Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0322

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
AWB 12-2875 en 12-2863 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terras op brugvleugel. Gedeeltelijke intrekking exploitatievergunning en DHW-vergunning.

Beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. Oorspronkelijke functie brugvleugel doet niet af aan beleidsvrijheid burgemeester terrassen op brugvleugels niet toe te staan in belang veiligheid voetgangers. Geen individuele toets of maatwerkprocedure, omdat geen uitzonderlijke situatie (brugvleugel niet buitensporig groot), en omdat verplaatsing terras onmogelijk wegens belangen derden. Geen strijd met gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Geen bijzondere omstandigheden wegens geval waarin beleid niet voorziet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/2875 en 12/2863 HOREC

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap [A] Beheer Amsterdam B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. F.D.J.A. Pieters,

en

de burgemeester van Amsterdam, en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerders,

gemachtigde mr. A.H.M. Buijs.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 (het primaire besluit I) heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) de aan eiseres verstrekte exploitatievergunning, voor zover deze het terras betreft, gedeeltelijk ingetrokken en geweigerd mee te werken aan verplaatsing van het terras.

Bij besluit van 10 mei 2011 (het primaire besluit II) heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) eiseres een aangepaste vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) verleend.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 april 2012 (de bestreden besluiten) hebben verweerders het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld. Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 29 november 2012.

Eiseres is vertegenwoordigd door [A] en haar gemachtigde. Verweerders zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres exploiteert het horecabedrijf ‘[naam]’, gevestigd aan de [adres] te [plaats] (hierna: het horecabedrijf). Bij besluit van 10 november 2010 heeft de burgemeester de vergunning van eiseres voor het exploiteren van het horecabedrijf met een ongebouwd terras van in totaal 29,3 m² verlengd. Bij besluit van 10 november 2010 heeft het dagelijks bestuur eiseres een bijbehorende DHW-vergunning verleend.

1.2. Bij brief van 17 januari 2011 heeft de burgemeester eiseres geïnformeerd dat hij voornemens is de terrasvergunning van eiseres per 1 april 2011 (einde overgangsregeling Terrassennota 2008) gedeeltelijk in te trekken, omdat terrassen op brugvleugels op grond van de Terrassennota 2008 niet zijn toegestaan, zodat de vergunning voor het aan de overzijde van het horecabedrijf, op een brugvleugel gelegen terras nooit verlengd had mogen worden. De burgemeester heeft eiseres in de gelegenheid gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. Op 24 februari 2011 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden. Daarbij is tevens gesproken over mogelijke verplaatsing van het terras naar de kade van de [adres].

1.3. Bij het primaire besluit I heeft de burgemeester de terrasvergunning van eiseres gedeeltelijk ingetrokken. Bij het primaire besluit II heeft het dagelijks bestuur eiseres een DHW-vergunning verleend voor, onder andere, een ongebouwd terras van in totaal 14,26 m².

1.4. Bij de bestreden besluiten hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur, in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie, de primaire besluiten gehandhaafd.

1.5. Eiseres heeft de bestreden besluiten in beroep gemotiveerd betwist.

2. Inhoudelijke beoordeling

Zaaknummer AWB 12/2875 HOREC (exploitatievergunning)

2.1. In artikel 3.11, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam (hierna: APV) is bepaald dat de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

2.2. De burgemeester voert beleid voor terrassen, neergelegd in het Terrassenbeleid 2011 (hierna: het beleid). Het beleid is op 17 juni 2011 in werking getreden.

2.3. Gelet op de datum van het bestreden besluit (25 april 2012) is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit bij zijn beoordeling van het onderhavige geschil het beleid terecht heeft toegepast.

3.1. In het beleid, paragraaf 3.1.2 “Situering van het terras”, onder het kopje “Brugvleugels”, staat vermeld dat in de praktijk is gebleken dat bij terrassen op brugvleugels voetgangers in veel gevallen gedwongen worden van de rijweg gebruik te maken. Daarmee gaan de oorspronkelijke functie van de brugvleugel en de reden waarom deze zo royaal is aangelegd geheel verloren. Daarom is het uitgangspunt dat de voetgangers geen gebruik hoeven te maken van de rijweg. Terrassen op brugvleugels zijn daarom niet toegestaan.

3.2. In hoofdstuk 5 “Overige uitgangspunten” staat in paragraaf 5.13 “Maatwerk” vermeld dat maatwerk voor individuele gevallen voor uitzonderlijke situaties mogelijk moet zijn. Ongeveer 80 tot 85% van de terrassen moet volgens de regels vergund kunnen worden en voor 10 tot 15% is maatwerk wellicht een oplossing. Aan de hand van vier criteria wordt bepaald of maatwerk moet worden geleverd. De vier criteria zijn toezicht op het terras, verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat en het meest doelmatige gebruik van de openbare ruimte. De voorzitter van het dagelijks bestuur (lees: de burgemeester) bepaalt uiteindelijk of maatwerk noodzakelijk/rechtvaardig is.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat het beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist is en overweegt daartoe het volgende. Uit het beleid, weergegeven onder 3.1. en 3.2., en de daarop van de zijde van de burgemeester ter zitting gegeven toelichting, volgt dat terrassen op brugvleugels niet zijn toegestaan in het belang van de verkeersveiligheid, waaronder het aan voetgangers bieden van een veilige oversteekplaats. Het is niet onredelijk dat de burgemeester in het beleid ten aanzien van terrassen op brugvleugels de veiligheid van voetgangers voorop plaatst. De burgemeester mag daarbij ook uitgaan van eigen indrukken van de plaatselijke situatie zonder eerst onderzoek te doen naar de daadwerkelijke veiligheid voor voetgangers, zoals door eiseres gesuggereerd. Dit valt onder de beleidsvrijheid van de burgemeester. Eiseres stelt voorts dat het beleid kennelijk onredelijk is omdat de oorspronkelijke functie van de brugvleugel niet was om voetgangers de ruimte te geven, maar om hoogteverschillen tussen brug en straat te overbruggen. Daarmee is bij de opstelling van het beleid uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de burgemeester de beleidsvrijheid om brugvleugels vrij van terrassen te willen houden om voetgangers de ruimte te geven. Dat dit wellicht niet de oorspronkelijke functie was van de brugvleugel doet aan die beleidsvrijheid niet af.

De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat het beleid op dit punt buiten toepassing gelaten moet worden. De rechtbank stelt vast dat de burgemeester in overeenstemming met het beleid heeft gehandeld, nu het gedeelte van het terras dat niet langer is vergund, is gelegen op een brugvleugel.

4.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat per geval dient te worden beoordeeld of een terras op een brugvleugel voetgangers dwingt om van de rijweg gebruik te maken. Volgens eiseres worden voetgangers met de plaatsing van een terras op de brugvleugel tegenover haar horecazaak niet de rijweg op gedwongen. Deze grond faalt. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester met het beleid heeft beoogd te voorkomen dat ieder geval individueel dient te worden beoordeeld. Het beleid voorziet in algemene beleidsregels die in beginsel op alle gevallen van toepassing zijn. Slechts in een uitzonderlijke situatie of in een geval waarin het beleid niet voorziet, dient een individuele beoordeling te volgen. De veiligheid van voetgangers is niet een dergelijke uitzonderlijke situatie, nu dit aspect bij het opstellen van het beleid reeds is meegenomen.

5.1. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zowel wat betreft de wens van eiseres tot behoud van het terras op de brugvleugel als wat betreft de wens tot het verplaatsen van het terras, heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de maatwerkprocedure en overweegt daartoe het volgende.

5.1.1. Op grond van het beleid en de daarop van de zijde van de burgemeester ter zitting gegeven toelichting, kan de maatwerkprocedure slechts worden toegepast bij een uitzonderlijke situatie in de inrichting van de openbare ruimte, waardoor toch in afwijking van de beleidsregels een terras kan worden geëxploiteerd. Deze situatie doet zich in het geval van terrassen op brugvleugels uitsluitend voor indien sprake is van een buitensporig grote brugvleugel, omdat in dat geval is gewaarborgd dat voetgangers ongehinderd kunnen oversteken. Nu gesteld noch gebleken is dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie in dit geval sprake is, kwam de burgemeester niet toe aan toetsing aan de in 3.2. genoemde vier criteria. De burgemeester heeft in het bestreden besluit dan ook terecht niet aan die criteria getoetst.

5.1.2. Uit het bestreden besluit en uit het beleid volgt dat een terras niet direct voor andermans gevel wordt geplaatst en evenmin - aan de overzijde van de weg - aan de gevel van een woonboot, omdat de belangen van derden zich daartegen verzetten. De burgemeester heeft na onderzoek geconcludeerd dat verplaatsing van het terras niet mogelijk is, omdat op de beoogde locatie een woonboot ligplaats inneemt en het belang van de woonbootbewoner zich tegen een terras voor zijn gevel verzet. Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester bevestigd dat het een woonboot betreft, blijkens de bij Waternet ingewonnen informatie. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat het niet mogelijk was het terras via de maatwerkprocedure te verplaatsen en aldus een uitzondering te maken op het beleid. Of de woonboot al dan niet ligplaats inneemt in strijd met het bestemmingsplan, doet hier niet aan af. De rechtbank stelt overigens vast dat bij besluit van 27 juli 2011 het door eiseres ingestelde handhavingverzoek is afgewezen. Aan dit besluit ligt onder andere ten grondslag dat de woonboot in het nieuwe bestemmingsplan ‘Water’ zeker positief wordt bestemd. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt.

6.1. Eiseres heeft in beroep voorts aangevoerd dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze grond faalt. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit en in het verweerschrift voldoende is gemotiveerd dat de door eiseres genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het terras van eiseres en, voor zover daarvan wel sprake is (en deze niet in het beleid zijn verdisconteerd), de burgemeester die situatie in overeenstemming met het beleid zal brengen door de vergunning niet te verlengen. Eiseres heeft in reactie hierop niet nader geduid waarom volgens haar wel sprake is van gelijke gevallen.

7.1. Verder stelt eiseres in beroep dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat in het e-mailbericht van 8 februari 2008 namens de voormalige stadsdeelvoorzitter is meegedeeld dat het terras van eiseres bij de brug ‘ietsjes’ moet inperken, maar aan de andere zijde langs de kade genoeg ruimte over heeft. Deze grond faalt. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde mededeling geen ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging bevat, inhoudende dat eiseres het terras op de brugvleugel in omvang nagenoeg ongewijzigd mocht behouden. De opmerking over de ruimte langs de kade betreft evenmin een dergelijke toezegging. In die opmerking valt hoogstens een toezegging te lezen dat de mogelijkheid tot het verplaatsen van het terras langs de kade zou worden onderzocht. Dat is ook gebeurd en onderzoek wees vervolgens uit dat het belang van de woonbootbewoner aan verplaatsing van het terras in de weg staat. Van schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

8.1. Tot slot is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van het beleid geen rekening is gehouden, zodat ook in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding is gelegen van het beleid af te wijken.

9.1. De rechtbank komt tot de slotsom dat de burgemeester op goede gronden heeft geconcludeerd dat de exploitatievergunning in strijd met het beleid was verleend en dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Zaaknummer AWB 12/2863 HOREC (DHW-vergunning)

10.1. De rechtbank overweegt dat een DHW-vergunning slechts kan worden verleend onder de voorwaarde dat een exploitatievergunning is verleend en daarmee in overeenstemming dient te zijn. Nu de rechtbank in de zaak met nummer AWB 12/2875 HOREC heeft overwogen dat de burgemeester de exploitatievergunning gedeeltelijk heeft kunnen intrekken, heeft het dagelijks bestuur de DHW-vergunning gedeeltelijk kunnen intrekken om deze met de aangepaste, aan eiseres verleende exploitatievergunning in overeenstemming te brengen. Ook dit bestreden besluit kan dus in stand blijven.

11.1 De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren en zal daarom, gelet op het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

12.1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter,

mrs. C.H. Rombouts en J.H.M. van de Ven, leden,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB