Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0361

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/1238 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van bijstandsuitkering van een bijstandsgerechtigde die inmiddels ouder is dan 65 jaar en op grond van artikel 47a van de WWB aanvullende bijstand ontvangt van de Sociale verzekeringsbank

Het college van B&W is bevoegd om de bijstandsuitkering die is genoten vóórdat de bijstandsgerechtigde de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, te herzien en terug te vorderen. Dat de bijstandsgerechtigde inmiddels ouder is dan 65 jaar en aanvullende bijstand ontvangt van de Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft niet tot gevolg dat de Svb in dit geval bevoegd zou zijn tot terugvordering. De Svb is op grond van het overgangsrecht in de WWB alleen bevoegd om aanvullende bijstand die door het college van B&W vóór 1 januari 2010 aan personen van 65 jaar en ouder is verleend, te herzien en terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1238 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.A. van Hoof,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (het college),

verweerder,

gemachtigde I. van Kesteren.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 januari 2003 tot en met 20 december 2007 herzien en een bedrag van € 28.830,31 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak in een enkelvoudige kamer ter zitting behandeld op

16 augustus 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing als bedoeld in artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 augustus 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft de zaak in een meervoudige kamer ter zitting behandeld op

29 november 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt.

1.1. Eiser ontving sinds 29 augustus 1982, met uitzondering van korte onderbrekingen, een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Op 17 mei 2008 heeft eiser de 65-jarige leeftijd bereikt. Met ingang van

1 mei 2008 ontvangt hij een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een aanvullende bijstandsuitkering op grond van de WWB.

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijke tip op 29 januari 2008 heeft het college onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte bijstand. In dit kader heeft de sociale recherche onder andere onderzoek verricht naar een bankrekening waarover eiser mogelijk zou hebben beschikt en waarvan hij geen melding had gemaakt bij verweerder. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een frauderapport van

25 november 2010. Uit het onderzoek is, kort samengevat, naar voren gekomen dat eiser regelmatig inkomsten heeft gehad uit de Stichting Minderheden Belangen (de Stichting).

1.3. Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 17 januari 2003 tot en met 20 december 2007 herzien dan wel ingetrokken, althans voor wat betreft de maanden gedurende deze periode waarin eiser inkomsten heeft gehad uit de Stichting. Verder heeft verweerder de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering ten bedrage van € 28.830,31 van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4. Bij brief van 25 februari 2011 heeft het college het besluit van 16 december 2010 ingetrokken. Daarbij is meegedeeld dat niet het college, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) bevoegd is om herzienings- en terugvorderingsbesluiten te nemen ten aanzien van personen die 65 jaar of ouder zijn. Verder is meegedeeld dat de Svb eiser nader zal berichten over de hoogte van de terugvordering.

1.5. Bij het primaire besluit heeft het college de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 januari 2003 tot en met 20 december 2007 alsnog herzien dan wel ingetrokken, althans voor wat betreft de maanden gedurende deze periode waarin eiser inkomsten heeft gehad uit de Stichting. Verder heeft verweerder de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering ten bedrage van € 28.830,31 van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante regelgeving.

2.1. Op grond van artikel 31, eerste lid , eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 47a, eerste lid, van de WWB, in samenhang met artikel 78i, eerste lid, van de WWB niet bevoegd is om de bijstandsuitkering te herzien en terug te vorderen, omdat hij ouder is dan 65 jaar en een aanvullende bijstandsuitkering van de Svb ontvangt. In dit verband heeft eiser onder meer verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2010 in twee eerdere beroepszaken van hem (AWB 10/2247 WWB en AWB 10/3511 WWB) en naar een uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 april 2011, LJN: BQ2114.

3.1. Op 1 januari 2010 is paragraaf 5.4. (Uitvoering Sociale verzekeringsbank) van de WWB in werking getreden. Artikel 47a van de WWB maakt deel uit van deze paragraaf.

In artikel 47a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de Svb tot taak heeft het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan alleenstaanden en alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

In artikel 47a, tweede lid, van de WWB is onder meer hoofdstuk 6 van de WWB van toepassing verklaard op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Svb, tenzij in deze paragraaf (bedoeld is paragraaf 5.4.) anders is bepaald.

De onder 2.1. vermelde artikelen 54 en 58 maken deel uit van hoofdstuk 6 van de WWB.

3.2. Op grond van artikel 78i, eerste lid, van de WWB geldt een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, dat is genomen vóór 1 januari 2010, met ingang van die datum als genomen door de Svb op grond van paragraaf 5.4.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit samenstel van bepalingen dat een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan een alleenstaande van 65 jaar of ouder, zoals eiser, dat is genomen vóór 1 januari 2010, met ingang van die datum geldt als een besluit van de Svb. Ten aanzien van deze aanvullende algemene bijstand is de Svb met ingang van 1 januari 2010 de bevoegde instantie om tot intrekking of herziening en tot terugvordering over te gaan.

3.4. Bij het thans bestreden besluit gaat het echter om herziening en terugvordering van algemene bijstand die eiser heeft ontvangen vóórdat hij de 65-jarige leeftijd bereikte. Hierop heeft noch artikel 47a, eerste en tweede lid, van de WWB noch artikel 78i, eerste lid, van de WWB betrekking. Het betreft immers geen herziening en terugvordering van aanvullende bijstand die aan een persoon van 65 jaar of ouder is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval dan ook, op grond van de artikelen 54, derde lid, en 58 van de WWB, het college bevoegd om de bijstandsuitkering van eiser te herzien en terug te vorderen, uiteraard indien en voor zover aan de overige in die artikelen gestelde voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan.

3.5. De uitspraken van deze rechtbank en de rechtbank Zutphen waarnaar eiser heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze uitspraken volgt dat het college van de desbetreffende gemeente op grond van het overgangsrecht van artikel 78i e.v. van de WWB niet bevoegd was de aanvullende bijstand die betrokkene had ontvangen vanaf de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd had bereikt, in te trekken en terug te vorderen. Zoals onder 3.4. reeds is overwogen, gaat het in het onderhavige geval niet om de intrekking en terugvordering van aanvullende bijstand die aan een persoon van 65 jaar of ouder is verleend, maar om intrekking en terugvordering van algemene bijstand die is verleend voordat eiser de 65-jarige leeftijd had bereikt. Beide uitspraken hebben dus betrekking op een andere situatie.

4. Eiser heeft verder aangevoerd dat geen sprake was van inkomsten uit de Stichting.

4.1. Uit het frauderapport van de sociale recherche van 25 november 2010 blijkt dat eiser in 1989 een bankrekening met nummer 98.80.09.471 bij Fortis Bank Nederland heeft geopend. De rekening is op naam gesteld van de Stichting. Verder blijkt uit de afschriften van deze bankrekening dat Intervast VOF (nadien: Intervast Beheer B.V.), Van Gelderen Import B.V. en Reisbureau Capricho Tour B.V. gedurende de hier in geding zijnde periode (1 januari 2003 tot en met 20 december 2007) regelmatig geldbedragen hebben overgemaakt op deze rekening, dat er geldopnames werden gedaan, dat diverse keren geld is overgemaakt naar andere rekeningen en dat twee keer premie voor een overlijdensverzekering is betaald aan Achmea.

4.2. Niet in geschil is dat eiser de enige gemachtigde was van deze bankrekening bij de Fortis Bank. Eiser heeft voorts verklaard dat de Stichting niet aktief was. Verder heeft eiser bevestigd dat hij van de bankrekening gebruik heeft gemaakt om twee keer premie voor zijn overlijdensuitkering bij Achmea te betalen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. Nu de desbetreffende bankrekening niet op naam van eiser, maar op naam van de Stichting stond, doet deze situatie zich in dit geval niet voor. Aangezien eiser echter de enige gemachtigde was van deze rekening, er regelmatig bedragen op de rekening werden gestort door de in 4.1. vermelde bedrijven en de rekening regelmatig werd gebruikt om betalingen te verrichten en geld van op te nemen, is de rechtbank van oordeel dat eiser ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van deze bankrekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) de rekening van de Stichting kon beschikken. In een dergelijke situatie is het aan eiser om aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat hij niet kon beschikken over de op de bankrekening van de Stichting gestorte bedragen. Eiser heeft aangevoerd dat de gelden op de bankrekening afkomstig waren van zijn broer die een Surinaamse krant uitbracht, en van adverteerders die een vergoeding betaalden voor het plaatsen van een advertentie in de desbetreffende krant. Van de tegoeden op de bankrekening betaalde hij de drukker, aldus eiser. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een verklaring van zijn broer, [A], overgelegd. Deze verklaring vormt echter geen objectief en verifieerbaar gegeven als hiervoor bedoeld.

4.4. Gelet op het voorgaande heeft het college de op de desbetreffende bankrekening gestorte bedragen naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB, die eiser heeft genoten in de maanden waarin die stortingen plaatsvonden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser deze bedragen onmiddellijk kon inzetten voor de voorziening in zijn levensonderhoud. Door geen melding te maken van de bankrekening en van de daarop gestorte bedragen heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB bevoegd de bijstandsuitkering van eiser over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden te herzien dan wel in te trekken, afhankelijk van de hoogte van die bedragen.

4.5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door bij het primaire besluit alsnog tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering over te gaan, terwijl bij de in r.o. 1.4. vermelde brief van 25 februari 2011 nog was meegedeeld dat het college daartoe niet bevoegd was. Uit die brief blijkt naar het oordeel van de rechtbank slechts dat het college aanvankelijk van mening was dat hij niet bevoegd was om tot herziening en terugvordering over te gaan. Eiser heeft daaraan echter niet een rechtens te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat zijn bijstandsuitkering niet zou worden herzien en teruggevorderd. Het college heeft een dergelijke toezegging ook niet gedaan in de brief van 25 februari 2011. In de desbetreffende brief is immers meegedeeld dat eiser van de Svb nader bericht zou ontvangen over de hoogte van de terugvordering, zodat eiser er rekening mee diende te houden dat de bijstandsuitkering die hij had ontvangen over de maanden waarin stortingen op de bankrekening van de Stichting zijn gedaan, zou worden herzien dan wel ingetrokken en dat de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering van hem zou worden teruggevorderd.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat tevens aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de kosten van de over die maanden ten onrechte betaalde bijstand van eiser terug te vorderen. Op grond van artikel 6.1, derde lid, van de beleidsregels WWB kan van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in dit artikellid.

5. Eiser heeft schadevergoeding gevorderd wegens de lange duur van de herzienings- en terugvorderingsperiode. Ter zitting heeft eiser dit verzoek nader toegespitst op een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) .

5.1. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep omtrent schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

Zie bijvoorbeeld LJN: BY4730 en BJ2790.

5.2. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de redelijke termijn is aangevangen op de datum waarop eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het in r.o. 1.3. vermelde besluit van

16 december 2010, te weten 11 januari 2011, stelt de rechtbank vast dat de als redelijk aan te merken termijn van twee jaar nog niet is verstreken op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet, te weten 14 decemer 2012. Nu geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, is er geen grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiser ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, voorzitter,

mrs. K. Oldekamp-Bakker en M.P. Verloop, leden, in aanwezigheid van

mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2012.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB