Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0348

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
AWB 12-2146 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koppelingswet. Geen recht op kinderbijslag op grond van internationale bepalingen, gelet op arrest Hoge Raad van 23 november 2012 (LJN BW7740).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2146 AKW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. S. Çakici-Reinders,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb),

verweerder,

gemachtigde J.Y. van den Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen, omdat eiseres niet over een geldige verblijfsvergunning beschikt.

Bij besluit van 3 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld op 30 november 2012. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank voor de zitting bericht dat zij noch eiseres niet aanwezig zal zijn. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres heeft, evenals haar echtgenoot en kinderen, de Turkse nationaliteit. Geen van de gezinsleden heeft gedurende het jarenlange verblijf in Nederland rechtmatig verblijf gehad in de zin van artikel 8a t/m e of l van de Vreemdelingenwet 2000. Ten tijde van het bestreden besluit waren eiseres en haar kinderen in procedure over een verblijfsvergunning.

1.2. Eiseres heeft op 20 oktober 2011 kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van haar zoon [zoon], geboren [1998].

2. wettelijk kader

2.1. In artikel 6 van de AKW is - voor zover hier relevant - het volgende bepaald:

1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die ingezetene is;

2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000).

3. standpunten van partijen

3.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, nader toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet op haar verblijfsstatus niet voor kinderbijslag in aanmerking komt. Eiseres heeft geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vw2000 en is op grond van artikel 6, tweede lid, van de AKW niet verzekerd. Het beroep van eiseres op diverse internationaalrechtelijke bepalingen slaagt niet, aldus verweerder. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 juli 2011 (LJN BR1905) heeft verweerder gesteld dat hij hiervan in cassatie is gegaan bij de Hoge Raad en dat hij aan deze uitspraak geen toepassing geeft.

3.2. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat zij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een recht op kinderbijslag. In dat kader heeft zij een beroep gedaan op de hiervoor onder 3.1. genoemde uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 en op diverse internationaalrechtelijke bepalingen en rechtspraak, onder andere van het Europees Hof voor de rechten van de mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU). Zij heeft onder meer gewezen op de lange verblijfsduur van haar en haar kinderen in Nederland en op de vergaande mate van inburgering van [zoon] in Nederland.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat de Hoge Raad op 23 november 2012 uitspraak heeft gedaan in de hiervoor genoemde cassatieprocedure van verweerder tegen de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011.

4.2. In zijn arrest van 23 november 2012 (LJN BW7740) heeft de Hoge Raad, toetsend aan internationale nondiscriminatiebepalingen, – kort samengevat – het volgende oordeel gegeven.

Artikel 6, tweede lid, van de AKW houdt in dat onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit en verblijfsstatus. Naar het oordeel van de Hoge Raad dient dit onderscheid een legitiem doel. De uitsluiting van kinderbijslag in geval van vreemdelingen die in Nederland niet rechtmatig verblijf houden, staat voorts in een redelijke en proportionele verhouding tot het doel, zodat voor het gemaakte onderscheid een toereikende rechtvaardiging bestaat. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking de ruime beoordelingsvrijheid die de Staat in sociale zekerheidskwesties toekomt, het doel, de achtergrond en de uitgangspunten van de Koppelingswet, alsmede de eigen verantwoordelijkheid die op ouders rust voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Volgens de Hoge Raad maakt een lang verblijf in Nederland, met medeweten van de Staat, niet dat aanspraak op kinderbijslag ontstaat, ook niet ingeval betrokkenen zich onderdeel voelen van de Nederlandse samenleving en de kinderen in Nederland naar school gaan. Naar het oordeel van de Hoge Raad is geen sprake van strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Ook het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) leidt niet tot een andere uitkomst, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 vernietigd en de onderliggende uitspraken van de rechtbanken bevestigd.

4.3. De rechtbank stelt vast dat de nationaal- en internationaalrechtelijke gronden die eiseres heeft aangevoerd in de kern overeenkomen met de gronden die door de Hoge Raad zijn besproken en beoordeeld in vorengenoemd arrest. Gelet op het door de Hoge Raad gegeven oordeel is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres op de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 en op de bepalingen van het EVRM en het IVRK niet slaagt.

4.4. In hetgeen eiseres in beroep overigens, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie EU, heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.

4.5. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenkostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter,

in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB