Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
13-654195-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een vrouw veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur vanwege het op 8 juni 2011 onttrekken aan het wettig gezag van haar minderjarige kind aan de vader met wie een omgangsregeling was afgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/654195-11

Datum uitspraak: 24 december 2012

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1967],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] te [plaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Mannen en van wat de verdachte en haar raadsman mr. M.R.P. Hoppenbrouwers naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 08 juni 2011 (vanaf ongeveer 12.00 uur) te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de afspraak/overeenkomst ( welke ( gezamenlijk) was overeengekomen en/of afgesproken en/of vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die ( eveneens) het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende) om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd ( te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en/of laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en/of was zij, verdachte, ondanks het verzoek van de vader,

weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en overige voorvragen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een civiele kwestie waarbij de aangever civielrechtelijke wegen had moeten bewandelen als hij van mening was dat de vrouw, verdachte in deze zaak, de omgangsregeling niet nakwam. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsman verwezen naar een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding. Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator. In deze zaak heeft de man zich tot op heden niet tot de civiele rechter gewend met een vordering tot het opleggen van voornoemde dwangmaatregelen. Het strafrecht en dan met name artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht is niet bedoeld voor een situatie als de onderhavige. Volgens de raadsman is er, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 september 2012, LJN: BX8691, geen plaats voor strafrechtelijke handhaving waar nog (ruime) civielrechtelijke mogelijkheden zijn. In die zaak heeft het Openbaar Ministerie zelf de niet-ontvankelijkheid gevorderd.

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel verwoord. Dit houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, slechts marginaal ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Het is de rechtbank niet gebleken dat in de onderhavige zaak van een dergelijke situatie sprake is, ook al heeft de aangever wellicht niet alle civielrechtelijke dwangmiddelen bij de civiele rechter afgedwongen. Vast staat in ieder geval dat in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2008 afspraken zijn gemaakt over een omgangs- en vakantieregeling. Vervolgens is op 3 april 2008 door de Voorzieningenrechter te Amsterdam tussen aangever en verdachte een vonnis gewezen waarin de omgangsregeling nader is uitgewerkt. De reguliere omgangsregeling vormt geen probleem tussen aangever en verdachte, maar vanaf 2008 zijn aangever en verdachte in conflict over de interpretatie van de vakantieregeling. Sindsdien hebben aangever en verdachte over en weer al dan niet middels advocaten gecorrespondeerd en tevergeefs getracht om hier overeenstemming over te krijgen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige eerst het nodige op civielrechtelijk gebied dient te worden betracht, echter in dit geval kan niet worden geoordeeld dat er zodanig weinig civielrechtelijke pogingen zijn ondernomen dat dit aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging in de weg zou moeten staan. Het verweer wordt verworpen.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Voorts is de dagvaarding geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [A] op 8 juni 2011 aan het gezag van aangever heeft onttrokken nu de overdracht conform het vakantieschema op 8 juni 2011 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op de bewuste dag (8 juni 2011) moest [A] om 12.00 uur worden overgedragen aan haar vader. Verdachte wilde haar dochter die dag niet meegeven omdat zij – op advies van haar toenmalige advocaat – eigenhandig een dag wilde compenseren die de vader (aangever) zich naar haar mening ten onrechte op 29 april 2011 had toegeëigend. Verdachte is, zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen, met haar dochter naar het volkstuincomplex gegaan. Ze heeft hierdoor opzettelijk niet voldaan aan de vastgestelde omgangsregeling. Het verweer dat zij een dag wilde compenseren, gaat niet op omdat de vader op 29 april 2011 gerechtigd was om [A] volgens de omgangsregeling bij zich te hebben. Dat hij [A] die dag niet naar school heeft laten gaan zonder overleg met verdachte is een andere kwestie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 08 juni 2011 vanaf 12.00 uur te Amsterdam, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de omgangsregeling welke was vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die eveneens het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende, om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd (te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en was zij, verdachte, ondanks die omgangsregeleling welke was vastgesteld, weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen, waarvan een gedeelte, groot 40 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal de officier van justitie in haar eis volgen. Dit om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden de strijd die zij met aangever voert over de uitleg van de vakantieregeling over de rug van [A] te voeren. De belangen van [A] dienen voorop te staan en zwaarder te wegen dan die van verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. E. Dinjens en G.W.A. Lamsvelt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2012.