen zijn afgebroken, de in dat kader afgelegde zaaksrelevante kluisverklaringen toch aan het dossier toe te voegen, indien dit met instemming van de getuige gebeurt.34

De bijzondere positie van de kroongetuige

Algemeen

De kroongetuige is een getuige, een verdachte én een contractspartner van de Staat. Op grond hiervan neemt hij een bijzondere positie in binnen het strafvorderlijke systeem. Een kroongetuige heeft, gelijk iedere getuige, de wettelijke verplichting om volledig en naar waarheid te verklaren en is daarbij gehouden antwoord te geven op vragen die relevant zijn voor de beoordeling van enige door de rechter te nemen beslissing ex artikel 348 en 350 Sv. In het strafproces wordt immers aan materiële waarheidsvinding gedaan. Voorafgaand aan zijn verhoor wordt de kroongetuige door de rechter - rechter-commissaris of zittingsrechter - beeëdigd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren (zie de artikelen 215 en 290 Sv). De verplichting volledig en naar waarheid te verklaren kan worden beperkt door het verschoningsrecht van de artikelen 217 en 219 Sv (kort gezegd: een getuige mag zwijgen op vragen indien beantwoording voor de getuige dan wel bepaalde aanverwanten risico van strafrechtelijke veroordeling oplevert) en door de bevoegdheid van de rechter om antwoorden op bepaalde vragen te beletten krachtens de artikelen 293 en 187d Sv in verband met onder andere zwaarwegende opsporingsbelangen die zich daartegen verzetten.

De kroongetuige is tevens verdachte, zodat hem een zwijgrecht toekomt: ingeval van een verhoor is hij niet verplicht op enige vraag te antwoorden, hetgeen hem vooraf wordt medegedeeld (artikel 29 Sv).

De kroongetuige is tot slot een dealgetuige: een verdachte die eerst bereid is gevonden een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor een toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering (tot maximaal de helft) zal worden gevorderd (artikel 226g lid 1 Sv). De in dit verband op schrift te stellen afspraak (de OM-deal) moet “een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving bevatten van “de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige bereid is een getuigenverklaring af te leggen” (artikel 226g lid 2 sub a Sv). De Aanwijzing toezegging getuigen schrijft (punt 7) voor dat in de OM-deal in ieder geval de voorwaarde moet worden gesteld aan de kroongetuige dat hij volledige informatie en opening van zaken geeft over zijn aandeel in de strafbare feiten waarop zijn getuigenverklaring betrekking heeft.

De kroongetuigenregeling gaat er derhalve vanuit dat de kroongetuige in verband met dealfeiten contractueel afstand doet van zijn wettelijke rechten: als verdachte van zijn zwijgrecht en als getuige van zijn (eventuele) verschoningsrecht. Dit is ook in de onderhavige OM-deal met [medeverdachte 7] vastgelegd.

Extra behoedzaamheid en transparantie

Het gegeven dat de kroongetuige, anders dan normaliter het geval is bij een getuige, in zijn eigen strafzaak als verdachte een substantiële tegenprestatie van de Staat ontvangt voor zijn getuigenverklaringen, heeft gevolgen voor de omvang van de toetsing door de zittingsrechter van (de betrouwbaarheid en de rechtmatige verkrijging van) de verklaringen van de kroongetuige.

In verband met een ook door de wetgever onderkend verhoogd risico op onbetrouwbaarheid, moeten de verklaringen van de kroongetuige door de rechter met extra behoedzaamheid worden gewogen. De artikelen 344a, vierde lid en 360, tweede lid, Sv voorzien in een bijzonder bewijsminimum, respectievelijk bijzondere motiveringsplicht bij gebruik. In dit verband is het van groot belang dat wordt gestreefd naar het verkrijgen van verklaringen van de kroongetuige die op hun juistheid kunnen worden getoetst.

Daarnaast is wat de totstandkoming van de verklaringsbereidheid van de kroongetuige betreft van belang dat het openbaar ministerie in het dossier en op zitting verantwoording aflegt over de gemaakte afspraken. Tegen de achtergrond van het gegeven dat de wetgever controle op kroongetuigendeals mogelijk wilde maken, moet daarbij ook in redelijke mate van de wijze van verkrijging van die afspraken blijken. Dit vloeit eveneens voort uit de algemene verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv, het bepaalde in artikel 226g lid 3 Sv, dat voorschrijft dat aan de rechter-commissaris alle gegevens worden verschaft die deze voor de rechtmatigheidtoets behoeft, alsmede de Aanwijzing toezeggingen getuigen in strafzaken, op grond waarvan de officier van justitie ter terechtzitting volledige opening van zaken moet geven met betrekking tot de feiten en omstandigheden die van belang zijn geweest voor de totstandkoming van de overeenkomst (punt 7.8). Het journaal dat de behandelende officier van justitie (krachtens punt 7.3, 3e gedachtestreep) moet bijhouden over het verloop van de onderhandelingen met de getuige, kan daartoe dienstbaar zijn. Bijzondere belangen, zoals de afscherming van methodieken en middelen of de bescherming van de veiligheid van personen, kunnen echter een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen.

Bespreking beide verweren

Kern debat

De rechtbank constateert dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie het hiervoor geschetste algemeen juridisch toetsingskader voor dossiervorming in grote lijn hanteert, maar daar concreet een andere invulling aan geeft wat betreft de vastgelegde uitlatingen van [medeverdachte 7] in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal.

Het openbaar ministerie schaart de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal geheel onder het vertrouwelijk overleg en stelt dan dat de vastgelegde uitlatingen van [medeverdachte 7] uit die fase vallen onder de in de Dev Sol jurisprudentie aangeduide 2e categorie, omdat het hier meer om vertrouwelijke CIE-inlichtingen gaat dan om bewijs. Dan kan op grond van een belangenafweging deze informatie worden achtergehouden en geldt alleen een inbrengplicht indien het om ontlastend materiaal gaat. Volgens het openbaar ministerie verandert dit niet, indien nadien een OM-deal is gesloten. Ook als de uitlatingen onder “material evidence” dienen te worden begrepen, was het volgens het openbaar ministerie nog op grond van EHRM-uitspraken tot een belangenafweging gerechtigd en mochten deze uitlatingen worden achtergehouden. De weglatingsafspraak was dus ook gewoon toelaatbaar.

De verdediging daarentegen stelt dat die vertrouwelijkheid van het overleg komt te vervallen zodra een deal is gesloten en dat alsdan een volledige transparantieverplichting van kracht wordt. De vastgelegde uitlatingen van de kroongetuige betreffen allemaal processtukken, welke mitsdien integraal ingebracht hadden moeten worden. De weglatingsafspraak frustreert zowel de door het openbaar ministerie in acht te nemen transparantieverplichting als de inbrengplicht en was dan ook ontoelaatbaar.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de hiervoor in dit vonnis geschetste beoordelingsruimte van het openbaar ministerie bij de inrichting van deals met kroongetuigen in ieder geval zijn grenzen vindt bij een inbreuk op de waarheidsvinding. Tegen de achtergrond van genoemd relevantiecriterium en indachtig de extra behoedzaamheids- en transparantievereisten die ten aanzien van een kroongetuige hebben te gelden, is de rechtbank van oordeel dat, anders dan het openbaar ministerie meent, de fase voorafgaand aan de totstandkoming van een kroongetuigendeal niet geheel aan het zicht van partijen kan worden onttrokken met een beroep op vertrouwelijkheid van het overleg. Indien en voor zover in die voorfase gegevens worden verkregen, relevant voor enige door de zittingsrechter te nemen beslissing in eindvonnis - waaronder begrepen waarheidsvinding én de controle op de rechtmatige verkrijging van bewijsmiddelen - moeten deze gegevens in beginsel ter kennisneming van verdediging en rechter worden voorgelegd. Deze transparantieverplichting gaat echter niet zo ver dat, zoals de raadsman voorstaat, over elk inhoudelijk contact met de kroongetuige in die voorfase inzicht moet worden verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank dient hier een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de kluisverklaringen en anderzijds de oriënterende gesprekken en dealbesprekingen. Na een uiteenzetting over de daarbij behorende verschillende uitgangspunten zal de rechtbank telkens direct overgaan tot de beoordeling van de vraag of het openbaar ministerie is tekortgeschoten in zijn transparantieverplichting.

De kluisverklaringen

Algemeen

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat kluisverklaringen onder omstandigheden als processtukken hebben te gelden en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken35 volgt in zijn algemeenheid het beeld dat kluisverklaringen worden gebruikt door justitie ingeval van bijzondere getuigentrajecten. Het zijn verklaringen afgelegd onder toezegging van justitie dat ze in een kluis worden bewaard en pas operationeel gebruikt kunnen worden indien overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder deze gebruikt kunnen worden. Deze verklaringen worden tegenover een opsporingsambtenaar afgelegd in een verhoorsituatie (na, ingeval van verdenking, een cautie) en vervat in een ambtsedig proces-verbaal van verhoor. Na verificatie volgen, indien daartoe voldoende aanleiding wordt gezien, onderhandelingen. Na overeenstemming over de voorwaarden van gebruik en, indien nodig, goedkeuring van het College van procureurs-generaal en/of de rechter-commissaris, wordt de kluisverklaring (indien niet al gebeurd) op naam gesteld, ondertekend door de getuige en de verhorende verbalisant en kan deze ten grondslag worden gelegd aan tactisch gebruik.

In lijn met dit beeld is, zo constateert de rechtbank, de concrete gang van zaken geweest rondom (de totstandkoming van) de kluisverklaringen die van het [X-dossier] deel uitmaken: van de kroongetuige [medeverdachte 7] en de gunstbetoongetuige Wolzak, alsmede van een aantal andere, beschermde getuigen. Wat betreft [medeverdachte 7] is tegen hem voorafgaand aan de kluisverhoren aangegeven dat hij inhoudelijk zou worden verhoord over de zaken waarover hij in het kader van een deal wenste te verklaren, welke verklaringen de status van kluisverklaring zouden krijgen. Toegezegd is dat eerst nadat overeenstemming zou zijn bereikt over de eventuele deal en de vereiste goedkeuring door de rechter-commissaris was verkregen, de kluisverklaringen tactisch gebruikt konden worden. Ook is aangegeven dat basisvoorwaarde van vervolggesprekken en eventuele deal was dat [medeverdachte 7] volledig naar waarheid zou verklaren.36 Voorafgaand aan de laatste kluisverklaring over de moord op [persoon 8] is [medeverdachte 7] schriftelijk gewaarschuwd dat tactisch gebruik van die verklaring zonder meer mogelijk zou zijn, indien zou blijken dat [medeverdachte 7] niet volledig naar waarheid had verklaard over dit feit.37 Dat de kluisverhoren van [medeverdachte 7] zijn opgenomen is overigens gedaan “om redenen van veiligheid van alle gespreksdeelnemers en van zorgvuldigheid”.38

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat een kluisverklaring tweeërlei doel dient. Het vastleggen van de inhoud en strekking van de verklaringen van de getuige stelt justitie in staat om te beoordelen of er voldoende basis is voor een deal en in welke vorm. Het gaat dan met name om de relevantie, de betrouwbaarheid van de potentiële getuige en diens verklaringen en, bij dealgetuigen, om de omvang en reikwijdte van zijn verklaringsplicht ingevolge de toekomstige deal, de feiten waarvoor de getuige eventueel zelf voor vervolgd moet worden en de daarbij behorende eis. Daarnaast is de kluisverklaring naar zijn inhoud een tactische verklaring nu deze mededelingen omvat van feiten of omstandigheden die de getuige heeft waargenomen of ondervonden in verband met strafbare feiten en daarbij betrokken personen. Juist vanwege deze tactische waarde wordt een bijzonder getuigentraject opgestart opdat de verklaring niet “verloren” gaat en na (goedgekeurde) overeenstemming aan de opsporing van de in de kluisverklaring gerelateerde strafbare feiten dienstbaar kan worden gemaakt.

De rechtbank komt dan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over functie, vorm en inhoud van de (totstandkoming van de) kluisverklaringen en gelet op de hiervoor geschetste criteria uit de Dev Sol-jurisprudentie, tot de conclusie dat indien een OM-deal volgt, kluisverklaringen als processtukken moeten worden aangemerkt en in het dossier gevoegd, indien en voor zover deze kluisverklaringen inhoudelijk relevant zijn voor de beoordeling van een tenlastegelegd dealfeit in de zaak tegen een medeverdachte over wie de kroongetuige verklaart. Een kluisverklaring is immers ook het resultaat van feitenonderzoek, waarbij in een gepland (kluis-)verhoor een tactische verklaring wordt afgelegd. Voorts is de kluisverklaring vervat in een wettig bewijsmiddel, te weten een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal. Dit proces-verbaal kan als een bewijsmiddel in de zin van artikel 344 lid 1 sub 2 Sv worden aangemerkt. Aan een ambtsedig proces-verbaal komt op grond van artikel 344 lid 2 Sv bijzondere bewijskracht toe.

Het voorgaande betekent ook dat indien een (bij een kroongetuige: rechtmatig bevonden) deal volgt, de totstandkoming van de kluisverklaringen achteraf beschouwd óók heeft te gelden als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert, waarover eventueel naderhand verantwoording moet (kunnen) worden afgelegd.

Het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie dat kluisverklaringen geen processtukken kunnen zijn, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de kluisverhoren mede gebruikt worden om te inventariseren waarover een potentiële getuige zou kunnen (willen) gaan verklaren, dus om de omvang van zijn verklaringsbereidheid in kaart te brengen, doet daaraan niet af. Ook het voorschrift van artikel 226h lid 4 Sv leidt niet tot de door het openbaar ministerie bepleite conclusie. Deze bepaling is immers, gelet ook op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, in de wet opgenomen, omdat het niet voegen van zaaksrelevante informatie afwijkt van het te hanteren relevantiecriterium voor de dossiervorming, maar desondanks nodig werd geacht om de potentiële getuige vrijer en concreter te kunnen laten verklaren. Het argument van het openbaar ministerie dat uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken kan worden afgeleid dat een kluisverklaring geen processtuk is, wordt evenmin gevolgd. Waar de minister in de door het openbaar ministerie aangehaalde tekst stelt dat de kluisverklaring “toch grotendeels buiten het bestek van dit voorstel valt” is bepaald niet uit te sluiten dat hij doelt op een kluisverklaring in de situatie dat géén OM-deal volgt.39

In dit verband kan tot slot nog worden opgemerkt dat er geen rechtsplicht bestaat de kluisverklaringen aanstonds letterlijk uitgewerkt aan het dossier toe te voegen, nu als wettelijk uitgangspunt voor alle processen-verbaal geldt dat deze een zakelijke weergave van de afgelegde verklaringen bevatten. Alleen indien de rechter daartoe aanleiding ziet kan letterlijke uitwerking aangewezen zijn. Het auditief en audiovisueel registreren van kluisverhoren ligt dan ook voor de hand, bijzondere omstandigheden daargelaten. Op deze manier kan, indien daartoe aanleiding bestaat, een nadere controle plaatsvinden aan de hand van een letterlijke uitwerking. Dit bevordert de waarheidsvinding en vergemakkelijkt de toetsing van de rechtmatigheid van de verhoren, hetgeen overigens mede strekt ter bescherming van de verhorende verbalisanten. Audiovisuele registratie is voorts in lijn met de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Deze Aanwijzing kent als uitgangspunt registratie in geval van geplande verhoren van getuigen (ter zake bepaalde misdrijven zoals hier aan de orde), waarbij kluisverhoren niet zijn uitgezonderd.

Tussentijdse conclusie status kluisverklaringen

Het voorgaande leidt tot de tussentijdse conclusie dat het openbaar ministerie zich bij aanvang van de kluisverhoren, hoewel nog ongewis over de uitkomst daarvan, rekenschap dient te geven van de mogelijke juridische statusverandering van de af te leggen kluisverklaringen. Indien géén overeenstemming wordt bereikt over een deal blijven de kluisverklaringen als onderdeel van vertrouwelijk overleg in de kluis. Indien wél (rechtmatig bevonden) overeenstemming wordt bereikt moeten de kluisverklaringen betreffende dealfeiten die relevant zijn voor de beoordeling van een bij een medeverdachte tenlastegelegd dealfeit als processtukken in het dossier worden gevoegd van die verdachte. De totstandkoming van de kluisverklaringen heeft dan achteraf beschouwd óók te gelden als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert, waarover eventueel naderhand verantwoording moet (kunnen) worden afgelegd.

Indien slechts op onderdelen van de verklaringen overeenstemming wordt bereikt, moet het openbaar ministerie uiterst zorgvuldig beoordelen welke onderdelen van de verklaringen voorwerp van een deal kunnen worden en welke niet. In ieder geval moet de kluisverklaring aangaande een dealfeit volledig worden ingebracht. Dit is van belang voor de zittingsrechter met het oog op een deugdelijke toetsing van de inzet van een kroongetuige en de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Indien een potentiële kroongetuige niet volledig kan of wil verklaren over een bepaald misdrijf, kan dit misdrijf niet als dealfeit kan worden opgenomen.

Komt het tot een letterlijke uitwerking van kluisverklaringen dan kunnen overigens bepaalde zaaksinhoudelijk niet relevante passages die zich vanwege specifieke zwaarwegende redenen niet lenen voor toevoeging aan het procesdossier - veiligheid van personen, andere mogelijke onderzoeken die losstaan van de zaak in geding, de werkwijze van de CIE, aspecten in verband met getuigenbescherming of de privacy - achterwege blijven, mits deze handelwijze kenbaar wordt gemaakt en verantwoord.

Bespreking verwijt gebrekkige transparantie fase kluisverklaringen

De rechtbank constateert dat het openbaar ministerie vanaf het begin, door middel van diverse processen-verbaal en verhoren van getuigen, globaal inzicht heeft verschaft over het verloop van het dealtraject, waarbij ook de fase van de kluisverhoren met [medeverdachte 7] was beschreven. De kluisverklaringen hebben, zij het om andere redenen, vanaf het begin als onderdeel van de ingebrachte OM-deal deel uitgemaakt van het procesdossier [X]. Dat deze verklaringen in eerste instantie in de vorm van een zakelijk weergave van de verhoren waren uitgewerkt, is in overeenstemming met het wettelijk uitgangspunt. Tevens heeft het openbaar ministerie de meeste kluisverklaringen, hoewel het zich daartoe niet gehouden voelde, op enig moment letterlijk laten uitwerken. De daartoe noodzakelijkerwijs benodigde bandopnamen waren, zij het om andere reden gemaakt, voorhanden. De rechtbank ziet geen rechtsplicht voor het openbaar ministerie om, zoals de verdediging heeft gesteld, daarenboven ook nog tot het inbrengen van de zakelijke weergaven van die letterlijk uitgewerkte weglatingen over te gaan.

De weglatingsafspraak

Dit gezegd hebbende, dient echter uit hetgeen hiervoor over de status van kluisverklaringen is opgemerkt, tegen de achtergrond van het juridisch toetsingskader, dwingend de conclusie te worden getrokken dat de weglatingsafspraak ontoelaatbaar was.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De weglatingsafspraak was onderdeel van de OM-deal waar zij tot gevolg had dat de omvang van de verklaringsverplichting van [medeverdachte 7] krachtens de OM-deal nader werd bepaald en ingeperkt. Een deel van de contractueel vastgelegde (volledige) afstandsverklaring van het verschoningsrecht werd als het ware in het geheim weer door [medeverdachte 7] voorbehouden, namelijk voor zover het [persoon 14] betrof.

Door akkoord te gaan met de voorwaarde van [medeverdachte 7] dat hij over een medeverdachte niet zou hoeven verklaren, werd bij hem ten onrechte het vertrouwen gewekt dat hij onvolledig mocht zijn in zijn zittingsverklaringen in weerwil van zijn wettelijke verplichtingen. Een kroongetuige moet immers zoals iedere getuige krachtens de wet volledig en naar waarheid verklaringen afleggen. De achtergehouden informatie was voorts evident relevant voor de beoordeling door de zittingsrechter van de aan verdachten ten laste gelegde moorden op [persoon 8] en [persoon 1]. De kluisverklaringen van [medeverdachte 7] over deze misdrijven waren processtukken en hadden volledig ingebracht moeten worden. Door deze informatie daaruit weg te houden werden procespartijen en de zittingsrechter vanaf het begin niet volledig en juist geïnformeerd over de verklaringen van de kroongetuige aangaande deze ten laste gelegde dealfeiten. Met deze afspraak bracht het OM zichzelf bovendien in een positie dat het niet meer volledig in staat zou zijn te voldoen aan zijn verplichting om verdediging en rechtbank volledig inzicht te verschaffen in de deal en de totstandkoming daarvan.

Door de gekozen constructie zijn derhalve belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen geschonden, omdat een onaanvaardbaar risico werd genomen dat de materiële waarheidsvinding geweld zou worden aangedaan en het belang van een zuivere rechtspleging zou worden geschonden.

De rechtbank verwerpt de andersluidende opvatting van het openbaar ministerie dat de [persoon 14]-informatie vertrouwelijk te behandelen, niet-ontlastende informatie betrof, welke op grond van een belangenafweging kon worden achtergehouden. Los van de vraag of de inschatting van het openbaar ministerie dat het geen ontlastend materiaal betrof correct is, waarover hierna meer, gaat het openbaar ministerie hier voorbij aan het gegeven dat de achtergehouden [persoon 14]-informatie onmiskenbaar zag op twee misdrijven waaromtrent de deal werd gesloten. Het bepaalde in artikel 226h lid 4 Sv kan niet gelden voor onderdelen van de kluisverklaring waaromtrent geen overeenstemming wordt bereikt, indien die onderdelen een dealfeit betreffen. Procespartijen en de zittingsrechter moeten er vanuit kunnen gaan dat het in het procesdossier gevoegde kluisverbaal volledig de verklaring weergeeft die de (dan nog) potentiële kroongetuige over een dealfeit heeft afgelegd. Voor toepassing van een belangenafweging ten aanzien van voeging van (delen van) processtukken is geen ruimte.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat met het oog op de materiële waarheidsvinding dit ook de voorkeur verdient, omdat de duiding van informatie als zijnde ont- of belastend een heikele exercitie is. Naast de letterlijke bewoordingen is het be- of ontlastende karakter afhankelijk van de context waarbinnen en het perspectief van waaruit de informatie wordt begrepen. Een dergelijke inschatting vraagt voorts om monitoring waar deze, bijvoorbeeld door nieuwe inzichten op grond van tijdsverloop en daarmee samenhangende later gevoerde verweren van de verdediging, ook aan verandering onderhevig kan zijn.

Het beroep op de Straatsburgse jurisprudentie kan het openbaar ministerie evenmin baten. Weliswaar valt daaruit inderdaad af te leiden dat het EHRM de harde regel dat processtukken aan het dossier moeten worden toegevoegd, in zekere zin relativeert, maar waar de nationale jurisprudentie meer rechtsbescherming voor een verdachte biedt heeft deze jurisprudentie als in Nederland geldende rechtsnorm te gelden. Het EHRM legt alleen de minimumgaranties vast waar de lidstaten aan hebben te voldoen.

Ten overvloede merkt de rechtbank dan nog op dat ook het EHRM voorop stelt dat het niet openbaar maken van relevant materiaal een uitzondering is op de hoofdregel dat dergelijk materiaal wél ter beschikking staat van de verdachte. Die uitzondering moet berusten op een afweging van alle betrokken belangen en de vervolgende instantie mag daarbij niet verhullen dat informatie is achtergehouden. De strikte noodzaak tot geheimhouding moet daarbij in ieder geval worden getoetst door een rechter en niet door de vervolgende instantie zelf. Voorts geldt het vereiste dat voor de verdediging zodanige compenserende mogelijkheden bestaan dat sprake blijft van een fair trial. De daarvoor door het EHRM gegeven handvatten zijn ontwikkeld tegen de achtergrond van de Engelse non-disclosure-procedure en juryrechtspraak en derhalve moeilijk direct in de Nederlandse situatie toepasbaar. Zo werd in voorkomende gevallen door het Hof in het bijzonder van belang geacht dat de Engelse zittingsrechter, die niet oordeelt over de schuldvraag, voldoende bekend was met het achtergehouden materiaal (op hoofdlijnen). Deze rechter was daarom in staat om te beoordelen of het materiaal deel uitmaakte van “the prosecution case” en of de geheimhouding strikt noodzakelijk was. Bovendien kon deze zittingsrechter gedurende de verdere fasen van het proces de belangen van de verdediging op een fair trial monitoren en beoordelen of er voor een deugdelijke verdediging van de verdachte behoefte bestond dat deze alsnog kennis nam van die informatie.

De stelling van het openbaar ministerie, tot slot, dat het zich door de weglatingsafspraak jegens [medeverdachte 7] gehouden achtte tot vertrouwelijkheid, kan het openbaar ministerie niet disculperen, nu de afspraak op zichzelf al ontoelaatbaar was. Overigens kan in gevallen als deze volledige vertrouwelijkheid, zonder enig voorbehoud in welke vorm dan ook, nooit rechtmatig worden toegezegd. De rechtbank wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 3:2 Instructie CIE-Officier van justitie waaruit volgt dat de CIE een informant meedeelt dat de toegezegde afscherming kan vervallen, onder meer op grond van een zwaarwegend belang als de integriteit van de opsporing. Daar komt bij dat [medeverdachte 7] kennelijk al in 2008 een aanbod aan de CIE-Officier van justitie had gedaan om in ruil voor zes maanden gratie alsnog over [persoon 14] te gaan verklaren, waarmee hij kennelijk terugkwam op zijn in stelling gebrachte veiligheidsargument. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat naar aanleiding daarvan niet eerder is gezocht naar een manier om de [persoon 14]-informatie in te brengen.

Nu is vastgesteld dat de afspraak ontoelaatbaar was, behoeven de door de verdediging aan het openbaar ministerie gemaakte verwijten dat deze afspraak ten onrechte niet kenbaar is gemaakt aan partijen en ten onrechte niet ter toetsing aan de rechter-commissaris is voorgelegd, geen bespreking meer. Eveneens kan onbesproken blijven de stelling van het openbaar ministerie dat een wettelijk instrumentarium ontbreekt om de rechter-commissaris met (de rechtbank begrijpt: te allen tijde) achter te houden informatie te benaderen buiten procespartijen en zittingsrechter om.

Conclusie over de rechtmatigheid van de weglatingsafspraak

De rechtbank concludeert dat met en door de weglatingsafspraak belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen zijn geschonden, hetgeen een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, welk verzuim naar zijn aard onherstelbaar is. In zoverre is het verweer terecht voorgesteld.

Voordat de rechtbank zich buigt over de vraag welke gevolgen hieraan te verbinden, zal eerst moeten worden beoordeeld of ook overigens, zoals door de verdediging gesteld, in de uitwerking van de kluisverklaringen, dan wel in verband met de oriënterende fase of dealbesprekingen, van een onherstelbaar vormverzuim sprake is.

Uitwerking kluisverklaringen anderszins

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat ook los van de [persoon 14]-informatie aan het openbaar ministerie een gebrekkige verslaglegging in de kluisverklaringen kan worden verweten. Het na de onthullingen van [medeverdachte 7] gelaste onderzoek heeft immers behalve de [persoon14-weglatingen] nog meer Passagerelevante uitlatingen in de kluisverklaringen blootgelegd, zodat ook om die reden achteraf moet worden vastgesteld dat de processtukken oorspronkelijk niet volledig zijn ingebracht. Ook is uit dat onderzoek gebleken dat de letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen 1 en 2 goed leesbaar zijn. Het openbaar ministerie heeft de verdediging en de rechtbank dan ook onjuist voorgelicht waar het op grond van vermeende onleesbaarheid de letterlijke uitwerking van die kluisverklaringen heeft geweerd. Voorts is de uitwerking van de weglating *W04-03 onzorgvuldig geweest.

Deze tekortkomingen zijn op zich eveneens als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek aan te merken. Deze achtergehouden informatie was echter van relatief geringe importantie en de gang van zaken rondom de uitwerking van kluisverklaring 1 en 2, alsmede die rondom weglating *W04-03, geeft geen aanleiding te denken aan kwaad opzet of welbewuste misleiding door politie of openbaar ministerie. De terughoudendheid van het openbaar ministerie bij het volledig uitwerken van de kluisverklaringen werd klaarblijkelijk ingegeven door de eerdergenoemde onjuiste rechtsopvatting dat de kluisverhoren integraal onderdeel uitmaakten van het vertrouwelijk overleg, waarbij het openbaar ministerie zich gebonden achtte aan de toegezegde vertrouwelijkheid aan [medeverdachte 7]. Uiteindelijk zijn alle weglatingen uit de kluisverklaringen bekend geworden en uitgebreid ter zitting bediscussieerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, al deze omstandigheden bij elkaar genomen, deze tekortkomingen in de verslaglegging in voldoende mate zijn hersteld of gerepareerd.

De oriënterende gesprekken en dealbesprekingen.

Algemeen

De rechtbank is voorts van oordeel - met het openbaar ministerie en anders dan de verdediging - dat oriënterende gesprekken en dealbesprekingen in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van een OM-deal primair tot het vertrouwelijk overleg dienen te worden gerekend, waaromtrent logischerwijs niet aanstonds volledige openheid hoeft te worden verschaft. Gelet op de aard, inhoud en functie kunnen deze gesprekken niet zozeer worden geduid als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert. Veeleer vormen zij de aanleiding, het middel en/of de methode om tot dergelijk onderzoek te komen. Een in relaasvorm verschaft globaal overzicht van het verloop van het dealtraject zal in het algemeen voldoende mogelijkheid bieden aan verdediging en zittingsrechter om de rechtmatigheid van de (totstandkoming van de) OM-deal te onderzoeken. Een andersluidend oordeel zou de effectiviteit van de kroongetuigenregeling, die vertrouwelijk overleg vergt om bijvoorbeeld een informant te bewegen bewijsgetuige te worden, te veel frustreren.

Gelet op het voorgaande heeft hier het algemene uitgangspunt te gelden dat het openbaar ministerie het procesdossier voorziet van relevante stukken, waarbij erop vertrouwd kan worden dat het aan deze taak op magistratelijke wijze uitvoering geeft. Voor zover de oriënterende gesprekken en dealbesprekingen zijn vastgelegd betreft het, vergelijkbaar aan de tweede categorie van genoemde Dev Sol-jurisprudentie, gegevensdragers waarvan de inbreng op grond van zwaarwegende opsporingsbelangen achterwege kan blijven. Bewust achterhouden van ontlastend materiaal blijft in verband met een integere rechtspleging en risico’s voor schade aan de materiële waarheidsvinding echter ontoelaatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is ontlastend materiaal in ieder geval informatie die direct op de onschuld van een verdachte wijst, maar daar kan onder omstandigheden ook andersoortige informatie onder worden verstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat bepaalde door de kroongetuige op enig moment in een oriënterend- of dealoverleg verschafte informatie, welke in relevante mate afwijkt van (nadien) afgelegde kluis- en zittingsverklaringen en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen van de kroongetuige van groot belang moet worden geacht te zijn, niet achtergehouden mag worden.

Bespreking verwijt gebrekkige transparantie oriënterende gesprekken en dealbesprekingen

In het onderhavige geval heeft de verdediging het openbaar ministerie terecht een gebrek aan openheid verweten wat betreft de achtergehouden uitlatingen van [medeverdachte 7] tijdens de dealbespreking van 22 november 2006 over [persoon 14] (door een raadsman aangeduid als [persoon 14]-klus-vragen-[plaats]-verhaal).

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Hoewel deze uitlatingen in beginsel kunnen worden gezien als vertrouwelijke inlichtingen verstrekt in een vertrouwelijk overleg, moet worden geconstateerd dat [medeverdachte 7] hierin - bezien tegen de achtergrond van de eveneens achtergehouden kluisverklaring over de ontmoeting met [persoon 14] op het Gelderlandplein - in relevante mate leek af te wijken van de kort daarvóór door hem afgelegde 15e kluisverklaring en wel op een uiterst belangrijk onderdeel betreffende de moord op [persoon 8], te weten de opdrachtverstrekking (en daarbij geschetste tijdlijn). Toen dit dealfeit aan diverse verdachten werd tenlastegelegd en [medeverdachte 7] in zijn zittingsverklaringen in de tijdlijn als geschetst in de 15e kluisverklaring volhardde, had het op enig moment - in ieder geval op het moment dat de contouren van het verweer van [medeverdachte 8] duidelijk werden, waarover hierna meer - op weg van het openbaar ministerie gelegen genoemde uitlatingen uit de dealbespreking, in het geding te brengen. Ook ná de onthullingen van [medeverdachte 7] over [persoon 14] heeft het openbaar ministerie dit echter nagelaten.

De rechtbank ziet dit verzuim volledig opgaan in het onherstelbare vormverzuim van de weglatingsafspraak waar het rechtstreeks mee samenhangt. Tot deze afspraak meende het openbaar ministerie, zoals hiervoor overwogen, ten onrechte gerechtigd te zijn en het heeft klaarblijkelijk de in verband daarmee toegezegde vertrouwelijkheid in stand willen laten. Kennelijk wilde het openbaar ministerie voorts ook ná de onthullingen van [medeverdachte 7] zo lang mogelijk de vertrouwelijkheid van een dealbespreking in een kroongetuigetraject gestand doen, hetgeen op zich niet onbegrijpelijk is. De rechtbank zal, gelet op deze samenhang, het niet inbrengen van deze uitlatingen uit de dealbespreking betrekken bij de beoordeling van de gevolgen van het verzuim van de onrechtmatige weglatingsafspraak.

De rechtbank verwerpt voorts de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie, afgezien van deze achtergehouden [persoon 14]-informatie, ook overigens is tekortgeschoten in de verplichting openheid van zaken te geven over de voorfase. De rechtbank oordeelt dat het openbaar ministerie vanaf het begin, door middel van diverse processen-verbaal en verhoren van getuigen, voldoende inzicht heeft verschaft over het verloop van het dealtraject, waarbij ook de eerste contacten met [medeverdachte 7] in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de deal waren beschreven. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, nu ook aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, dat de tot op heden niet ingebrachte dealbesprekingen en vijf á zes oriënterende gesprekken van de CIE met [medeverdachte 7], op de inhoud aftastend zijn gebleven en dat het openbaar ministerie deze had ingebracht, indien en voor zover daaruit een beeld naar voren was gekomen dat in relevante mate afwijkt van hetgeen [medeverdachte 7] overigens in zijn kluis- of zittingsverklaringen naar voren heeft gebracht en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige in zijn geheel van groot belang is. De gang van zaken rondom de ter zitting gehoorde getuige [persoon 18], waarbij door het openbaar ministerie de door deze eerder als anonieme informant tegenover de CIE afgelegde verklaring is ingebracht, omdat die CIE-verklaring in relevante mate afweek van de zittingsverklaring, rechtvaardigt dit vertrouwen.

Conclusie en te verbinden gevolgen aan de weglatingsafspraak

De rechtbank constateert dat alleen de weglatingsafspraak en het daarmee samenhangende achterhouden van de [persoon 14]-informatie uit de kluisverklaringen en genoemde dealbespreking, als onherstelbaar vormverzuim dienen te worden aangemerkt en zal zich nu over de vraag buigen welke gevolgen hieraan te verbinden.

De afspraak kan worden begrepen te vallen onder het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv, zodat het regiem van artikel 359a Sv hierop van toepassing is. Voor de beoordeling van de op te leggen sanctie kan worden vooropgesteld dat, naar vaste jurisprudentie, de rechter binnen het wettelijk kader de sancties op vormverzuimen mag afstemmen op de omstandigheden van het geval en daarbij vrij is in de weging en waardering van die omstandigheden. Voorts geldt, onder verwijzing naar het hiervoor in dit vonnis geschetste algemene juridische kader, dat met de toepassing van het zwaarste gevolg van niet-ontvankelijkheid een grote mate van terughoudendheid is geboden, zeker indien belangen van verdachte niet zijn geschaad. De rechter is tot slot gehouden, op grond van het tweede lid van artikel 359a Sv, bij de bepaling van de aan een onherstelbaar vormverzuim te verbinden gevolgen rekening te houden met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

De rechtbank doet dan de volgende constateringen.

Met de gewraakte weglatingsafspraak zijn belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen in aanzienlijke mate geschonden, omdat het uiteindelijk gaat om de materiële waarheidsvinding en een integere rechtspleging. Deze afspraak maakt voorts onlosmakelijk deel uit van de OM-deal, als gevolg waarvan de verklaringen van [medeverdachte 7] zijn verkregen. Daarbij kan echter worden betrokken dat het hier slechts een vastomlijnd en overzichtelijk aspect van de verklaringen van [medeverdachte 7] in de deelonderzoeken [D], [A] en de criminele organisatie betreft.

De ernst van de verwijtbaarheid van het geconstateerde verzuim wordt voorts wezenlijk door verschillende factoren gematigd. Zo is volstrekt niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie met de gekozen constructie doelbewust de rechter heeft willen misleiden. Een zeer uitzonderlijke situatie als bedoeld in de Karman-jurisprudentie doet zich hier om die reden al niet voor. Evenmin is van grove veronachtzaming van de belangen van verdachten sprake. De reden voor de weglatingsafspraak moet in het bijzonder gezocht worden in het feit dat men, op zich niet onbegrijpelijk, zware druk voelde om tot een deal te komen vanwege de door [medeverdachte 7] aangekondigde toekomstige liquidaties. Daar komt bij dat het openbaar ministerie de onjuiste rechtsopvatting was toegedaan dat de kluisverhoren ook na het sluiten van een deal integraal onderdeel van het vertrouwelijk overleg blijven uitmaken, zodat het meende de [persoon 14]-informatie op grond van een belangenafweging te kunnen achterhouden. Deze rechtsdwaling aan de zijde van het openbaar ministerie is enigszins verschoonbaar, omdat de gang van zaken rondom het achterhouden van informatie in ons strafproces niet erg helder is uitgewerkt. Tot slot heeft de toenmalige CIE-officier van justitie nog wel getracht zo zorgvuldig mogelijk te opereren door naar vermogen de belangen van de verdediging bij een eerlijk proces te blijven monitoren, hetgeen overigens door verschillende omstandigheden, waarover hierna meer, niet altijd is gelukt.

Wat betreft de in de beoordeling te betrekken door het vormverzuim veroorzaakte benadeling overweegt de rechtbank als volgt.

Gelijk hiervoor in dit vonnis over het juridisch toetsingskader is overwogen, kan het belang van een verdachte bij niet-ontdekking van een gepleegd feit, niet worden aangemerkt als een nadeel als bedoeld in artikel 359a Sv. Indien en voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat zonder de litigieuze afspraak de OM-deal niet gesloten zou zijn en alleen al dáárin benadeling kan worden gevonden, wordt dit derhalve verworpen.

Voor enige sanctionering moet een verdachte door het vormverzuim ook daadwerkelijk in zijn verdediging zijn geschaad. De rechtbank constateert dan dat van alle verdachten alleen [medeverdachte 8] door de onthouding van de [persoon 14]-informatie gaandeweg is benadeeld en motiveert dit als volgt.

Benadeling in de zaak [medeverdachte 8]

Over het procesverloop in de zaak tegen [medeverdachte 8] kan het volgende worden opgemerkt.

In de kluisverklaringen wijst [medeverdachte 7] [medeverdachte 8] aan als opdrachtgever van de moorden op [persoon 8] en [persoon 1]. In de beginperiode van [X] (vanaf februari 2009) richtte de inhoudelijke behandeling op zitting zich vooral op de diverse verwijten die in verband met deze moorden door het openbaar ministerie werden gemaakt aan [medeverdachte 4], [medeverdachte 7], [medeverdachte 3] en [verdachte]. Deze verwijten liggen, kort gezegd, op het niveau van uitvoering van de moorden, met uitzondering van het verwijt aan [medeverdachte 1] die terzake wordt verweten als tussenpersoon of informatiemakelaar te zijn opgetreden.

[medeverdachte 8] is eerst na zijn aanhouding in september 2010 vervolgd binnen [X] en aan hem is tenlastegelegd oprichter en leidinggevende te zijn van een criminele organisatie gericht op moorden (gedurende een periode van 8 jaar) binnen welk verband door hem de moordopdrachten op [persoon 8] en [persoon 1] zouden zijn verstrekt. Met het aanbrengen van [medeverdachte 8] binnen [X] ging derhalve gaandeweg steeds meer aandacht uit naar het niveau van opdrachtverstrekking tot de moorden, de in het 140-dossier genoemde “top van de kwal”. Zo is het procesdossier uitgebreid met onder meer de zogenaamde [persoon 15]-tapes, waarin [persoon 15] rept over criminele samenwerking tussen [medeverdachte 8], [persoon 14] en [persoon 19] en waaruit volgens het zittings-OM de gestelde “dominante (opdrachtgevende) positie van [medeverdachte 8] in de ten laste gelegde organisatie”40 kan worden afgeleid, alsmede het gegeven dat “[medeverdachte 8] de man is die kan bepalen of een bepaalde moord wordt uitgevoerd of niet”.41 Het zittings-OM verklaarde ter zitting in april 2011, na uitgebreid debat over de reikwijdte van de 140-tenlastelegging, dat [persoon 14] behoort tot de ten laste gelegde organisatie en moet worden geacht te vallen onder de “anderen”, genoemd in de tenlastelegging. De rechtbank overwoog vervolgens bij tussenbeslissing in april 2011 dat onder meer die ([E])stukken relevant voor [X] lijken die in belastende of ontlastende zin concreet licht werpen op de relatie tussen [persoon 14] en [medeverdachte 8], de vermeende rol van [medeverdachte 8] als “geweldsman” ten behoeve van of in samenwerking met [persoon 14], en/of de door de verdediging gestelde beëindiging van de relatie tussen beiden.42

[medeverdachte 8] heeft voorts vanaf het begin de beschuldigingen ontkend. In het voorjaar van 2011 werden de contouren duidelijk van het door hem gevoerde, met getuigen onderbouwde, verweer. Dit verweer houdt in dat [medeverdachte 8] sedert medio 2005, in ieder geval vóórdat de moordopdrachten volgens [medeverdachte 7] zouden zijn verstrekt, heeft gebroken met [persoon 14] én dat [persoon 14] doet aan zogenaamd “naamsmisbruik”, dat wil zeggen het schermen met (vermeende reputaties) van anderen. In dit verband zou [persoon 14] de naam van [medeverdachte 8], zonder diens medeweten, tegenover derden hebben genoemd om indruk op die personen te maken en dit zou hij kennelijk ook bij [persoon 15] hebben gedaan.43

De rechtbank constateert dat, tegen de achtergrond van het aan [medeverdachte 8] gemaakte verwijt, genoemd verweer en voorts mede gelet op de voor [medeverdachte 8] belastende verklaringen van Q5 (medio mei 2010 ingebracht) en die van [persoon 20] (vanaf het begin in het dossier), de rol van [persoon 14] en de verhouding tussen [medeverdachte 8] en [persoon 14] - en daarmee ook de weggelaten [persoon 14]-informatie - in toenemende mate van belang werd voor een optimale waarheidsvinding rondom de aan [medeverdachte 8] ten laste gelegde liquidatiefeiten. De rechtbank constateert verder dat de achtergehouden [persoon 14]-informatie, in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van het verhandelde ter zitting en het dossier bezien, bepleitbaar enige ondersteuning biedt voor genoemd verweer van [medeverdachte 8]. Ook zou daaruit mogelijk een andere, lichtere rol van [medeverdachte 8] (dan die van oprichter en/of leidinggevende, zoals tenlastegelegd) binnen de vermeende criminele organisatie, afgeleid kunnen worden. Daar komt bij dat waar de verklaringen van [medeverdachte 7] over [medeverdachte 8] uitsluitend van horen zeggen zijn en veelvuldig conclusies bevatten, hij in de weggelaten informatie uit eigen waarneming [persoon 14] prominent als opdrachtgever neerzet die zich ook feitelijk met de uitvoerders bemoeit. In ieder geval is de inhoud van de verklaring van [medeverdachte 7] over de opdrachtverstrekking (en daarbij te hanteren tijdlijn) in de zaken [persoon 8] en [persoon 1], zodra de weggelaten [persoon 14]-informatie erbij werd betrokken, er “niet helderder” op geworden. Dit gegeven heeft mede ten grondslag gelegen aan de beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 8].44 Deze voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen rondom de opdrachtverstrekking van de kroongetuige relevante informatie, kan derhalve worden verondersteld voor de verdediging van [medeverdachte 8] van groot belang te zijn geweest.

De rechtbank heeft voorts ervaren dat een nadere ondervraging van [medeverdachte 7] over de weggehouden informatie, wellicht ook door het inmiddels verstreken tijdsverloop en veelvuldig horen van [medeverdachte 7], de schade aan de waarheidsvinding niet in voldoende mate heeft kunnen herstellen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 8] door de onrechtmatige weglatingsafspraak en daarmee samenhangende achterhouden van de [persoon 14]-informatie gaandeweg is benadeeld.

De rechtbank merkt tot slot op dat de benadeling in de zaak [medeverdachte 8] is ontstaan, ondanks de welwillende inspanningen van de CIE-officier om de belangen van de verdediging ook gedurende het proces te blijven bewaken. Door verschillende factoren werd dit monitoren ook bemoeilijkt. Te denken valt aan het lange tijdsverloop van de zaak, het in een later stadium van het geding aanhouden en invoegen binnen [X] van de zaak tegen [medeverdachte 8], de daarmee gepaard gaande voeging door het zittings-OM van nieuwe stukken en het nieuw gevoerde verweer, alsmede de aandacht die vooral uit moest gaan naar de conflictbeheersing tussen [medeverdachte 7] en TGB. Deze factoren kunnen het openbaar ministerie echter niet disculperen, omdat dit juist de risico’s zijn welke de gekozen constructie onaanvaardbaar maken. Deze risico’s hebben zich in de zaak tegen [medeverdachte 8] dus ook daadwerkelijk gerealiseerd.

Geen benadeling in zaken overige verdachten

De rechtbank oordeelt in de zaken van de overige verdachten dat hier geen benadeling is opgetreden tengevolge van het vormverzuim. Zij zijn niet concreet in hun verdediging geschaad.

De verdediging heeft wat betreft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gesteld dat zij schade hebben ondervonden, maar de rechtbank heeft dit niet in voldoende mate onderbouwd gezien en ook zelf niet kunnen vaststellen.

Wat betreft [medeverdachte 1] is in dit verband bepleit dat [medeverdachte 7] aan zogenaamde in-de-plaats-stellingen heeft gedaan en [medeverdachte 1] heeft genoemd daar waar hij over [persoon 14] had moeten verklaren, maar dat achterhield. Deze stelling van de verdediging is echter onvoldoende aannemelijk geworden. De verdediging heeft ook betoogd dat bij [medeverdachte 1] ten onrechte het volle gewicht van opdrachtgeverschap was komen te liggen door uit de 1e kluisverklaring van [medeverdachte 7] weg te laten dat [medeverdachte 1], die volgens [medeverdachte 7] had aangegeven dat [persoon 1] prioriteit had (om te worden vermoord), dit in opdracht van [persoon 14] moest doorgeven.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Ook in de context van de eerste kluisverklaringen was duidelijk dat de rol die [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] toeschreef in verband met de moorden op [persoon 8] en [persoon 1] niet die van zelfstandige opdrachtgever, maar van tussenpersoon of informatiemakelaar was.

Wat betreft de overige verdachten is de gestelde benadeling niet nader onderbouwd en/of helemaal geen verweer gevoerd en voor geen van deze verdachten ziet de rechtbank feiten en/of omstandigheden die tot benadeling moeten concluderen.

Eindconclusie rechtbank

Samengevat komt het voorgaande hierop neer dat het openbaar ministerie valt te verwijten dat het met de kroongetuige een onrechtmatige afspraak heeft gemaakt, waardoor ten onrechte bepaalde voor het bewijs relevante informatie niet in het procesdossier is opgenomen, hetgeen een aanzienlijke schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen oplevert, welk verwijt echter wezenlijk gematigd wordt door verschillende factoren, terwijl alleen [medeverdachte 8] door deze onregelmatigheden daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank komt dan tot de eindconclusie dat, al hetgeen hiervoor is overwogen in ogenschouw nemende, aan deze onregelmatigheden als gevolg dient te worden verbonden de volledige uitsluiting voor het bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 7] in de zaak tegen [medeverdachte 8]. In zoverre slaagt het verweer. In de zaken tegen de overige verdachten kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank niet toekomt aan de door de verdediging in dit verband bepleitte niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

De verweren worden voor het overige verworpen.

2.1.5

Transparantie en magistratelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich ook los van de [persoon14-weglatingen] gedurende het proces niet magistratelijk en transparant heeft opgesteld, waardoor onherstelbare schade zou zijn toegebracht aan een zuivere waarheidsvinding.

Volgens de verdediging heeft het openbaar ministerie zich in het bijzonder onmagistratelijk opgesteld door [medeverdachte 7] gedurende het gehele proces tegen de klippen op de hand boven het hoofd te blijven houden.

De verdediging wijst hiertoe op de opstelling van het openbaar ministerie in de zaak [persoon 11]. Volgens de verdediging heeft [medeverdachte 7], die steeds heeft verklaard [medeverdachte 9] te verdenken van de moord op [persoon 11] en hierbij zelf niet betrokken te zijn geweest, in feite zelf de dodelijke kogels op [persoon 11] afgevuurd. Mede hierom acht de verdediging (de verklaringen van) [medeverdachte 7] onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Door een onmagistratelijke proceshouding van het openbaar ministerie zou die zaak echter onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, waardoor aan de waarheidsvinding een onherstelbare schade zou zijn toegebracht.

Met betrekking tot de proceshouding van het openbaar ministerie in de zaak [persoon 11] wijst de verdediging met name op de volgende punten:

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie [medeverdachte 7] niet voor de zaak [persoon 11] is gaan vervolgen, hoewel er naar de maatstaf die het openbaar ministerie tegenover andere verdachten binnen [X] hanteert, meer dan voldoende bewijsmateriaal voorhanden was. Hierdoor zou de verdediging een belangrijk wapen uit handen zijn geslagen om de onbetrouwbaarheid van [medeverdachte 7] aan te tonen;

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie voor de toekenning van de status van anoniem bedreigde getuige aan een door de verdediging aangedragen getuige een veel strenger criterium voorstond dan toen het ging om een door het openbaar ministerie aangedragen getuige;

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie, toen de getuigen F1 en F3 de gevraagde status eenmaal hadden verkregen, zich hier niet bij heeft neergelegd en zelfs handelingen heeft verricht waardoor de anonimiteit van de getuigen in gevaar kwam. Ten aanzien van F3 heeft het openbaar ministerie een dwangmiddel toegepast waardoor de identiteit van deze getuige bekend kon worden. Toen F3 zich bereid had verklaard om als beperkt anonieme getuige achter gesloten deuren te verklaren en de rechtbank aldus had besloten, heeft het openbaar ministerie op de geplande verhoordag bezwaar gemaakt tegen het sluiten van de deuren;

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie er zonder meer van uitging dat de door de verdediging ingebrachte getuigen niet naar waarheid verklaarden en suggereerde dat enkele raadslieden hierbij een bedenkelijke rol hadden gespeeld;

  • -

    Het feit dat een CIE-journaal van de getuige F3 uit 2007 pas aan het dossier is toegevoegd nadat F3 ter terechtzitting had verklaard, hoewel de verdediging herhaaldelijk had gevraagd naar CIE-informatie over de zaak [persoon 11]; toen het journaal eenmaal werd toegevoegd werd ook informatie toegevoegd waarvoor F3 geen toestemming had gegeven;

  • -

    Het feit dat dit CIE-journaal kennelijk geen aanleiding heeft gegeven tot nader onderzoek hoewel hierin werd gesproken over twee moorden waarbij [medeverdachte 7] betrokken zou zijn en waarover hij tijdens het dealtraject niet had verklaard;

  • -

    Het verzet van het openbaar ministerie tegen aanwezigheid van de verdediging bij het verhoor van de verdachte [persoon 21] en de gang van zaken tijdens dit verhoor;

  • -

    Het feit dat de artikelen uit de Metro en/of Spits waarin [medeverdachte 7] over de moord op [persoon 11] zou hebben gelezen en de reisgegevens van [medeverdachte 4] uit die periode niet aan het dossier zijn toegevoegd ondanks vele verzoeken van de verdediging.

Het openbaar ministerie zou [medeverdachte 7] ook de hand boven het hoofd hebben gehouden door de OM-deal niet op te zeggen en [medeverdachte 7] niet te vervolgen voor overtreding van artikel 192 Sr hoewel [medeverdachte 7] herhaaldelijk heeft geweigerd verder als getuige te verklaren en volgens de verdediging herhaaldelijk niet naar waarheid heeft verklaard.

Verder zou het openbaar ministerie een aantal mogelijk voor andere verdachten ontlastende documenten en gegevens niet of niet tijdig aan het dossier hebben toegevoegd.

De klacht van de verdediging betreffende het niet of niet tijdig inbrengen van stukken betreft met name:

  • -

    Verklaringen van [persoon 22] die door het openbaar ministerie niet betrouwbaar werden geacht;

  • -

    Processen-verbaal betreffende een onderzoek bij Motel [naam B] naar aanleiding van een verklaring van [medeverdachte 7];

  • -

    Het feit dat bij het openbaar ministerie het besef was ontstaan dat [medeverdachte 7] waar hij sprak over de [naam C] een andere uitgaansgelegenheid op het oog had dan Q5 en mogelijk [persoon 20] waar zij spraken over de [naam C];

  • -

    Verklaringen van de getuige [persoon 23]

  • -

    Verklaringen van de getuige [persoon 24];

  • -

    Een verklaring van de getuige [persoon 25];

  • -

    Een proces-verbaal van de CIE inzake afpersing van [persoon 26] door [persoon 14];

  • -

    Een proces-verbaal van de CIE van mei 2006 dat [medeverdachte 8] weer in de [naam 1] kwam;

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie heeft geweigerd een CIE-journaal van [medeverdachte 7] aan het dossier toe te voegen.

Daarnaast zouden de politie en het openbaar ministerie in processen-verbaal, tijdens getuigenverhoren en mondeling ter terechtzitting een misleidende weergave van een aantal verklaringen en/of de totstandkoming daarvan hebben gepresenteerd en een aantal onderzoeksbevindingen eenzijdig hebben belicht of hieruit in strijd met eerdere standpunten belastende conclusies hebben getrokken.

De stelling over onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging en weergave van verklaringen ter terechtzitting is onderbouwd met klachten over:

  • -

    Gebrekkige zakelijke samenvattingen en verbatim uitwerkingen van verhoren van [medeverdachte 7], waardoor aan [medeverdachte 7] overmatig belastende uitspraken werden toegeschreven, en waardoor werd verhuld dat aan [medeverdachte 7] sturende vragen werden gesteld en dat [medeverdachte 7] verklaringen aanpaste na het ontvangen van informatie over de feiten waarover hij moest verklaren;

  • -

    Een gebrekkige verbatim weergave van het politieverhoor van [medeverdachte 7] van 24 mei 2007, waardoor werd verhuld dat sturingsinformatie was gegeven;

  • -

    Het feit dat de verbalisanten Z34, Z35 en Z36 tijdens RC-verhoren hebben ontkend sturingsinformatie te hebben verstrekt dan wel hebben gesteld zich daar niets meer van te kunnen herinneren;

  • -

    Gebrekkige zakelijke samenvattingen van verklaringen van [persoon 20], waardoor werd verhuld dat [persoon 20] oorspronkelijk weinig over verdachte [medeverdachte 1] had te melden;

  • -

    Een als belastend gepresenteerde onjuiste zakelijke samenvatting van de verklaring van [persoon 27];

  • -

    Onjuiste samenvattingen van verklaringen van de getuigen [persoon 4], [persoon 3], [persoon 5], [persoon 1] en [persoon 15] en een onjuiste beeldvorming over een vermeende relatie tussen verdachte [medeverdachte 8] en [persoon 28] in processen-verbaal van bevindingen;

  • -

    Een onjuiste en/of onvolledige weergave van verklaringen van de getuigen [persoon 4], [persoon 3], [persoon 20], [medeverdachte 7] en [persoon 5], en van verdachte [medeverdachte 9] tijdens requisitoir;

  • -

    Onjuiste conclusies uit een heimelijk opgenomen citaat van [persoon 29] en [persoon 30] tijdens requisitoir;

  • -

    Een onjuiste weergave door het openbaar ministerie van uitlatingen van de raadsman Meijering over de verklaringen van de getuige [persoon 31];

  • -

    Eenzijdige analyses van tap- en telecomgegevens, waarbij onvoldoende aandacht werd besteed aan door de verdediging aangedragen verweren en alternatieve scenario’s;

  • -

    Het feit dat het openbaar ministerie bij requisitoir het standpunt heeft ingenomen dat [medeverdachte 8] betrokken zou zijn geweest bij het zogenaamde kantoorincident terwijl het eerder had betoogd dat deze betrokkenheid niet in rechte was vastgesteld.

  • -

    het feit dat het openbaar ministerie in het proces [X] niet open is geweest over de door de Amsterdamse hoofdofficier in de media uitgesproken bewijsnood in de zaak tegen [persoon 14].

Doordat de politie en het openbaar ministerie sturing in bepaalde verhoren zijn blijven weerspreken, is volgens de verdediging twijfel ontstaan over de gang van zaken bij de verhoren van andere getuigen.

Volgens de verdediging is door deze verzuimen, beschouwd in hun onderlinge verband en samenhang, de waarheidsvinding onherstelbaar geschonden, de rechtbank ernstig belemmerd in haar controlerende taak en is ernstige schade toegebracht aan het vertrouwen in de opsporing en vervolging. Om die reden zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging. Subsidiair zou het volledige dossier [X] van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het openbaar ministerie meent dat er geen sprake is van vormverzuimen die tot een door de verdediging bepleit rechtsgevolg zouden moeten leiden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank begrijpt de verweren die betrekking hebben op een vermeend gebrek aan magistratelijkheid en transparantie van het openbaar ministerie gedurende het strafproces als klachten over de proceshouding van het openbaar ministerie. Voor zover onregelmatigheden worden geconstateerd die niet vallen onder het toepassingsbereik van artikel 359a Sv zal de rechtbank deze toetsen aan artikel 6 EVRM en/of de algemene beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Gelet op de wijze waarop de verweren zijn gepresenteerd ligt het zwaartepunt van de beoordeling door de rechtbank bij de vraag of de vermeende onregelmatigheden er op zichzelf of in onderlinge samenhang toe hebben geleid dat het proces van één of meer verdachten niet heeft voldaan aan de eisen van artikel 6 EVRM.

Proceshouding openbaar ministerie in de zaak [persoon 11]

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie vanaf het moment dat er signalen begonnen op te komen over een mogelijke strafrechtelijk relevante betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij één of meer andere levensdelicten dan hij had bekend, hiervoor de ogen lijkt te hebben gesloten. Reeds in 2007 heeft het openbaar ministerie blijk gegeven van een onkritische houding tegenover [medeverdachte 7] door niet aan te slaan op CIE-informatie van F3 waaruit kon blijken van actieve betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij andere moorden dan hij had bekend. Nadien lijkt het openbaar ministerie in de kwestie [persoon 11] steeds te hebben geopereerd vanuit een grondhouding waarin geen ruimte bestond voor de mogelijkheid dat het door de verdediging geschetste scenario op waarheid berust. De rechtbank acht deze grondhouding laakbaar.

De rechtbank zal in het midden laten of de door de verdediging geschetste incidenten vormverzuimen opleveren in de eigenlijke zin des woords, nu de verdachten hierdoor uiteindelijk niet in hun belangen zijn geschaad. De verdediging heeft gedurende het proces van de rechtbank alle ruimte gekregen om de toedracht rond de moord op [persoon 11] te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek bij haar uiteindelijke stellingname te betrekken. Op last van de rechtbank is een semi-procesdossier [persoon 11] aan het dossier toegevoegd. De rechtbank heeft alle onderzoekswensen van de verdediging die zij voldoende zwaarwegend achtte, gehonoreerd. Verder heeft de rechtbank aan het onderzoek naar de moord op [persoon 11] meer zittingstijd gespendeerd dan aan welke wel ten laste gelegde zaak dan ook. In het kader daarvan zijn vele door de verdediging aangebrachte getuigen ter terechtzitting gehoord, in een enkel geval zelfs onder verzet van de verdediging. Door dit alles heeft de rechtbank zich een oordeel kunnen vormen over de stellingen van de verdediging dat [medeverdachte 7] heeft gelogen over de zaak [persoon 11] en dat die constatering gevolgen moet hebben voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen in andere zaken. Het belang dat de andere verdachten stelden te hebben bij de vervolging van [medeverdachte 7] voor de moord op [persoon 11] en meer in het algemeen bij een soepeler en opener houding van het openbaar ministerie in deze kwestie, is aldus voldoende tot zijn recht gekomen. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook niet aangetast door de gang van zaken rondom de kwestie [persoon 11].

Niet opzeggen OM-deal en niet vervolgen [medeverdachte 7] ex art. 192 Sr

De rechtbank verwerpt het verweer dat het openbaar ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door de OM-deal met [medeverdachte 7] niet op te zeggen waar deze herhaaldelijk heeft geweigerd verder te verklaren. De rechtbank onthoudt zich van een oordeel over de vraag of en in welke mate [medeverdachte 7] hierdoor verwijtbare wanprestatie heeft geleverd, nu de rechtbank het krachtenveld waarin [medeverdachte 7] zich bevond onvoldoende kan overzien. Los daarvan is de rechtbank niet bekend met enige, op de belangen van medeverdachten gerichte, strafvorderlijke rechtsregel op grond waarvan het openbaar ministerie de overeenkomst met een criminele getuige in geval van wanprestatie zou moeten ontbinden. Ontbinding van de overeenkomst tast immers de bruikbaarheid van de verklaringen van de criminele getuige jegens de andere verdachten niet aan. Voorts hebben de andere verdachten geen rechtens te respecteren belang bij de tegen de criminele getuige te formuleren strafeis. Het recht van de overige verdachten op een eerlijk proces wordt derhalve door het voortbestaan van de overeenkomst niet geschaad.

De rechtbank verwerpt ook het verweer inzake de niet-vervolging van [medeverdachte 7] voor overtreding van art. 192 Sr. Bij zijn beslissing om een persoon al of niet te vervolgen heeft het openbaar ministerie een zeer ruime beoordelingsvrijheid. Van willekeur is hier niet gebleken. De rechtbank ziet verder niet in welk rechtens te respecteren belang de andere verdachten bij een dergelijke vervolging zouden hebben. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 7] is ook zonder een dergelijke vervolging uitputtend onderzocht. Het achterwege blijven van een dergelijke vervolging heeft het proces van de andere verdachten dan ook niet geschaad.

Niet (tijdig) inbrengen mogelijk ontlastende stukken

De klachten van de verdediging over het niet of niet tijdig inbrengen van mogelijk ontlastende stukken betreffen voor een groot deel stukken die zijn ingebracht ruim vóór de aanvang van de inhoudelijke behandeling (verklaringen [persoon 22]; onderzoeksbevindingen motel [naam B]), dan wel niet bestemd zijn om in belastende of ontlastende zin voor het bewijs te dienen en evenmin als start- of sturingsinformatie binnen [X] hebben gediend (processen-verbaal van de CIE en het CIE-journaal van [medeverdachte 7]) dan wel zijn toegevoegd zodra het zaaksparket deze kende (getuigenverklaringen [persoon 23]) dan wel uit een ander onderzoek stammen en op het punt van relevantie voor het [X-proces] bepaald voor betwisting vatbaar zijn (verklaringen [persoon 24]) dan wel uit een ander onderzoek stammen en zijn ingebracht op verzoek van de verdediging na inzage van dat andere dossier (verklaring [persoon 25]). De verklaringen van [persoon 22] en in mindere mate de stukken over het onderzoek bij motel [naam B] hadden eerder aan het dossier moeten zijn toegevoegd. Dit verzuim is echter hersteld. Ten aanzien van de overige stukken is er geen sprake van schending van enige rechtsnorm.

Met betrekking tot het onderscheid tussen de “Oude” [naam C] en de [naam C] constateert de rechtbank dat zij hierover door de verdediging, die al veel langer van dit onderscheid op de hoogte was, is geïnformeerd op een door de verdediging strategisch gekozen tijdstip en wijze. De rechtbank ziet niet in hoe door deze gang van zaken het recht van de verdachten op een eerlijk proces zou kunnen zijn aangetast.

Misleidende weergave van verklaringen en eenzijdige belichting van onderzoeksbevindingen

Met betrekking tot de stellingen van de verdediging over misleidende weergave van verklaringen en eenzijdige belichting van onderzoeksbevindingen oordeelt de rechtbank als volgt. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in een aantal gevallen onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging heeft plaatsgevonden van verhoren van getuigen. Zo kunnen relevante verschillen worden geconstateerd tussen de samenvattende schriftelijke weergaven van verhoren van bepaalde getuigen en de verbatim-uitwerkingen daarvan: soms zijn onderdelen van een verklaring die van belang zouden kunnen zijn, weggelaten en ook komt het voor dat de schriftelijke samenvatting onjuistheden bevat. Zelfs als verbatim weergaven gepresenteerde processen-verbaal bleken (nog los van de weglatingen) in enkele gevallen onjuistheden of weglatingen te bevatten. Verder bevat het proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2010 in het voorgeleidingsdossier van [medeverdachte 8] een aantal ernstige, voor verdachte steeds belastende fouten.

De rechtbank constateert dat genoemde onvolkomenheden en fouten een schending van artikel 152 Sv opleveren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie met een aantal van deze de fouten te laconiek is omgegaan nadat de verdediging daarop had gewezen. Zo heeft het openbaar ministerie een foutieve weergave van de verklaringen van enkele getuigen in het proces-verbaal van 23 september 2010 bij requisitoir herhaald en heeft het bij repliek uitsluitend gesteld dat het parafraseren van in het dossier aanwezige verklaringen geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek en derhalve in het kader van artikel 359a Sv niet tot enig gevolg kan leiden. Het openbaar ministerie lijkt zich aldus te weinig te realiseren dat de rechter en de verdediging moeten kunnen afgaan op de weergave van feiten in processen-verbaal van bevindingen en in requisitoir. Evenwel zijn de geconstateerde gebreken naar het oordeel van de rechtbank in de loop der tijd voldoende hersteld of gecompenseerd.

Van een groot aantal verklaringen zijn verbatim uitwerkingen gemaakt en aan het dossier toegevoegd. De verdediging is derhalve in staat geweest zakelijke weergaven en processen-verbaal van bevindingen te controleren. Tevens heeft de verdediging een groot aantal getuigen kunnen horen, onder wie ook verbalisanten die de verhoren hebben afgenomen en/of de processen-verbaal hebben opgesteld. Aldus heeft de verdediging de verklaringen van de getuigen voldoende kunnen controleren op hun wijze van totstandkoming, juistheid en volledigheid. De verdediging heeft verder alle gelegenheid gehad om te reageren op het requisitoir. Van een noemenswaardige schade aan de belangen van de verdachten is derhalve uiteindelijk geen sprake.

Waar het gaat om conclusies en standpunten van het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie, zo goed als de verdediging, de vrijheid heeft om in het dossier aanwezige feitelijke gegevens te analyseren, hieraan conclusies te verbinden en op basis hiervan standpunten in te nemen. Als het openbaar ministerie bij de bepaling van zijn standpunten onvoldoende betekenis heeft gehecht aan verweren en alternatieve scenario’s van de verdediging zal de rechtbank deze standpunten verwerpen. Van een onrechtmatigheid kan in dit verband echter slechts sprake zijn als het openbaar ministerie de rechter welbewust misleidt. De door politie en justitie gepresenteerde analyse van telecomgegevens en de stellingname van het openbaar ministerie over betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij het kantoorincident kunnen niet als misleiding worden gekwalificeerd en leveren derhalve geen onrechtmatigheden op. Evenmin ziet de rechtbank een onrechtmatigheid in de omstandigheid dat het openbaar ministerie niet op de door de verdediging gewenste wijze inzicht heeft gegeven in zijn kennelijke inschatting van de eigen bewijspositie tegenover [persoon 14]. Het staat het openbaar ministerie vrij om zijn (voorlopige) visie in die zaak voor zich te houden en in de zaken tegen de in [X] gedagvaarde verdachten het standpunt in te nemen dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De stelling van de verdediging dat de gang van zaken bij het verhoor van sommige getuigen een aanwijzing vormt voor mogelijke sturing van andere getuigen, waardoor de betrouwbaarheid van het totale dossier voor twijfel vatbaar zou worden, wordt verworpen. De vele verbatim uitgewerkte processen-verbaal van verhoor leveren allerminst het beeld op dat de politie voorinformatie aan getuigen pleegt te verstrekken.

De klachten van de verdediging over een uitlating van het openbaar ministerie tijdens requisitoir naar aanleiding van een OVC-gesprek tussen [persoon 29] en [persoon 30] en over een parafrasering door het openbaar ministerie van uitlatingen van de raadsman van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] over verklaringen van de getuige Teeven zijn onvoldoende substantieel om op zichzelf dan wel in samenhang met andere zaken van belang te kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.

De door de raadsman van [medeverdachte 1] overigens nog genoemde vermeende verzuimen in de zaak [G] zijn - met uitzondering van enige opmerkingen over de verklaringen van [persoon 20], die hierboven reeds zijn besproken - bij slotpleidooi niet onderbouwd en zullen buiten bespreking blijven, nu de rechtbank ruimschoots vóór aanvang van de slotpleidooien meermalen heeft laten weten dat de raadslieden ter onderbouwing van hun verweren niet konden volstaan met verwijzing naar eerdere pleidooien.

2.2

Slotconclusie ontvankelijkheid openbaar ministerie en verzoek om uitsluiting volledige dossier van het bewijs

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen - los van zeer uitzonderlijke gevallen waarin het relativiteitsvereiste niet meer wordt gesteld - alleen onherstelbare vormverzuimen die niet zijn gecompenseerd en waardoor één of meer verdachten uiteindelijk zijn benadeeld, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie raken.

De [persoon14-weglatingen] leveren een onherstelbaar vormverzuim op dat uitsluitend voor [medeverdachte 8] tot benadeling heeft geleid. De rechtbank zal deze benadeling opheffen door de verklaringen van [medeverdachte 7] in de zaak tegen [medeverdachte 8] van het bewijs uit te sluiten.

De overige geconstateerde onregelmatigheden zijn, voor zover zij een vormverzuim opleveren, in de loop van het proces in voldoende mate hersteld of gecompenseerd en hebben derhalve uiteindelijk niet tot benadeling van één of meer verdachten geleid.

Gelet hierop ziet de rechtbank in de hierboven behandelde verweren geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van één of meer verdachten.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nu de meeste onregelmatigheden in de loop van het proces voldoende zijn hersteld of gecompenseerd en nu aan de [persoon14-weglatingen] geen zwaarder rechtsgevolg behoeft te worden verbonden dan in de zaak van [medeverdachte 8] de verklaringen van [medeverdachte 7] van het bewijs uit te sluiten, verwerpt de rechtbank het verzoek om uitsluiting van het volledige [X-dossier] van het bewijs.

3 Schorsing vervolging

De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

E. Het bewijs en de standpunten van partijen

1 Formaliteiten met betrekking tot het bewijs in alle zaken

In verband met de omvang van het dossier is het schriftelijke dossier bij de politie in bewaring gegeven en is gewerkt met een digitaal dossier, alsmede een hard copy daarvan. De diverse aanvullingen zijn ook telkens digitaal en op schrift verspreid. De officier van justitie heeft verzekerd dat de digitale stukken, en dus ook de hard copies daarvan, zijn gescand van de originele stukken en dienen te worden aangemerkt als kopieën conform origineel.

De door de rechtbank in de voetnoten of elders aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen, tenzij anders vermeld. Processen-verbaal van verbalisanten uit andere lidstaten van de Europese Unie worden daarbij aangeduid als processen-verbaal. Artikel 344, tweede lid, Sv. wordt in dit vonnis niet toegepast.

Schriftelijke stukken worden slechts gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen.

De rechtbank geeft als vindplaats voor aangehaalde stukken de digitale codering (tenzij anders vermeld).

2. Het standpunt van partijen in de zaak tegen verdachte aangaande de tenlastelegging

Het openbaar ministerie heeft bewezen geacht dat verdachte zich, kort gezegd, schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 1 primair, 2, 3 en 4, in zaak B, en in zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De motivering van het standpunt van het openbaar ministerie wordt besproken in de beschouwingen van de rechtbank.

3 De zaak [persoon 11]

De zaak [persoon 11] ziet op de dood van [persoon 11]. Op 9 april 2002 werd het lichaam van [persoon 11], die sinds 25 maart 2002 werd vermist, aangetroffen in het Amsterdam Rijnkanaal ter hoogte van Loenen aan de Vecht. [persoon 11] bleek te zijn doodgeschoten. Hij had onder meer een schotwond in het hoofd.45 Het destijds uitgezette opsporingsonderzoek heeft niet tot een oplossing geleid.

Hoewel binnen [X] niemand voor de zaak [F] wordt vervolgd maakt deze op basis van hetgeen [medeverdachte 7] hierover heeft verklaard in zijn kluisverklaringen, wel onderdeel uit van de deal. [medeverdachte 7] heeft - kort samengevat - verklaard dat hij van [medeverdachte 9] had begrepen dat hij, [medeverdachte 9], direct verantwoordelijk was voor de dood van [persoon 11]. Ook [persoon 32] was erbij betrokken, al weet [medeverdachte 7] niet wat de precieze rolverdeling was. Ook weet [medeverdachte 7] niet hoe [persoon 11] om het leven is gebracht. [medeverdachte 7] zou er zelf niets mee te maken hebben gehad.46

De zaak heeft op initiatief van de verdediging uitgebreid aandacht gekregen binnen het proces [X]. Volgens de verdediging heeft [medeverdachte 7] namelijk niet de waarheid gesproken als het om zijn rol bij de dood van [persoon 11] gaat en maakt dat zijn overige verklaringen onbetrouwbaar. De verdediging baseert zich daarbij op verklaringen van [medeverdachte 9] en diverse andere door haar in verband met deze zaak ingebrachte, deels anonieme, getuigen.

Volgens het openbaar ministerie wijzen de getuigen weliswaar [medeverdachte 7] aan als degene die [persoon 11] zou hebben doodgeschoten, maar lopen de verklaringen van deze getuigen op andere onderdelen uiteen, zijn deze op punten innerlijk tegenstrijdig, op belangrijke onderdelen oncontroleerbaar en daar waar ze wel controleerbaar zijn worden ze niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gelet hierop kan uit deze verklaringen niet worden opgemaakt wat de werkelijke toedracht is geweest bij de moord op [persoon 11], en evenmin kan daaruit de conclusie worden getrokken dat [medeverdachte 7] hierover niet naar waarheid zou hebben verklaard.

Hoewel binnen het proces [X] de bewijsvraag in de zaak [F] niet aan de orde is, onderkent de rechtbank het belang van dit zogenaamde “dealfeit” voor het oordeel over de betrouwbaarheid van [medeverdachte 7]. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.

[medeverdachte 9] heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat [persoon 32] als eerste op [persoon 11] heeft geschoten, maar waarschijnlijk heeft gemist, waarna het [medeverdachte 7] was die de dodelijke schoten heeft afgevuurd. Ook [medeverdachte 9] zelf was bij de dodelijke schietpartij aanwezig, maar hij was niet betrokken bij de gewelddadigheden. Integendeel, hij was daar naar eigen zeggen als mediator, “om de boel rustig te kunnen houden”.47

Naast deze verklaring van [medeverdachte 9] heeft de verdediging gedurende het proces vijf getuigen ingebracht om de gestelde betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij de dood van [persoon 11] nader te onderbouwen.48 Hoewel niet elke verklaring voldoende ankerpunten oplevert voor de conclusie dat [medeverdachte 7] een fors aandeel had in de liquidatie, hebben met name de ter zitting gehoorde bedreigde, beperkt anonieme getuige F3 en de bij de rechter-commissaris gehoorde anonieme bedreigde getuige F1, twee getuigen die door de rechter-commissaris als betrouwbaar zijn aangemerkt, substantiële en vrij eenduidige verklaringen hebben afgelegd die lijken te wijzen op strafrechtelijke betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij de dood van [persoon 11]. De getuigenis van F3 krijgt temeer betekenis, nu eerst laat in het proces is gebleken dat deze getuige reeds in maart 2007, op een moment dat de inhoud van de deal die [medeverdachte 7] zojuist met het openbaar ministerie had gesloten voor de buitenwereld nog niet bekend was, voor [medeverdachte 7] én [medeverdachte 9] buitengewoon belastende informatie had verstrekt aan de CIE. Volgens deze informatie hadden [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] aan F3 meerdere verhalen verteld over door hen gepleegde liquidaties. Bij één van die liquidaties durfde [medeverdachte 9] niet te schieten, waarna [medeverdachte 7] het had afgemaakt. [medeverdachte 7] had het slachtoffer, een grote vent, daarbij onder meer door het hoofd geschoten. Dit moet volgens F3 ergens in de periode 2001-2003 zijn gebeurd.49

Geconstateerd moet worden dat de verklaringen van F3 afgelegd bij de CIE en later bij de rechter-commissaris en ter zitting op onderdelen verschillen. Zo heeft F3 bij de CIE niets verklaard over een loods waarin [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] iemand zouden hebben vermoord, waar F3 zich dat later wel lijkt te herinneren. Ook is de verklaring bij de CIE in meerdere opzichten zeer belastend voor [medeverdachte 9], waar F3 [medeverdachte 9] later nadrukkelijk uit de wind lijkt te houden. Daartegenover staat evenwel dat de CIE-informatie van F3 ook getuigt van daderinformatie waar het gaat om een schot in het hoofd en het feit dat het slachtoffer een “grote vent” zou zijn.50 Ook overigens lijkt het erop dat de CIE-informatie van F3 in het licht van de later door F3 afgelegde verklaringen en bezien in samenhang met de inhoud van de verklaring van [medeverdachte 9], betrekking heeft op de dood van [persoon 11].

Overigens vormt het gegeven dat F3 bij de CIE tevens zeer belastend heeft verklaard over [medeverdachte 9] een contra-indicatie voor de stelling van het openbaar ministerie dat F3 door (de familie van) [medeverdachte 9] reeds in 2007 gestuurd zou zijn om [medeverdachte 7] zwart te maken. Dat F3 deze voor [medeverdachte 9] belastende onderdelen in latere verklaringen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft ingetrokken, doet daar niet aan af.

Verder is van belang dat [medeverdachte 7] naar het oordeel van de rechtbank weinig substantieel heeft gereageerd op de soms gedetailleerde beschuldigingen van [medeverdachte 9] en de overige [persoon 11]-getuigen. Zo heeft hij zelf nooit enig verzoek gedaan tot nader onderzoek, een proceshouding die de rechtbank, gelet op hetgeen [medeverdachte 7] wel over deze zaak heeft verklaard, onverklaarbaar acht. In de reactie van [medeverdachte 7] valt veeleer een bevestiging te lezen van de stelling van de verdediging dat hij wel betrokken is bij de moord op [persoon 11]. [medeverdachte 7] heeft immers zelf verklaard dat F3 hem in 2005, kort na de moord op [persoon 33], [persoon 16] en [persoon 8] binnen een tijdsbestek van enkele dagen, had gevraagd of ‘zij daar achter zaten’, doelende op [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9].51 Deze vraag zou naar inschatting van de rechtbank alleen dan bij F3 hebben kunnen opkomen indien F3 het voor mogelijk hield dat [medeverdachte 7] tot een liquidatie in staat was. Volgens [medeverdachte 7] had hij echter nooit met F3 over een door hem gepleegde liquidatie gesproken en was [persoon 8] de eerste en enige liquidatie waar hij als schutter bij betrokken is geweest. Hoe het dan kan dat F3 toch deze vraag stelde kan [medeverdachte 7] niet verklaren.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet de rechtbank er zo ernstig rekening mee houden dat [medeverdachte 7] strafrechtelijk betrokken is geweest bij de dood van [persoon 11], dat zij hieraan in het kader van de hierna volgende beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van [medeverdachte 7] in het bewijs tegen de andere verdachten niet voorbij kan gaan.


F. Het oordeel van de rechtbank aangaande het bewijs

1 Bewijswaarde van de verklaringen van [medeverdachte 7]

Het onderwerp van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 7] heeft voortdurend als een rode draad door dit proces gelopen. Een kritische benadering van de verklaringen van [medeverdachte 7] ligt ook voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige. Immers, het feit dat een kroongetuige van het openbaar ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen, verschaft hem een bijzondere positie, die maakt dat zijn verklaringen met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd.

Tegen deze achtergrond schrijft artikel 360, lid 2 Sv voor dat de rechter een bijzondere motiveringsplicht heeft indien de verklaringen van de kroongetuige voor het bewijs worden gebruikt. De enige begrenzing die de wetgever aan het gebruik van de verklaring van een kroongetuige tot het bewijs heeft opgelegd ligt besloten in artikel 344a lid 4 Sv. Dit voorschrift houdt in dat de ondersteuning van de verklaring van een kroongetuige niet mag worden gevonden in de verklaring van een andere kroongetuige. Voor het overige gelden voor het gebruik van de verklaringen van een kroongetuige de gebruikelijke regels van het bewijsminimum zoals vastgelegd in artikel 342, lid 2 Sv.

De eis van behoedzaamheid geldt in dit geval temeer, daar waar het gaat om die verklaringen die zien op informatie die [medeverdachte 7] stelt van [medeverdachte 9] te hebben verkregen. [medeverdachte 7] heeft over [medeverdachte 9] immers verklaard dat hij informatie wel eens aandikte of met desinformatie strooide.

Naar de rechtbank begrijpt stelt de verdediging zich op het standpunt dat alle verklaringen van [medeverdachte 7] reeds vanwege deze kanttekeningen bij hetgeen [medeverdachte 9] zou hebben verteld minder bruikbaar zijn en hooguit als steunbewijs kunnen dienen. Dit verweer wordt afgewezen. Uitgangspunt is dat de-auditu verklaringen in beginsel bruikbaar zijn voor bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter zitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat – met name – de verdediging [medeverdachte 7] gedurende vele jaren aan zeer indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect “van horen zeggen van [medeverdachte 9]” uitvoerig aandacht heeft gekregen. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [medeverdachte 7] reeds daarom in zijn algemeenheid op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, temeer daar de beweerde bron van de de-auditu verklaringen, [medeverdachte 9], zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [medeverdachte 7].

Op de rechtbank, deze behoedzaamheid indachtig, komt [medeverdachte 7], in zijn wijze van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent over. Aan deze algemene positieve indruk draagt bij dat [medeverdachte 7] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie in het geheel niet in beeld was gekomen en het gegeven dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen voor een deel ook bevestiging krijgen in onderzoeksbevindingen. Naar mate het proces vorderde slopen in de verklaringen van [medeverdachte 7] wel meer en meer onderlinge afwijkingen. In een proces van zoveel jaren, waarbij [medeverdachte 7] over dezelfde onderwerpen uitzonderlijk vaak is gehoord, is dat naar het oordeel van de rechtbank echter onvermijdelijk. Ook heeft [medeverdachte 7] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder, al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuigingen, in al te concluderende zin had verklaard.

Er zijn echter ook ongerijmdheden in de verklaringen van [medeverdachte 7] niet opgehelderd of anderszins verklaarbaar gebleken. Hiervan is met name sprake in de zaken [persoon 11] en [D], daar waar het de rol van [medeverdachte 7] zelf betreft. In beide zaken, die elders in dit vonnis nader aan de orde komen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er rekening mee moet worden gehouden dat [medeverdachte 7], hoewel daartoe op grond van de deal gehouden, niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat hij hiertoe in staat is, is gebleken uit de gang van zaken rondom zijn conflicten met het TGB. In dit verband heeft hij diverse keren medewerkers van het openbaar ministerie beschuldigd van laakbaar gedrag, de inhoud van het strafproces rakende, om daarover later te verklaren dat de beschuldigingen vals, aangezet, gemanipuleerd of gekleurd waren. Ook schriftelijk heeft [medeverdachte 7] aangetoond in staat te zijn om met overtuiging leugens over te brengen, gelet op de kort voor repliek door het openbaar ministerie prijsgegeven documenten afkomstig van de laptop van [medeverdachte 7].

Ondanks deze serieuze kanttekeningen die op punten bij de verklaringen van [medeverdachte 7] kunnen worden geplaatst, blijft, tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen in het licht van de overige onderzoeksbevindingen, het beeld van [medeverdachte 7] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Wel dient er nadrukkelijk rekening mee te worden gehouden dat [medeverdachte 7], daar waar het zijn eigen handelen betreft ([persoon 11] en [D]) of daar waar het gaat om het veiligstellen van zijn eigen belangen in het getuigenbeschermingstraject, in staat is om de waarheid geweld aan te doen (TGB-conflict, laptopdocumenten).

Dit gegeven maakt dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 7] temeer met de vereiste extra behoedzaamheid zal dienen te benaderen. De rechtbank geeft hieraan op de volgende wijze concreet uiting. Een verklaring van [medeverdachte 7] over het daderschap van een medeverdachte bij een tenlastegelegd feit kan alleen dan leiden tot een veroordeling van deze medeverdachte indien er naast deze verklaring sprake is van ander zelfstandig bewijs dat wijst op dit daderschap.

Daar er geen aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 7] in de door hem benoemde strafbare feiten zijn eigen rol groter heeft gemaakt dan dat deze in werkelijkheid is geweest, geldt in zijn eigen zaken voornoemd vereiste niet.

2 Beslissingen aangaande het bewijs in de zaak tegen verdachte

2.1

Vrijspraak

In verband met het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [persoon 1]. De rechtbank ziet de wel vast te stellen feiten - waarover hierna meer - veeleer als uitlokking en zal daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

2.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

[persoon 2] en [persoon 3] op 20 april 2006 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 1] van het leven hebben beroofd, immers hebben die [persoon 2] en [persoon 3] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels in het lichaam van die [persoon 1] geschoten, waardoor die [persoon 1] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden,

welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door voornoemde [persoon 2] en [persoon 3] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen, en door het verschaffen van middelen zoals vuurwapens en vluchtauto’s en telefoons en inlichtingen zoals adresgegevens/verblijfsplaatsen van die [persoon 1];

ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde:

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf moord, opzettelijk een personenauto, te weten een Audi A4, kleur grijs en een vuurwapen, te weten een pistool, merk Ruger, type P95, kaliber 9x19 en munitie, kennelijk bestemd tot het al dan niet in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde:

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Ruger, type P95, kaliber 9x19, kleur zwart/zilver, en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, kaliber 9x19 voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde:

verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, heeft gepoogd [persoon 4] door middel van beloften en het verschaffen van middelen en inlichtingen en door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord, op [persoon 1], immers heeft hij, verdachte

- aan die [persoon 4] een geldbedrag en een auto in het vooruitzicht gesteld, en
- aan die [persoon 4] een vluchtauto en telefoons en een vuurwapen met daarbij behorende munitie en informatie met betrekking tot het adres/verblijfplaatsen van die [persoon 1] ter beschikking gesteld, en
- die [persoon 4] meermalen meegenomen naar café “[naam A]”, en
- die [persoon 4] gevraagd: “zou je iemand kunnen vermoorden”, en
- aan die [persoon 4] duidelijk gemaakt dat de eigenaar/uitbater van café “[naam A]” “er aan moest”, en
- die [persoon 4] daarbij dreigend de woorden toegevoegd: “als ik het je laat zien, zit je erbij in; kan je niet meer terug, en als het wel zo is dan alleen maar door de kogel”;

ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 december 2005 tot en met 7 juli 2006 in Nederland heeft gepoogd [persoon 4] door middel van het verschaffen van inlichtingen en door bedreiging te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord op [persoon 5], immers heeft hij, verdachte:

- informatie met betrekking tot het adres van die [persoon 5] aan die [persoon 4] ter beschikking gesteld, en
- die [persoon 4] meegenomen naar het woonadres van die [persoon 5] en die [persoon 4] de woorden toegevoegd: “die moet er ook aan”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking. en
- die [persoon 4] de woorden toegevoegd: “als ik het je laat zien, zit je erbij in; kan je niet meer terug, en als het wel zo is dan alleen maar door de kogel”;

ten aanzien van het in zaak C onder 1 tenlastegelegde:

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 september 2004 tot en met 1 mei 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [medeverdachte 7], heeft gepoogd [persoon 6] door middel van beloften en het verschaffen van inlichtingen te bewegen een misdrijf te begaan, namelijk het misdrijf van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, te weten moord op [persoon 7], immers hebben hij, verdachte en zijn mededader aan die [persoon 6] een geldbedrag, 50.000 euro, in het vooruitzicht gesteld en een briefje met de woonplaats van die [persoon 7] aan die [persoon 6] gegeven en/of medegedeeld;

ten aanzien van het in zaak C onder 2 tenlastegelegde:

verdachte in de periode van 1 juli 2005 tot 4 augustus 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten moord, art. 289 Wetboek van Strafrecht.

3 Motivering van de bewezenverklaring

3.1

[A]

1 Vaststelling feiten

1.1

Plaats delict

In de ochtend van 20 april 2006 is [persoon 1] door pistoolschoten om het leven gebracht in café [naam A], gevestigd op de [adres 1] te [plaats].52 Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer zijn zeven schotbanen waargenomen. Het slachtoffer is geraakt in de rug, het achterhoofd en de nek. In de schotbanen lagen vitale organen, zoals het hart, de aorta en de hersenen. Gezien de grote hoeveelheid bloed in de borst- en buikholte, en de bloeduitstorting rond de letsels zijn deze letsels bij leven opgelopen en verklaren ze het intreden van de dood zonder meer op basis van uitval van vitale organen, weefselbeschadiging en bloedverlies. Uitval van vitale organen, weefselschade en bloedverlies tengevolge van het meervoudig schotletsel zijn de oorzaak geweest van het overlijden van het slachtoffer.53

Op de plaats van het delict (café [naam A]) zijn 7 hulzen van het merk/type 9mm Luger (AGT 161 tot en met AGT 167) en 3 kogelfragmenten in beslaggenomen en voor onderzoek overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut.54

Door diverse getuigen wordt gezien dat direct na de schietpartij ten minste twee mannen met een donkere huidskleur wegrennen van de plaats delict en op de Rijpgracht te Amsterdam. Door getuige [persoon 35] wordt gezien dat de mannen op de Rijpgracht in een zilverkleurige Audi, voorzien van kenteken [nummer 1] stappen en wegrijden. Getuige [persoon 35] ziet dat voordat de beide mannen in deze auto stapten één van hen een voorwerp in het water van de Rijpgracht werpt.55

Op 21 april 2006 is door de duikploeg van de politie in het water van de Rijpgracht, ter hoogte van de door de getuige aangewezen plaats waar één van de daders het voorwerp in het water wierp, een vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen.56 Het betreft een pistool van het merk Ruger, type P95 DC, kaliber 9x19 mm, kleur kast zwart, slede zilver. Het is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het pistool was voorzien van een 10 schots patroonhouder. In het vuurwapen werden 3 patronen van het kaliber 9x19 mm, voorzien van volmantel projectielen en het bodemstempel 9 mm Luger S&B (Sellier & Bellot) aangetroffen. Deze munitie is munitie in de zin van artikel 1 onder 4e, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.57

Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat de hulzen en de kogels aangetroffen en in beslaggenomen in café [naam A] en de kogels die zijn aangetroffen in het lichaam van het slachtoffer zeer waarschijnlijk, dan wel waarschijnlijk zijn afgevuurd met het vuurwapen dat in de Rijpgracht is aangetroffen.58

Getuige [persoon 34] heeft verklaard dat zij ten tijde van de schietpartij op de [adres 1] reed in de richting van de [straatnaam 1]. Op de kruising [straatnaam 1] / [adres 1] reed er naast haar een zilverkleurige Mercedes coupé, nieuw model. De bestuurder had donkerbruin haar tot op de schouder. Getuige heeft deze man later herkend als [verdachte].59

1.2

Verklaringen verdachten en getuigen

Getuige [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte 4] kort na de liquidatie van [persoon 8] een aantal keren met wapens naar de woning van [persoon 1] zijn gegaan om hem te liquideren. [verdachte] zat nog gedetineerd toen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] begonnen met de voorobservaties in het kader van de voorgenomen liquidatie alsmede toen zij een aantal keren met wapens klaarstonden met de intentie om de liquidatie op [persoon 1] daadwerkelijk uit te voeren. [verdachte] is op 7 december 2005 vrij gekomen.60

Volgens [medeverdachte 7] hebben [medeverdachte 9] en hij drie of vier keer in vol ornaat bij de woning van [persoon 1] gestaan om [persoon 1] te liquideren. Zij waren dan voorzien van wapens, handschoenen, een mutsje en schoenen die weggegooid konden worden.61

[medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hadden voor de liquidatie van [persoon 1] de beschikking over een gestolen grijze Citroën C5. Deze auto was ook bij de liquidatie van [persoon 8] gebruikt. In de auto lagen de wapens. De auto werd af en toe verplaatst. Op de momenten dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] daadwerkelijk actief waren, stond de auto in Halfweg. Daarvoor stond de auto in Amsterdam. In de auto lag ook een flesje Spa blauw, gevuld met benzine, om de auto later eventueel in brand te kunnen steken.62

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij ten behoeve van het uitvoeren van de liquidatie van [persoon 1] begin december 2005 voor zichzelf en voor medeverdachte [medeverdachte 9] speciaal handschoenen, schoenen en een mutsje heeft gekocht. Deze spullen heeft [medeverdachte 7] iedere keer dat hij en [medeverdachte 4] actief waren met de liquidatie, gedragen. Ook zijn er twee telefoons aangeschaft, speciaal bestemd voor communicatie tussen [medeverdachte 9] en [verdachte], die bij de laatste poging actief betrokken was.63 Verder waren er een pistool en een machinegeweer geregeld. [verdachte] heeft dat later getest en [medeverdachte 4] zei dat het machinegeweer het niet deed.64

Over één van de pogingen heeft [medeverdachte 7] verklaard dat hij en [medeverdachte 9] in de vroege ochtend in het donker in de steeg ter hoogte van de parkeerplaats aan de achterzijde van de woning van [persoon 1] stonden te wachten, toen er een man met een fiets de poort uit kwam en hun vroeg hen wat zij daar deden. Toen de man kort na te zijn weggefietst weer terugkwam, hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] besloten deze poging af te blazen en zijn zij met de auto weer weggereden.65

Over een andere keer heeft [medeverdachte 7] verklaard dat de poging niet doorging, omdat hij, [medeverdachte 7], te laat uit de auto was gestapt. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] reden langs de woning van [persoon 1], toen deze net naar buiten kwam. [medeverdachte 9] liep met een automatisch wapen door het steegje. Toen [medeverdachte 7] de auto goed had geparkeerd, zijn handschoenen had aangetrokken en zijn wapen had gepakt en de steeg inliep, kwam [medeverdachte 9] alweer teruggelopen en is de poging afgeblazen.66

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat bij de laatste poging ook [verdachte] actief betrokken was. Dit was kort na de vrijlating van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: kort na 7 december 2005). Voor deze laatste poging hebben [medeverdachte 7], [medeverdachte 9] en [verdachte] een vergadering over de moord op [persoon 1] gehad. Er is toen besproken dat [verdachte] in de avond bij café [naam A] zou gaan staan, en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] een sms-bericht zou sturen als [persoon 1] eraan kwam. 67 Ook deze poging is echter afgeblazen. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] stonden die avond in vol ornaat bij de woning van [persoon 1]. [verdachte], die in de buurt van café [naam A] stond, zou [medeverdachte 9] een sms-bericht sturen zodra [persoon 1] naar buiten zou komen. Toen dit bericht uitbleef, zijn [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] naar [verdachte] gereden, die nog steeds bij café [naam A] stond te wachten. Toen zij daar arriveerden, verliet [persoon 1] net het café en stapte in zijn zwarte Combo. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zijn [persoon 1] vervolgens gevolgd. Zij reden toen zonder wapens in de eerlijke Opel Corsa van [persoon 36]. Toen [medeverdachte 7] [persoon 1] inhaalde, had hij het idee dat [persoon 1] het in de gaten had. [persoon 1] kwam naast hen rijden en keek hen aan. Op weg naar de woning van [persoon 1] zijn [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] in Halfweg overgestapt in de Citroën C5. Daar hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] de wapens uit het skiluik gehaald, en hun handschoenen aangetrokken en mutsen opgezet. Toen zij bij de woning van [persoon 1] aan kwamen rijden, stond [persoon 1] in de deuropening met zijn armen over elkaar. [persoon 1] keek [medeverdachte 9] recht aan. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hebben toen besloten dat het over was.68 [medeverdachte 7] is daarna afgehaakt. Dit was half december 2005.69

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij uit eigen waarneming heeft dat [medeverdachte 9] [persoon 1] uitbesteedde aan [verdachte]. Dat ging spelen na het deuropeningincident, toen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] het niet meer wilden doen. [medeverdachte 7] is bij gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] geweest waarbij hij [medeverdachte 9] aan [verdachte] hoorde vragen, meer in retorische zin: regel jij het? Dat ging over [persoon 1]. In de laatste 1 1/2 tot 2 weken voordat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] naar Spanje gingen heeft [medeverdachte 7] [medeverdachte 4] horen zeggen dat [verdachte] de kamikazen aan het begeleiden was. Die kamikazen heeft [medeverdachte 9] ook zelf ontmoet. [medeverdachte 9] zette [verdachte] onder druk, door [verdachte] te vragen of het nog niet was gebeurd.70

Later heeft [medeverdachte 7] naar eigen zeggen van [medeverdachte 4] gehoord dat [verdachte] de opdracht om [persoon 1] te liquideren had uitbesteed aan een jongen, die het zou doen, maar zich heeft teruggetrokken. [medeverdachte 4] zou hierna tegen [verdachte] hebben gezegd dat die jongen dan weggemaakt moest worden.71

Nadat [medeverdachte 4] en hij zich hadden teruggetrokken, is er volgens [medeverdachte 7] een Audi A4 geregeld. Deze auto is na de liquidatie door de politie aangetroffen. Er zat toen een ander kenteken op. Volgens [medeverdachte 7] heeft [verdachte] dit geregeld.72[medeverdachte 7] is wel eens bij die auto in Halfweg geweest. Hij wist dat de Audi A4 voor de liquidatie op [persoon 1] zou worden gebruikt. De auto was al in beeld voordat [medeverdachte 7] naar Spanje vertrok. Volgens [medeverdachte 7] had [verdachte] het beheer over de auto.73 De Audi A4 heeft ook een paar keer in Buitenveldert gestaan. De A4 is alleen betrokken geweest bij de kamikazen bij [verdachte], aldus [medeverdachte 7].[medeverdachte 7] is op 23 februari 2006 naar Spanje gegaan en heeft in de periode van 20 april tot 10 mei 2006 een e-mail van [medeverdachte 4] over die Audi ontvangen. [medeverdachte 7] zou volgens [medeverdachte 4] in die Audi hebben gezeten.74

[medeverdachte 7] heeft ten slotte begrepen dat er twee jongens zijn benaderd die uiteindelijk de liquidatie hebben uitgevoerd, maar dat ze niet zijn betaald.75 [medeverdachte 4] had samen met [verdachte] de organisatie van de liquidatie van [persoon 1] op zich genomen. [verdachte] had de ‘kamikazen’ geregeld.76

Getuige [persoon 37] heeft verklaard dat hij in februari 2006 om ongeveer 07.15 - 07.30 uur met zijn fiets zijn poort is uit gegaan en via de steeg aan de achterzijde van zijn woning aan de [adres 2] te [plaats], is gefietst naar het pleintje dat is gelegen achter het huis van [persoon 1]. Op het pleintje stonden naast de aldaar gelegen garages twee jongens in donkere jassen. Omdat [persoon 37] de zaak niet vertrouwde is hij een blokje om gefietst. Toen [persoon 37] weer bij zijn poort aankwam stonden de mannen ditmaal achter in de poort bij een muurtje. Vanaf dit punt hadden zij goed zicht op de achterzijde van de woning van [persoon 1]. [persoon 37] vroeg de mannen of zij iets zochten, waarna de mannen zonder iets te zeggen wegliepen. [persoon 37] hoorde autoportieren dichtslaan. De posities die de mannen hadden ingenomen waren zodanig dat ze een goed zicht hadden op de achterzijde van de woning van [persoon 1] aan de [adres 3] alsmede op zijn auto, die altijd in het toegangsstraatje tot de garages stond geparkeerd.77

Getuige [persoon 4] heeft verklaard dat [verdachte] begin of half januari 2006 met hem langs café [naam A] in Amsterdam reed en aan [persoon 4] vroeg of hij in staat zou zijn om iemand te vermoorden. [persoon 4] heeft gezegd dat hij dat niet wist. [verdachte] heeft hem gezegd dat zodra [verdachte] het hem liet zien, hij erbij in zat en niet meer terug kon, alleen nog door de kogel.78 [persoon 4] zou € 60.000,- krijgen, dan wel een Saab Turbo 93 Cabriolet, als hij het zou doen.79 [verdachte] heeft [persoon 4] verteld dat de te liquideren persoon de eigenaar van café [naam A] betrof.80 [verdachte] is meerdere keren met [persoon 4] langs café [naam A] gereden.81Hij heeft [persoon 4] ook laten zien waar het beoogde slachtoffer woonde, hem instructies gegeven en hem een vluchtroute laten zien.82 [persoon 4] kreeg kort daarna van [verdachte], ten behoeve van de uitvoering van de liquidatie, de beschikking over een personenauto (een zilverkleurige Audi A4)83, meerdere wapens, waaronder een Scorpion, een AK47 en een pistool van het merk Ruger met daarbij behorende munitie84 en twee mobiele telefoons.85Over de Scorpion verklaart [persoon 4] dat [verdachte] zei dat hij die ging uitproberen en dat hij later zei dat het daar niet mee kon omdat het geen automatisch wapen was.86

[persoon 4] heeft vervolgens gedurende een periode, naar eigen zeggen enkele maanden87, tot kort voor de uiteindelijke moord op [persoon 1] op 20 april 2006, ter voorbereiding van de toen nog door hem zelf te plegen moord, meerdere malen ter observatie bij café [naam A] gestaan. Ook is hij langs de woning van [persoon 1] in [plaats] gereden en heeft hij meerdere malen de Audi A4, die was bestemd om te dienen als vluchtauto, verzet.88 [verdachte] heeft [persoon 4] verteld dat de Audi een gestolen auto was met eerlijke kentekenplaten.89 Tevens heeft [persoon 4] verklaard dat hij via de telefoon werd gewaarschuwd als het beoogde slachtoffer vertrok vanaf café [naam A]. Als de telefoon overging, zou het beoogde slachtoffer met tien minuten arriveren bij de woning in [plaats], waar [persoon 4] stond te wachten.90 [persoon 4] heeft één avond daadwerkelijk met een doorgeladen pistool bij de woning van [persoon 1] gestaan, doch heeft de uitvoering van de liquidatie op dat moment bewust gefrustreerd.91

Volgens [persoon 4] was hij steeds meer in een situatie terecht gekomen die hij niet wilde. Hij wilde niemand doodschieten. Omdat [persoon 4] dit uit angst voor [verdachte] niet tegen hem durfde te zeggen, heeft hij getracht om op andere manieren, zoals door het zich opzettelijk verslapen en door het veelvuldig gaan gebruiken van drugs, onder de liquidatieopdracht uit te komen.92 [persoon 4] heeft vervolgens kort voor de liquidatie de vluchtauto (Audi) en de wapens met de bijbehorende munitie aan [verdachte] teruggegeven.93 [verdachte] heeft toen iemand anders geregeld.94 Aan [persoon 4] werd na het teruggeven van de auto en de wapens van [verdachte] een andere rol toebedeeld, namelijk het posten bij café [naam A] en het zogenoemde seinen: het laten overgaan van een mobiele telefoon op het moment dat de auto van het latere slachtoffer bij café [naam A] wegreed.95

Op 18 april 2006 heeft [persoon 4] op verzoek van [verdachte] een negroïde persoon in Leidschendam opgehaald en is hem voorgereden naar de loods van [naam 2], waar [verdachte] met de negroïde persoon heeft gesproken. [persoon 4] reed toen in de Peugeot van zijn vriendin [persoon 38]. Hij heeft in het dossier een foto gezien “van die [naam 3]” . Dat is de neger die hij toen heeft opgehaald, van Leidsenhage.96[persoon 4] heeft verklaard dat het ophalen van de negroïde persoon het laatste was wat hij voor [verdachte] ten behoeve van de liquidatie heeft gedaan.97

[persoon 4] heeft verder verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]) de compagnon van [verdachte] is.98

Getuige [persoon 39] heeft verklaard dat hij [verdachte] een keer heeft ontmoet op de housewarmingparty van [persoon 4] (de rechtbank begrijpt: [persoon 4]). Dat was op 27 januari 2006. Half februari 2006 heeft [persoon 4] [persoon 39] verteld dat hij een man ging of moest kieren. Vervolgens heeft [persoon 4] [persoon 39] het café [naam A], de woning en de auto van het slachtoffer laten zien. Later is [persoon 39] mee geweest om een auto op te halen. [persoon 4] vertelde dat hij een vluchtauto, een bivakmuts en een pistool had. Toen [persoon 4] het dashboardkastje van de auto open wilde doen en dit op slot bleek te zitten, zei hij tegen [persoon 39] dat [verdachte] dat zeker voor zijn kinderen had gedaan.99 [persoon 39] verklaart in augustus 2006 dat hij [persoon 4] het afgelopen jaar heeft zien rijden in onder andere een zilverkleurige auto, “dat zou wel eens de Audi kunnen zijn waarover jullie het hebben gehad”. [persoon 4] zei dat de auto’s van [verdachte] waren.100 Tevens heeft [persoon 39] verklaard dat [persoon 4] voor [verdachte] werkte en dat [persoon 4] een aparte telefoon had voor contact met [verdachte].101

Getuige [persoon 38], de toenmalige vriendin van [persoon 4], heeft onder meer verklaard dat [persoon 4] haar vertelde dat er een moord zou worden gepleegd en dat hij hierbij betrokken was. [persoon 4] vertelde haar dat de moord zou worden gepleegd op de eigenaar van een café en dat hij, [persoon 4], in een coffeeshop tegenover dat café moest zitten en de telefoon moest laten overgaan op het moment dat die man naar buiten kwam.102 Dat was op 14 april 2006. [persoon 4] vertelde [persoon 38] dat hij aanvankelijk de moord zou plegen, maar dat hij dit niet meer wilde doen. Voor het plegen van de moord zou hij naar eigen zeggen € 60.000,- van [verdachte] krijgen. [persoon 4] heeft [persoon 38] voorts verteld dat hij, omdat hij ervan af had gezien om de moord te plegen, nu een andere rol toebedeeld had gekregen, bestaande uit het posten.103

Getuige [persoon 38] heeft voorts verklaard dat zij een keer, in elk geval na 15 februari 2006, samen met [persoon 4] een zilvergrijze Audi heeft verplaatst in Zwanenburg, en dat deze Audi ook bij hen thuis in [plaats] had gestaan.104 Later vertelde [persoon 4] haar dat deze Audi bij de uiteindelijke moord was gebruikt.105

Getuige [persoon 2] heeft bij de politie verklaard dat [persoon 3] (de rechtbank begrijpt: [persoon 3]) en hij [verdachte] in een eettent in Leidschendam hebben ontmoet. [verdachte] had iets te doen voor hen.106 [persoon 2] en [persoon 3] hebben [verdachte] op 11 april 2006 ontmoet bij het station in Abcoude,107 de dag waarop [persoon 2] om ongeveer 14.26 uur in Abcoude een bekeuring wegens een snelheidsovertreding heeft gekregen.108[verdachte] kwam samen met een andere man bij het station aanrijden. [persoon 2] en [persoon 3] zijn bij [verdachte] in de auto gestapt. Ze zijn richting Amsterdam gereden. [persoon 2] en [persoon 3] zaten achterin, [verdachte] bestuurde de auto en de andere man zat op de passagiersstoel.109 [persoon 2] betitelt de man op de passagiersstoel ook wel als “de compagnon” van [verdachte]. Hij omschrijft deze compagnon als een kleine man, licht bruin van wellicht Aziatische afkomst met een litteken aan de rechterkant van zijn nek en zwart haar. Hij was netjes gekleed. Zijn tongval was plat Amsterdams.110 Hij stond in hiërarchie boven [verdachte]. Hij deelde een beetje de lakens uit, zo van “Nee, rijd even hier naar toe”.111

Onderweg naar Amsterdam is aan [persoon 2] en [persoon 3] uitgelegd dat zij iemand dood moesten schieten en dat zij daar 60.000 euro voor zouden krijgen. Dat geld is hun door [verdachte] en de compagnon toegezegd. Bij café “[naam A]” is hun een Combi Opel en een zwarte Volkswagen Golf aangewezen. De Golf was de auto van de vriendin van het slachtoffer. [persoon 2] en [persoon 3] moesten de kentekens van de auto’s onthouden. De compagnon bekeek hoe lang het zou duren van café [naam A] naar de woning van het slachtoffer. Bij de woning aangekomen is [persoon 2] en [persoon 3] een plek aangewezen waar ze zich konden verschuilen en is verteld hoe ze het precies zouden moeten doen. [verdachte] en de compagnon hebben ook de plek aangewezen waar [persoon 2] en [persoon 3] het wapen in het water moesten weggooien. Daarna zijn ze weer richting Amsterdam gereden. Onderweg is de compagnon uitgestapt en heeft lijm gekocht om de autosleutel van de Audi te repareren. Daarna zijn ze weer naar café “[naam A]” gereden. Ze zijn daarna voor de zekerheid naar de woning van het slachtoffer gereden, zodat [persoon 2] en [persoon 3] de route zouden kennen.112 De compagnon nam het initiatief om de route nogmaals te rijden.113 Vervolgens zijn ze naar de Audi gereden die geparkeerd stond bij een kerk, dichter bij de woning dan bij café [naam A]. De compagnon stapte uit en pakte een grote tas uit de auto en stapte weer in. Hij haalde een machinegeweer, een AK, en een pistool uit de tas, met munitie en extra magazijnen. Zij vertelden dat het kleine wapen een lekker wapen was; [verdachte] had er wel eens mee geschoten. De compagnon was alles aan het controleren en verrichtte een aantal handelingen met de wapens. Hij deed het grote wapen weer in de weekendtas en heeft de plastic tas met het kleine wapen en het magazijn in de Audi teruggelegd, in het handschoenenkastje. Daarna zijn ze teruggereden naar de auto van [persoon 2] in Abcoude.114

[persoon 2] en [persoon 3] hebben van [verdachte] [verdachte] een seintelefoon gekregen. [persoon 2] en [persoon 3] moesten telkens één afrit voor die waar de Audi geparkeerd stond wachten totdat de telefoon ging. Dan zouden zij naar de woning van het slachtoffer rijden. Dit is twee of drie keer gebeurd.115

[persoon 2] heeft verklaard dat hij diverse malen tegen [verdachte] heeft gezegd dat [persoon 3], die zou schieten, en hij het niet durfden. [verdachte] zei dat [persoon 2] en [persoon 3] dan ook weggemaakt moesten worden, omdat zij teveel wisten. [persoon 2] en [persoon 3] zijn met [verdachte] naar een bebost gebied gegaan achter Leidsenhage. Daar liet [verdachte] hen een wapen zien en zei: “Kijk hoe makkelijk het is, ik kan je nou zo afschieten, er is geen haan die ernaar kraait. Het is hier afgelegen. Helemaal niets”.116

Een van de laatste keren dat [persoon 2] en [persoon 3] bij de woning van het slachtoffer zijn geweest, heeft [persoon 3] [verdachte] langs de weg zien staan. [persoon 2] is de volgende dag naar Leidsenhage gegaan. [persoon 3] was toen niet mee. [verdachte] moest op zijn compagnon wachten. Dat was dezelfde man als in Abcoude. [persoon 2] is met [verdachte] en de compagnon voor een hotel naast een Japanner bij een fietsenhok gaan praten. De compagnon zei dat het nu snel moest gebeuren; het hoefde niet persé bij de woning van het slachtoffer, maar het kon ook vroeg in de ochtend bij het café.117 [verdachte] zei tegen [persoon 2] dat hij de zus van [persoon 2] zou meenemen naar een afgelegen gebied als het niet snel zou gebeuren. Niemand zou er achter komen.118

Volgens [persoon 2] is hij ook bedreigd door de compagnon. Op een manier van “Nou, als het niet gebeurt dan moeten we die ook weer…”. Net zoals [verdachte] in eerste instantie heeft gezegd: “Ja, dan moeten jullie ook weggemaakt worden, want losse eindjes daar doen we niet aan”. De compagnon heeft ook gezegd: “Nou, wat hoor ik nou van [verdachte]. Dat jullie terugkrabbelen. Dat zou niet fijn zijn voor jullie en voor mij niet. Want dan heb ik alleen maar meer werk om de losse eindjes aan mekaar te knopen” en “Anders moet men ook weer weggemaakt worden”.119 Ook heeft de compagnon bij de ontmoeting bij het fietsenhok naast de Japanner gezegd dat [persoon 2] een staart zou krijgen. Hij bedoelde dat iemand [persoon 2] en [persoon 3] constant in de gaten hield.120

[persoon 2] en [verdachte] hebben daarna weer contact gehad in Leidsenhage. [verdachte] had gezegd dat [persoon 2] daar naar toe moest komen en dat hij achter iemand in een blauwe Peugeot aan moest rijden. [verdachte] heeft toen tegen hem gezegd: “Het moet nu echt heel snel gebeuren! Het moet echt heel snel gaan gebeuren, anders bel ik je zus en je zus komt toch wel en je weet, dan is het vrij makkelijk voor mij om haar af te maken zonder dat iemand daar achter komt en dat het ook niet moeilijk is om er achter te komen waar je moeder woont”.121 [persoon 3] was erbij toen [verdachte] zei dat wanneer het niet zou lukken [persoon 2] en [persoon 3] ook weg moesten omdat [verdachte] geen losse eindjes achterliet.122[persoon 4] is degene geweest die hem die dag heeft opgehaald en naar [verdachte] heeft gebracht.123

[persoon 2] is de dag na de ontmoeting naar [persoon 3] gereden en heeft verteld hoe het zat. Zij zijn naar de Audi gereden en met de Audi naar café [naam A]. [persoon 3] heeft het wapen uit het dashboardkastje gepakt en bij zich gestoken. In het café was een vadsige man die aan het opgegeven signalement voldeed. [persoon 3] stond in de straat naast het café met bevende handen en zei dat hij het echt niet durfde. [persoon 2] dacht toen alleen wat er met zijn zus zou gaan gebeuren en met hem. Hij zag dat [persoon 3] echt bang was en heeft het wapen van [persoon 3] overgenomen. [persoon 2] is café [naam A] binnengelopen, heeft het wapen uit zijn zak gehaald en twee keer achter elkaar de trekker overgehaald. Nadat het slachtoffer was gevallen heeft hij nog een paar keer op zijn hoofd geschoten, zoals hij het moest doen.124 [verdachte] had hem tevoren verteld dat hij eerst in de borst moest schieten en dan in het hoofd.125 [persoon 2] en [persoon 3] zijn rustig weggelopen en om het hoekje gaan rennen. Vlak bij de auto heeft [persoon 3] het wapen van [persoon 2] overgenomen en met een grote boog in het water gegooid, met het extra magazijn.126 Ze hebben de Audi bij Halfweg bij een flat geparkeerd en zijn met de auto van [persoon 2] naar huis gereden. [persoon 2] heeft [verdachte] gebeld en ze zijn naar hem toe gegaan. [verdachte] was echt blij en omhelsde [persoon 2] en [persoon 3]. Hij heeft toen beloftes gedaan. [persoon 2] zou een auto krijgen, [persoon 3] een rijbewijs. Het geld dat inmiddels 75.000 euro was geworden, zou die avond worden opgehaald. [verdachte] heeft toen aangegeven dat hij eerst nog van alles moest regelen. [verdachte] heeft tegen [persoon 2] gezegd dat hij de Audi in brand moest steken. [persoon 2] heeft dit gedaan.127 Toen [persoon 2] en [persoon 3] hun beloning kwamen ophalen zei [verdachte] dat hij eerst nog van alles moest regelen. Toen is het afpoeieren begonnen.128

[persoon 2] heeft ten slotte nog verklaard dat de compagnon een keer tegen [verdachte] heeft gezegd dat ze naar Marbella moesten om iemand te ontmoeten. [verdachte] kon niet vanwege dit (noot verbalisant: de liquidatie). [verdachte] zou later achter zijn compagnon aankomen.129

Getuige [persoon 3] heeft verklaard dat hij met [persoon 2] Abcoude is gereden, waar ze een klus van [verdachte] zouden krijgen. [verdachte] kwam daar met een Mercedes SL aangereden met een man. [verdachte], de andere man, [persoon 2] en [persoon 3] zijn met zijn vieren door Amsterdam gereden, en ook op de plek zijn geweest waar de Audi stond. De bijrijder heeft een tas uit de Audi gepakt waarin de wapens zaten, een zilveren pistool en een groot wapen, een AK. Zowel [persoon 3] als [persoon 2] hebben het wapen vastgehad.130[persoon 3] heeft verklaard dat de bijrijder de sleutel van de Audi had.131[persoon 2] heeft de autosleutel van de bijrijder gekregen, op de dag in Abcoude of zeer kort daarna.132

[persoon 3] heeft de compagnon van [verdachte] in Abcoude omschreven als een man met een Indisch uiterlijk. Wanneer de verbalisanten hem een foto tonen, verklaart [persoon 3] dat dit de man is.133 Het betreft een foto van [medeverdachte 4], geboren op [1968] te [plaats].134

[persoon 3] heeft die andere man ook nog een andere keer gezien. [persoon 2], [persoon 3] en [verdachte] zaten bij een Chinees een soepje te eten. Toen [verdachte] had afgerekend kwam die andere man op hen toegelopen en heeft met [verdachte] staan praten.135

[persoon 3] heeft verklaard dat hij bang is voor [verdachte] omdat hij geen losse eindjes achterlaat.136 Ook is hij bang voor de bijrijder van [verdachte] tijdens de rit naar [naam A].137

Over de dag van de moord op [persoon 1] heeft [persoon 3] verklaard dat hij buiten het café stond. Nadat er was geschoten zijn ze gaan rennen. [persoon 3] heeft het pistool van [persoon 2] afgepakt en in het water gegooid. Het was hetzelfde pistool als dat [persoon 3] in de auto heeft vastgehad. Vervolgens zijn ze weggereden en hebben de auto ergens naast een flat neergezet en zijn toen naar de auto van [persoon 2] gelopen.138

[medeverdachte 4] heeft tijdens een politieverhoor in Marokko in het kader van een rechtshulpverzoek verklaard dat hij [verdachte] kent. Het is volgens hem zeer waarschijnlijk dat [verdachte] iets met de liquidatie van [persoon 1] te maken heeft. Gevraagd of hij [persoon 3] kent, een lichtgetinte Surinaamse jongen, heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij een keer door [verdachte] is gebeld. [verdachte] had een afspraak in Abcoude en vroeg of [medeverdachte 4] met hem mee wilde. [medeverdachte 9] heeft dat gedaan. [verdachte] had een ontmoeting met twee jongens. Het is volgens [medeverdachte 4] mogelijk dat dit de jongens waren die [verdachte] voor de liquidatie van [persoon 1] heeft geregeld.139

1.3

Overige onderzoeksbevindingen

Uit de historische telefoongegevens van [verdachte] is gebleken dat de nummers van [verdachte] ([nummer 2]) en van [persoon 4] ([nummer 3]) in de periode van 20 februari 2006 tot 3 april 2006 245 keer contact hebben gehad140. Gebleken is dat [verdachte] zijn ontevredenheid over [persoon 4] uitspreekt en [persoon 4] onderdanig en ontwijkend reageert.141

Tussen 11 en 20 april 2006 is er negen keer contact geweest tussen het telefoonnummer [nummer 2], in gebruik bij [verdachte], en het telefoonnummer [nummer 4], in gebruik bij [persoon 2]. Daarnaast heeft het telefoonnummer [nummer 5], in gebruik bij [persoon 3], op 11 april 2006 zeven keer voornoemd telefoonnummer van [verdachte] aangezocht. Dit nummer is na 20 april 2006 niet meer gebruikt.142

Op 11 april 2006 omstreeks 15.15 uur vindt er sms-verkeer plaats tussen de toestellen van [verdachte] en [persoon 3]. Het toestel van [persoon 3] bevindt zich dan te Abcoude. Uit het dagrapportensysteem van de politie te Abcoude blijkt dat [persoon 2] in zijn auto op 11 april 2006 omstreeks 14.30 uur staande is gehouden in verband met een snelheidsovertreding en het feit dat de auto niet APK-gekeurd was.

Het toestel van [verdachte] bevindt zich op die dag te Vinkeveen tussen 13.46 uur en 15.15 uur. Omstreeks 17.01 uur bevindt het gsm-toestel van [verdachte] zich in de nabijheid van de zendmast Burgermeester Roellstraat te Amsterdam, zendrichting Rijksweg A-10/Jan van Galenstraat, waarna het terugreist naar de omgeving Herenweg te Vinkeveen. Omstreeks 18.54 uur reist het toestel vanaf Breukelen naar Bodegraven.143

Tijdens een huiszoeking van de woning van [verdachte] op 3 augustus 2006 in perceel [adres 4] te [plaats] wordt een tweetal prepaidpakketten aangetroffen behorende bij de gsm-nummer [nummer 6] (seintelefoon 1) en [nummer 7] (seintelefoon 2).144 De telefoons zijn op 14 april 2006 tussen 11.25 uur en 11.37 uur in gebruik genomen. Beide telefoons bevonden zich op dat moment binnen het zendbereik van een zendmast in de omgeving van de woning van [verdachte].

Seintelefoon 1 heeft op 14 april 2006 omstreeks 21.42 uur gedurende 2 seconden uitgaand contact met seintelefoon 2. Bij aanvang van het contact maakt het toestel gebruik van de zendmast geplaatst [adres 5] te Amsterdam, bij verbreking van de zendmast [adres 6] te Amsterdam. Beide zendrichtingen betreffen de omgeving van café “ [naam A]” c.q. de omgeving van de kruising [straatnaam 2]/[adres 1]. Met seintelefoon 1 wordt verder contact gelegd met contacten van [persoon 4].145

Seintelefoon 2 heeft op 21 en 22 april 2006 contact gehad met het gsm-nummer van [verdachte] ([nummer 2]), [persoon 3], [persoon 2] en [persoon 40], de vriendin van [persoon 2].146

Op 13 november 2007 is in een dressoir in de woonkamer van de woning van [persoon 41] een briefje aangetroffen, met daarop onder andere de volgende tekst:

“A4 Zilver 1.9 tdi”, verbonden met een streepje naar “[nummer 1]” en dat streepje weer verbonden met een streepje naar “st [nummer 8]”. Volgens [persoon 41] was het briefje van [medeverdachte 9].147

2 Beschouwing rechtbank

Op grond van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 7] in november en december 2005 met anderen, onder wie [medeverdachte 9], pogingen heeft gedaan om [persoon 1] om het leven te brengen. Verder acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in de periode januari tot en met april 2006 heeft geprobeerd [persoon 4] ertoe te bewegen [persoon 1] te vermoorden. Toen [persoon 4] hiervan afzag hebben [verdachte] en [medeverdachte 9] blijkens de bewijsmiddelen samen [persoon 2] en [persoon 3] ertoe gebracht [persoon 1] daadwerkelijk om het leven te brengen. De rechtbank zal het medeplegen door [medeverdachte 9] en [verdachte] van deze moord niet bewezen verklaren omdat zij het meer passend acht de feitelijke gebeurtenissen als uitlokking te kwalificeren. Ten slotte is bewezen dat [verdachte] in de periode van januari 2006 tot en met april 2006 april ter voorbereiding van moord een Audi A4, een Rugerpistool type P95 kaliber 9x19 en daartoe bestemde munitie voorhanden heeft gehad. Deze bewezenverklaring omvat tevens het daarnaast nog zelfstandig ten laste gelegde verboden wapenbezit; er is hier sprake van een eendaadse samenloop.

De rechtbank overweegt als volgt.

Dat [medeverdachte 7][medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] in november en december 2005 meerdere pogingen hebben gedaan om [persoon 1] om het leven te brengen blijkt primair uit de verklaringen van [medeverdachte 7]. Bij een van deze pogingen zouden [medeverdachte 7] en zijn mededader zijn overlopen door een buurtbewoner die de poort uitfietste en omdat hij de zaak niet vertrouwde en zeer kort hierna weer terugkeerde. Het dossier bevat de verklaring van een buurtbewoner die een tot in detail vergelijkbare gebeurtenis beschrijft. De buurtbewoner plaatst de gebeurtenis weliswaar iets later in de tijd, maar gelet op de opvallende overeenkomsten in de verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat het om dezelfde gebeurtenis gaat en dat de buurtbewoner zich in de tijd vergist. In zijn verklaring over de laatste poging beschrijft [medeverdachte 7] dat hierbij met seintelefoons werd gewerkt, waarbij [verdachte] een bericht zou seinen als [persoon 1] [naam A] verliet. Deze modus operandi stemt overeen met de door [persoon 4] beschreven werkwijze bij latere pogingen om [persoon 1] om het leven te brengen. In opdracht van [verdachte] [verdachte] moest [persoon 4] daarbij als seiner fungeren. Ook [persoon 2] verklaart in opdracht van [verdachte] met seintelefoons te hebben gewerkt. Ten aanzien van [medeverdachte 9] is voorts redengevend dat [medeverdachte 9] blijkens de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] kort na het incident bij de voordeur van [persoon 1] samen met [verdachte] bezig is geweest met de organisatie van de uiteindelijke moord op [persoon 1]. Deze verklaringen alsmede het volgens de vriendin van [medeverdachte 9] aan [medeverdachte 9] toebehorende briefje met het kenteken van de door de getuige [persoon 35] waargenomen vluchtauto duiden zelfstandig op activiteiten van [medeverdachte 9], gericht op een gewelddadige dood van [persoon 1]. Aldus worden de verklaringen van [medeverdachte 7] naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteund om te komen tot een veroordeling van zowel [medeverdachte 9] als [medeverdachte 7] voor dit feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman van [medeverdachte 9] dat de door [medeverdachte 7] genoemde momenten waarop hij met [medeverdachte 9] gewapend op [persoon 1] wachtte geen strafbare pogingen opleveren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zijn herhaaldelijk naar het café dan wel de woning van [persoon 1] gegaan en hebben daarbij ook hun auto gewapend verlaten. Eenmaal was [medeverdachte 9] al gewapend in de richting van [persoon 1] gelopen maar was [medeverdachte 7] te laat en reed [persoon 1] weg. Eenmaal werden [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] door een buurman overlopen. Eenmaal liep de poging op niets uit, eerst niet omdat [persoon 1] niet bij zijn huis kwam opdagen en later, toen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] [persoon 1] gewapend naar zijn huis waren gevolgd, omdat [persoon 1] [medeverdachte 9] in het gezicht zag. In al deze gevallen is er sprake geweest van een begin van uitvoering omdat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] gewapend op [persoon 1] hebben staan wachten op een plaats waar zij hem verwachtten. In geen van deze gevallen is sprake geweest van een vrijwillige terugtred. De poging is steeds afgeblazen als gevolg van omstandigheden buiten de wil van [medeverdachte 9]. De onvrijwilligheid van de terugtred blijkt ook uit het feit dat [medeverdachte 9] na de laatste poging [verdachte] heeft belast met de verdere organisatie van de moord op [persoon 1] en zich daarmee zelf ook nog heeft beziggehouden.

Dat [verdachte] pogingen heeft gedaan [persoon 4] ertoe te brengen [persoon 1] te liquideren en daartoe de bewezen verklaarde uitlokkingsmiddelen heeft gebruikt, blijkt primair uit de verklaringen van [persoon 4]. [persoon 4], die is veroordeeld is voor medeplichtigheid aan de moord op [persoon 1],148 heeft hierover ook tegen [persoon 39] gesproken, die veroordeeld is voor voorbereiding van de moord op [persoon 1].149 [persoon 4] heeft [persoon 39] het café [naam A], de woning en de auto van [persoon 1] laten zien. Later is [persoon 39] mee geweest om een auto op te halen. [persoon 4] vertelde dat hij een vluchtauto, een bivakmuts en een pistool had. Toen [persoon 4] het dashboardkastje van de auto open wilde doen en dit op slot bleek te zitten, zei hij tegen [persoon 39] dat [verdachte] dat zeker voor zijn kinderen had gedaan. [persoon 39] wist verder dat [persoon 4] voor [verdachte] werkte, had [verdachte] wel bij [persoon 4] thuis gezien en heeft [persoon 4] zien rijden in een zilverkleurige auto, mogelijk de Audi, waarvan [persoon 4] zei dat die van [verdachte] kwam. [persoon 39] bevestigt verder dat [persoon 4] een één-op-één telefoon had voor het contact met [verdachte].

[persoon 4] heeft over de voorgenomen moord op [persoon 1] en over de rol van [verdachte] daarbij ook gesproken met zijn toenmalige vriendin [persoon 38]. [persoon 38] heeft met [persoon 4] de Audi verplaatst die volgens [persoon 4] uiteindelijk bij de moord is gebruikt en heeft deze Audi bij hen thuis zien staan. Een ooggetuige heeft de kennelijke daders van de uiteindelijke moord in een zilverkleurige Audi zien wegrijden.

Geheel los van [persoon 4] heeft [medeverdachte 7] verklaard dat hij [medeverdachte 9] aan [verdachte] heeft horen vragen “of die het zou regelen” nadat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zich hadden teruggetrokken. Later heeft [medeverdachte 7] van [medeverdachte 9] gehoord dat [verdachte] [verdachte] de opdracht op [persoon 1] te liquideren had uitbesteed aan een jongen die het zou doen maar zich heeft teruggetrokken. Hier ondersteunen de verklaringen van [medeverdachte 7] en [persoon 4] elkaar. Verder vermelden [persoon 4] en [medeverdachte 9] beiden dat één van de oorspronkelijk geregelde wapens niet bleek te voldoen.

De verklaringen van [persoon 4] worden voorts ondersteund door de telecombevindingen.

De rechtbank acht de verklaringen van [persoon 4] betrouwbaar en ziet in de verklaringen van [medeverdachte 7] en in het telecomverkeer voldoende ondersteuning van de verklaringen van [persoon 4] om de ten laste gelegde poging tot uitlokking van [persoon 4] door [verdachte] bewezen te achten.

Dat [persoon 2] en [persoon 3] [persoon 1] hebben vermoord is vastgesteld bij arresten van het gerechtshof Amsterdam van 16 november 2009150, welke door de Hoge Raad in stand zijn gelaten. De uitlokking van de moord door [verdachte] en [medeverdachte 9] blijkt uit de verklaringen van [persoon 2], die op belangrijke punten worden ondersteund door [persoon 3], en uit de verklaringen van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] verklaart in algemene zin over de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 9] bij de werving en begeleiding van de “kamikazen”, waarbij [medeverdachte 9] [verdachte] onder druk zette. [persoon 2] en [persoon 3] verklaren beiden meer concreet over een autorit door Amsterdam met [verdachte] en een bijrijder waarbij de opdracht is gegeven, een beloning in het vooruitzicht is gesteld en instructies zijn verstrekt.

[persoon 2] beschrijft de bijrijder, die hij ook wel betitelt als de compagnon van [verdachte], als een kleine man, licht bruin, van wellicht Aziatische afkomst, met een litteken aan de rechterkant van zijn nek en zwart haar, netjes gekleed en met een plat Amsterdamse tongval. Waar [medeverdachte 9] zijn nek niet aan de rechtbank heeft willen tonen kan de rechtbank niet vaststellen of [medeverdachte 9] daar littekens heeft. Voor het overige past [medeverdachte 9] naar het oordeel van de rechtbank naadloos binnen de door [persoon 2] gegeven omschrijving. [persoon 3] herkent [medeverdachte 9] van een foto als de bijrijder van [verdachte]. [persoon 4] bevestigt dat [verdachte] het over “[medeverdachte 4]” heeft gehad als zijn compagnon. De rechtbank stelt dan ook vast dat [medeverdachte 9] de bijrijder of compagnon is geweest waarover [persoon 2] en [persoon 3] hebben gesproken.

De rechtbank stelt verder op basis van de verklaringen van [persoon 2] en in mindere mate [persoon 3] vast dat [verdachte] en [medeverdachte 9] druk zijn blijven uitoefenen toen [persoon 2] en [persoon 3] zich wilden terugtrekken. [persoon 2] verklaart over verschillende bedreigingen door [verdachte] en diens compagnon toen [persoon 2] aangaf dat [persoon 3] en hij de moord niet durfden uit te voeren. [persoon 2] zou onder andere bij een fietsenhok bij Leidsenhage door [verdachte] en [medeverdachte 9] zijn bedreigd. Ook [persoon 3] zegt bang te zijn voor [verdachte] “omdat hij geen losse eindjes achterlaat”.

De rechtbank stelt verder op basis van de verklaring van getuige [persoon 34] vast dat [verdachte] zich ten tijde van de liquidatie zeer dicht in de buurt van de plaats delict bevond. [verdachte] fungeerde hier kennelijk als “de staart” waarvan [medeverdachte 9] had gezegd dat [persoon 2] en [persoon 3] die achter zich aan zouden krijgen.

De raadsman van [medeverdachte 9] heeft gesteld dat de verklaringen van [persoon 2] slechts ten dele een rol kunnen spelen bij de bewijsvoering tegen [medeverdachte 9] omdat [persoon 2] zich tijdens de ondervraging door de verdediging op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. De verklaring van [persoon 2] over een ontmoeting bij het fietsenhok in Leidsenhage zou geen rol geen rol kunnen spelen nu dit deel van de verklaring van [persoon 2] niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De verklaringen van [persoon 2] over de rol van de compagnon tijdens de autorit door Amsterdam zouden door [persoon 3] alleen voldoende worden ondersteund voor zover het de handelingen met de wapens betreft. Volgens de raadsman kan er geen rechtens relevant verband worden gelegd tussen de handelingen van de compagnon met de wapens in de zilvergrijze Audi en de moord op [persoon 1]. De raadsman bepleit daarom vrijspraak.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende bruikbaar bewijs dat [medeverdachte 9] nauw en bewust met [verdachte] heeft samengewerkt om de moord op [persoon 1] door [persoon 2] en [persoon 3] uit te lokken. De betrokkenheid van [medeverdachte 9] als uitlokker in deze fase blijkt niet alleen uit de verklaringen van [persoon 2], maar ook uit de verklaringen van [persoon 3] en [medeverdachte 7]. Derhalve is de bewezenverklaring van medeplegen van uitlokking door [medeverdachte 9] niet in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van [persoon 2]. Nu voorts het feit dat de verdediging [persoon 2] niet of nauwelijks heeft kunnen ondervragen buiten de invloedssfeer van de rechtbank ligt, verzet de jurisprudentie van het EHRM zich er niet tegen dat de verklaringen van [persoon 2] worden gebruikt voor het bewijs.

Blijkens de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] zijn de eerste en belangrijkste uitlokkingshandelingen door [verdachte] en [medeverdachte 9] verricht tijdens een gezamenlijke autorit vanuit Abcoude. Tijdens die autorit is de opdracht gegeven, is een beloning van € 60.000,= in het vooruitzicht gesteld, zijn de woning en werkomgeving van [persoon 1] getoond, zijn gedetailleerde instructies gegeven over de uitvoering van de moord, hebben [persoon 2] en [persoon 3] de beschikking gekregen over de sleutels van de te gebruiken auto en zijn de te gebruiken wapens aan hen getoond en gecontroleerd. [medeverdachte 9] was bij deze autorit aanwezig en heeft aan het gesprek deelgenomen. Hij beschikte over de sleutel van de Audi waarin zich de wapens bevonden, heeft de Audi en de wapens aan [persoon 2] en [persoon 3] getoond en heeft de wapens - waarvan er één uiteindelijk voor de moord is gebruikt - gecontroleerd en de sleutel van de Audi aan [persoon 2] gegeven. Dat de bewijsbare rol van [medeverdachte 9] tijdens deze autorit zou zijn beperkt tot verboden wapenbezit onderschrijft de rechtbank dan ook niet. Het gesprek van [medeverdachte 9] en [verdachte] met [persoon 2] bij het fietsenhok in Leidsenhage, waarbij [medeverdachte 9] zich opnieuw actief en ditmaal ook in bedreigende zin met de uitlokking heeft bemoeid, ligt in het verlengde van het gebeuren tijdens de autorit en vereist dan ook geen specifieke ondersteuning door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank verwerpt voorts het verweer dat [medeverdachte 9] niet bij dit gesprek aanwezig kan zijn geweest omdat dit volgens [persoon 2] de dag vóór de moord had plaatsgevonden en hij enkele dagen daarvoor naar Spanje was vertrokken. Tijdens zijn verklaring d.d. 22 januari 2007151 zegt [persoon 2] dat hij echt niet weet hoeveel dagen voor de liquidatie het gesprek in het fietsenhok heeft plaatsgevonden. De reisbeweging van [medeverdachte 9] doet dus niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 2].

Dat [verdachte] in de periode van januari 2006 tot en met april 2006 samen met [medeverdachte 9] ter voorbereiding van moord een grijze Audi A4 en vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van moord blijkt uit de verklaringen van [persoon 4], [persoon 2] en [persoon 3]. Dit vereist geen nadere toelichting.

3.2

[G]

1 Vaststelling feiten

Getuige [persoon 4] heeft verklaard dat [verdachte] begin of half januari 2006 met hem langs café [naam A] in [plaats] reed en aan [persoon 4] vroeg of hij in staat zou zijn om iemand te vermoorden. [persoon 4] heeft gezegd dat hij dat niet wist. [verdachte] heeft hem gezegd dat zodra [verdachte] het hem liet zien, hij erbij in zat en niet meer terug kon, alleen nog door de kogel. [verdachte] heeft hem toen café [naam A] laten zien en, voor zover [persoon 4] zich herinnert op de zelfde dag, de woning in Aerdenhout. Toen zij langs die laatste woning reden zei [verdachte] dat die ook moest, maar dat die andere van [naam A] belangrijker was, omdat die man uit Aerdenhout al maanden niet thuis was geweest.152 Als die man wel thuis was geweest, was die er eerder aan gegaan. Dat speelde al een tijd langer.153 [verdachte] zei dat hij daar nu al ik weet niet hoeveel keer was geweest, dat ze niet wisten waar die man was, maar dat die er ook aan moest. [verdachte] zei destijds: als je het doet, dan is er zoveel werk voor je. Maar je moet eerst zoiets gedaan hebben voordat ik je in vertrouwen neem.154 En ook dat het in Aerdenhout heel simpel zou zijn, dat je gewoon achter de heg zou moeten gaan staan. [verdachte] vertelde over de man dat hij vrouw en kinderen had.155

[persoon 4] vertelt dat [verdachte] en hij vanaf Haarlem zijn gereden, onder een viaduct door, richting Bloemendaal. Er waren grote huizen. Om het huis van het beoogde slachtoffer, mogelijk een zakenman, stond een heel grote conifeerachtige heg, er was een erker aan het huis en verder waren er een garage en een oprijlaan. Getuige heeft aangegeven het huis te zullen herkennen als hij het zag.156 Uit een fotoserie heeft [persoon 4] een pand aangewezen157 waar de politie vervolgens met hem naartoe is gereden. Aangekomen bij dit pand, gelegen aan de [adres 7] te [plaats], heeft [persoon 4] bevestigd dat dit het pand was dat hij had bedoeld.158

Volgens [persoon 4] duidde [verdachte] [medeverdachte 9] aan als zijn compagnon.159

Getuige [medeverdachte 7] heeft verklaard dat er een lijst was van te liquideren personen, en dat [medeverdachte 9] en [verdachte] zich al jaren geleden hadden opgeworpen als degenen die dat zouden doen. Wie er op de lijst stonden of er erop zouden komen te staan was niet relevant.160 De getuige beschrijft het als volgt: “Er is een lijst met mensen die op welk tijdstip dan ook geliquideerd moeten worden. Wanneer [medeverdachte 4] daarvoor wordt benaderd en ja zegt, neemt hij de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de lijst op zich. Hij staat er garant voor dat de liquidaties worden uitgevoerd. Hij ontleent zijn naam eraan. [verdachte] heeft de lijst samen met [medeverdachte 4] aangenomen en stapt gewoon na zijn vrijlating weer in. Het maakt dat niet uit of Jantje of Pietje op dat moment op de lijst staan. [verdachte] stapt gewoon in waar de lijst op dat moment gebleven is.” 161

Rond september 2005 hoorde [medeverdachte 7] in dit verband voor het eerst de namen van [naam 4] en [persoon 5]. [naam 4] stond daar toen al drie jaar op. Het adres van [persoon 5] was [adres 7] in [plaats]. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] zijn wel eens met een Citroën C5 met wapens erin langs het adres van [persoon 5] gereden.162 [persoon 5] is uiteindelijk niet geliquideerd, onder andere omdat hij opgepakt was omdat hij bij Schiphol een wapen bij zich had en daar 3 maanden voor moest zitten. Dit had [medeverdachte 4] van de opdrachtgever gehoord. Ook bleken er, toen [medeverdachte 7] een keer langsreed, verhuiswagens voor de deur te staan. [medeverdachte 7] denkt dat dit rond de kerst was, omdat hij in die periode nog bij het huis van [persoon 5] is gaan kijken, aangezien [persoon 5] toen weer vrij zou komen.163

Getuige [persoon 5] heeft verklaard dat hij tot februari 2006 aan de [adres 7] in [plaats] heeft gewoond. Na zijn vrijlating in december 2005 heeft hij misschien nog een paar weken op dat adres gewoond.164

2 Beschouwing rechtbank

Op grond van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in de periode december 2005 tot en met april 2006 heeft geprobeerd [persoon 4] ertoe te bewegen [persoon 5] te vermoorden.

Primair redengevend zijn de verklaringen van [persoon 4] zoals hierboven weergegeven, deels onder het deelonderzoek [A]. [verdachte] heeft aan [persoon 4] gevraagd of die iemand zou kunnen vermoorden. Toen [persoon 4] aarzelde is [verdachte] met hem langs het café van [persoon 1] gereden en langs het op dat moment bekende adres van [persoon 5]. Beiden moesten volgens [verdachte] worden geliquideerd. Omdat [persoon 5] enkele maanden niet te vinden was geweest, hoewel zijn huis (mede) door [verdachte] kennelijk intensief in de gaten was gehouden, had [persoon 1] volgens [verdachte] nu prioriteit. Daarom is [verdachte] na de rit langs Aerdenhout vooral bezig geweest om [persoon 4] zover te krijgen dat die [persoon 1] zou liquideren. Maar de wens tot liquidatie van [persoon 5] speelde al langer en aannemelijk is dat als [persoon 5] thuis was geweest, diens liquidatie eveneens hoge prioriteit zou hebben gekregen.

Tijdens de rit heeft [verdachte] in niet mis te verstane bewoordingen aan [persoon 4] duidelijk gemaakt dat er geen weg terug zou zijn als [verdachte] hem had laten zien wie er moesten worden vermoord, en dat er, als hij er één gedaan had, ruime mogelijkheden zouden zijn voor meer liquidaties. Dat de liquidatie op [persoon 5] wegens diens afwezigheid werd opgeschort doet dan ook niet af aan het feit dat het [verdachte] ernst was met die liquidatie en dat hij [persoon 4] zover probeerde te krijgen dat die de liquidatie zou uitvoeren.

De verklaringen van [persoon 4] worden ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] verklaart dat [medeverdachte 9] en [verdachte] zich reeds in 2002 hebben verbonden om personen te liquideren onder wie op dat moment in ieder geval Imac, en dat deze opdracht ook nader te noemen personen omvatte. In het midden kan worden gelaten op welk moment de opdracht tot liquidatie van onder precies is aangenomen. In ieder geval stroomde [verdachte] na het einde van zijn detentie in december 2005 weer in en was hij hierdoor mede verantwoordelijk voor de liquidatie van [persoon 5]. Van betekenis acht de rechtbank daarbij ook dat [verdachte] [medeverdachte 9] aanduidde als “zijn compagnon”.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte], door met [persoon 4] naar het laatstbekende adres van [persoon 5] te rijden na te hebben gezegd dat die niet meer terug zou kunnen als hij het eenmaal zou hebben gezien, en vergezeld van de aanmoediging “dat er nog zoveel te doen zou zijn als hij eenmaal zoiets had gedaan”, heeft gepoogd om [persoon 4] ertoe te bewegen [persoon 5] om het leven te brengen.

3.3

[D]

1 Vaststelling feiten

1.1.

Plaats delict


Op woensdag 2 november 2005 omstreeks 19.55 uur krijgt de politie van het politiebureau Lodewijk van Deijsselstraat te Amsterdam opdracht om naar het [straatnaam 3] te [plaats] te gaan. De melder verklaarde daar op straat meerdere schoten te hebben gehoord. Volgens nadere informatie zou er een slachtoffer liggen in de woning van het perceel [adres 8] te [plaats].

Op het moment dat de politie voornoemde woning wil binnentreden geeft een aanwezige ambulancebroeder te kennen dat het slachtoffer inmiddels ter plaatse aan zijn verwondingen is overleden. In de woning treft de politie halverwege de gang en de woonkamer een man liggend op zijn rug aan met op zijn gezicht en meerdere plaatsen op zijn borst verwondingen, kennelijk ten gevolge van vuurwapengeweld. Het slachtoffer blijkt [persoon 8] te zijn, geboren op [1959].165

Uit sectie op het lichaam van [persoon 8] blijkt dat er negen schotkanalen, inschotopeningen en waarschijnlijke inschotopeningen zijn aan de linkerhand, linkerarm, rechterschouder, linkerwang, borst en rug. In het lichaam van [persoon 8] wordt één kogel aangetroffen. Bij het uittrekken van de jas van [persoon 8] valt uit de linkermouw van deze jas een kogel. Het beeld wijst erop dat [persoon 8] door tenminste 7 en ten hoogste 9 kogels is geraakt. Het oplopen van de schotletsels heeft de dood tot gevolg gehad op basis van orgaan- en weefselbeschadiging met bloedverlies.166 Volgens de deskundige wijzen de sporen op de inschotverwonding in het gelaat van [persoon 8] op een schootsafstand tussen circa 25 en 200 cm.

Op de straat, gedeeltelijk voor de oprit van perceel [adres 8], staat een Mercedes, type CLS 500 met kenteken [nummer 9], toebehorend aan [persoon 8]. Vanaf de straatzijde bezien staat de Mercedes met de neus naar rechts. Het linkervoorportier van de Mercedes staat open. Rechtsboven in de ruit van dit portier zit een groot rond gat. De kogel die dit gat heeft veroorzaakt heeft waarschijnlijk het stuur geschampt en is in het rechterportier terechtgekomen. Op de zitting van de bestuurdersstoel liggen twee kogels. In de middenconsole is een uitstulping en een beschadiging zichtbaar, met achter de uitstulping een kogel. In het rechter voorportier zijn nabij het portiervak beschadigingen zichtbaar ongeveer ter hoogte van de uitstulpingen aan de buitenzijde van dit portier. In het portier bevinden zich op de bodem 2 kogels. In de leuning van de bestuurdersstoel zijn perforaties zichtbaar. Onder de bestuurdersstoel ligt 1 kogel.

Nabij de Mercedes liggen op straat 9 hulzen, 8 aan de linkerzijde naast en achter de Mercedes, 1 geklemd onder het linkerachterwiel van de Mercedes (fotobordjes 1 t/m 8 en 21).167

Aan de achterzijde van de Mercedes staat, ter hoogte van het perceel [adres 8] een Fiat, type Diablo met kenteken [nummer 10], geparkeerd. Vanaf de straatzijde bezien staat deze Fiat met de neus naar links. Aan de bestuurderszijde, de straatzijde, van de Fiat zijn in het voorspatbord, het portier en in het metalen huifgedeelte in totaal 4 gaten zichtbaar, vermoedelijk veroorzaakt door kogelinslagen. In het metalen huifgedeelte en het portier aan de andere zijde van de Fiat zijn 2 kleinere gaten zichtbaar, vermoedelijk veroorzaakt door kogeldoorslagen. In de Fiat worden bij nader onderzoek enkele kogeldelen aangetroffen.168

Tegenover het perceel [adres 8], in de richting van de doorgang tussen de percelen met nummers 6 en 8 (de steeg), ligt op de straatklinkers een kogeldeeltje (fotobordje 19).169

In het verlengde van de mogelijke schietrichtingen en inslagen van de Fiat worden zowel lager als hoger in de gevelmuur, in de omgeving van de voordeur van [adres 8] (fotostickers 14 t/m 17), alsook achter en naast de Fiat in de 75 cm hoge tuinmuur waarmee het perceel [adres 8] wordt afgescheiden van het trottoirgedeelte (fotostickers 13 en 18), diverse beschadigingen aangetroffen. Deze beschadigingen zijn vermoedelijk door kogels veroorzaakt.170

Van de Mercedes loopt een onregelmatig bloedspoor naar de voordeur van [adres 8].171 In de hal van [adres 8] liggen diverse rode druppels, vermoedelijk bloedspatten.172

De op de plaats delict aangetroffen 9 hulzen zijn afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber .45 ACP en zeer waarschijnlijk verschoten uit één en hetzelfde vuurwapen, vermoedelijk een semi-automatisch werkend pistool van het merk Glock. De 8 kogels, 6 aangetroffen in de Mercedes, 1 in het lichaam van [persoon 8] en 1 uit de kleding van [persoon 8], zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber .45 ACP. De sporen in de kogels passen bij een pistool van het merk Glock.173 De 9 hulzen en 8 kogels hebben behoord tot patronen van hetzelfde kaliber .45 ACP.174

Het op straat aangetroffen kogeldeeltje (fotobordje 19) en de in de Fiat aangetroffen kogeldelen hebben waarschijnlijk behoord tot een kogel van het kaliber 7,62x39 (Kalashnikov). Gelet op het kaliber, de opbouw, de gevonden metaalfragmenten (kogeldeeltje op straat) en de groene lak, vaak een typecodering voor lichtspoormunitie (kogeldelen Fiat), betreft het hier waarschijnlijk een zogenaamde lichtspoorkogel, ook wel “Tracer” genoemd. De kogels zijn vermoedelijk afgevuurd uit de loop van een geweer van het merk Kalashnikov of een afgeleide daarvan.175

1.2

Verklaringen van [medeverdachte 7] en overige getuigen

[medeverdachte 7] heeft als verdachte en getuige verklaard dat hij en [medeverdachte 9] twee à drie weken voor de liquidatie van [persoon 8] een Kalashnikov hebben opgehaald.176 De Kalashnikov zat in een tas van Albert Heijn, zo’n hele sterke. Toen [medeverdachte 7] de tas later in Wilnis samen met [medeverdachte 9] opende bleken er een Kalashnikov in te zitten en ontzettend veel patronen, ongeveer 1.000 in een heleboel doosjes van 10 of 12.177

[medeverdachte 3] heeft de bij de liquidatie gebruikte Glock geleverd.178 Het was een .45 Glock met een plastic zakje met 7 of 8 patronen. [medeverdachte 3] klaagde over de Glock want het was volgens hem een collectors item.179 [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben in het bijzijn van [medeverdachte 7] wel eens tegen elkaar zitten opbieden over hoeveel liquidaties zij zouden hebben gepleegd. Getuige weet niet of het woord liquidatie letterlijk is gebruikt. Er werden ook handbewegingen gemaakt, te weten de rechterhand met een hoek van 90 graden naar beneden buigen en dan de hand heen en weer schudden. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hadden deze handbeweging bedacht.180

[medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zijn op 2 november 2005 rond 19.00 uur naar de plaats delict gegaan met de Citroën C5. Ze kwamen daar ongeveer 19.15 uur, 19.20 uur aan. De auto werd aan het eind van het steegje (de rechtbank begrijpt: de doorgang tussen het [straatnaam 3] en de [straatnaam 4], gelegen tegenover perceel [adres 8]) aan de linkerkant gezet, met de neus naar het park gericht (vanaf [adres 8] gezien: met de neus naar rechts).

[medeverdachte 7] droeg een halflange leren jas, handschoenen en een mutsje, alles zwart. [medeverdachte 4] had een grote dikke jas aan met een capuchon, ook zwart.181 Volgens [medeverdachte 7] droeg [medeverdachte 4] in die tijd ook regelmatig een grijs rond brilletje.182

[medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hadden afgesproken dat [medeverdachte 7] dekkingsvuur zou geven.183

Nadat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zagen dat de Mercedes van [persoon 8] voor de deur stond zijn ze een rondje gaan lopen.184 Toen ze weer terug waren zagen ze rond 19.45 uur dat er een Combo kwam aangereden, die achter deze Mercedes werd geparkeerd.185[medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] zaten op dat moment gehurkt in de bosjes bij de buren van [persoon 8] op nummer 23. Die bosjes lagen rechts als je vanuit de steeg komt.186 Tot hun verrassing stapte [persoon 8] uit de Combo. Ze zagen dat [persoon 8] zijn woning binnenging. Even later kwam [persoon 8] weer naar buiten.187 [medeverdachte 9] zei: “dat is hem”.188 Daarna ging het heel snel. [persoon 8] stapte in de Mercedes, zat met zijn benen nog buiten de auto toen [medeverdachte 9] zonder [medeverdachte 7] te waarschuwen opstond uit de bosjes en vanaf ongeveer 10 à 12 meter naar [persoon 8] liep. [medeverdachte 7] zag dat [medeverdachte 9] op 2 à 3 meter afstand een schiethouding aannam met de Glock in de hand. [medeverdachte 7] zag [medeverdachte 9] schieten op [persoon 8].189 [medeverdachte 9] had twee handen om het wapen en schoot zonder onderbrekingen. Het magazijn zat vol met ongeveer 10 patronen. 190 [medeverdachte 9] stond met zijn rug naar de woning van [persoon 8] en met zijn gezicht naar de straat. [medeverdachte 7] is achter [medeverdachte 9] langs tussen de auto’s naar de overkant gelopen. [persoon 8] riep iets van “kankerlijers”.191 [persoon 8] zat of lag in de auto. [medeverdachte 7] herinnert zich dat hij iets zag bewegen door het raam van de auto.192[medeverdachte 7] heeft zich aan de overkant omgedraaid. Terwijl [medeverdachte 7] achteruit liep, en nadat [medeverdachte 9] hem aan de rechterkant voorbij was gelopen, heeft [medeverdachte 7] acht tot tien schoten met de Kalashnikov richting de woning van [persoon 8] gelost. [medeverdachte 7] denkt dat hij is begonnen met schieten ter hoogte van de stoep aan de overkant van de straat. Hij kon vandaar de Mercedes zien, terwijl dat niet mogelijk is vanuit de steeg vanwege een heg die daar het zicht op de Mercedes ontnam. [medeverdachte 7] stond bij het schieten haaks op de Combo, of misschien een meter meer naar links of rechts. [medeverdachte 7] heeft beweging gezien bij de voordeur van de woning van [persoon 8]. [medeverdachte 7] heeft lichtsporen in de lucht gezien. [medeverdachte 7] weet dat hij het huis van [persoon 8] en de Combo heeft geraakt.193

Na de liquidatie liepen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] de steeg in en reden weg met de Citroën C5. Ze reden op een helder verlicht raam af. Er stonden twee mensen voor dat raam. [medeverdachte 7] zei nog tegen [medeverdachte 9]: “ze zien ons”. [medeverdachte 9] antwoordde dat je niet van licht naar donker kunt kijken. Ze sloegen linksaf en zijn naar de [straatnaam 5] gereden. Daar zijn ze uitgestapt en hebben ze de tas met wapens in de achterbak van de aldaar staande Corsa gelegd. [medeverdachte 4] zei [medeverdachte 7] dat hij de wapens in de Amstel moest gooien. [medeverdachte 7] is vervolgens naar de Amstel gereden via “de Appel”. Hij is doorgereden naar een plek waar het donker was. Daar heeft hij de tas met de Kalashnikov in het water gegooid. De tas was nogal zwaar en kwam dichtbij de kant terecht. De plek heeft [medeverdachte 7] aangewezen aan de politie. De Glock heeft hij apart, verder van de walkant in de Amstel gegooid.194

[medeverdachte 7] heeft verklaard er zeker van te zijn dat de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov het wapen is dat bij de liquidatie van [persoon 8] is gebruikt.195

De rechtbank zal hierna nader terugkomen op de door [medeverdachte 7] geschetste rolverdeling tussen hem en [medeverdachte 9] bij de liquidatie van [persoon 8].

Getuige [persoon 42], wonende aan het [straatnaam 3], schuin tegenover perceel [adres 8], heeft verklaard dat zij op de avond van 2 november 2005 voor half acht haar hond heeft uitgelaten in het nabij het [straatnaam 3] gelegen park. Op de terugweg liepen twee mannen haar tegemoet. Een van de twee mannen heeft zij in het gezicht gezien. Deze man droeg donkere kleding en had een lichtgekleurde huid. Hij had een Chinees/Indisch uiterlijk. Zijn gezicht was wat Chineesachtig, niet zo extreem, misschien dat het meer Indisch was. Hij droeg een bril met een zilverkleurig stalen montuur, een beetje een ziekenfondsbrilletje. De man had stijl zwart haar tot op de schouders met een scheiding in het midden. Hij was iets groter dan getuige, die 1.68 meter lang is, en tussen de 25 en 40 jaar oud. De andere man was geheel in het donker gekleed en had geen Chinees-achtig uiterlijk. De mannen waren haar niet opgevallen als niet de ene man voor haar uit richting het bruggetje was gelopen, terwijl de man met het Chinees/Indische uiterlijk haar eerst voorbij liep om vervolgens terug te lopen en zich bij de ander te voegen. Na thuiskomst, om ongeveer 19.50 uur hoorde getuige meerdere knallen, snel achter elkaar, mogelijk van een pistool. Even was er een korte pauze en toen kwamen er weer enkele schoten. In totaal heeft ze ongeveer 9 à 10 schoten gehoord. Ze keek naar buiten en zag haar buurman [persoon 8] van zijn auto weglopen in de richting van zijn huis. Hij hield beide armen voor zijn borst. Hierop is ze naar boven gegaan. Op het moment dat ze daar is hoorde ze weer meerdere knallen en zag ze blauwe strepen door de lucht gaan, vanuit de steeg richting het huis van [persoon 8].196

Getuige [persoon 20] heeft op 3 november 2005 verklaard dat ([voornaam]) [persoon 8] de avond van 2 november om 19.20 uur thuis was gekomen. Nadat ([voornaam]) [persoon 8] was weggegaan hoorde ze rond 20.00 uur dat er buiten geschoten werd. Ze is toen samen met haar dochter gaan kijken door het keukenraam en zag twee mannen wegrennen. De mannen waren geheel in het zwart gekleed. De mannen renden het pad, het laantje in (de rechtbank begrijpt: het steegje naar de [straatnaam 4]). Ze hoorde ([voornaam]) [persoon 8] nog keihard roepen “kankerlijers”. Aan het geluid te horen werd er met een licht en een zwaar kaliber geschoten.197

Getuige [persoon 43], dochter van [persoon 8], heeft op 2 november, enkele uren na de liquidatie van haar vader, en op 3 november 2005, verklaard dat zij haar vader door het keukenraam buiten zag lopen. Ze draaide zich om en hoorde “boem, boem, boem”. Ze keek daarop, ditmaal met haar moeder, weer door het keukenraam naar buiten. Ze zag twee mensen met vuurwapens. Ze renden de steeg in. Ze draaiden zich om en renden weer verder. Haar vader zag ze teruglopen naar de deur. Toen hoorde ze gebons op de deur. Ze heeft de deur nog even dicht gehouden omdat er werd geschoten. Toen deed ze de deur samen met haar moeder open. Haar vader strompelde naar binnen en zakte in elkaar. Het leek erop dat de kleding van de twee mannen zwart was. Ze weet nog dat haar vader heel hard “kankerlijers” riep.198

Getuige [persoon 44], wonende aan het [straatnaam 3], tegenover de woning van [persoon 8], heeft op 2 november verklaard dat hij twee knallen hoorde. Hij hoorde ook schreeuwen en zag vanuit zijn raam mensen rennen. Hij zag een man staan en hij zag vuur dat uit een vuurwapen leek te komen. De man stond op straat voor de woning waar een collega van de verhorende verbalisant staat (opmerking verbalisant: ter hoogte van de PD). [persoon 44] hoorde vervolgens een zwaarder wapen. Hij hoorde dus eerst lichte schoten, gevolgd door een serie zwaardere schoten.199

Getuige [persoon 45], wonende aan de [adres 9] (op de hoek van de steeg naar het [straatnaam 3]), heeft op 2 november 2005 verklaard dat hij twee salvo’s heeft gehoord. De tweede serie schoten was veel harder dan de eerste.200 Hij hoorde de knallen uit de richting van de steeg komen, uit de richting van het huis van [persoon 8]. Vervolgens hoorde hij nog iets van gestommel op straat, bestaande uit geschreeuw, portieren die dichtklappen en het hard wegrijden van een auto met veel toeren. Het leek alsof deze geluiden niet vanuit de steeg maar vanaf het einde van de steeg kwamen.201

Getuige [persoon 46] heeft verklaard dat hij zich op 2 november 2005 tussen ongeveer 19.30 uur en 20.00 uur bevond in het voorportaal van de Apostolische kerk aan het [adres 10]. Op een gegeven moment hoorde hij schoten uit de omgeving van het [straatnaam 3]. Hij kan zich nog herinneren dat hij na deze schoten vanaf de doorgang tussen de [straatnaam 4] en het [straatnaam 3] een auto heeft zien wegrijden. Deze auto reed normaal, niet opvallend in de richting van de kerk en sloeg rechtsaf in de richting van de [straatnaam 6].202

Getuige [persoon 47] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]), [naam 5] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5]), [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]) en de kroongetuige (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7]) tot een moordcommando behoren.203 [persoon 47] heeft van een persoon die samen met [medeverdachte 3] heeft vastgezeten gehoord dat er werd vergaderd over moorden. Daar had die persoon bijgezeten. [medeverdachte 3] had gevraagd: mag ik er ook één, mag ik er ook één.204

Als verdachte en getuige heeft [medeverdachte 3] verklaard dat [medeverdachte 4] hem op 2 november 2005 om 22.00 uur heeft gebeld en dat zij toen hebben afgesproken om naar café [naam D] in Amsterdam te gaan. Zij waren daar rond 22.30 uur. Dat [persoon 1] tegen de politie heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 3], en [medeverdachte 9] [persoon 8] hebben doodgeschoten komt omdat hij die avond in dat café met [medeverdachte 9] is gezien.205

Getuige [persoon 22] heeft verklaard dat hij in de periode 2000 en 2004 met [medeverdachte 4] is omgegaan. Volgens [persoon 22] kleedde [medeverdachte 9] zich als in de film de Matrix, compleet met rond brilletje.206

1.3

Overige onderzoeksbevindingen

Wapens en munitie

Op woensdag 29 november 2006 is de recherche op aanwijzen van [medeverdachte 7] naar een plek aan de Amstel tegenover lantaarnpaal 49 gereden. [medeverdachte 7] gaf aan dat hij de Glock en een tas met de Kalashnikov en patronen op die plaats in de Amstel had geworpen.207

Op 20 maart 2007 is uit de Amstel ter hoogte van lantaarnpaal 49 op ongeveer 4 meter uit de kant een tas opgedoken. Het betrof een zogenaamde “big shopper” tas van Albert Heijn. In deze tas zat een Roemeens kogelgeweer, afgeleid van de Russische Kalashnikov, model AK 47. Dit wapen is bestemd voor semi- en volautomatisch verschieten van patronen van kaliber 7,62x39 (Kalashnikov). Bij het wapen zat een patronenhouder met daarin 11 patronen en tevens 1 in de kamer. Het wapen was dus schietklaar. Daarnaast bevonden zich in de tas ruim 400 patronen in 45 munitiedoosjes en los in de tas en de bak waarin de tas door de duikers uit het water omhoog was gehaald. Er zaten verder nog twee losse met een onbekend aantal patronen gevulde patroonhouders in de tas alsook stukken plastic met grijs tape omwikkeld. 208 De 422 in de tas en het wapen aangetroffen patronen hebben een groen gelakte punt en zijn van het kaliber 7,62x39 (Kalashnikov) type lichtspoor. Aan de hand van de mosselaangroei op de tas is het volgens de deskundige het meest waarschijnlijk wanneer wordt aangenomen dat de mosselen zich tussen september 2005 en augustus 2006 op de tas hebben gevestigd en de tas in deze periode te water is geraakt.209

Op 12 september 2007 is door de recherche in samenwerking met het NFI een schietproef gehouden met de uit de Amstel gehaalde Kalashnikov en een door het NFI ter beschikking gestelde Kalashnikov. Bij de proef werd gebruik gemaakt van uit de Amstel opgedoken munitie en soortgelijke munitie. Tijdens de schietproef werd onder andere het volgende waargenomen:

  • -

    de hulzen werden in een hoek van ongeveer 90 graden naar rechts uitgeworpen;

  • -

    de hulzen kwamen verspreid op de grond terecht op een afstand van 4,5 tot 7,7 meter vanaf de vuurplek.210


Naar aanleiding van de bevindingen opgedaan bij de schietproeven, alsmede de door getuigen en [medeverdachte 7] afgelegde verklaringen is op de plaats delict nader onderzoek verricht naar de plaats waar mogelijk hulzen terecht zouden kunnen zijn gekomen. Hierbij zijn op 4 en 11 oktober 2007 in de tuin van perceel Johan Braakensiekhof 8 (de woning van getuige [persoon 42]), nabij de heg die de grens vormt tussen de tuin en de stoep die leidt naar de steeg tussen het [straatnaam 3] en de [straatnaam 4], in totaal 6 hulzen aangetroffen.211

Onderzoek naar de 6 hulzen heeft uitgewezen dat deze afkomstig zijn van patronen van kaliber 7.62x39 Kalashnikov. De 6 hulzen zijn gelijk aan de hulzen van de 422 (lichtspoor)patronen uit de in de Amstel aangetroffen plastic tas van Albert Heijn. De sporen in de slaghoedjes van de hulzen zijn bij 4 van deze hulzen mogelijk en bij 2 van deze hulzen waarschijnlijk veroorzaakt door de afsluiter van de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov.212

Uit een vergelijking van de samenstelling van de op de plaats delict aangetroffen kogelfragmenten met de in de plastic tas aangetroffen (lichtspoor)patronen blijkt dat er ten aanzien van de meeste onderzochte (lichtspoor)patronen een overeenkomst is vastgesteld in de chemische samenstelling voor zowel de mantels als het kogellood.213

Telecom

Burger heeft verklaard dat de mobiele telefoon met nummer [nummer 11] ([nummer 11]) van hem was. 214

Tijdens een doorzoeking van de woning van de ouders van [persoon 36] aan perceel [adres 11] te [plaats] op 13 februari 2007 is de originele verpakking van een mobiele telefoon met nummer [nummer 12] ([nummer 12]) aangetroffen.215

Tijdens een doorzoeking van de woning van [persoon 41] aan het perceel [adres 12] te [plaats] op 13 februari 2007 is een briefje aangetroffen met daarop het nummer [nummer 12] en de vermelding “[naam 6]”.216

Uit onderzoek naar de historische gegevens van het mobiele nummer [nummer 12] is gebleken dat tussen dit nummer en het nummer [nummer 11] op 1 november 2005 twaalf maal en op 2 en 3 november 2005 vier maal contact is geweest. Het laatste contact tussen beide nummers op 2 november 2005 was om 21.59 uur. De mobiele telefoon met nummer [nummer 12] peilde op dat moment uit in Vinkeveen.217

Foto [naam E] Hotel

In het dossier bevindt zich een foto afkomstig van een beveiligingscamera van het [naam E] Hotel te Amsterdam van 4 november 2005. Op deze foto staan twee mannen en een vrouw, die zich kennelijk bevinden aan de balie van het hotel. Verbalisanten herkennen de mannen als [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Gebleken is dat [medeverdachte 9] in het hotel een kamer had geboekt van 3 november tot en met 5 november 2005.218

2 Beschouwing rechtbank

Op grond van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] tezamen en vereniging [persoon 8] hebben vermoord.

De rechtbank leidt het daderschap van [medeverdachte 7] primair af uit zijn eigen verklaringen en de onderzoeksresultaten. De rechtbank is zich daarbij bewust van het feit dat er in de verklaringen van [medeverdachte 7] enkele opvallende ongerijmdheden zijn aan te wijzen. Het betreft dan met name de gebrekkige omschrijving door [medeverdachte 7] van de gebruikte Kalashnikov, zijn wisselende verklaringen over de looproute, vervat in een onduidelijk gebleven verhaal over “zekerheidjes”, zijn eveneens wisselende verklaringen over wat er na de liquidatie met de hulzen van dit wapen is gebeurd en het feit dat, anders dan [medeverdachte 7] heeft verklaard, uit de technische bevindingen, in samenhang met de verklaringen van [persoon 43], is op te maken dat er met de Kalashnikov gericht op [persoon 8] is geschoten.

Desondanks is de rechtbank van oordeel dat deze gebreken in de verklaringen van [medeverdachte 7] niet afdoen aan de vaststelling dat [medeverdachte 7] niet alleen zichzelf heeft bestempeld tot medepleger van de moord op [persoon 8] maar er bovendien een jaar na deze moord blijk van heeft gegeven over buitengewoon opvallende daderwetenschap te beschikken.219 Zo wist hij onder meer de plaats delict gedetailleerd te omschrijven, waaronder de tuin van de buurman van [persoon 8] op nummer 23, en benoemde hij de gebruikte wapens, een Kalashnikov en een Glock.45. De verklaring van [medeverdachte 7] over waar en vanaf welke afstand [persoon 8] met de Glock is beschoten en wat er met de hulzen van dit wapen is gedaan stemt overeen met andere bevindingen. Daarnaast verklaarde [medeverdachte 7] tijdens de liquidatie lichtsporen te hebben gezien, waar gebleken is dat met de Kalashnikov inderdaad lichtspoorkogels zijn afgevuurd. [medeverdachte 7] wordt eveneens gesteund in zijn verklaring over de volgtijdigheid van het schieten met eerst een licht en daarna een zwaar kaliber wapen. Ook hoorde [medeverdachte 7] [persoon 8] iets roepen als “kankerlijers”, hetgeen door meerdere getuigen is bevestigd. Van grote betekenis is verder dat op aanwijzen van [medeverdachte 7] de stevige Albert Heijn tas met de Kalashnikov en munitie is teruggevonden in de Amstel. Tot slot valt op dat [medeverdachte 7] wordt bevestigd door getuigen in de door hem verklaarde vluchtroute en het gegeven dat de vluchtauto bij het wegrijden op een groot raam afreed in een kerkpand aan de [straatnaam 4], waarachter twee personen werden waargenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat in ieder geval getuige Jonker zich op dat moment achter dat raam bevond.

De daderwetenschap van [medeverdachte 7] is naar het oordeel van de rechtbank hiermee dermate substantieel dat het ervoor moet worden gehouden dat [medeverdachte 7] als een van de schutters aanwezig was op de plaats delict.

Dat [medeverdachte 9] de andere schutter was leidt de rechtbank af uit de verklaringen van [medeverdachte 7], [medeverdachte 3], [persoon 42] en [persoon 47].

Door te stellen dat hij ten onrechte als schutter is genoemd naast [medeverdachte 9] omdat hij kort na de moord op [persoon 8] met [medeverdachte 9] in een café is gezien, heeft [medeverdachte 3] naar het oordeel van de rechtbank impliciet bevestigd dat [medeverdachte 9] wel als schutter bij de liquidatie betrokken is geweest en dat hij, [medeverdachte 3], daar weet van heeft. Niet valt in te zien op welke andere wijze de opmerking van Burger kan worden uitgelegd. Daar komt bij dat het ervoor moet worden gehouden dat [medeverdachte 3] destijds, blijkens de vrij intensieve telefonische contacten met [medeverdachte 9] juist rond 2 november 2005 en het feit dat hij zich na de moord met [medeverdachte 9] in het [naam E] Hotel heeft opgehouden, goed op de hoogte was van het doen en laten van [medeverdachte 9]. De duiding die de rechtbank aan de uitlating van [medeverdachte 3] geeft vindt voorts steun in de verklaring van [persoon 47], waaruit kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 3] wist dat [medeverdachte 9] zich met liquidaties bezig hield, hetgeen op zichzelf ook weer [medeverdachte 7] ondersteunt, die hetzelfde heeft verklaard. Dit alles bij elkaar genomen en bezien in het bredere verband van de gebleken criminele organisatie, waarover hierna meer, maakt de verklaring van [medeverdachte 3] in deze redengevend.

De rechtbank gaat er verder vanuit dat de twee in het zwart geklede mannen die getuige [persoon 42] kort voor de moord op [persoon 8] is tegengekomen in het park [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] betroffen. Ook getuige [persoon 20] heeft verklaard dat de twee daders in het zwart gekleed waren. [medeverdachte 9] voldoet naar het oordeel van de rechtbank voorts aan één van de door [persoon 42] opgegeven signalementen, te weten – kort gezegd – de man met het Chinees/Indische uiterlijk. Dat [medeverdachte 9] die avond een brilletje droeg is zeer wel mogelijk, gelet op de verklaringen van [medeverdachte 7] en getuige [persoon 22].

Het gegeven dat [persoon 42] [medeverdachte 9] niet heeft herkend in de fotoconfrontatie doet aan het voorgaande niet af, temeer nu de fotoconfrontatie zag op de eventuele herkenning van de door [persoon 42] waargenomen “Chineesachtige” persoon met brilletje, terwijl [medeverdachte 9] op de aan getuige getoonde foto nu juist geen bril droeg.

Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte 7] mogelijk niet de Kalashnikov maar de Glock zou hebben gehanteerd. Dit scenario, waarbij de rollen tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] kennelijk zijn omgedraaid, is, gelet op voornoemde ongerijmdheden in de verklaringen van [medeverdachte 7] in samenhang met hetgeen [medeverdachte 7] overigens heeft verklaard, niet uit te sluiten. Wat daar ook van zij, dit staat naar het oordeel van de rechtbank aan een bewezenverklaring van het medeplegen door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] van de moord op [persoon 8] niet in de weg.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] samen [persoon 8] hebben vermoord.

3.4

Criminele organisatie

1 Vaststelling feiten

De rechtbank stelt voorop dat de feiten en omstandigheden zoals die hiervoor zijn vastgesteld als redengevend voor de bewezenverklaringen betreffende [G], [D] en [A] evenzeer redengevend zijn - op zichzelf en/of in onderling verband en samenhang beschouwd - voor de bewezenverklaring van de deelneming door [medeverdachte 9] en [verdachte] aan een criminele organisatie met het oogmerk op moord. Deze in verband met deze deelonderzoeken vastgestelde feiten en omstandigheden worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Voorts zijn de navolgende feiten en/of omstandigheden van belang.

1.1

Verklaringen

Getuige [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij vanaf 1998 tot en met november 2006, behoudens een enkele onderbreking, zeer intensief contact met [medeverdachte 9] heeft onderhouden. Hij heeft [verdachte] leren kennen eind 2004, toen [verdachte] gedetineerd was en hem verzocht een moordopdracht aan [persoon 6] door te geven (zie hierna de zaak [C]).220

Toen [medeverdachte 9] vrij kwam, getuige denkt augustus 2005, is bijna alles zonder communicatiemiddelen gegaan. Getuige en [medeverdachte 4] waren bij elkaar dus het was niet nodig. Wellicht hadden ze telefoons bij zich, maar dan zijn alle batterijen eruit. [medeverdachte 4] en getuige controleerden elkaar ook of dit gebeurd was. Telefoons zijn supergevaarlijk.221

Na de vrijlating van [medeverdachte 9] hoorde [medeverdachte 7] van [medeverdachte 9] dat hij de opdracht had aangenomen voor de moord op de Turkse voetbalvoorzitter (naar getuige later begreep: [persoon 48]). Later kregen [medeverdachte 4] en getuige ook informatie over een Turk in [plaats] (naar getuige later begreep: [persoon 5]) die dood moest. De Turk in [plaats] zou 150.000 opleveren en [persoon 48] 100.000. Getuige en [medeverdachte 9] zijn, na de vrijlating van [medeverdachte 9], voorverkenningen gaan doen.222

Tussen 14 dagen en drie weken voor de moord op [persoon 8] (de rechtbank begrijpt: in oktober 2005) kwamen er drie nieuwe slachtoffers bij. Namen werden niet genoemd. Eén persoon woonde aan de [straatnaam 3] waar getuige en [medeverdachte 9] meteen heen zijn gereden. Dat was, naar getuige later begreep, [persoon 8]. Een andere persoon was, zo bleek getuige later, [persoon 1]. Voor de liquidatie van [persoon 8] zou 130.000 en voor de liquidatie van de andere twee personen, onder wie [persoon 1], zou 100.000 euro worden betaald. [medeverdachte 4] is benaderd voor die liquidaties, omdat hij er goed in is. Hij heeft een carrière. Waarom hij die opdracht heeft aangenomen? De ene reden is geld, de andere is zijn carrière. Reputatie is heel belangrijk voor [medeverdachte 4], hij zag zichzelf opklimmen door mensen te liquideren.223

[medeverdachte 7] verklaart verder dat hij en [medeverdachte 9] in de periode van juli 2005 tot november 2005 met wapens langs de woning van [persoon 5] zijn gereden (zie hiervoor [G]). [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hebben voorts samen op 2 november 2005 [persoon 8] vermoord (zie hiervoor [D]). [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hebben ook samen meerdere pogingen ondernomen om [persoon 1] te vermoorden (zie hiervoor [A]).

De betaling van [medeverdachte 7] voor de moord op [persoon 8] is een paar dagen na die liquidatie geschied bij de flat van [naam 7].224

Na de vrijlating van [verdachte] in de Vinkeveen-zaak is getuige bekend geworden met het bestaan van een lijst. Hij denkt zelf niet in lijsten, maar in mensen die geliquideerd moesten worden en in opdracht van wie. Het aannemen van een opdracht betekende, vanuit [medeverdachte 4] geredeneerd, het daar verantwoordelijk voor zijn. Getuige hoorde van [medeverdachte 9] na de vrijlating van [verdachte] dat [medeverdachte 9] drie jaar eerder een lijst met [verdachte] had aangenomen. [medeverdachte 4] gebruikte zelf het woord lijst. [medeverdachte 4] zei letterlijk: “[verdachte] en ik hebben die lijst drie jaar geleden aangenomen”. Getuige was erbij toen [verdachte] zei dat ze deze lijst met z’n drieën gingen doen, en dan de man “33 konden pakken”, uitgaande van de prijs van een ton per keer. [verdachte] stelde ook voor dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] de eerste samen zouden doen en dat [verdachte] dan aan de volgende zou meedoen.225 Dat [medeverdachte 9] dit aan getuige vertelde zal december 2005 zijn geweest.226 De lijst verandert in de loop der tijd. Zoals het getuige gepresenteerd is, hebben [medeverdachte 9] en [verdachte] zich opgeworpen om, wanneer mensen uit de weg geruimd moeten worden, dat te doen. Wie er op de lijst staan of er op komen te staan is niet relevant. Het was een doorlopend contract. Toen [verdachte] vrij kwam, was hij er weer bij. Als er voor een klus niet betaald wordt, dan wordt deze ook niet uitgevoerd. [verdachte] speelde actief mee zelfs op de dag dat hij vrijkwam. [verdachte] en [medeverdachte 9] hebben eerst een gesprek gehad. Er zou namelijk een confrontatie plaatsvinden tussen getuige en [verdachte]. Het liep echter anders. [medeverdachte 4] heeft zich voor getuige garant gesteld. [verdachte] gaf hem een hand en zei dat er geen problemen waren. Op dat moment waren ze met z’n drieën.227

[medeverdachte 7], [medeverdachte 9] en [verdachte] hebben na de vrijlating van [verdachte] samen een poging ondernomen om [persoon 1] te vermoorden. [verdachte] ging daarna andere schutters regelen die de moord ook uiteindelijk hebben gepleegd en [verdachte] en [medeverdachte 9] hebben die “kamikazen” volgens getuige begeleid (zie hiervoor [A]).

Over [persoon 48] heeft [medeverdachte 7] ter zitting verklaard dat hij, zo hoorde [medeverdachte 7] van [medeverdachte 9], op de lijst stond die [verdachte] en [medeverdachte 9] drie jaar eerder hadden aangenomen. [persoon 48] liep zo lang vrij rond omdat [verdachte] en [medeverdachte 9] waren gedetineerd in verband met de wapenvondst in Vinkeveen. Het was voorverkennen. Puur informatie verzamelen. De allereerste keer dat ze gingen kijken was bij Türkiyemspor. Daar zagen ze niet [persoon 48], maar wel zijn auto. Ook is gekeken naar de wegen, hoe je daar weg kon komen. Er was een fietspad, maar daar kon je eventueel met de auto ook overheen rijden. Aan het einde daarvan kon je ergens overheen, een paar drempels of zo, zodat je snel op een ander deel van het wegennet zou kunnen komen en de politie dan niet zo gemakkelijk kon volgen. Ze hebben dus een mogelijke vluchtweg bekeken. Ze zijn ook naar een internetcafé in Osdorp gegaan om de foto van [persoon 48] op te zoeken. Hij was immers [functie] van Türkiyemspor. Er is één keer aanvullende informatie gekomen, namelijk dat hij regelmatig at bij [naam F], de plek waar hij uiteindelijk ook geliquideerd is.

[verdachte] heeft gezegd dat hij ook zelfstandig bezig was geweest in verband met [persoon 48]. [verdachte] vertelde dat hij in de bosjes had gelegen bij Mijdrecht om [persoon 48] te liquideren, bij een voetbalclub of zo.228[medeverdachte 7] is een keer naar de [naam F] gereden en zag dat er camera’s hingen. Dat was met [medeverdachte 4], met de auto van [persoon 36]. Later is hij daar met [verdachte] geweest. Toen had hij dat verteld van die camera’s en toen zei [verdachte]: “Ja, sommige zijn moeilijk.” 229

Toen [medeverdachte 7] in Spanje zat vroeg [medeverdachte 4] de sleutel van zijn woning in [plaats] om daar het zilverkleurige pistool dat eerder door [medeverdachte 3] was geleverd op te halen, omdat [verdachte] die nodig had.230

Het woord liquidatie werd niet gebruikt. Er werd door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] een handbeweging gebruikt. Getuige heeft later [verdachte] diezelfde beweging zien maken. Het is gewoon een handbeweging waarvan zij onder elkaar begrijpen: die moet geliquideerd worden.231

Over de onderlinge communicatie heeft [medeverdachte 7] nog het volgende verklaard.

Het contact liep soms via een semafoon, om veiligheidsredenen. Er werden in de groep zogenaamde 1-op-1 telefoons gebruikt. Ze maakten gebruik van codering met cijfers. [medeverdachte 9] en hij maakten ook gebruik van codes om nummers door te geven, bijvoorbeeld Volkswagen, Quizmaster of Superwoman. Het sms-bericht met de tekst ‘snwasnww’ een nieuw nummer betrof dat doorgegeven werd via Superwomancode232. In sms-en werd de code als volgt gebruikt: een cijfer voor een plaatsaanduiding, en een tijdstip waar dan bijvoorbeeld 2 uur bijgeteld af afgehaald moest worden.233

Via de pieper zocht men ook contact. Dan belde [medeverdachte 9], liet hij de telefoon overgaan en even later kreeg hij een cijfercodering. Die stond dan voor een locatie.234

Getuige heeft ter zitting verklaard dat de term ‘schoon’ spreektaal is onder “ons”. Het betekent zoveel als ‘niet besmet’. Je gaat elkaar bijvoorbeeld niet met vuile telefoons bellen, dus buiten het netwerk. Je moet je telefoon schoon houden. Schoon betekent: zorgen dat je niet belt met een getapte telefoon en zorgen dat de kans dat je telefoon wordt getapt zo klein mogelijk blijft.

Getuige heeft wel eens telefoons met stickers erop gezien. Die stickers staan voor een bepaald netwerk. Het kan ook voor personen staan, maar het staat meer voor een bepaald netwerk. Allemaal dezelfde kleur. Zolang niemand van dat netwerk breekt door naar een andere telefoon buiten dat netwerk te bellen, is het netwerk veilig. De telefoon mag na contact ook niet aan voordat je twee palen bent gepasseerd. Dat hebben alle verdachten, inclusief getuige zelf, in alle zaken waar iedereen al dan niet bij betrokken was, onder alle omstandigheden gedaan. Door de sticker op de telefoon weet je zodra de telefoon gaat ook gelijk om welke zaak het gaat, en wie het zou kunnen zijn. Het gaat als volgt: meestal word je eerst gepiept. Dan zet je je spreektelefoon uit. Je rijdt twee signaalpalen verder, en dan zet je de telefoon die bij de pieper hoort aan. Daarop wordt dan gebeld vanuit hetzelfde netwerk. Je spreekt of sms’t, dan is de boodschap overgebracht. Dan zet je de netwerktelefoon weer uit, je rijdt twee palen verder, en dan kan je andere telefoon weer aan.

Hoeveel telefoons getuige bij zich had, lag aan het moment en de omstandigheden. Hij heeft wel eens meer dan één telefoon gehad. [medeverdachte 4] had aanzienlijk meer telefoons. [medeverdachte 9] communiceerde op de manier zoals zojuist beschreven. Getuige kan zich in de zaak [persoon 1] een nieuwe telefoon voor het netwerk tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] herinneren.

Als er nieuwigheden waren, of dingen die de veiligheid konden vergroten over de omgang met computers en palmtops, dan meldden ze dat aan elkaar. Er was afgesproken om niet met elkaar in de auto over liquidaties te praten. Dat soort afspraken hebben ze wel gemaakt, maar er staat getuige ook wel bij dat ze dat in beperkte mate toch deden, in versluierd taalgebruik, dus dat die afspraken ook wel eens zijn geschonden.235

[medeverdachte 4] was redelijk gedisciplineerd in netwerken. Getuige heeft bij [medeverdachte 4] tegelijkertijd een stuk of 4, 5, 6, 7 gezien. Dat ligt een beetje aan de verschillende periodes. Meestal had hij één babbeltelefoon en de rest waren netwerk telefoons. [medeverdachte 4] verwisselde ook wel de kaartjes, maar hiermee houd je het netwerk niet schoon, omdat de imeinummers uitstralen op de palen. Ook zorgde hij er wel eens voor dat het imeinummer kapot werd gemaakt, zodat het niet bij de palen uitstraalde. [medeverdachte 4] had de telefoons met nummers of tekens gemerkt, zodat voor hem duidelijk was wat waar bij hoorde. Hij deed dit trouwens niet altijd. [medeverdachte 4] maakte ook vaak gebruik van verschillende soorten telefoons, hetgeen voor hem al een indicatie was.236

Volgens getuige is het zo dat als je met z’n vijven omgaat onder elkaar weet, zonder een naam uit te spreken, over wie je het hebt, omdat je de relaties en de personen kent, en de gesprekken die je met elkaar hebt gehad. Dus je weet over wie iemand het heeft. “Zij” waren afgestemd op die manier van communiceren. Dat komt ook omdat het strafbaar is waar je mee bezig bent. Ze weten precies waar ze het over hebben. Getuige hoeft geen enkele naam te noemen.237

Verdachte [medeverdachte 9] heeft in april 2007 in Marokko verklaard dat hij leeft volgens een erecode, hij beroept zich in Nederlandse zaken altijd op zijn zwijgrecht om zijn integriteit naar “grote criminelen” te waarborgen. Hij is geïnfiltreerd in een groep “zeer zware criminelen”. Hij kent de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3]. Naar aanleiding van een conflict van zijn broer met een groep Colombianen heeft [medeverdachte 9] een vuurwapen aangeschaft. Hij kent iedere topcrimineel persoonlijk. Hij had contact met criminelen. De liquidatielijst is openbaar en het is helemaal geen geheim wie daar op staan. Als de politie zijn verklaring schriftelijk vastlegt, tekenen ze daarmee zijn doodsvonnis. Met de door hem gedane uitspraken zou hij ook op de lijst komen. Volgens [medeverdachte 9] zijn er bij een liquidatie normaliter drie regels van toepassing: 1) er mogen geen onschuldige slachtoffers vallen, 2) het doelwit moet uitgeschakeld worden en 3) als bij de uitvoering van de liquidatie de mogelijkheid bestaat dat er onschuldige slachtoffers vallen, wordt de liquidatie op dat moment afgeblazen.238

Verdachte [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn detentie voor de Vinkeveen-zaak op verzoek van Reggie [medeverdachte 9] en [persoon 41] (rechtbank begrijpt: [persoon 41]) als bezoek heeft ontvangen een kennis van [medeverdachte 4], dat bleek [medeverdachte 7]. [verdachte] heeft met instemming van [persoon 6], die hij al kende sinds 1998, [medeverdachte 7] contact laten opnemen met [persoon 6] (zie zaak [C]).239

Getuige [persoon 4] heeft verklaard dat Thomas [persoon 1] op de dodenlijst stond240. [verdachte] heeft gezegd dat als [persoon 4] het zou doen, er dan heel veel werk voor hem zou zijn, maar dat hij eerst zoiets gedaan moest hebben, voordat [verdachte] hem in vertrouwen zou nemen. Met “werk” bedoelde [verdachte] liquidaties en met “zoveel werk” dat de dodenlijst heel, heel lang was. [verdachte] zei namelijk ook: “Er zijn er nog zoveel, dan zou je er elke week eentje neer kunnen schieten”.241

[verdachte] heeft getuige ook een woning in [plaats] laten zien (zie zaak [G]). [verdachte] zei toen: deze moet ook, maar die is belangrijker. [naam A] was belangrijker, want die andere in [plaats] was al maanden niet thuis geweest. Toen zei [verdachte] ook dat hij daar nu al ik weet niet hoe vaak was geweest. Hij zei: “Die man is hier al maanden niet meer geweest en we weten niet waar die is, maar die moet er ook aan.”242

[medeverdachte 4] is een vriend van [verdachte], compagnon. [verdachte] zei altijd dat [medeverdachte 4] zijn compagnon was. Zo noemde hij hem.243

[persoon 4] heeft een keer een X5 neer moeten zetten bij het huis van [medeverdachte 4]. Getuige zag toen een vrouw. [verdachte] zei dat het huis van [medeverdachte 4] was en die vrouw de vriendin van [medeverdachte 4]. De auto was van de vrouw van [medeverdachte 4], zei [verdachte]. Als [verdachte] het over [medeverdachte 4] had, had hij het over zijn maatje, zijn compagnon. [verdachte] is heel close met [medeverdachte 4]. Hij heeft wel eens gezegd, dat is mijn stiefbroertje, iets in die trant. [medeverdachte 4] betekent een hoop voor hem. [persoon 4] is bang, omdat hij het maatje van [verdachte] is en hij dan die automatisch ook tegen zich heeft. Als de één vast komt te zitten, neemt de ander dingen over’.244

[persoon 4] en [verdachte] spraken telefonisch af op afgesproken plekken. Met “plek 1” was bedoeld een parkeerplaats in Diemen en “plek 2” was een afgesproken plaats bij het station. Wanneer getuige langs café [naam A] reed moest de telefoon uit en de batterij eruit. “Emilio klaarzetten” of iets dergelijks betekende dat getuige het pistool moest pakken en in de kofferbak van de auto klaarzetten. Dat hadden ze afgesproken. [verdachte] heeft [persoon 4] gezegd dat, als getuige opgepakt zou worden, hij niets moest zeggen. Dan wordt alles verzorgd in de gevangenis, krijgt getuige alles wat hij wil. Het kan wel 15 jaar duren.245

[persoon 4] zegt tegen verbalisanten dat hij met zijn verklaring zelfmoord aan het plegen is en zijn leven kwijt is, omdat hij zeker weet dat [verdachte] nu achter hem aan zal (laten) komen. Hij weet zeker dat [verdachte] daar miljoenen voor zal uittrekken. Ook als hij binnen zit is het niet veilig. Iemand van die groepering kan bij hem op de afdeling zitten. Die weet meteen dat hij gesproken heeft.246

Getuige heeft met [verdachte] zitten eten bij een snackbar bij De Meer. Getuige zat daar en [verdachte] zei van: “niet naar die auto kijken”. Toen zei hij dus: dat is mijn compagnon. [persoon 4] is ervan geschrokken hoe makkelijk [verdachte] aan een wapen kan komen. Bij de snackbar lag er binnen 10 minuten een Scorpion in zijn kofferbak. Het was 10 minuten wegwezen. Hij komt terug en dat ding ligt in zijn kofferbak. Ze zaten te eten en [verdachte] kreeg een telefoontje en toen kwam die Mercedes aanrijden. Hij was met tien minuten terug en toen zei hij: nou het ding ligt in de auto. [verdachte] vertelde later aan getuige dat van die Mercedes, dat is mijn compagnon.247

[persoon 2] heeft als verdachte verklaard dat hij en [persoon 3] van [verdachte] ten behoeve van de liquidatie van [persoon 1] een telefoon hadden gekregen, waarop zij een seintje zouden ontvangen als [persoon 1] naar huis zou vertrekken.248

De getuige [persoon 47] heeft zaken met [medeverdachte 9] gedaan. Dat was in 2001 in Spanje. [medeverdachte 7] was er toen ook bij. Getuige had in die tijd bijna dagelijks contact met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] heeft kennis van vuurwapens.

Volgens getuige behoort [medeverdachte 9] tot een moordcommando samen met onder meer die kroongetuige (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7]). [verdachte] is een middelman. [medeverdachte 4] is de uitvoerder.249

Getuige [persoon 41] had van 2000 tot oktober 2006 met tussenpozen een relatie met [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] zat altijd in het buitenland (Spanje en Marokko), en woonde in Marokko. [persoon 41] wist dat [medeverdachte 9] niet op een normale manier zijn geld verdiende.

Zij kent [medeverdachte 7] als compagnon van [medeverdachte 4], vriend. Ze heeft hem in 1999 voor het eerst gezien. Hij kwam bij haar een paar maanden met onderbreking in huis eind 2004. Volgens [persoon 41] waren [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] vanaf november 2004, toen [medeverdachte 9] ontsnapt was, regelmatig samen. [medeverdachte 7] heeft haar opgehaald en toen zijn ze naar een hotel gereden en heeft ze daar [medeverdachte 9] ontmoet. Nadat [medeverdachte 9] zich gemeld had kwam hij in juli of augustus 2005 vrij. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] waren in die tijd daarna regelmatig samen.

[medeverdachte 4] reed in verschillende auto’s. Sinds zijn vrijlating augustus 2005 heeft ze hem gezien in een X5, Audi en een Mercedes. Hij wisselde regelmatig. Het was steeds weer een verrassing met welke auto hij kwam. Van wie die auto’s waren? [verdachte] zat in de auto’s. [verdachte] kent zij sinds 2003, via [medeverdachte 9]. Toen [verdachte] in 2003 vrij kwam, heeft die nog tijdelijk in haar huis gewoond. Omdat [naam 8] bij getuige woonde, die nam [verdachte] mee naar huis. [verdachte] zat bij haar op zolder maar ook wel eens niet. Hij was bezig toen hij dat huis kreeg in Vinkeveen die villa. Ze is bij [verdachte] en [medeverdachte 9] op bezoek geweest toen ze vastzaten. Ze was geen boodschapper tussen beiden, maar er waren wel wat problemen natuurlijk. Er was een probleem over het geld dat aan de advocaat betaald zou worden voor [verdachte]. Daar had [medeverdachte 9] een rol in. [medeverdachte 9] heeft een keer de advocaat van [verdachte] betaald. [verdachte] voelde zich in de steek gelaten door de familie [achternaam medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] vond dat eigenlijk van niet. Hij kon er niets aan doen want die zat op een gegeven moment ook weer. Getuige was dan kennelijk wel een goede bemiddelaarster om die vriendschap weer te herstellen. Dat was de reden van het bezoek.

De mensen die zijn besproken, waaronder [naam 9] en [verdachte], zijn de mensen met wie [medeverdachte 9] bijna dagelijks omging.

Als getuige aan de telefoon was met [medeverdachte 9] moest zij altijd voorzichtig zijn. Er mochten bijvoorbeeld geen tijdstippen genoemd worden. [medeverdachte 9] was van plan [persoon 41] een schone telefoon te geven, dus een telefoon die alleen bestemd was voor onderling contact, en waarmee zij niet naar andere nummers mocht bellen. [medeverdachte 9] zei tegen getuige dat ze bekend stond bij de politie als zijn vriendin. Ze zou onmiddellijk getapt worden. Dat zei hij altijd. [medeverdachte 9] had zelf verschillende telefoons. De ene keer drie, de andere keer vijf, dan weer één. Hij belde ook wel eens vanuit een telefooncel. Bij haar thuis had hij zijn telefoons soms bij zich, en deed hij wel eens de batterijen eruit. Als de batterij eraf is kan je alsnog afluisteren heeft getuige begrepen. [medeverdachte 9] had haar ook gezegd hem niet te e-mailen vanaf haar huis. Dat zou gecheckt worden. Dat deed zij vanuit een internetcafé. Zij was een beetje overspannen geworden van het idee dat ze eventueel afgeluisterd werd.250

[verdachte] heeft getuige een paar maanden voor zijn aanhouding, augustus 2006, nog gezien. Ze kreeg toen geld van hem voor de huur. Het briefje met onder andere kenteken [nummer 1], aangetroffen in de woning van [persoon 41], kent ze niet. Het is niet van haar. Ze denkt dat het wel van [medeverdachte 9] is, 100%. Het is volgens haar niet door [medeverdachte 9] geschreven.

Getuige dacht dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] ook wel bang waren dat er iets met hen zou gebeuren. Ze hielden er rekening mee, bijvoorbeeld door afstand te houden met autorijden zodat ze altijd konden vluchten, en dicht bij de deur uitstappen. [persoon 41] heeft lang geleden wel eens een kogelvrij vest bij [medeverdachte 9] gezien. In de maand dat [medeverdachte 9] op vrije voeten was heeft [medeverdachte 7] haar ook eens naar een ander hotel gebracht. Zij moest van [medeverdachte 7] plat op de achterbank blijven liggen, ze dacht de Corsa. Toen ze arriveerden ging [medeverdachte 7] eerst bellen. Toen moest ze meekomen naar een soort achteringang.

In telefoongesprekken over “naar kantoor komen” betekent internetcafé. Dat betekende dus eigenlijk dat iemand zijn mail moest checken.

De geluiddemper die in haar woning is gevonden, lag in het nachtkastje van [medeverdachte 9]. Hij heeft de sleutel van haar huis.251

Het klopt volgens getuige dat zij wel eens op verzoek van [medeverdachte 9] geld naar [medeverdachte 7] heeft overgemaakt. [verdachte] was een huisvriend. Hij was een vriend van [medeverdachte 4]. Getuige had [verdachte] opgezocht in de PI. De relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] was toen gespannen in verband met de [persoon 49]-zaak. [verdachte] zat vast en baalde dat Jesse geen geld had gestort. Hij voelde zich door de familie [achternaam medeverdachte 4] in de steek gelaten. Het is normaal dat als iemand binnen zit, deze persoon wordt gesteund door anderen. Dat doe je voor vrienden. Getuige kan bij [medeverdachte 3] terecht voor geld als [medeverdachte 9] in buitenland zit.252

Getuige [persoon 36] heeft verklaard dat [medeverdachte 7] in haar woning zat aan de [adres 13] te [plaats] in 2005, tot februari 2006. [medeverdachte 7] kwam wel eens op [adres 11], de woning van haar ouders. [medeverdachte 9] was af en toe een paar dagen bij haar in die tijd. Ze bracht hem vaak naar Schiphol, waar hij ter plekke tickets kocht. [persoon 36] kon [medeverdachte 4] niet bereiken, hij belde haar altijd. [medeverdachte 4] belde op een speciale telefoon. Daar belde alleen hij op. Hij belde met een onderdrukt nummer. Volgens getuige heeft ze die telefoon van [medeverdachte 3] gehad. 253

De uitdrukking “dat de rapen gaar zijn”, zoals naar voren is gekomen in een getapt gesprek, betekent volgens [persoon 36] dat [medeverdachte 9] dan snel naar Nederland komt. Die code is in 2006 gekomen. Toen wilde [medeverdachte 9] niet meer over de telefoon zeggen wanneer hij kwam.

De uitdrukking “kantoor” betekent volgens [persoon 36] “internetcafé.254

Getuige [persoon 50] heeft verklaard dat de tas in haar woning met het vuurwapen van [verdachte] was. Ze denkt dat het pistool van [verdachte] is, omdat ze niemand anders kan bedenken.255

Getuige [persoon 51] heeft in 2006 verklaard al vijftien jaar samen te wonen met [verdachte]. Ze zijn getrouwd. Vanaf februari 2006 woonde ze op [adres 4] te [plaats]. [verdachte] heeft deze woning gehuurd.256

1.2

Onderzoeksbevindingen


Beslag

Op 13 november 2007 is in een slaapkamer in een nachtkastje in de woning van [persoon 41] een geluiddemper aangetroffen.257

Op 13 november 2007 is in een dressoir in de woonkamer van de woning van [persoon 41] een briefje aangetroffen, met daarop onder meer – zakelijk weergegeven - de volgende tekst: “Bus wit, Vito 110, [nummer 13]” en “A4 Zilver 1.9 tdi”, verbonden met een streepje naar “[nummer 1]”en dat streepje weer verbonden met een streepje naar “st [nummer 8]”.258

Het kenteken [nummer 1] zat op de gestolen zilverkleurige Audi A4 die door de schutters is gebruikt bij de moord op [persoon 1] (zie hiervoor de zaak [A]).

Op 17 februari 2007 is [persoon 48], nabij restaurant [naam F], door pistoolschoten van het leven beroofd. Uit onderzoek is gebleken dat de uitvoerders daarvan ter plaatse gebruik hebben gemaakt van een Mercedes Vito bus, 108 D met het kenteken [nummer 13]. Deze bus werd op enkele honderden meters van de liquidatieplek van [persoon 48] aangetroffen. Het was van binnen met benzine besproeid. De bus bleek gestolen en voorts voorzien van valse kentekenplaten. De verbalisant constateert dat het kenteken [nummer 13] zeer veel gelijkenis vertoont met het kenteken vermeld op het briefje uit de woning van [persoon 41], de [nummer 13]. Alleen de “0” en de “6” zijn omgedraaid en een Vito 110 en 108 verschillen nauwelijks van elkaar. Het verschil in type aanduiding wordt bepaald door de motor van de auto.259

In een computer in de woning van [persoon 36], mede in gebruik bij [medeverdachte 9], is in april 2007 een bestand aangetroffen met daarin een bepaalde cijfer/letterreeks. Tevens is in deze computer aangetroffen een bestand genaamd ‘codes’ met daarin een aantal woorden van tien letters, waaronder super movil, mucho saber, white cloud en ook ‘powerflush’. Op basis van powerflush is genoemde cijfer/letterreeks tot een semafoonnummer eindigend op [nummer 14] ontcijferd.260

Dat nummer [nummer 14] was actief was van 2 augustus 2005 tot maart 2006 en is in die periode slechts aangezocht door 3 telefooncellen in Amsterdam en door één mobiele nummer.261 De [nummer 14] heeft voorts samenhang met een semafoon eindigend op nummer [nummer 15] dat vrijwel gelijkertijd is geactiveerd via eenzelfde telefooncel. De dagen waarop de [nummer 15] werd aangezocht, alsmede de meegezonden codes, vertonen zeer sterke overeenkomst met het telecomverkeer van de semafoon [nummer 14]. De conclusie is volgens de verbalisant dat tijdstippen en bijbehorende locaties gecodeerd lijken te worden weergegeven en dat het zeer aannemelijk is dat beide semafoons gebruikt werden binnen een gesloten communicatiesysteem.262

Op 3 augustus 2006 zijn doorzoekingen geweest in de woningen [adres 4] te [plaats] (woning [persoon 51]) en [adres 14] [plaats] (woning [persoon 50]).263

In perceel [adres 4] te [plaats] is het volgende aangetroffen:

  • -

    9 mobiele telefoons,

  • -

    1 callmaxer

  • -

    2 Marokkaanse prepaid pakketten

  • -

    Hi prepaid pakket

  • -

    2 prepaid pakketten T-mobile

  • -

    Insteekmap met processen-verbaal [persoon 52]

  • -

    een kogelvrij vest

In perceel [adres 14] [plaats] is het volgende aangetroffen:

  • -

    1 vuurwapen inclusief munitie (67 stuks)

  • -

    3 mobiele telefoons.264


Tapgesprekken

Er zijn diverse telefoongesprekken opgenomen in de periode van januari tot maart 2006, waaraan onder meer wordt deelgenomen door [medeverdachte 9] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 7], waarbij met en over elkaar wordt gesproken.265

De gesprekken uit deze periode tussen [verdachte] en [medeverdachte 9] zijn geanalyseerd. Daarbij is gebleken dat de sprekers zich in bedekte termen uitlaten, bedienen van verhullend taalgebruik, onderling afgesproken begrippen, bijnamen voor personen, coderingen voor afspreekplaatsen, verkapte verwijzingen naar eerdere gebeurtenissen en cryptische bewoordingen, waarbij ook intonatie en beklemtoning een belangrijke rol spelen.266

Concreet zijn onder meer de volgende gesprekken/sms-berichten geregistreerd (R=[verdachte], J=[medeverdachte 9] en P=[medeverdachte 7]):

[medeverdachte 9] en [verdachte] op 22 februari 2006, gesprek 00219: 267

R: nee, ik moest die papieren voor je ophalen toch?
J: ja
R: nou dat heb ik geregeld
J: oke. Maar in ieder geval. Morgen moeten we in ieder geval een ruimte vrij houden. Want ik heb die jongens gesproken. Dus nou ja. Ik hoop dat ik in ieder geval kan zeggen dat die 6 er staat, want die X5 is dus niet beschikbaar.
R: ja misschien staat er een andere, maar dan moet ik er morgen wel even naar toe rijden (…)
R: (…) als jij weg gaat met de auto, wie gaan er dan allemaal met je mee?
(…)
J: die plaaggeest. Die in ieder geval.
(…)
R: oke. Dat moet ik weten, want jij hebt 2 auto’s staan. Ik heb geen diesel op dit moment en dan neem ik even die X5.
J: o natuurlijk, dat zou wel kunnen ja.


[verdachte] en [medeverdachte 9] op 25 februari 2006, 13.18 uur, gesprek 00408: 268

J: nou is [naam 9] doorgereden naar Spanje… naar de persoon… en die kwam daar gisteravond aan en toen was [naam 10] (Fon) al dicht. Toen zei [naam 9] al: geef mij het geld even. Want die gozer was even weg. (…) dus nu zit [naam 9] in een huis.. en die gozer is er nog niet. (…) dus ik hoop ze snel mogelijk want hij moest even wat geld sturen en dan kan ik door naar Spanje.
R: ja
[medeverdachte 4]: anders was ik vandaag of gisteren al gegaan. Maar nu moet ik even wachten tot dat gebeurt.
R: ja (…)
R: ik dacht dat jij in eerste instantie daar naartoe zou gaan…
(…)
J: Ja dat klopt maar die gozer die ehhhh. Ja die heeft zijn verantwoordelijkheid weer eventjes niet genomen. Want ik zou er uiterlijk vandaag of gisteren al zijn.
R: ja.
(…)

[verdachte] en [medeverdachte 9] op 25 februari 2006, 19.54 uur, gesprek 443: 269

J: Ik ben benieuwd (…) hoe de dingen in elkaar over gaan lopen. Ik kan het je moeilijk uitleggen zo (…) dat leg ik later wel aan je uit.
(…)
R: Wat bedoelde je vanmiddag toen ehhh dat [naam 9] daar zat… jij bedoelde dat hij zonder geld zat?
J: Nee nee nee. Het is al geregeld. Maar ehhh… ik had eerder door kunnen gaan, maar er was iemand die kwam niet op tijd zijn afspraken na.
R: ja maar goed. Daar hebben we vaker last van.
J: daarom zit ik hier nog. Anders had ik daar gezeten.

[verdachte] en [persoon 50] (L) op 3 maart 2006, gesprek 916: 270

[persoon 50] zegt dat [naam 11] en zij hebben gepraat.
L: (…) al die opdrachten die we door.. eeh moesten krijgen. (…)
R: wat voor opdrachten heb je allemaal gehad dan?
L: nee, geen opdrachten, maar gewoon, over de telefoon enzo. Dat had zij ook doorgekregen.
R: wat?
L: dat wat jij tegen mij zei. Dat had zij ook doorgekregen.
R: jajajaja
(…)
L: (…) dat ze maar niets meer aan mij moet vragen. Gewoon over de telefoon.
R: maar het is toch wat ik al een beetje tegen jou zei, toch. Weet je.
L: ja dat zei zij precies hetzelfde. Meer eehm. (…) ik vind het zo moeilijk … ik weet niet wat ik tegen je mag zeggen.. moet zeggen (…)

[verdachte] en [persoon 36] (P) op 5 maart 2006, gesprek 01054: 271

R: Goeie verjaardag gehad?
P: ja was gezellig
R: (…) weet je wanneer hij terugkwam?
P: geen idee (…)
R: vraag of hij me wil bellen, want hij heeft hem weer uitstaan en ik zit te wachten op hoe en wat.
(…)
R: red jij het nog met een (1) auto?
P: jajaja

[verdachte] en [naam 12] (P) op 6 maart 2006, gesprek 01194: 272

P: (…) de man die reed die meldt zichzelf niet
(…)
R: die in de Mercedes zat?
P: ja
R: ja, dat is toch gewoon.. www… dat is mijn compagnon!
P: ja
R: ja hoezo, die meldt zich niet? Die zit in het buitenland.

[verdachte] en [persoon 36] op 14 maart 2006, gesprek 1809: 273

[verdachte] vraagt of [persoon 36] een auto nodig heeft, erbij. (…) [verdachte] heeft voor [persoon 36] die Colt turbo staan. [persoon 36] heeft alleen vrijdag een extra auto nodig. [verdachte] zal dat regelen.
(…)
[verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] wat geld heeft achtergelaten bij [persoon 36].
[persoon 36] zegt van niet.
[verdachte] zegt dat als [persoon 36] geld nodig heeft hij even iemand zal langsrijden.

[verdachte] en [medeverdachte 9] op 17 maart 2006, gesprek 02162: 274J: we hebben toen een keer iemand gezien. En daarna kwam hij met: ja maar [medeverdachte 4] had gezegd …1700.
R: jajaja
(…)
R: luister. Ik pak zo even bij iemand wat papier.. waar zit je?
J: In Tanger.
R: oke. Dat lukt voor 5 uur nog wel. Even iets…
J: nou pik. Al is het 200, dan vind ik het ook best! Want ik zit al drie dagen zonder geld en ik moet vanavond een afspraak maken met iemand.
R: nee dat is goed. Ik doe wel even 500 of zo.

Overigens

Tussen een telefoon van [medeverdachte 9] [nummer 16]) en een telefoon van [medeverdachte 7] ([nummer 17]) is in de periode van 16 tot 23 februari 2006 (een week) 90 keer contact geregistreerd.275

In een opgenomen gesprek tussen [verdachte] en zijn moeder en [persoon 53] op 24 september 2008 wordt het volgende gezegd: 276

[verdachte] denkt dat het goed gaat komen. Die ene gaat zijn mond houden. (…) [persoon 3] gaat blijven volhouden dat hij het niet wist.
(16.12.05)
[verdachte]: Alleen [persoon 2] zegt dat ie het wist. Maar ja, aan de andere kant, als ik daar op af ga dan krijg ik waarschijnlijk een “meer douw”. Kijk als ik alleen mijn verhaal vertel en hun erin betrek, dan laat ik in ieder geval mijn goede wil tonen. Kijk, ik ga niks over anderen zeggen. Dat doe ik niet. Dat heb ik al gezegd. Maar goed, luister, je moet niet vergeten: ik kom vrij, [medeverdachte 9] komt altijd bij mij op bezoek. Ik bedoel: een vriend laat je niet zakken. Nou ja, [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] is een vriend van me. Dus ja.
(…)
[persoon 53]: (…) Maar, dat moet ik wel eerlijk zeggen: Ik heb wel een paar keer van Jesse 500 gehad.
[verdachte]: Van [medeverdachte 4]?
[persoon 53]: Een keer of 3 of 4 geloof ik. Die gaf hij (onv)
[verdachte]: Ja, van [medeverdachte 4]. Maar [medeverdachte 4] is ook een goeie jongen. Dat is de enige goeie van die hele familie. Je kunt over hem denken hoe je over hem denkt. Maar om met hem om te gaan, het is echt een fijne jongen. Echt waar, dat meen ik echt. Echt.
Moeder [verdachte]: Maar hij schiet alleen iedereen dood.
[verdachte]: Nee, maar ik bedoel. Hij is iemand (onv) hoe erg het ook wordt, je laat elkaar niet vallen als je daarvoor gekozen hebt.

kijk ik heb toen ook altijd bij zijn vriendin geslapen, toen ik vrijkwam. Die waren er altijd voor mij. (…) Kijk, die [persoon 1], die liep te roepen door de hele stad van: Luister: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en ja, ik hoorde daarbij, dus ik loop op dat moment ook risico. In die context gaat het komen, begrijp je? (…)

Op 7 maart 2006 is geobserveerd dat [medeverdachte 9] te Amstelveen om 10.36 uur een ontmoeting heeft met [plaats].277

Op 3 augustus 2006 is [verdachte] in Spanje aangehouden, op 14 februari 2007 [medeverdachte 9] in Marokko.278

2 Beschouwing rechtbank

In het algemeen geldt naar vaste jurisprudentie dat aan de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, de gedachte ten grondslag ligt dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het doet er op zich niet toe of de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, zijn gepleegd dan wel pogingen zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of gepoogd te plegen of voorbereid). Niet is vereist dat een deelnemer aan de organisatie van enig concreet misdrijf waarop de organisatie ziet wetenschap heeft gehad. Het is wel nodig dat in zijn algemeenheid de deelnemer weet van de misdrijven die de organisatie op het oog heeft. Oogmerk betekent naaste doel, datgene wat men zich als direct gewild voorstelt. Een persoon is louter strafbaar vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Van deelnemen is sprake indien in feitelijke zin een bijdrage wordt geleverd aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor strafbare deelneming moet de deelnemer deze bijdrage opzettelijk, willens en wetens, leveren. Voorwaardelijk opzet is in dit verband onvoldoende.

Gelet op dit juridisch kader en de door de rechtbank toe te passen behoedzaamheid bij het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 7] kan, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, worden geconcludeerd dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 9] samen met [medeverdachte 7] in de periode van juli 2005 tot en met 3 augustus 2006 in Nederland een criminele organisatie hebben gevormd die tot oogmerk had het plegen van moorden. Er zijn diverse aanwijzingen dat [verdachte] en [medeverdachte 9] mogelijk al vanaf 2002 een criminele organisatie vormden, maar eerst vanaf juli 2005 kan worden vastgesteld – op grond van de verklaringen van [medeverdachte 7], alsmede ander, zelfstandig bewijs – dat deze organisatie moorden op het oog had. De rechtbank acht daarom 1 juli 2005 als begindatum bewezen. Dat andere, zelfstandige bewijs kan in het bijzonder niet worden gevonden in de [H]-zaak uit 2003. Het voorhanden hebben door [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] van vuurwapens en munitie wijst weliswaar in de richting van zware criminaliteit, levensdelicten daaronder niet uitgesloten, maar rechtens is niet vast te stellen, los van de verklaringen van [medeverdachte 7], dat door verdachten toen al werd beoogd met deze (of andere) wapens moorden te begaan.

De rechtbank overweegt dan nog voorts over de bewezenverklaarde samenwerking als volgt.

Uit de verschillende bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 9] een samenwerkingsverband vormden met een zekere duurzaamheid en structuur dat zich liet inhuren om tegen betaling diverse moorden te plegen. Daarbij hebben ze met elkaar én met [medeverdachte 7] samengewerkt bij het plegen van de misdrijven waarop de organisatie het oog had. De beoogde moorden zijn ook daadwerkelijk gepleegd, gepoogd te plegen en/of (al dan niet in strafrechtelijke zin) voorbereid.

Dat [verdachte] en [medeverdachte 9] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie kan op grond van de verklaringen van [medeverdachte 7], [persoon 4] en [persoon 2], alsmede diverse beslag- en telecomgegevens worden vastgesteld.

Uit deze verklaringen en onderzoeksbevindingen blijkt dat [medeverdachte 9], [verdachte] en [medeverdachte 7] medio 2005 begonnen zijn uitvoering te geven aan een eerder in 2002 door [verdachte] en [medeverdachte 9] gemaakte afspraak om tegen betaling moorden (door hen aangeduid als “klussen”) te gaan plegen. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hebben in dat verband samen in november 2005 [persoon 8] vermoord, waarna ze ook uitbetaald hebben gekregen. Zij hebben voorts in datzelfde jaar, ook samen met [verdachte] na diens vrijlating, diverse voorverkenningen gedaan in verband met beoogde liquidaties van [persoon 5] en Imac, alsmede diverse pogingen ondernomen om [persoon 1] te vermoorden. [verdachte] is ten behoeve van de moordopdracht op [persoon 1] en [persoon 5] op een gegeven moment anderen gaan recruteren als schutters. Nadat [persoon 4] afhaakte zijn [persoon 2] en [persoon 3] benaderd. [verdachte] heeft hen, ook samen met [medeverdachte 9], uitgelokt de moord op [persoon 1] uit te voeren, hen van vuurwapens en een voertuig voorzien en geïnstrueerd.

De samenstelling van het samenwerkingsverband was bij dit alles wisselend. De periode dat [verdachte] vanwege detentie niet actief meedeed aan de criminele activiteiten van zijn mededaders doet overigens niet af aan de hem verweten deelneming binnen de organisatie, gelet op de bepalende rol die [verdachte] vóór zijn detentie heeft gespeeld bij het aangaan van de lijst, alsmede, eenmaal op vrije voeten, bij de uiteindelijke uitvoering van de moord op [persoon 1].

Voorts lijkt [medeverdachte 9] de spil te zijn geweest binnen dit samenwerkingsverband, nu in de onderlinge verhoudingen [medeverdachte 9] het meest contact onderhield met enerzijds [medeverdachte 7] en anderzijds met [verdachte]. Laatstgenoemden hebben wel ook samengewerkt en waren op de hoogte van ieders bijdrage aan de organisatie.

Verdachten troffen voorts in hun onderlinge communicatie diverse maatregelen, kennelijk om voor politie en justitie te verhullen dat men met criminele activiteiten bezig was. Er werd over de telefoon versluierd gesproken en er werd gewerkt met codering van telefoonnummers en zogenaamde 1-op-1-netwerken. Ook lijkt sprake van een zekere mate van onderlinge verzorging. Er werd voor elkaar en de partners onderdak en/of voertuigen geregeld en men ondersteunde elkaar ook financieel, bijvoorbeeld bij verblijf in buitenland of bij detentie.

Tot slot lijkt ook door verdachten zelf het werkverband te worden onderkend. Afgezien van [medeverdachte 7] die uitgebreid heeft verklaard over de samenwerking, de onderlinge rolverdeling en afspraken, heeft ook [medeverdachte 9] in zijn Marokko-verklaring gesproken over “een groep van zeer zware criminelen”, waarin hij naar eigen zeggen geïnfiltreerd is, om vervolgens te spreken over betrokkenheid van [verdachte] bij de liquidatie op [persoon 1]. [verdachte] zegt in een OVC-gesprek dat [medeverdachte 9] zijn vriend is, je elkaar niet laat vallen als je daarvoor gekozen hebt en over [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] “ik hoorde daarbij”. [persoon 4] en [persoon 2] praten tot slot over een hechte samenwerking tussen [verdachte] en diens compagnon, [medeverdachte 9].

Naar het oordeel van de rechtbank leidt al het voorgaande, op zichzelf en/of in onderlinge samenhang beschouwd, tot de slotsom dat [verdachte] en [medeverdachte 9] zich schuldig hebben gemaakt aan de bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van moorden.

3.5

[C]

1 Vaststelling feiten

1.1

Verklaringen verdachten en getuigen

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat de zaak ‘[C]’ speelde toen [verdachte] in Scheveningen gedetineerd zat en [medeverdachte 7] bij [persoon 41] verbleef in Amstelveen. [medeverdachte 7] wist toen nog niet wie [verdachte] was.279 Op verzoek van [persoon 54] heeft [medeverdachte 7] [verdachte] in het Huis van Bewaring enkele malen bezocht om hem een boodschap van [persoon 52] over te brengen.280 [medeverdachte 7] kreeg van [verdachte] op enig moment een briefje met daarop de plaatsnaam [plaats] en de naam van een man, [persoon 7]. Ook gaf [verdachte] [medeverdachte 7] het telefoonnummer van een Albanees, die voor [verdachte] die [persoon 7] moest liquideren. [verdachte] zou daarvoor €50.000 betalen, op krediet.281[medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij een paar dagen later de Albanees, die zich voorstelde als [persoon 6], bij de McDonald’s in Durgerdam heeft ontmoet. Daar heeft hij [persoon 6] de boodschap van [verdachte] doorgegeven en hem verteld dat hij voor de liquidatie van [persoon 7] 50.000 euro zou krijgen.282 Later ontmoette [medeverdachte 7] deze [persoon 6] weer, in het parkje tussen de Van Leijenberglaan en het Novotel in Amsterdam.283 [persoon 6] vroeg [medeverdachte 7] toen om een uzi en een handwapen, 50.000 euro en een auto ten behoeve van de liquidatie.284 Nadat [medeverdachte 7] deze wensen aan [verdachte] had doorgegeven, vertelde [verdachte] [medeverdachte 7] dat hij diezelfde dag nog een afspraak voor [medeverdachte 7] had gemaakt in Scheveningen om bij iemand een Uzi op te halen.285 [medeverdachte 7] zou in een parkeergarage in Scheveningen een Uzi van iemand ontvangen, die hij vervolgens aan [persoon 6] kon geven. [medeverdachte 7] heeft in de parkeergarage op die persoon staan wachten, maar die is nooit komen opdagen.286[medeverdachte 7] heeft begrepen dat [persoon 7] dood moest, omdat hij voor [persoon 52] en [verdachte] belastende verklaringen had afgelegd.287

Getuige [persoon 6] heeft op 3 februari 2005 tegenover de politie verklaard dat hij enkele weken daarvoor door [verdachte] was gebeld, die op dat moment in de gevangenis zat. [verdachte] vertelde [persoon 6] dat hij het telefoonnummer van [persoon 6] aan een kennis had gegeven, die hem zou gaan bellen. [persoon 6] heeft verklaard dat die kennis hem vandaag, op 3 februari 2005, belde en zichzelf [naam 13] noemde. Op verzoek van [naam 13] hebben zij elkaar bij de McDonald’s, bij de afslag Landsmeer op de Ring Amsterdam-Noord, ontmoet. Daar vertelde [naam 13] dat [verdachte] problemen had met iemand die een verklaring over [verdachte] zou hebben afgelegd. Deze persoon heette [persoon 7], of iets wat daarop lijkt. Het kwam er volgens [persoon 6] op neer dat hij die [persoon 7] zou moeten afschieten in opdracht van [verdachte].288 Op 22 december 2008 heeft [persoon 6] in het kader van een rechtshulpverzoek in Italië ten overstaan van de rechter-commissaris aldaar de ontmoeting bij een McDonald’s in Amsterdam, en later in de buurt van de RAI, met een vriend van [verdachte] bevestigd. Die vriend van [verdachte] vertelde dat [verdachte] een probleem had met iemand, wiens naam hem nu niet meer te binnen schiet, die in het midden van Nederland woonde en die bij de politie belastend over [verdachte] had verklaard. Die vriend van [verdachte] vertelde dat [verdachte] wilde dat hij, [persoon 6], die persoon voor [verdachte] zou ombrengen.289 Het is mogelijk dat hij en die vriend het bij de tweede ontmoeting ook over wapens hebben gehad.290

Getuige [persoon 7] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij eerder al redenen heeft genoemd waarom hij denkt dat [verdachte] hem dood wil. Een reden is dat hij tegen [persoon 52], [medeverdachte 4] en [verdachte] over de wapenvondst (de rechtbank begrijpt: de zaak ‘[H]’) een verklaring heeft afgelegd. Hij weet teveel over deze mensen.291

Naar aanleiding van de verklaring van [persoon 6] d.d. 3 februari 2005 is door de politie op 9 februari 2005 een gesprek gevoerd met [verdachte], waarbij [verdachte] is verteld dat er informatie aanwezig was dat hij bezig zou zijn met het organiseren van een afrekening. [verdachte] deelde hierop mede dat hij verwachtte dat deze informatie uit de hoek van [persoon 7] kwam, omdat [persoon 7] een verklaring van circa dertig kantjes had afgelegd die belastend was voor [verdachte].292

[verdachte] heeft als verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2009 verklaard dat hij in 2004/2005 gedetineerd zat in Scheveningen. [verdachte] heeft verklaard dat hij op verzoek van [persoon 54] en [persoon 41] een kennis van [medeverdachte 4] - naar later bleek [medeverdachte 7] - op de bezoekerslijst heeft aangemeld. Naar aanleiding van het bezoek van [medeverdachte 7] heeft [verdachte] aan [persoon 6], die hij al sinds 1998 kent, gevraagd of hij het goed vond als iemand contact met hem zou opnemen. Dat was begin januari 2005. Toen [persoon 6] daarmee instemde heeft [verdachte] aan [medeverdachte 7] een papiertje overhandigd met daarop de naam [persoon 6] en het telefoonnummer van [persoon 6].293

1.2

Overige onderzoeksbevindingen

Bij het uitkijken van de beelden van de beveiligingscamera van de McDonald’s aan de IJdoornlaan te Amsterdam-Noord van 3 februari 2005 ziet verbalisant twee mannen de McDonald’s binnenkomen. Verbalisant herkent een van de mannen als de haar ambtshalve bekende [persoon 6].294 Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 7] diezelfde beelden bekeken en zichzelf op de beelden herkend.295

Op 7 februari 2005 wordt tijdens een politieobservatie waargenomen dat [persoon 6] op de Boelelaan te Amsterdam, ter hoogte van het Novotel, staat te praten met een onbekende man, hierna: NN1. Aan observanten zijn de camerabeelden van de McDonald’s aan de IJdoornlaan te Amsterdam van 3 februari 2005 ter beschikking gesteld. Observanten stellen vast dat de door hen geobserveerde NN1 dezelfde persoon is als de persoon op de camerabeelden van de McDonald’s.296 In een proces-verbaal van bevindingen van 25 juni 2007 herkent verbalisant T054 op zowel de observatiefoto’s van 7 februari 2005 als op de camerabeelden van de McDonald’s van 3 februari 2005 de hem ambtshalve bekende [medeverdachte 7].297 Verbalisant T029 herkent op de camerabeelden van de McDonald’s van 3 februari 2005 de hem ambtshalve bekende [medeverdachte 7].298

Op 3 augustus 2006 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in perceel [adres 4] te [plaats], zijnde de woning van [verdachte].299 Tijdens deze doorzoeking is een ordner gevonden met daarin onder andere een proces-verbaal van getuigenverhoor van [persoon 7], waarin hij, naar het oordeel van verbalisanten, onder meer belastend verklaart over [verdachte].

2 Beschouwing rechtbank

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte 7] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan een poging tot uitlokking van [persoon 6] om [persoon 7] te vermoorden. [verdachte] heeft [medeverdachte 7] verzocht om [persoon 6] te benaderen om hem te bewegen om [persoon 7] te liquideren, omdat deze een voor [verdachte] belastende verklaring zou hebben afgelegd. [medeverdachte 7] heeft [persoon 6] daarop het verzoek van [verdachte] alsmede de naam en woonplaats van [persoon 7] doorgegeven, en daarbij namens [verdachte] tevens een beloning van 50.000 euro in het vooruitzicht gesteld.

De verdediging van [medeverdachte 7] heeft vrijspraak van [medeverdachte 7] bepleit, nu bij [medeverdachte 7] het opzet heeft ontbroken om [persoon 6] daadwerkelijk te bewegen om de liquidatie van [persoon 7] uit te voeren. Voor [medeverdachte 7] stond van meet af aan vast dat hij het nooit tot een liquidatie zou hebben laten komen en de uitvoering ervan op enig moment zeker zou hebben belemmerd. [medeverdachte 7] heeft aan [persoon 6] weliswaar informatie verschaft op grond waarvan [persoon 6] het feit had kunnen plegen, maar aan de andere door [persoon 6] gestelde voorwaarden om de liquidatie uit te voeren is niet voldaan en [medeverdachte 7] is ook nooit voornemens geweest om aan die voorwaarden te voldoen. Daarmee is in de visie van de verdediging tevens sprake van een absoluut ondeugdelijke poging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat het - indirect door [verdachte] en direct door [medeverdachte 7] - verstrekken van de benodigde inlichtingen over het beoogde slachtoffer en het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van 50.000 euro aan [persoon 6] naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden beschouwd als een voltooide poging tot uitlokking van [persoon 6] om de moord op [persoon 7] te plegen. Van de zijde van [medeverdachte 7] zijn ook geen gedragingen vast te stellen die erop waren gericht om hierna de moord door [persoon 6] (actief) te voorkomen. Door [persoon 6] van de benodigde informatie te voorzien om het feit te kunnen plegen heeft [medeverdachte 7] de kans aanvaard dat [persoon 6] (zelfstandig) tot uitvoering van de opdracht zou overgaan. Dat de leverancier van de Uzi niet kwam opdagen is een van de wil van [medeverdachte 7] onafhankelijke omstandigheid.

[verdachte] heeft ter terechtzitting gesteld dat [medeverdachte 7] hem inderdaad in het Huis van Bewaring heeft bezocht, maar dat dit was met een verzoek om twee vuurwapens. [verdachte] heeft toen [medeverdachte 7] daarop bij een volgend bezoek een briefje met daarop de naam en het telefoonnummer van [persoon 6] gegeven die daarin zou kunnen voorzien. De rechtbank oordeelt dat deze alternatieve lezing wordt weerlegd door de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte 7] en [persoon 6] zelf.



G. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



H. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


I. Motivering van de straf en maatregelen

1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaak A onder 1 primair, 2, 3 en 4, in zaak B, en in zaak C onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

2 De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op grond van het dossier en de documentatie kan vastgesteld worden dat [verdachte] een zware beroepscrimineel is. Zijn criminele activiteiten in deze strafzaak concentreren zich op liquidaties, meestal in georganiseerd verband. Zo is bewezen verklaard dat hij twee liquidaties heeft geprobeerd uit te lokken en een derde, geslaagde, liquidatie heeft georganiseerd en aangestuurd. In alle gevallen ging het om een zakelijke moord in het criminele milieu.

De manier waarop de uiteindelijk uitgevoerde moord door hem is aangepakt is zo mogelijk nog laakbaarder dan bij dergelijke liquidaties gebruikelijk. Verdachte heeft de moord aanvankelijk willen laten uitvoeren door een tot dan toe tamelijk onschuldige vriend van hem, die huiselijke klusjes bij hem verrichtte. Toen die zich terugtrok heeft hij twee willekeurige in het criminele milieu nog onbekende jongens, die hij bij toeval tegen het lijf liep, gerekruteerd om de moord uit te voeren tegen een forse geldelijke beloning. Toen die jongens al enigszins geïnvolveerd waren heeft hij ze onder druk gezet door dreiging met grof geweld.

Dat deze moord onherstelbaar leed heeft toegebracht aan de nabestaanden en grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt hoeft geen betoog.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten categorisch ontkend en de rechtbank heeft er geen enkel vertrouwen in dat verdachte zich transformeert tot een nette burger.

Behalve vergelding is derhalve ook bescherming van de maatschappij een belangrijke pijler waarop bepaling van de straf steunt.

De rechtbank komt dan tot het oordeel dat in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren passend is.

Toetsing aan het vereiste van een redelijke termijn

Nu namens [verdachte] in de loop van het proces herhaaldelijk is geklaagd over de lange duur daarvan, zal de rechtbank op kenbare wijze beoordelen of de berechting van verdachte heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De rechtbank onderkent dat er sinds de eerste vervolgingshandeling (de aanhouding van [verdachte] op 17 augustus 2006) uitzonderlijk veel tijd is verstreken tot het tot een uitspraak in eerste aanleg kwam. Niettemin is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat verdachte niet binnen een redelijke termijn is berecht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad zijn voor de beantwoording van de vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd, van belang de complexiteit van de zaak, de activiteiten van de nationale autoriteiten en het gedrag van de verdachte. Een absolute maximale termijn voor de behandeling in één instantie kan uit de jurisprudentie niet worden afgeleid.

Tot de ingewikkeldheid van de zaak kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte. Tot de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.300

Vaststaat dat het proces [X] door een aantal factoren uitermate complex is geweest. Die ingewikkeldheid werd deels veroorzaakt door het aantal van en de samenhang tussen de veelal complexe en om behandeling op hoog detailniveau vragende deelonderzoeken, welke betrekking hadden op steeds wisselende (groepen van) verdachten. Het proces kenmerkte zich verder door een veelheid aan overkoepelende, feitelijk en/of juridisch complexe vragen inzake onder meer de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de rechtmatigheid van de met [medeverdachte 7] gesloten overeenkomst, de rol van de [persoon14-weglatingen] en het getuigenbeschermingstraject hierin, alsmede de bruikbaarheid in de ruimste zin des woords van de verklaringen van de kroongetuige en diverse andere, onder wie anonieme bedreigde, getuigen.

Van onverklaarbare vertragingen tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk vooronderzoek is niet gebleken. Wel heeft de rechtbank het, gelet op de grote belangen die in het [X-proces] speelden, van meet af aan noodzakelijk geacht om uiterst zorgvuldig te werk te gaan en partijen ruimschoots de gelegenheid te geven om bij te dragen aan de feitelijke en juridische waarheidsvinding. Vanaf mei 2007, toen de eerste onderzoekswensen van de verdediging binnen kwamen, is de rechtbank vrijwel ononderbroken met de zaak bezig geweest. Vanaf juni 2007 tot februari 2009 is, vooral op verzoek van de verdediging, door twee rechters-commissarissen van wie er één geruime tijd vrijwel volledig beschikbaar is geweest voor [X], een zeer groot aantal getuigen gehoord. Vanaf februari 2009 is een hiertoe volledig uitgeroosterde zittingscombinatie vrijwel onafgebroken met de zaak bezig geweest. Een overzicht van zittingsdagen is aan dit vonnis gehecht.

Het proces is door diverse factoren vertraagd. Het openbaar ministerie heeft twee nieuwe getuigen naar voren gebracht: de anonieme bedreigde getuige Q5 en de getuige Wolzak. De verdediging van enkele medeverdachten bracht de getuigen F1, F3 en NN1 in. De status van deze getuigen is voorwerp geweest van debat en/of afzonderlijke procedures. Enkele van de getuigen zijn zeer uitgebreid gehoord ter terechtzitting. De verklaringen van de F-getuigen hebben ertoe geleid dat de rechtbank op verzoek van de verdediging de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij de moord op [persoon 11] - een dealfeit - ter terechtzitting heeft onderzocht, hoewel deze moord aan geen enkele verdachte ten laste was gelegd.

Een andere oorzaak van vertraging was de invoeging van de zaak tegen [medeverdachte 8] in het [X-proces]. De rechtbank heeft hiermee, zoals verwoord in de tussenbeslissing van 19 oktober 2010, ingestemd omdat zij juist vanwege de complexiteit van het proces en de veelheid van overkoepelende vragen, behandeling door één zittingscombinatie per instantie voor de hand liggend en wenselijk achtte. Waar met het onderzoek ter terechtzitting reeds zeer veel tijd gemoeid was geweest, diende naar het oordeel van de rechtbank in de zaak tegen [medeverdachte 8] te worden voortgebouwd op de reeds opgebouwde kennis en expertise bij de rechtbank, tenzij zulks zich niet zou verdragen met het recht op een eerlijk proces van verdachte [medeverdachte 8] of de medeverdachten. Daarbij was ook van belang dat [medeverdachte 8] ervan werd beschuldigd, met een aantal medeverdachten (waaronder [verdachte]) een criminele organisatie te hebben gevormd, waarover de rechtbank zich bij het eindvonnis van die medeverdachten ook zou moeten uitlaten.

[medeverdachte 7] heeft op een aantal momenten gedurende enige tijd geweigerd verder te verklaren in verband met perikelen rondom zijn getuigenbeschermingsprogramma. De raadslieden van enkele medeverdachten hebben die gelegenheden steeds aangegrepen om nader onderzoek te vragen naar de gang van zaken binnen dit programma en aldus een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nader te onderbouwen, waarmee op zichzelf ook weer tijd gemoeid was. Onder die omstandigheden is hier geen sprake van ongemotiveerde vertragingen.

Gelet op de complexiteit van het proces zijn er ook met het formuleren van de uiteindelijke standpunten door partijen diverse maanden gemoeid geweest. Vervolgens heeft de rechtbank een aantal maanden nodig gehad om tot een vonnis te komen.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de duur van het proces inherent aan de aard ervan. Dat [verdachte] zich op enig moment uit het proces heeft teruggetrokken maakt dit in zijn geval niet anders. De rechtbank onderkent dat de meeste onderzoekswensen door de raadslieden van slechts enkele medeverdachten zijn ingediend. De raadslieden van de andere verdachten hebben zich bij slotpleidooi echter allen aangesloten bij de verweren van eerstgenoemde raadslieden op het punt van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de kroongetuige. De ingediende onderzoekswensen strekten voor het overgrote deel ter onderbouwing van die verweren. Ook naar het oordeel van de rechtbank waren de door eerstgenoemde raadslieden geadresseerde onderwerpen van zaaksoverstijgend belang. De rechtbank heeft deze dan ook ambtshalve betrokken bij haar overwegingen in de zaak tegen [verdachte]. De samenhang tussen de zaken noopte er verder toe, tegen alle verdachten op de zelfde dag vonnis te wijzen.

Tegen de achtergrond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden, zodat strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde is.

De slotsom is dat de rechtbank genoemde passend geachte straf, die ook geboden is, zal opleggen.

3 Beslag

3.1

Onttrekking aan het verkeer

Alle in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen als genoemd op de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (nummers 38 t/m 47, 58 en 59), dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het hiervoor bewezen geachte en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.


J. Benadeelde partijen

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 56]

De vordering

Benadeelde partij [persoon 56] heeft een bedrag van € 10.000,- gevorderd (shockschade).

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gerequireerd tot toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of deze vordering op basis van de geldende jurisprudentie in aanmerking kan komen en overweegt in dit kader als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [persoon 56] als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schade als shockschade aan te merken. Benadeelde arriveerde kort na de liquidatie van [persoon 1] bij café [naam A] en werd daar geconfronteerd met het op dat moment in volle gang zijnde politieonderzoek naar de dood van haar vader. Zij had een innige band met haar vader, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring van 31 maart 2009. Uit een brief van dr. [persoon 55], arts/systeemtherapeut bij GGZ [locatie], afdeling Jeugd- en Jongerenpsychiatrie, van
26 oktober 2009 blijkt dat benadeelde als gevolg van de gewelddadige dood van haar vader geestelijke schade heeft opgelopen. Het betreft een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Benadeelde partij heeft hiervoor gedurende langere tijd medicatie voorgeschreven gekregen.

De rechtbank waardeert de door benadeelde partij geleden schade op een bedrag van

€ 10.000,- (tienduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 56] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 57]


De vordering

Benadeelde partij [persoon 57] heeft een bedrag van € 1.576,32 gevorderd (materiële schade).

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [persoon 57] zich leent voor behandeling in het strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 57] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 58]


De vordering

Benadeelde partij [persoon 58] heeft een bedrag van € 9.143,59 gevorderd (materiële schade).

Standpunten partijen

Het openbaar ministerie heeft gerequireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, na matiging van de afkoop van het grafonderhoud tot € 2.750,-, zijnde ruim één derde van het gevorderde bedrag. Daarnaast acht het openbaar ministerie de retributie in verband met het graf voor het jaar 2006 niet toewijsbaar.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [persoon 58] zich leent voor behandeling in het strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat alle door benadeelde partij [persoon 58] gevorderde kosten naar hun aard vallen binnen de reikwijdte van de kosten van de lijkbezorging, en dat deze - mits in redelijkheid gemaakt - voor toewijzing in aanmerking komen. Gelet op dat laatste zal de rechtbank de kostenpost in verband met de afkoop van het grafonderhoud matigen tot 2.750,-. De rechtbank waardeert de totaal geleden schade op een bedrag van € 4.013,59 (vierduizend dertien euro en negenenvijftig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 58] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 59]


De vordering

Benadeelde partij [persoon 59] heeft op 5 februari 2009 een bedrag van € 31.863,51 gevorderd. Het betrof toen materiële schade, shockschade (€ 15.000,-) en kosten rechtsbijstand. Op 30 september 2011 heeft de advocaat van benadeelde partij de vordering in verband met shockschade verhoogd naar € 25.000,- . Op 15 maart 2012 heeft hij het materiële deel van de vordering ingetrokken, daar dit bij de (inmiddels onherroepelijke) veroordeling van de uitvoerders van de moord reeds is toegewezen. De vordering betreft derhalve alleen nog het bedrag van € 25.000,- aan shockschade.

Standpunten van partijen

Het openbaar ministerie heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor zover die ziet op shockschade, en tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van
€ 10.000,-, daar het volgens het openbaar ministerie in feite om het ruimere begrip van immateriële schade gaat.

De verdediging van [medeverdachte 9] heeft niet-ontvankelijkheid bepleit daar de vordering feitelijk shockschade betreft en een psychiatrisch rapport ter onderbouwing ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de onderhavige vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het betreft feitelijk een beroep op shockschade, terwijl de onderbouwing van een psychiatrisch rapport ontbreekt. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


K. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 46, 46a, 47, 55, 57, 140, 289 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 WWM.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


L. Beslissing

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in zaak C onder 2 voor wat betreft de zinsnede “de overtreding van de artt. 9, 22, 26, 31 juncto 55 Wet wapens en munitie” nietig.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, het in zaak B en het in zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder F is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 subsidiair bewezen verklaarde


medeplegen van het door beloften en het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk uitlokken van moord

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde


medeplegen van voorbereiding tot moord

Met betrekking tot de WWM-component in voornoemd feit geldt eendaadse samenloop van:

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde


1. medeplegen van voorbereiding tot moord

1. medeplegen van voorbereiding tot moord

ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde


2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

en

3. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

3. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

ten aanzien van het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde


poging om een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen en door bedreiging te bewegen een moord te begaan

ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde


poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen en door bedreiging te bewegen een moord te begaan

ten aanzien van het in zaak C onder 1 primair bewezen verklaarde


medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen een moord te begaan


ten aanzien van het in zaak C onder 2 bewezen verklaarde

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen misdrijven

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, genummerd 38 t/m 47, 58 en 59 op de beslaglijst.

Wijst toe de vordering van [persoon 56] tot € 10.000,- (tienduizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 56] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 56], € 10.000,- (tienduizend euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 85 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [persoon 57] tot € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 57] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 57], € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [persoon 58] tot € 4.013,59 (vierduizend dertien euro en negenenvijftig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 58] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 58], € 4.013,59 (vierduizend dertien euro en negenenvijftig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 50 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 59] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.C. Lauwaars, voorzitter,
mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en M.A.H. van Dalen-van Bekkum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.O. Markenstein en L. Creuwels, griffiers,
en mr. R.H. Mulderije, rechter als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet RO,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2013.

1 HR 4-1-2011, LJN BM 6673, ro. 3.2.2

2 TK 1998-1999, 26269, nrs. 4-5, pag. 59

3 TK 1998-1999, 26269, nr. 5

4 EK 2000/2001, 26294, 379

5 Stcrt. 20 juli 2001, nr. 138, pag. 8

6 Brief van 1 juli 2004, TK 2003/2004, 28017 en 26294, nr. 6

7 Handelingen 8-9-2004 pag. 96-6191 tot 96-6214

8 TK 2004-2005, 28017 en 26 294, nr. 8

9 EK 2004-2005, 26294 en 28017, E

10 Handelingen EK 10 mei 2005, pag. 25-1089”en 1090 : De CDA-fractie gaf te kennen dat haar oorspronkelijke twijfel op dit punt was vervallen door een advies van prof. Buruma, destijds hoogleraar strafrecht in Nijmegen, die de CDA-fractie “in zeer stellige bewoordingen heeft voorgehouden dat zij een vrees heeft die niet terecht is, omdat artikel 167 Sr nu eenmaal een zeer ruime bevoegdheid impliceert en alle andere beslissingen en bevoegdheden van het OM daar afgeleide van zijn.” Sommige andere fracties behielden twijfels op dit punt en de VVD-fractie pleitte voor spoedige aanvullende wetgeving omdat men er niet voor voelde “onzekerheid te laten bestaan in de zone tussen de wetgevende en de rechtsprekende machten”.

11 Zie de processen-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 26 februari 2007, doc.nr. 000243, van 14 augustus 2008, doc.nr. 006206 en van 1 september 2008, doc.nr. 007285.

12 Processen-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 14 augustus 2008 doc.nr. 006206 en van 1 september 2008, doc.nr. 007285.

13 Proces-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 11 juni 2010, doc.nr.011613.

14 Verklaring CIE-officier van justitie mr. De Haas als getuige op zitting van 1 november 2011, zie proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 9.

15 Proces-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 10 oktober 2011.

16 Proces-verbaal van 10 oktober 2011, de verklaring van mr. De Haas als getuige ter zitting van 1 november 2011, pagina 3 van het zittingsproces-verbaal en ter zitting van 8 november 2011, pagina 26 zittingsproces-verbaal.

17 Verklaring van mr. De Haas op de terechtzitting van 8 november 2011, zie pagina 33 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal en een brief van mr. Hofstee van 12 december 2011, doc.nr. 012179.

18 Proces-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 10 oktober 2011.

19 Verklaring mr. De Haas als getuige op zitting van 1 november 2011, pagina 6 zittingsproces-verbaal en op zitting van 8 november 2011, pagina 4 en 26 zittingsproces-verbaal.

20 HR 8 juni 1999, NJ 1999, 773.

21 Zie Wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de herziening van de regels inzake de processtukken, de verslaglegging door de opsporingsambtenaar en enkele andere onderwerpen (hierna: Wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken), kamerstuk II, 2009/10, 32 468, nr. 3, pagina 29-30.

22 Zie Wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (32 468), MvT pag. 2.

23 Vgl. HR 19 december 1996, 249, HR 5 oktober 2010, LJN BL 5529 en HR 5 december 1995, NJ 1996, 422, alsmede voorts Wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (32 468), MvT pag. 15.

24 Zie kamerstukken 30 164, MvT pag. 17 en voor de Aanwijzing: Stcrt. 2011, 3240.

25 Dev Sol: HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687 (met betrekking tot fotoboeken); zie ook voor een overzicht de noot van AG mr.Aben bij HR 25 mei 2010 (HR art. 81 RO) en bij HR 28 september 2010 (HR art. 81 RO)

26 Voor de volledigheid: naast de officier van justitie heeft ook de rechter-commissaris een taak bij de samenstelling van het procesdossier wat betreft de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek en ook de zittingsrechter kan alsnog - ambtshalve, op verzoek verdediging of op vordering van het openbaar ministerie - de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten. De verdediging tot slot kan ook zelfstandig stukken produceren die, mits relevant, aan het dossier moeten worden toegevoegd.

27 Zie: HR 21 januari 1997, LJN ZD0618 (strafdossiers medeverdachten); HR 21 oktober 1997, LJN ZD0832 (video-opnamen); HR 20 juni 2000, LJN AA6245 (CTC-stukken); HR 22 januari 2008, LJN BA7648 (anonieme brief in ontnemingszaak); HR 16 juni 2009, LJN BI1430 (ATV-stukken) en HR 28 september 2010 (HR 81 RO).

28 Vgl. Hof Leeuwarden 4 februari 2003, LJN AF3811 en Hof ’s-Gravenhage 5 juli 2007, LJN BA9082.

29 Artikel 149a Sv luidt: “Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.” Nieuw artikel 149b, eerste lid, luidt dan: “de officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.”

30 Zie de zaak Edwards, EHRM 16 december 1992, NJCM-bull. 1993, blz. 449.

31 Zie de zaak Fitt, EHRM 16 februari 2000, LJN AP0623 (geen schending) en zaak P.G. en J.H. tegen Verenigd Koninkrijk, EHRM 25 september 2001, LJN AN9273 (geen schending), maar ook zaak Edwards en Lewis EHRM 27 oktober 2004, LJN AR7303 (wel schending).

32 Zie de zaak Rowe en Davis, EHRM 16 februari 2000, LJN AD0949, paragraaf 63.

33 Zie kamerstukken 26 294: amendement nr. 21 van 29 maart 2001, bestandsnummer KST52327, verslag wetgevingsoverleg op 2 april 2001, pagina’s 4, 27, 29, 40 en 43, bestandsnummer KST52441, brief van Minister van Justitie inhoudende reactie op het bewuste amendement nr. 21, bestandsnummer KST52462, alsmede gewijzigd voorstel van wet van 5 juli 2001, bestandsnummer KST54876.

34 Vgl.Hof Amsterdam 13 april 2010, LJN BP2459 en HR 13 januari 2009, LJN BG1656.

35 Proces-verbaal van CIE-officieren van justitie mrs De Haas en Zwinkels van 30 september 2011, doc.nr. 012176, alsmede de processen-verbaal van CIE-officier van justitie mr. De Haas van 26 februari 2007, doc.nr. 000243, 14 augustus 2008, doc.nr. 006206, 1 september 2008, doc.nr. 007285 en 10 oktober 2011.

36 Proces-verbaal van 26 februari 2007 van CIE-officier van justitie mr. De haas, doc.nr. 000243.

37 Proces-verbaal van 9 januari 2012 van CIE-officier van justitie mr. De Haas, doc.nr. 012216, alsmede het proces-verbaal van dezelfde officier van 26 februari 2007, doc.nr.000243.

38 Proces-verbaal van 14 augustus 2008 van CIE-officier van justitie mr. De Haas, doc.nr. 006206.

39 Kamerstuk II, 2009/10, 32 468, nr. 3, pagina 29-30.

40 Zie het stuk “Schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op onderzoekswensen [medeverdachte 8] (2e regiezitting)”, dd 29 maart 2011, pagina 2.

41 Vergelijk deelrequisitoir “Criminele organisatie” van 25 mei 2012, pagina 19.

42 Zie tussenbeslissing van deze rechtbank van 18 april 2011.

43 Zie pleitnotities mr. Meijering van 10 maart 2011, pagina’s 31 en 32 en van 5 april 2011, pagina’s 46 en 47.

44 Zie de tussenbeslissing van deze rechtbank van 12 april 2012.

45 Proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2002, doc.nr. 011924, proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2002, doc.nr. 011925 en een geschrift, zijnde een sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut van de sectie verricht op 10 april 2002, opgemaakt door arts en patholoog [persoon 60] op 18 februari 2003, doc.nr. 12096

46 Proces-verbaal van de verklaring van getuige [medeverdachte 7] van 31 oktober 2006, kluisverklaring 9, opgemaakt op 6 november 2006, doc.nr. 000415, proces-verbaal van getuige [medeverdachte 7] van 19 maart 2007, afgelegd bij de rechter-commissaris, doc.nr. 000432

47 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] van 26 november 2010 (ochtend), opgemaakt op 30 november 2010, doc.nr. 011834, p. 11 e.v., proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] van 26 november 2010 (middag), opgemaakt op 6 december 2010, doc.nr. 011837 en proces-verbaal van terechtzitting van 2 en 9 december 2010, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 9] van 9 december 2010, dig. p. 34 e.v., doc.nr. 012017

48 Getuigen [persoon 22], gehoord ter terechtzitting van 15 en 29 maart 2011, getuige [persoon 21], gehoord ter terechtzitting van 23 mei en 7 juni 2011, de anonieme getuige NN1, gehoord door de rechter commissaris op 1 september 2011 en ter terechtzitting van 19 en 24 januari 2012, de anonieme bedreigde getuige F1, meerdere malen gehoord bij de rechter-commissaris en de beperkt anonieme getuige F3, meerdere malen gehoord bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 2 en 12 december 2011 en 23 en 24 januari 2012.

49 Proces-verbaal van bevindingen van CIE-officier M. Zwinkels van 10 januari 2012, met bijlage, doc.nr. 012199, dig. p. 9.

50 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek stoffelijk overschot van 12 april 2002, doc.nr. 011925

51 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 januari 2012, p. 28

52 Een ambtsedig proces-verbaal met nummer 2006101363-1 van 20 april 2006, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 61], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten (ZDALG 004004, pagina 1).

53 Een verslag, nummer 2006.04.20.262 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 1 mei 2006, opgemaakt door de beëdigde deskundige [persoon 62], arts en patholoog-anatoom, inhoudende de verklaring van voornoemde deskundige (ZD DSK BIJLA56 NFI 005137, pagina 2, 8).

54 Een ambtsedig proces-verbaal met nummer 2006101363 van 14 juni 2006, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 63], [persoon 64], [persoon 65] en [persoon 66], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten (ZD DSK FTO 005053, pagina 2, 31, 32, 34).

55 Proces-verbaal van samenvatting d.d. 10 oktober 2006, doc. nr. 004259.

56 Een ambtsedig proces-verbaal met nummer 2006101363 van 1 mei 2006, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 67], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (ZD ALG 004027, map 86, pagina 1, 2).

57 Een ambtsedig proces-verbaal met nummer 2006101363 van 5 juli 2006, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 67], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (ZD ALG 005016, map 105, pagina 2, 3, 4).

58 Een verslag, nummer 2006.04.20.262 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 15 juni 2006, opgemaakt door de beëdigde deskundige [persoon 68], inhoudende de verklaring van voornoemde deskundige (ZD DSK NFI 005129, pagina 7).

59 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 34] op 20 april 2006, doc.nr. 004476, p. 1 en 2; proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 34] op 31 augustus 2006, doc.nrs. 004479, 004480 en 004252

60 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april 2009 t/m 11 mei 2009, p. 38, 39 en 43 e.v.

61 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] door de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2007, p. 3, doc. nr. 000437, proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009, p. 44 en 46.

62 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 23 augustus 2007, opgemaakt op 3 oktober 2007, p. 15-17, doc.nr. 001181, proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april 2009 t/m 11 mei 2009, p. 43 en 44.

63 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april 2009 t/m 11 mei 2009, p. 44 en 46.

64 proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 03, p. 11, doc.nr. 000409.

65 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009, p. 45, proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 03, p. 11 en 12, doc.nr. 000409.

66 Proces-verbaal van 2 februari 2007 van het verhoor van de getuige [medeverdachte 7] d.d. 10 oktober 2006, doc.nr. 000409, pag. 10; proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009 p. 45

67 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009, p. 39, 46 en 52.

68 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009, p. 46 en 47.

69 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 april t/m 11 mei 2009, p. 46.

70 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 19 juni 2007, doc. nr. 000489 pag. 4

71 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 12 september 2006, doc.nr. 000408, p. 2.

72 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 10 oktober 2006, doc.nr. 000409, p. 6.

73 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 10 oktober 2006, doc.nr. 000409, p. 15 en 16.

74 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 23 augustus 2007, doc.nr. 001181, p. 16.

75 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 12 september 2006, doc.nr. 000408, p. 2.

76 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 7] op 6 september 2007, doc.nr. 001321, p. 21.

77 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 37] van 21 juni 2007, opgemaakt op 21 juni 2007, p. 1, doc.nr. 003487, proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris d.d. 23 maart 2009, p. 2 en 3, doc. nr. 010781.

78 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] van 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 9, 11, 12 en 13.

79 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] van 27 juli 2006, doc.nr. 004900, p. 14, 33 en 34.

80 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 13.

81 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] van 8 juli 2006, doc.nr. 4960, p. 11.

82 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 14 en 15.

83 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 18, 21, 38 en 71; proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 10 oktober 2006, doc.nr. 4903, p. 4.

84 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 80.

85 Proces-verbaal van verhoor A.[persoon 4] op 10 oktober 2006, doc.nr. 004903, p. 1 en 2.

86 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 75

87 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 9 juli 2006, doc.nr. 004962, p. 16.

88 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 80.

89 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 9 juli 2006, doc.nr. 004962, p. 44 en 45.

90 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 8 juli 2006, doc.nr. 004960, p. 116.

91 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 16 en 17.

92 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 22.

93 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 11 januari 2007, doc.nr. 004905, p. 14.

94 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 8 juli 2006, doc.nr. 004960, p. 92.

95 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] van 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p.20 en 21.

96 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 8 juli 2006, doc.nr. 004960, p. 97, 107; proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 9 juli 2006, doc.nr. 004962, p. 16, 26 en 27; proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 11 januari 2007, doc.nr. 004905, p. 31 en 32

97 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4] op 13 juli 2006, doc.nr. 004964, p. 83.

98 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pagina 53 en 56.

99 Proces-verbaal van verhoor [persoon 39] bij de rechter-commissaris op 23 februari 2007, doc.nr. 003831, p. 2.

100 Proces-verbaal va verhoor [persoon 39] 9 augustus 2006, doc.nr. 004914, pag. 6

101 Proces-verbaal van verhoor [persoon 39] op 18 september 2006, doc.nr. 004916, p. 18.

102 Proces-verbaal van verhoor [persoon 38] op 7 juli 2006, doc.nr. 004528, p.2.

103 Proces-verbaal van verhoor [persoon 38] op 9 juli 2006, doc.nr. 004529, p. 2 en 3.

104 Proces-verbaal van verhoor [persoon 38] op 7 juli 2006, doc.nr. 004528, p. 1.

105 Proces-verbaal van verhoor [persoon 38] op 9 juli 2006, doc.nr. 004529, p. 10.

106 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 5, 6.

107 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 30 november 2006, doc.nr. 004943, p. 6.

108 Proces-verbaal van bevindingen betreffende uitschrijven bekeuring van 30 augustus 2006, doc.nr. 004203.

109 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 6;

110 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 13 en 14; proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, p. 32 en 33.

111 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, p. 20.

112 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 6, 7, 8 en 13

113 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, pag. 14

114 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 6, 7, 8 en 13; proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, pag. 30

115 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.n.r. 004982, p. 9.

116 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.n.r. 004982, p. 10

117 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 8 - 11.

118 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, p. 2.

119 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 20.

120 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, p. 3.

121 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 12.

122 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, p. 22.

123 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] van 22 oktober 2006, doc.nr. 004970, p. 9 en 10; proces-verbaal van verhoor [persoon 2] van 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 16.

124 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 12 en 13.

125 Proces/verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 004986, p. 25.

126 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 13, 17 en 18.

127 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.nr. 004982, p. 13, 15.

128 Proces-verhaal van verhoor [persoon 2] bij de rechter-commissaris op 23 februari 2007, doc.nr. 003832, p. 5.

129 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 26 januari 2007, doc.nr. 4986, p. 2.

130 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 21 december 2006, doc.nr. 004948, p. 26, 27, 28.

131 proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 24 januari 2007, doc.nr. 004950, p. 12.

132 Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] op 22 januari 2007, doc.n.r. 004982, p. 9.

133 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 13 december 2006, doc.nr. 004948, p. 23.

134 Proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2006 ivm tonen foto [medeverdachte 9] aan [persoon 3] op 13 december 2006, doc.nr. 004457.

135 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 13 december 2006, doc.nr. 004948, p. 44.

136 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 31 oktober 2006, doc.nr. 004943, p. 17.

137 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 13 december 2006, doc.nr. 004948, p. 29.

138 Proces-verbaal van verhoor [persoon 3] op 13 december 2006, doc.nr. 004948, p. 12 - 15, 19.

139 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] in Marokko op 19 april 2007, doc.nr. 004989, p. 2, 4, 5.

140 Proces-verbaal van bevindingen [J] tapgesprekken van 28 juli 2006, doc.nr. 004128.

141 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674.

142 Proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2006, doc.nr. 005414, p. 3 - 5.

143 Proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2006, doc.nr. 005417, p. 5.

144 Proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2006, doc.nr. 004148, p. 1; proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2006, doc.nr. 005413, p. 2 en 3.

145 Proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2006, doc.nr. 005413, p. 4 en 5.

146 Proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2006, doc.nr. 005414, p. 2 en 3.

147 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 13 februari 2007, doc.nr. en proces-verbaal bevindingen “kentekenbriefje met daarop kentekens van Audi’s en Mercedesbusje gebruikt bij liq” van 25 juni 2007, doc.nr. 000336.

148 Rechtbank Amsterdam 27 oktober 2008, doc.nr. 010824

149 Rechtbank Amsterdam 27 oktober 2008, doc.nr. 010834

150 Gerechtshof Amsterdam 16 november 2009, doc.nr. 011432 en doc.nr. 011433

151 doc.nr. 004982, pag. 11

152 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pag. 11 en 12

153 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 8 juli 2006, doc.nr. 004960, pag. 111, 112, 113, 123

154 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 8 juli 2006, doc.nr. 004960, pag. 111, 112, 113, 123

155 Proces-verbaal van 18 januari 2007 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 11 januari 2007, doc.nr. 004905, pag. 16

156 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 8 juli 2006, doc.nr. 004960, pag. 111, 112, 113, 123

157 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 9 juli 2006, doc.nr. 004962, pag. 50 e.v.

158 Proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2006, doc. nr. 004068, pag. 2

159 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pag. 13

160 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april t/m 11 mei 2009, pag. 14 en 19

161 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april t/m 11 mei 2009, pag. 30

162 Proces-verbaal van de terechtzitting van 17 en 18 augustus 2009, pag.4 en 5

163 Proces-verbaal van 3 oktober 2007 van het verhoor van de getuige [medeverdachte 7] d.d. 23 augustus 2007, doc.nr. 001394, pag. 5, 8, 11, 14

164 Proces-verbaal van 9 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 5] d.d. 9 augustus 2006, doc. nr. 003575, pag. 5

165 Proces-verbaal van bevindingen van 3 november 2005, doc.nr. 000210

166 Geschrift, zijnde een deskundigenrapport van 17 januari 2006, opgemaakt door [persoon 69], patholoog, doc.nr. 001431

167 Geschriften, zijnde een deskundigenrapport van 4 augustus 2006 en een verbeterd deskundigenrapport van 19 maart 2010, opgemaakt door ing. [persoon 70], doc.nrs. 000171 en 011571. Proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2005, p.2, doc.nr. 000173. Proces-verbaal overzicht gemaakte foto’s onderzoek [D] van 17 december 2007, doc.nr. 001748

168 Proces-verbaal van bevindingen bij technisch onderzoek van 27 juni 2006, doc.nr. 000170, inspreek proces-verbaal van 12 december 2005, doc.nr. 000172 en proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2005, doc.nr. 000173

169 Inspreek proces-verbaal van 12 december 2005, doc.nr. 000172 en proces-verbaal overzicht gemaakte foto’s onderzoek [D] van 17 december 2007, doc.nr. 001748

170 Proces-verbaal van bevindingen bij technisch onderzoek van 27 juni 2006, doc.nr. 000170, inspreek proces-verbaal van 12 december 2005, doc.nr. 000172 en proces-verbaal overzicht gemaakte foto’s onderzoek [D] van 17 december 2007, doc.nr. 001748

171 Proces-verbaal van bevindingen bij technisch onderzoek van 27 juni 2006, doc.nr. 000170 en proces-verbaal overzicht gemaakte foto’s onderzoek [D] van 17 december 2007, doc.nr. 001748

172 inspreek proces-verbaal van 12 december 2005, doc.nr. 000172

173 Geschrift, zijnde een deskundigenrapport wapen- en munitieonderzoek van 24 februari 2006, opgemaakt door [persoon 71], doc.nr. 000178

174 Geschrift, zijnde een deskundigenbericht van 6 april 2009, opgemaakt door [persoon 71], p. 3, doc.nr. 010830

175 Geschrift, zijnde een deskundigenrapport wapen- en munitieonderzoek van 24 februari 2006, opgemaakt door [persoon 71], doc.nr. 000178 en een geschrift, zijnde een deskundigenbericht van 6 april 2009, opgemaakt door [persoon 71], doc.nr. 010830

176 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 15 augustus 2007, opgemaakt op 3 september 2007, p. 15 en 16, doc.nr. 001031

177 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 8 februari 2008, p. 7 e.v. doc.nr. 002580 en proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 5

178 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 3

179 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 15 augustus 2007, opgemaakt op 3 september 2007, p. 15 en 16, doc.nr. 001031

180 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april t/m 11 mei 2009, p. 23

181 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, letterlijke uitwerking, van 2 november 2006, p. 58, 59 en 63 e.v., doc.nr. 009079 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 15 maart 2007, p.2, doc.nr. 000428

182 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 10

183 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 16 mei 2007, p. 6, doc.nr. 000485

184 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 54 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 15 maart 2007, doc.nr. 000428

185 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, letterlijke uitwerking, van 2 november 2006, p.66 en 68, doc.nr. 009079

186 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 10 en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, letterlijke uitwerking, van 2 november 2006, doc.nr. 009079

187 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 15 maart 2007, doc.nr. 000428

188 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 11

189 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 12 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 15 maart 2007, doc.nr. 000428

190 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, letterlijke uitwerking, van 2 november 2006, p. 71 e.v., doc.nr. 009079

191 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 12

192 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 24 mei 2007, p.41, doc.nr. 000499

193 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 14 e.v. en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, letterlijke uitwerking, van 2 november 2006, p. 72, doc.nr. 009079

194 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 19, 22 en 23 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 15 maart 2007, doc.nr. 000428

195 Proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, pag. 7

196 Proces-verbaal van bevindingen inhoudende een verklaring van getuige [persoon 42] van 2 november 2005, opgemaakt op 26 juli 2007, doc.nr. 000063 en een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 42] van 7 februari 2006, doc.nr. 000064

197 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 20] van 3 november 2005, opgemaakt op 16 november 2005, p. 6, 8, 12 en 13, doc.nr. 000793

198 Proces-verbaal van bevindingen van een gesprek met getuigen [persoon 20] en [persoon 43] van 2 november 2005, doc.nr. 000786 en proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 43] van 3 november 2005, opgemaakt op 22 november 2005, doc.nr. 000058

199 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 44] van 2 november 2005, doc.nr. 000061

200 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 47] van 2 november 2005, doc.nr. 000060

201 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 47] van 4 juni 2007, opgemaakt op 12 juni 2007, doc.nr. 010264

202 Proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2009, doc.nr. 011146 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van getuige [persoon 46] van 11 januari 2010, doc.nr. 011371

203 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 47] van 2 augustus 2007, opgemaakt op 6 augustus 2007, doc.nr. 000852

204 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 47] bij de rechter-commissaris op 26 januari 2009, p.5, doc.nr. 010847

205 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] van 24 april 2008, opgemaakt op 6 mei 2008, p. 4 e.v., doc.nr. 003566 en proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, p. 26 e.v.

206 Proces-verbaal van bevindingen van verhoor van getuige [persoon 22] van 31 januari 2008, opgemaakt op 1 februari 2008, doc.nr. 007495

207 Proces-verbaal van 19 maart 2007, doc.nr. 000245

208 Proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2007, doc.nr. 000247, proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2007, doc.nr. 000483 en een geschrift, zijnde een deskundigenrapport wapen- en munitieonderzoek, opgemaakt door [persoon 71] op 6 juli 2007, doc.nr. 000808

209 Geschift, zijnde een deskundigenrapport onderzoek aan “big shopper” tas, aangetroffen op 20 maart 2007, opgemaakt door dr. [persoon 72] op 26 juni 2007, doc.nr. 000377

210 Proces-verbaal van bevindingen schietproef ’t Harde van 25 september 2007, doc.nr. 001036

211 Proces-verbaal aantreffen hulzen van 11 oktober 2007, doc.nr. 001340 en proces-verbaal van terechtzitting van 15 juni t/m 2 juli 2009, inhoudende de eigen waarneming van de rechtbank tijdens de schouw op 22 juni 2009, pag. 60 e.v.

212 Geschrift, zijnde een deskundigenrapport wapen- en munitieonderzoek, opgemaakt door [persoon 71] op 6 november 2007, doc.nr. 001404

213 Geschrift, zijnde een deskundigenrapport vergelijkend samenstellingsonderzoek munitiedelen, opgemaakt door ing. [persoon 73] op 17 december 2007, doc.nr. 001734

214 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 31 mei 2007, p. 3 e.v., doc.nr. 000282

215 Proces-verbaal van doorzoeking van 13 februari 2007, opgemaakt op 3 mei 2008, p. 6, doc.nr. 003577

216 Proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2008, pag. 2, doc.nr. 003635

217 Proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2007, met bijlage, doc.nr. 001540

218 Proces-verbaal van tonen foto van 19 april 2007, doc.nr. 000255

219 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7], kluisverklaring 15, van 2 november 2005, doc.nr. 000421

220 Proces-verbaal van de terechtzitting van 10, 12, 30 en 31 maart 2009 pag. 9ev en proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, pag. 3ev.

221 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 15 augustus 2007, opgemaakt op 3 september 2007, doc.nr.001031, pagina 10,11.

222 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [medeverdachte 7] van 16 en 19 maart 2007, doc.nr. 000429.

223 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 15 augustus 2007, opgemaakt op 3 september 2007, doc.nr. 001031, pagina 2 t/m 7 en 10, alsmede proces verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris van 15 maart 2007, doc.nr. 000428.

224 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] van 15 augustus 2007, opgemaakt op 4 op 3 september 2007, doc.nr. 001030, pagina 63.

225 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [medeverdachte 7] van 19 juni 2007, doc.nr. 000489.

226 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2009 t/m 11 mei 2009, pag. 18.

227 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2009 t/m 11 mei 2009, pag. 8, 18, 19 en 20

228 Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 januari 2010, pagina 4, 5.

229 Proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2011, pagina 33.

230 Verklaring van verhoor van [medeverdachte 7 bij] de rechter-commissaris van 17 maart 2008, doc. nr. 5563.

231 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april t/m 11 mei 2009, pagina 23 en proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2011, pagina 13, 14.

232 Proces-verbaal van verhoor van 20 juni 2007 van [medeverdachte 7], opgemaakt 17 juli 2007, doc.nr. 000755, p. 11 en 76.

233 Proces-verbaal van verhoor van 12 september 2006 van [medeverdachte 7], opgemaakt 18 september 2006, doc.nr. 000408, KV 02, p. 2

234 Proces-verbaal van verhoor van 20 juni 2007 van [medeverdachte 7], doc.nr. 000755, p. 26.

235 Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 januari 2010, pag. 21, 22 en 23.

236 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april t/m 11 mei 2009, pag. 28.

237 Proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2011, pag. 13.

238 Proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 4] van 19 april 2007, opgemaakt op 19 april 2007, doc.nr. 004989.

239 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, pag. 15ev.

240 Proces-verbaal van 18 januari 2007 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 11 januari 2007, doc.nr. 004905, pag. 11

241 Proces-verbaal van 18 januari 2007 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 11 januari 2007, doc.nr. 004905, pag. 26.

242 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pag. 11 en 12

243 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pagina 53 en 56.

244 Proces-verbaal van 18 januari 2007 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 11 januari 2007, doc.nr. 004905, pag. 26ev.

245 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 9 juli 2006, doc.nr. 004962, pag.14 , 19, 25 en 56.

246 Proces-verbaal van 25 juli 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 9 juli 2006, doc.nr. 004962, pag. 48 en 49.

247 Proces-verbaal van 2 augustus 2006 van het verhoor van de getuige [persoon 4] d.d. 13 juli 2006, doc.nr. 004964, pagina 51, 52, 53 en 56 en 81 en 82.

248 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] op 22 januari 2007, opgemaakt op genoemde datum, doc.nr. 004982, pag. 9, 10.

249 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 47] van 2 augustus 2007, opgemaakt op 6 augustus 2007, doc.nr.000852.

250 Proces-verbaal van eerste verhoor verhoor van [persoon 41] van 24 april 2007, opgemaakt op 1 mei 2007, doc.nr. 000289.

251 Proces-verbaal van tweede verhoor van [persoon 41] van 24 april 2007, opgemaakt op 2 mei 2007, doc.nr. 000290.

252 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van de getuige [persoon 41] van 15 augustus 2008, doc.nr. 007179.

253 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 36] van 11 juni 2007, opgemaakt op genoemde datum, doc.nr. 0004899.

254 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 36] van 26 juni 2007, opgemaakt op genoemde datum, doc.nr. 0000721.

255 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 50] van 3 augustus 2006 avond, opgemaakt op 3 augustus 2006, doc.nr. 004924.

256 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 51] van 7 september 2007, opgemaakt op genoemde datum, doc.nr. 004608.

257 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 13 februari 2007, doc.nr. 004093.

258 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 13 februari 2007, doc.nr. 004093, proces-verbaal aantreffen briefje met kentekens met fotobijlage, doc.nr 004336 en proces-verbaal bevindingen “kentekenbriefje met daarop kentekens van Audi’s en Mercedesbusje gebruikt bij liq” van 25 juni 2007, doc.nr. 000336.

259 Proces-verbaal bevindingen “kentekenbriefje met daarop kentekens van Audi’s en Mercedesbusje gebruikt bij liq”, van 25 juni 2007, doc.nr. 000336.

260 Proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 2007, doc.nr. 000378.

261 Proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2007, doc.nr. 000825.

262 Proces-verbaal bevindingen met betrekking tot semafoonverkeer van 14 januari 2010, doc.nr. 011372.

263 Proces-verbaal van doorzoeking van 3 augustus 2006, doc.nr. 004080 en proces-verbaal van doorzoeking van 3 augustus 2006, doc.nr. 004081.

264 Proces-verbaal overzicht inbeslaggenomen goederen locaties [adres 4] en [adres 14] van 14 augustus 2006, doc.nr. 004145 en een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming van 6 september 2006, doc.nr. 005452.

265 Proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken [medeverdachte 7] van 25 mei 2007, doc.nr. 000338 en proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674.

266 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674.

267 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pag. 0000014.

268 Proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken [medeverdachte 7] van 25 mei 2007, doc.nr. 000338.

269 Proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken [medeverdachte 7] van 25 mei 2007, doc.nr. 000338.

270 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pagina 000055.

271 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pagina 000064.

272 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pagina 000081.

273 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pag. 000120.

274 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2008, doc.nr. 002674, pag. 000152.

275 Proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken [medeverdachte 7] van 25 mei 2007, doc.nr. 000338.

276 Proces-verbaal uitwerking OVC-gesprek, opgemaakt op 6 oktober 2008, doc.nr. 009606, pag. 6.

277 Proces-verbaal van observeren van 9 maart 2006, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2007, doc.nr. 001277.

278 Proces-verbaal van relaas persoonsdossier [verdachte] van 19 september 2008, doc.nr. 008075 en proces-verbaal van relaas persoonsdossier [medeverdachte 9] van 23 september 2008, doc.nr. 008954.

279 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438, p. 2.

280 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 3.

281 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438. p. 2.

282 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, , doc. nr. 011416, p. 4.

283 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438. p. 2.

284 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 5.

285 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, , doc.nr. 000438. p. 2. en proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 5.

286 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 6.

287 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2007, doc.nr. 000438, p. 3.

288 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. melding [persoon 6] op 3 februari 2005, opgemaakt d.d. 10 februari 2005, doc.nr. 03724.

289 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 6] op 22 december 2008 bij de rechter-commissariste Pisa, Italië, (in het Nederlands) opgemaakt d.d. 26 januari 2009, doc. nr. 010433, p. 8, 15-17 en 33.

290 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 6] op 22 december 2008 bij de rechter-commissariste Pisa, Italië, (in het Nederlands) opgemaakt d.d. 26 januari 2009, doc. nr. 010433, p. 24.

291 Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 7] bij de rechter-commissaris d.d. 17 april 2009, doc.nr. 010853, p. 3.

292 Proces-verbaal van bevindingen restinformatie, opgemaakt op 11 februari 2005, doc nr. 003725, dig. p. 4.

293 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 10.

294 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken videobeelden (met bijlage), opgemaakt op 22 februari 2005, doc.nr. 003739.

295 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2009, doc. nr. 011416, p. 5.

296 Proces-verbaal van observatie op 7 februari 2005, opgemaakt d.d. 18 februari 2005, doc.nr. 003737.

297 Proces-verbaal van bevindingen herkenning [medeverdachte 7], opgemaakt d.d. 25 juni 2007, doc.nr. 000335.

298 Proces-verbaal van bevindingen herkenning [medeverdachte 7], opgemaakt d.d. 26 juni 2007, doc.nr. 000334.

299 Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 3 augustus 2006, doc.nr. 004080 en proces-verbaal van relaas zaaksdossier [C], opgemaakt op 24 september 2008, doc.nr. 009330, dig. p. 9.

300 HR 17 juni 2008, LJN BD2578