Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
AWB 12-2415 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om WWB-uitkering, omdat eiser zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Rb.: Eiser was ten tijd in geding er niet van op de hoogte dat Justitie tot tenuitvoerlegging van zijn straf over wilde gaan.

De Rb. wijst in dit verband op een uitspraak van deze Rb. van 4 januari 2012 (LJN: BV0448), waarin is geoordeeld dat om te kunnen spreken van ‘onttrekken’ vast moet staan dat de betrokkene wetenschap heeft of geacht moet worden te hebben van de veroordeling tot de vrijheidsbenemende maatregel of vrijheidsstraf. Daarbij dient per geval te worden beoordeeld of er zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat, niet tegenstaande de gegevens van het CJIB, er toch niet gesproken kan worden van ‘zich onttrekken’. In samenhang met de uitspraak van de CRvB van 9 november 2012, LJN: BY3507 is de Rb. van oordeel dat om te kunnen spreken van ‘onttrekken’ aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf vast moet staan dat de betrokkene weet dat Justitie zijn straf ten uitvoer wil leggen. De betrokkene dient dus te weten dat Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen heeft ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen en/of te weten dat hij in het opsporingsregister is opgenomen. Eiser had deze wetenschap niet, hij wist door het bestreden besluit van 22 december 2011 slechts dat zijn registratie als voortvluchtig onvoldoende was onderbouwd.

De Rb. is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom niet zonder meer in stand blijven. De Rb. ziet voorts geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder eerst de ruimte moet krijgen de aanvullende informatie van eiser bij zijn beraadslaging met betrekking tot eisers aanvraag te betrekken. De Rb. zal verweerder dan ook opdragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2415 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. M. Westerveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde F.H.W. Fris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat eiser zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Bij besluit van 25 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2012.

Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is bij vonnis van de rechtbank Den Haag op 14 september 2009 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig dagen. Deze veroordeling is op 21 december 2010 onherroepelijk geworden.

1.2. Eiser ontving bijstand sinds 7 januari 2011. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft verweerder de bijstand van eiser ingetrokken met ingang van 22 juni 2011 omdat eiser sinds deze datum geregistreerd staat als voortvluchtige. Bij de beslissing op bezwaar van

22 december 2011 heeft verweerder de bijstand van eiser op grond van andere redenen ingetrokken met ingang van 29 september 2011.

1.3. Op 15 februari 2012 heeft eiser een nieuwe aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de WWB.

1.4. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser geregistreerd staat als voortvluchtige. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidstraf, zodat hij geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Uit een e-mail van de Politie Amsterdam/Amstelland volgt dat eiser nog geregistreerd staat. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat vaststaat dat er sprake is van een registratie door het CJIB en dat eiser zich dus onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een straf. Eisers stelling dat hij nooit een oproep voor de vrijheidsstraf heeft ontvangen kan hieraan volgens verweerder niet afdoen.

1.5. In beroep heeft eiser het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

2. Juridisch kader

2.1. Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Blijkens artikel 1, onder h, van de WWB wordt onder een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel verstaan: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

2.2. Volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 november 2012 (LJN: BY3507) is verweerder gehouden bij de toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te beoordelen of betrokkene zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Verweerder is immers het bestuursorgaan dat bevoegd is aan deze wettelijke bepaling toepassing te geven. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de AOW is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen. Nu de tekst van artikel 13, eerste lid, onder b, van de WWB gelijk is aan die van artikel 8c, tweede lid, van de AOW zal de rechtbank deze uitspraak bij de beoordeling betrekken.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder de fax van 13 april 2012, inhoudende de aanvullende gronden van bezwaar, ten onrechte bij de beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de fax van 13 april 2012 en een bevestiging van de verzending daarvan overgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken niet blijkt dat verweerder de fax van 13 april 2012 heeft meegenomen in zijn beoordeling, terwijl deze tijdig is verzonden. Verweerder heeft dat ter zitting ook erkend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze fax ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Dit betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, zodat het op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarom gegrond.

3.2 De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe dient verweerder aannemelijk te maken dat eiser zich aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf onttrekt, de enkele vermelding in het opsporingsregister is daarvoor onvoldoende.

3.3. Verweerder heeft, hangende beroep, op 22 november 2012 een fax overgelegd met nadere informatie van het CJIB. Uit deze fax blijkt dat eiser op 14 september 2009 is veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Voorts staat vermeld dat het vonnis op 21 december 2010 onherroepelijk is geworden. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het onduidelijk is waarom het vonnis pas op 21 december 2010 onherroepelijk is geworden. De rechtbank is van oordeel dat deze onduidelijkheid niet van belang is, later onherroepelijk worden van een vonnis komt wel vaker voor, bijvoorbeeld als een hoger beroep tussentijds wordt ingetrokken. Eiser betwist echter niet dat het vonnis en daarmee de vrijheidsstraf thans onherroepelijk is.

3.4. Uit voormelde fax blijkt voorts het volgende:

Op 19 januari 2011 is het vonnis bij het CJIB ontvangen voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Op 20 januari 2011 is vastgesteld dat eiser geen adres had in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Op 28 januari 2011 is gebleken dat eiser een postadres heeft opgegeven, zijnde de 2e Hugo de Grootstraat 45b te Amsterdam. Op 10 februari 2011 is een niet aangetekende brief naar dit adres gestuurd met het verzoek dat eiser zich binnen 30 dagen meldt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Op 25 maart 2011 is er een arrestatiebevel uitgevaardigd. De politie heeft eiser drie keer bezocht op het opgegeven adres en hem daar niet aangetroffen. Op 17 juni 2011 is eiser afgemeld door de politie en op 23 juni 2011 is hij opgenomen in het opsporingsregister onder de vermelding dat hij zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van zijn straf.

3.5. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de straf nu het voor hem niet bekend was dat men deze ten uitvoer wilde leggen. In dit verband is allereerst van belang of eiser door bijvoorbeeld de eerdere beslissing op bezwaar van 22 december 2011 wist dat men het vonnis van 14 september 2009 ten uitvoer wilde leggen. Nu in deze beslissing echter wordt overwogen dat de stelling dat eiser sinds 22 juni 2011 als voortvluchtig staat geregistreerd onvoldoende is onderbouwd om de intrekking van de bijstand met ingang van die datum te rechtvaardigen is de rechtbank van oordeel dat voor eiser daardoor niet duidelijk was dat het vonnis van 14 september 2009 daadwerkelijk ten uitvoer werd gelegd.

3.6. Eiser betwist dat hij de brief van 10 februari 2011 heeft ontvangen. Bij navraag door verweerder is gebleken dat het CJIB brieven niet aangetekend verstuurt en dat er geen administratie wordt bijgehouden van de verzonden brieven. De rechtbank stelt daarom vast dat niet is na te gaan of eiser door de brief van 10 februari 2011 op de hoogte is gesteld dat zijn straf ten uitvoer werd gelegd. Deze onduidelijkheid behoort voor risico van verweerder te komen.

3.7. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het voor hem onbekend is dat de politie in de periode tussen 25 maart 2011 en 17 juni 2011 drie keer een bezoek heeft gebracht op het opgegeven adres. De rechtbank stelt vast dat uit de fax van 22 november 2012 niet blijkt op welk adres de politie de bezoeken heeft afgelegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat volgens de GBA eiser in de periode 19 april 2011 tot en met 5 maart 2012 gewoond heeft op de Zeedijk te Amsterdam. Bij navraag door verweerder bij het CJIB heeft het CJIB verklaard dat de bezoeken van de politie hebben plaatsgevonden op de Zeedijk, maar dat van dergelijke bezoeken geen bericht wordt achtergelaten. Ook de afmelding door de politie en de opname in het opsporingsregister op 23 juni 2011 is niet aan eiser medegedeeld. Op grond van deze mededelingen van verweerder stelt de rechtbank vast dat eiser ten tijd in geding er niet van op de hoogte was dat Justitie tot tenuitvoerlegging van zijn straf over wilde gaan.

3.8. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank van 4 januari 2012 (LJN: BV0448), waarin is geoordeeld dat om te kunnen spreken van ‘onttrekken’ vast moet staan dat de betrokkene wetenschap heeft of geacht moet worden te hebben van de veroordeling tot de vrijheidsbenemende maatregel of vrijheidsstraf. Daarbij dient per geval te worden beoordeeld of er zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat, niet tegenstaande de gegevens van het CJIB, er toch niet gesproken kan worden van ‘zich onttrekken’. In samenhang met de bij rechtsoverweging 2.2. genoemde uitspraak van de CRvB van 9 november 2012 is de rechtbank van oordeel dat om te kunnen spreken van ‘onttrekken’ aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf vast moet staan dat de betrokkene weet dat Justitie zijn straf ten uitvoer wil leggen. De betrokkene dient dus te weten dat Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen heeft ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen en/of te weten dat hij in het opsporingsregister is opgenomen. Eiser had deze wetenschap niet, hij wist door het bestreden besluit van 22 december 2011 slechts dat zijn registratie als voortvluchtig onvoldoende was onderbouwd.

3.9. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom niet zonder meer in stand blijven. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder eerst de ruimte moet krijgen de aanvullende informatie van eiser bij zijn beraadslaging met betrekking tot eisers aanvraag te betrekken. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.10. De rechtbank ziet ten slotte aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot de rechtbank deze kosten op

€ 874,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 42,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Kolkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB