Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ4258

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
15-03-2013
Zaaknummer
AWB 11-5417 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing benoeming van eiseres op de functie van hoogleraar. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd aan welke criteria moet worden voldaan voor de benoeming van hoogleraar en waarom eiseres niet geschikt was om tot hoogleraar te worden benoemd op de geambieerde leerstoel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot afwijzing van de kandidatuur van eiseres kon komen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5417 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. H.J. Brouwer,

en

het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA),

verweerder,

gemachtigde: mr. F.Y. van Arnhem-Chau.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2011 (het primair besluit) heeft verweerder besloten om eiseres niet te benoemen in de functie van hoogleraar op de leerstoel Politicologie, in het bijzonder Internationale Betrekkingen bij de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (hierna: IB).

Bij besluit van 28 september 2011, verzonden op 5 oktober 2011, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 25 juli 2011 ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen (1) de mondelinge mededeling van de afdelingsvoorzitter Politicologie dat eiseres niet wordt benoemd tot hoogleraar op de geambieerde leerstoel, (2) de benoeming van de andere voorgedragen kandidaat tot hoogleraar op de geambieerde leerstoel en (3) het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure, niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2012.

Eiseres en haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde en prof. dr. [A], [functie].

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is werkzaam als [functie] bij de afdeling Politicologie van de UvA. Op 24 september 2010 heeft eiseres gesolliciteerd op de functie van hoogleraar IB op de afdeling Politicologie van de UvA. De Benoemings Advies Commissie (BAC) heeft geadviseerd twee kandidaten, waaronder eiseres, voor te dragen voor benoeming. De [functie] van de faculteit heeft de twee kandidaten bij verweerder voorgedragen voor benoeming. Verweerder heeft besloten eiseres niet op de leerstoel te benoemen.

1.2. De afdelingsvoorzitter Politicologie heeft eiseres op 31 maart 2011 mondeling meegedeeld dat zij niet zal worden benoemd op voornoemde leerstoel. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.

1.3. Verweerder heeft eiseres in het besluit van 25 juli 2011 meegedeeld dat hij heeft besloten haar niet op de functie van hoogleraar te benoemen. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat bij de wervingsprocedure sprake was van een dubbele voordracht vanuit de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen door de decaan, na advies door de BAC. Verweerder heeft de keuze gemaakt voor de kwalitatief beste kandidaat op de punten research-output, fondsenwerving en managementervaring. Hiervoor zijn bepalend de criteria voor benoeming tot hoogleraar 2 van het indelingsinstrument Universitair Functie Ordenen (hierna: UFO-criteria). Aan alle criteria dient te zijn voldaan. Verweerder acht de kwaliteiten van eiseres - ten tijde van belang - nog niet toereikend om voorgedragen te worden voor het hoogleraarschap.

1.4. Verweerder heeft besloten de andere kandidaat voorlopig te benoemen. De andere kandidaat heeft zich vervolgens teruggetrokken.

1.5. Eiseres heeft op 4 augustus 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit haar niet te benoemen van 25 juli 2011, tegen de benoeming van de andere voorgedragen kandidaat tot hoogleraar op de geambieerde leerstoel, en tegen het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure.

1.6. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 juli 2011 ongegrond verklaard bij het bestreden besluit. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de mondelinge mededeling van de afdelingsvoorzitter Politicologie dat eiseres niet wordt benoemd tot hoogleraar op de geambieerde leerstoel, de benoeming van de andere voorgedragen kandidaat tot hoogleraar op de geambieerde leerstoel en het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure, niet-ontvankelijk verklaard.

2. Beoordeling van het geschil

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1. De mondelinge mededeling van de afdelingsvoorzitter Politicologie

2.1.1. Eiseres heeft naar voren gebracht dat de mondelinge mededeling van de afdelingsvoorzitter Politicologie bevoegd is gedaan. Eiseres heeft gesteld dat het doen van dergelijke mededelingen is gedelegeerd aan de afdelingsvoorzitter in de hoedanigheid als voorzitter van de BAC. Voorts heeft eiseres gesteld dat zelfs al zou de afdelingsvoorzitter daartoe onbevoegd zijn, dan volgt daaruit volgens eiseres niet dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat bestuurorganen belanghebbenden de mogelijkheid van het maken van bezwaar zouden kunnen ontnemen door besluiten niet op de voorgeschreven wijze kenbaar te maken. De rechtbank kan deze stelling van eiseres niet volgen en overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de op 31 maart 2011 gedane mondelinge mededeling van de afdelingsvoorzitter Politicologie geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet is voldaan aan het vereiste van schriftelijkheid. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. De benoeming van de andere voorgedragen kandidaat tot hoogleraar op de door eiseres geambieerde leerstoel

2.2.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat het beroep van eiseres niet langer is gericht tegen de benoeming van de andere voorgedragen kandidaat tot hoogleraar op de leerstoel Politicologie, in het bijzonder Internationale Betrekkingen bij de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen aan de UvA, nu de andere kandidaat zich heeft teruggetrokken. De rechtbank laat dit punt daarom verder onbesproken.

2.3. Het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure

2.3.1. Eiseres heeft aangevoerd dat zij wel degelijk rechtstreeks belanghebbende is bij een besluit om een nieuwe sollicitatieprocedure te starten, omdat haar voordracht als kandidaat voor de functie nog voorlag bij het CvB. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat een besluit tot het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure dient te worden aangemerkt als een besluit van algemene strekking, waartegen geen bezwaar en beroep kan worden aangetekend.

2.3.2. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een besluit tot het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure een besluit van algemene strekking is. Op grond van artikel 8:2 Awb kan daartegen geen bezwaar en beroep worden aangetekend. Het belang van eiseres is immers bij een dergelijk besluit niet rechtstreeks in het geding. De omstandigheid dat haar voordracht nog voorlag bij verweerder maakt dat niet anders. Daarbij komt dat het niet (meer) openstellen van de vacature voor de door eiseres geambieerde leerstoel geen directe gevolgen heeft gehad voor de rechtspositie van eiseres, temeer niet daar eiseres werkzaam is en is gebleven als [functie] bij de afdeling Politicologie van de UvA.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen het initiëren van een nieuwe sollicitatieprocedure terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Het besluit van 25 juli 2011 om eiseres niet te benoemen

2.4.1. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder, door haar niet te benoemen, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden.

Zij heeft tegen haar onvoldoende beoordeling op de belangrijke criteria ten aanzien van de geambieerde leerstoel, te weten research-output, fondsenwerving en management-ervaring het volgende aangevoerd. Bij de besluitvorming zijn ten onrechte zes criteria buiten beschouwing gelaten. In het structuurrapport, de advertentietekst en het advies van de BAC wordt geen onderscheid gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke criteria. In het structuurrapport en in de advertentietekst is sprake van acht criteria.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat in het besluit van 25 juli 2011 zes nieuwe criteria zijn aangedragen die gebaseerd zijn op het zogenoemde UFO-systeem. Eiseres heeft gesteld dat zij niet op de hoogte was van de UFO-criteria en dat die criteria bovendien niet geschikt zijn om te toetsen of kandidaten geschikt zijn voor de functie. Volgens eiseres heeft de BAC haar advies niet gebaseerd op deze criteria. Het UFO-criterium wijkt wat betreft wetenschappelijke publicaties af van het structuurrapport. Bovendien zou toepassing van de UFO-criteria ertoe leiden dat alleen zittende hoogleraren in aanmerking zouden komen voor benoeming. Eiseres is voorts van mening dat zij voldoet aan de UFO-criteria. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom zij niet aan voornoemde criteria voldoet.

2.4.2. De rechtbank stelt voorop dat waar het gaat om de beoordeling van een kandidaat in het kader van een sollicitatieprocedure en de vergelijking van diens kwaliteiten met die van andere kandidaten dan wel de benoeming van de kandidaat, aan het bevoegd gezag een grote mate van vrijheid toekomt. De rechter kan de uitkomst van het afwegingsproces, tegen de achtergrond van de eisen die de functie stelt, uitsluitend terughoudend toetsen. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel alleen beoordeelt of verweerder in redelijkheid tot afwijzing van de sollicitatie dan wel tot het besluit om eiseres niet te benoemen heeft kunnen komen.

2.4.3. Verweerder voert terzake van zijn bevoegdheid met betrekking tot de aanstelling van hoogleraren beleid dat is te vinden in het Hooglerarenbeleid. In het Hooglerarenbeleid wordt een beschrijving gegeven van de uitgangspunten en hoofdlijnen van het hooglerarenbeleid aan de UvA. Hierin komt naar voren dat hoogleraren de eerstverantwoordelijken zijn voor de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Uitgangspunt van het hooglerarenbeleid is daarom dat verantwoordelijkheid voor zowel het onderwijs als onderzoek in de persoon van de hoogleraar verenigd dient te zijn. Kwalificaties op deze beide takenpakketten moeten voor hoogleraren als minimum benoemingsvoorwaarde dan ook aantoonbaar aanwezig zijn. In het UFO-systeem zijn deze criteria omschreven. De UFO-criteria zijn:

- gepromoveerd in de sociale wetenschappen;

- diepgaande kennis van het voornoemde vakgebied, blijkende uit een groot aantal publicaties in vooraanstaande internationale tijdschriften en/of boeken bij vooraanstaande academische uitgevers;

- ruime onderzoekservaring en inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van de verschillende onderzoeksmethoden;

- ruime onderwijservaring op verschillende niveaus (BA, MA, PhDs);

- ervaring aan een buitenlandse academische instelling;

- ruime ervaring moet onderzoeksmanagement en het aantrekken van tweede- en derdegeldstroomfondsen;

- vermogen om stimulerend leiding te geven aan een groep medewerkers met uiteenlopende onderzoeksbelangstelling;

- kennis van de Nederlandse taal c.q. de bereidheid zich binnen twee jaar de Nederlandse taal eigen te maken.

De faculteiten kunnen de resultaatsgebieden en indelingscriteria aanvullen of aanscherpen. In bijlage 2 van het Hooglerarenbeleid zijn het functieprofiel, de resultaatgebieden en de indelingscriteria vermeld. In bijlage 3 van het Hooglerarenbeleid is onder meer de procedure tot benoeming hoogleraar beschreven.

2.4.4. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de eisen die in de vacaturepublicatie, het structuurrapport en de profielschets zijn vermeld een op de specifieke leerstoel toegespitste aanvulling en/of aanscherping vormen van de resultaatsgebieden en de UFO-criteria. De UFO-criteria hebben naar het oordeel van de rechtbank een vertaling gekregen in het structuurrapport en de profielschets. Verweerder heeft dan ook binnen zijn toetsingskader gebruik mogen maken van de UFO-citeria.

2.4.5. Verweerder heeft eiseres beoordeeld, en is tot de slotsom gekomen dat zij niet aan de eisen voldeed. Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen. Met betrekking tot het criterium Onderwijs blijkt uit het curriculum vitae van eiseres en het advies van de BAC niet dat eiseres ervaring heeft met het doen van strategische voorstellen of het implementeren van facultair onderwijsbeleid. Voor wat betreft het criterium Onderzoek heeft eiseres tien internationale publicaties wetenschappelijke peer-reviewed tijdschriften. Voor een positie als hoogleraar is dat te gering. Voorts kent de publicatielijst van eiseres veel hoofdstukken in boeken waarvan zij zelf in de redactie zit en wordt er geen melding gemaakt van vooraanstaande onderzoeksverbanden.

Voor wat betreft het criterium Organisatie heeft eiseres weliswaar diverse coördinatietaken vervuld en deelgenomen aan commissies en werkgroepen maar dit betreffen geen leidinggevende taken die vergelijkbaar zijn met leidinggeven aan de leerstoelgroep.

2.4.6. Eiseres heeft aangevoerd de bovengenoemde kwaliteiten wel degelijk te bezitten. De rechtbank overweegt op dit punt dat het bij uitstek aan verweerder is om op grond van zijn bevoegdheid eiseres te beoordelen op haar kwaliteiten. De rechtbank ziet in deze beoordeling door verweerder geen aanleiding om te oordelen dat verweerder dat op onjuiste wijze heeft gedaan. Deze grond slaagt niet.

2.4.7. Eiseres heeft ook aangevoerd dat uit de tekst van het Hooglerarenbeleid kan worden afgeleid dat er geen ruimte bestaat om meer dan één kandidaat voor te dragen. Aan eiseres moet worden toegegeven dat in het Hooglerarenbeleid wordt gesproken over “de kandidaat” maar niet is gebleken dat het niet mogelijk is om in voorkomende gevallen meer dan één kandidaat, zoals in dit geval, voor te dragen voor benoeming. Deze grond slaagt niet.

2.4.8. Volgens eiseres heeft de decaan ten onrechte geen aanbeveling gedaan op basis van het advies van de BAC. De rechtbank volgt de stelling van eiseres niet, omdat het advies van de BAC niet bindend is, en evenmin is gebleken dat de decaan verplicht is om het advies van de BAC te volgen. De grond slaagt niet.

2.4.9. Eiseres heeft aangevoerd dat zij als enige overgebleven kandidaat, na de terugtrekking van de voorgedragen kandidaat, alsnog had moeten worden benoemd. De omstandigheid dat eiseres door de BAC en de decaan is voorgedragen betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij in dit geval had moeten worden benoemd. Verweerder is immers bevoegd om te beoordelen of een kandidaat aan de gestelde eisen voldoet, en de kandidaat vervolgens wel of niet te benoemen. Ook deze grond slaagt niet.

2.4.10. Eiseres heeft aangevoerd dat de [functie] op grond van bijlage 3 van het Hooglerarenbeleid overleg had moeten plegen met zusterfaculteiten en dat hij zich er van had moeten vergewissen dat met eiseres dan wel met de andere kandidaat overeenstemming kon worden bereikt over de arbeidsvoorwaarden, en dat de [functie] dat niet heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat dit, hoewel voorgeschreven, niet is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank behoren hier echter geen gevolgen aan te worden verbonden omdat eiseres op inhoudelijke gronden is afgewezen. Immers, als de [functie] de procedure op dit punt wel op juiste wijze had gevolgd, dan had dat voor eiseres niet geleid tot een andere uitkomst.

2.4.11. Eiseres heeft gesteld dat de procedure niet kon worden afgesloten op het moment dat nog een voordracht van de [functie] voorlag en er nog geen definitief besluit tot benoeming was genomen. De rechtbank oordeelt dat deze grond niet slaagt, omdat verweerder de bevoegdheid heeft om een benoemingsprocedure af te sluiten op een andere wijze dan door benoeming van een kandidaat.

2.4.12. Eiseres heeft ook nog aangevoerd dat het primaire besluit van 25 juli 2011 niet binnen een redelijke termijn is genomen. Deze grond slaagt niet omdat niet aannemelijk is geworden dat eiseres dientengevolge enig nadeel heeft geleden.

2.4.13. Tenslotte heeft eiseres nog gesteld dat verweerder ongemotiveerd is afgeweken van het advies van de BAC. Niet is in geschil dat het advies van de BAC niet bindend is. Dit betekent dat verweerder niet is gehouden om het advies van de BAC te volgen. Ter zitting heeft eiseres dit ook bevestigd. Ook deze grond slaagt niet.

2.4.14. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake zou zijn van willekeur bij verweerder. Verweerder heeft, zoals hiervoor is overwogen, een grote beoordelingsvrijheid bij het benoemen van een hoogleraar. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd aan welke criteria moet worden voldaan voor de benoeming van hoogleraar en waarom eiseres niet geschikt was om tot hoogleraar te worden benoemd op de geambieerde leerstoel. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot afwijzing gebruik heeft kunnen maken.

2.4.15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande in redelijkheid tot afwijzing van de kandidatuur van eiseres kon komen. Verweerder heeft, in aanvulling op het bestreden besluit, in het verweerschrift en ter zitting voldoende inzichtelijk gemaakt om welke redenen eiseres zich niet kwalificeert voor benoeming als hoogleraar op de door haar geambieerde leerstoel.

2.5. Conclusie

2.5.1. Nu geen van de aangevoerde gronden slaagt, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

2.6. Proceskosten en griffierecht

2.6.1. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, voorzitter, en mrs. L.C. Bachrach en

K. Oldekamp-Bakker, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

De griffier, De voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Doc: B

SB