Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ1039

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/2380 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling uitgangspositie gebaseerd op niet volledige regelgeving. In toekomstige regelgeving is niet langer vereist dat waarneming bij besluit is opgedragen. Achterwege laten van waarnemende taken van eiser als [functie] doet geen recht aan het uitgangspunt dat betrokkene in een correcte uitgangspositie moet worden gebracht voor de matching met het LNFP. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2380 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. R.F. Hoekstra,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. V. de Kruijf-Stellaard.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober (het primaire besluit) heeft verweerder de uitgangspositie van eiser definitief vastgesteld.

Bij besluit van 3 april 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [A], [functie].

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. In het Arbeidsvoorwaardenakkoord Politie (CAO) 2008-2010 is vastgelegd dat er één functiegebouw voor de Politie Nederland: het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP), zal worden ingevoerd met daarbij een nieuw functiewaarderingssysteem waarmee de functies uit het LFNP worden gewaardeerd. Het nieuwe LFNP kent circa 100 landelijk geldende functiebeschrijvingen, voorzien van een waardering per functie. Met de invoering van het LFNP bestaat er voor de organisaties niet langer een mogelijkheid om zelf functies te beschrijven en te waarderen, omdat uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van functies uit het LFNP. De functie die een politiemedewerker bekleedt op 31 maart 2011 wordt in beginsel als uitgangspunt genomen voor de omzetting (matching) van de ‘oude’ functie naar een functie binnen het nieuwe LFNP.

1.2. Eiser is aangesteld als Senior Thematisch Rechercheur in schaal 8. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze functie definitief vastgesteld als de uitgangspositie van eiser in de invoering in het LFNP. Sinds 20 februari 2009 verricht eiser werkzaamheden als [functie] bij Team Grootschalig Onderzoek (TGO). Hij ontvangt daarvoor een waarnemingstoeslag naar schaal 9.

1.3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiser uitgevoerde werkzaamheden als ondersteuningscoördinator niet een zelfstandige functie betreffen, maar als rol moet worden opgevat. Deze rol is niet meegenomen bij het vaststellen van de uitgangspositie, omdat de werkzaamheden niet zijn geformaliseerd en de aanstelling van eiser niet is gewijzigd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat binnen het korps Amsterdam-Amstelland wordt gewerkt met organieke functies bij het bepalen van de uitgangspositie. Nu van een organieke functie geen sprake is zijn de werkzaamheden als ondersteuningscoördinator volgens verweerder terecht niet vastgelegd in de uitgangspositie. Verweerder is van oordeel dat alleen formele functies en de daarbij behorende extra werkzaamheden en/of afspraken dienen te worden opgenomen in de uitgangspositie nu deze van belang zijn voor de matching op een functie uit het LFNP.

1.4. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat zijn uitgangspositie onjuist is vastgesteld nu hierin niet is terug te vinden dat hij al vier jaar lang van zijn functietypering afwijkende werkzaamheden als [functie] verricht. Deze werkzaamheden die hij fulltime verricht kunnen volgens eiser niet als een rol worden beschouwd.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 1, eerste lid, onder r van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) wordt onder functie verstaan: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen, of het samenstel van door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP.

Artikel 6 van het Bbp, luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

1. Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de functies en de bij de functies behorende waardering. Tevens worden regels gesteld over de overgang van ambtenaren naar een functie die is opgenomen in het LFNP.

2.2. In de Toelichting bij de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp) in verband met de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is het volgende uiteengezet ten aanzien van de uitgangspositie:

“De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals bijvoorbeeld outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten.

Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren tussen 18 en 23 april 2011 een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt hen onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3. Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie en is daarom hier geregeld. Indien sprake is van waarneming mag geen functieonderhoud worden gevraagd. In de nota van toelichting op artikel 6, zevende lid (oud) van het Bbp wordt onder meer opgemerkt dat in geval van waarneming dit artikel niet van toepassing is. Immers, indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent, kan voor de duur van die waarneming op basis van artikel 17 een toelage worden toegekend. (Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 31 december 2009, LJN: BK9642).

De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP. Dit zal worden uitgewerkt in een aparte ministeriele regeling.”

2.3. Bij Koninklijk Besluit van 24 oktober 2012 is artikel 49f van het Bbp gewijzigd. Het zesde lid van artikel 49f zal met ingang van een nader te bepalen datum als volgt komen te luiden:

“Onder uitgangspositie wordt in dit artikel verstaan de functie en in samenhang daarmee de functiebeschrijving en de overige opgedragen werkzaamheden of bijzondere situaties van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011.”.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het bezwaar van eiser terecht ontvankelijk heeft verklaard. Het besluit van 24 oktober 2011 behelst de vaststelling van de uitgangspositie van eiser in de overgang van zijn functie naar het LFPN. Tezamen met de mogelijkheid om functieonderhoud aan te vragen zijn dit de twee elementen die bepalend zijn voor de matching naar een nieuwe functie. Mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 mei 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AX6542) acht de rechtbank de vaststelling van de uitgangspositie een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar en beroep open staat.

3.2. De rechtbank overweegt dat verweerder de uitgangspositie heeft vastgesteld terwijl de regelgeving rondom het vaststellen van de uitgangspositie nog niet was voltooid. Verweerder heeft het begrip uitgangspositie gehanteerd zoals dat is omschreven in toelichting op de Trfp. Tevens hanteert verweerder de (interne) Instructie 2.1 “Kaders en uitgangspunten voor het bepalen uitgangspositie van 4 april 2011”. Eiser heeft er op gewezen dat volgens die instructie zowel de waargenomen functie als de oorspronkelijke functie de basis is voor de uitgangspositie. De instructie vermeldt dat zowel huidige functie als de waargenomen functie moeten worden gematcht met het LFNP. Ten slotte is ter zitting de voorgenomen wijziging van artikel 49f, zesde lid, van het Bbp besproken. Hier valt op dat het vereiste van vastlegging van de verrichte werkzaamheden in een besluit niet langer hierin is opgenomen. Dit artikel is echter nog niet in werking getreden, maar zal uiteindelijk met terugwerkende kracht worden ingevoerd.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser verrichte taak van [functie] een rol is en geen echte functie die in verweerders systeem is beschreven. De door eiser verrichte werkzaamheden als ondersteuningscoördinator TGO zijn niet vastgelegd in een organieke functiebeschrijving in het korps van verweerder. Verweerder is van oordeel dat alleen formele functies en daarbij behorende extra werkzaamheden en afspraken in de uitgangspositie moeten worden opgenomen.

3.4. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder niet. Gelet op de (toelichting op de) Trfp als de door verweerder gehanteerde instructie is doel van de tijdelijke regeling dat de politieambtenaar in het oude voor hem geldende functiewaarderingssystemen een correcte uitgangspositie krijgt om te worden gematcht met een functie die deel uitmaakt van het LFNP dat met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 zal worden ingevoerd. Ook de rechtbank is van oordeel dat in het kader van de overgang van het LNFP de feitelijke situatie bepalend is voor de uitgangspositie. Eiser vervult niet zijn eigen functie van Senior Thematisch Rechercheur in schaal 8 maar die van [functie] TGO, waarvoor hem ingevolge de in het dossier bevindende besluiten een waarnemingstoelage naar schaal 9 is toegekend.

3.5. Verweerder heeft toegelicht dat hij de woorden “zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten” zoals opgenomen in de toelichting van de Trfp zo opvat dat er sprake moet zijn van formalisering van de waarneming, in die zin dat wijziging van de aanstelling moet hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt die visie niet. In de eerste plaats is in het onderhavige geval de waarneming vastgelegd in de diverse besluiten waarbij de waarnemingstoelage is toegekend. In de tweede plaats zou verweerders standpunt betekenen dat in een waarnemingsituatie, waarbij immers functieonderhoud niet aan de orde is, de door betrokkene reeds jarenlang uitgevoerde werkzaamheden niet in de uitgangspositie worden vastgelegd als die niet hebben geleid tot een officiële functiewijziging . Een dergelijke uitleg doet geen recht aan het uitgangspunt dat betrokkene in een correcte uitgangspositie moet worden gebracht voor de matching met het LNFP.

De rechtbank ziet bovendien voor verweerders standpunt geen steun in de vigerende regelgeving. De rechtbank ziet geen aanleiding om het toekomstig artikel 49f van het Bbp niet als uitgangspunt bij de beoordeling van de onderhavige kwestie te nemen. In dat kader overweegt de rechtbank dat de door eiser verrichte taken moeten worden aangemerkt als bijzondere taken, zoals in dit artikel bedoeld. Het feit dat de functie in het systeem van verweerder niet voorkomt, maakt niet dat de werkzaamheden niet in de uitgangspositie hadden moeten worden opgenomen. Voor wat betreft de uitleg van het begrip rol overweegt de rechtbank dat in het Besluit algemene rechtspositie politie geen definitie van dit begrip is gegeven.

3.6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen beslissen om de werkzaamheden als [functie] niet in de uitgangspositie meenemen bij het vaststellen van de uitgangspositie van eiser. Het beroep van eiser is daarom gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak te voorzien, aangezien voor eiser een nieuwe uitgangspositie zal moeten worden vastgesteld, hetgeen bij uitstek de taak van verweerder is.

3.7. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter grootte van € 874,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 156 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB