Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY9782

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
529201 / KG ZA 12-1509 MvW/BB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk wordt geacht dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] de overeenkomsten met Lemniscaat bij brief van 24 februari 2012 rechtsgeldig heeft ontbonden, nu de gestelde tekortkomingen onvoldoende vaststaan en niet gebleken is dat [gedaagde]l Lemniscaat in gebreke heeft gesteld. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de overeenkomsten bij brief van 24 februari 2012 niet rechtsgeldig zijn opgezegd nu daarbij geen opzegtermijn in acht is genomen. Een opzegtermijn van een jaar wordt, gezien de omstandigheden van het geval, redelijk geacht. De opzegging komt in aanmerking voor conversie. Dat betekent dat [gedaagde] de overeenkomsten tot 25 februari 2013 dient na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 529201 / KG ZA 12-1509 MvW/BB

Vonnis in kort geding van 20 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEMNISCAAT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij dagvaarding van 19 november 2012,

advocaat mr. S.F. Besselink te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. D. Griffiths te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Lemniscaat en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 6 december 2012 heeft Lemniscaat gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van Lemniscaat: [A] met mr. Besselink en haar kantoorgenote mr. J.C.C. van Schie.

Aan de zijde van [gedaagde]: [gedaagde] (en haar echtgenoot) met mr. Griffiths.

2. De feiten

2.1. Lemniscaat is een uitgeverij die zich bezighoudt met het uitgeven van (kinder)boeken.

2.2. [gedaagde] is de dochter van wijlen [B] (overleden in 2006), auteur van met name kinderboeken.

2.3. [B] werkte voor zijn overlijden samen met Uitgeverij Holland. Na zijn overlijden heeft [gedaagde] besloten voor het uitgeven van de werken van haar vader over te stappen naar Lemniscaat. Daartoe is op 30 augustus 2007 tussen Uitgeverij Holland en Lemniscaat een licentieovereenkomst gesloten en op 11 oktober 2007, aangepast bij overeenkomst van 6 februari 2008, tussen [gedaagde] en Lemniscaat een raamovereenkomst. Daarnaast werden voor iedere uitgave van het werk van [B] tussen [gedaagde] en Lemniscaat afzonderlijke uitgeefovereenkomsten gesloten.

2.4. Bij overeenkomst van 8 december 2011 zijn de bij Uitgeverij Holland berustende auteursrechten op het werk van [B] aan [gedaagde] (terug) overgedragen.

2.5. Bij brief van 24 februari 2012 van haar advocaat heeft [gedaagde] alle tussen haar en Lemniscaat van kracht zijnde overeenkomsten per onmiddellijk opgezegd, dan wel ontbonden. Als reden daarvoor heeft zij gegeven dat Lemniscaat op verschillende manieren jegens [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen hen geldende overeenkomsten. [gedaagde] verwijt Lemniscaat in dit verband:

1) dat Lemniscaat in de daarvoor gestelde termijn van twee en een half jaar niet 15 tot 20 maar slechts 11 titels van [B] heeft uitgegeven;

2) dat Lemniscaat in plaats van 80% van de opbrengsten van de verfilming van ‘[titel 1]’ slechts 60% aan [gedaagde] wenst te betalen;

3) dat Lemniscaat zonder overleg met [gedaagde] vertalingen van boeken van [B] in het buitenland heeft uitgegeven en daarvoor aan [gedaagde] onvolledige royaltybetalingen heeft verricht; en

4) dat Theatergroep Gnaffel tegen de uitdrukkelijke wens van [gedaagde] in opnieuw een toneelstuk gebaseerd op het boek ‘[titel 2]’ op de planken brengt.

[gedaagde] heeft daarnaast als reden voor de beëindiging van de samenwerking opgevoerd dat bij haar sprake is van een onherstelbare beschadiging van het vertrouwen.

2.6. Lemniscaat heeft [gedaagde] op 17 september 2012 gesommeerd om aan haar verplichtingen uit de overeenkomsten te voldoen.

2.7. Bij dagvaarding van 20 november 2012 is [gedaagde] jegens Lemniscaat een bodemprocedure gestart. Naast enkele nevenvorderingen vordert zij in die procedure primair om voor recht te verklaren dat de overeenkomsten tussen partijen per 24 februari 2012 zijn beëindigd en subsidiair om de overeenkomsten te ontbinden.

3. Het geschil

3.1. Lemniscaat vordert samengevat - om op straffe van dwangsommen:

I. [gedaagde] te veroordelen met onmiddellijke ingang al haar verplichtingen onder de licentieovereenkomst, de raamovereenkomst en de uitgeefovereenkomsten na te komen, waaronder:

i. mee te werken aan de samenwerking, onder meer door haar toestemming

voor het gebruik van de titels van [B] door Lemniscaat en/of derden

niet zonder gegronde redenen te weigeren;

ii. met Lemniscaat in overleg te treden over de nevenrechten en/of

vertalingen van de titels van [B], ofwel de uitoefening van de

nevenrechten over te laten aan Lemniscaat;

iii. de exclusieve rechten van Lemniscaat onder de overeenkomsten te

eerbiedigen, onder meer door zich te onthouden van het zonder toestemming

van Lemniscaat benaderen van derden met betrekking tot de exploitatie van

de titels van [B];

iv. zich te onthouden van het rechtstreeks, buiten Lemniscaat om, bij derden

innen van vergoedingen voor het gebruik van de titels van [B];

v. de, zonder toestemming van Lemniscaat, door derden rechtstreeks aan

[gedaagde] uitgekeerde vergoedingen, die op grond van de overeenkomsten aan Lemniscaat hadden moeten worden uitgekeerd onmiddellijk over te maken aan Lemniscaat.

II. [gedaagde] met onmiddellijke ingang te verbieden om zonder toestemming van Lemniscaat (sub)licenties of enige wijze van exploitatie betreffende de titels van [B] aan derden te verlenen.

III. [gedaagde] te veroordelen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis opgave te doen van de uitgeverijen en/of andere derden die [gedaagde] heeft aangeschreven en/of anderszins heeft benaderd met een mededeling waarmee de suggestie werd gewekt dat de exclusieve rechten van Lemniscaat zouden zijn vervallen en vergoedingen aan [gedaagde] rechtstreeks dienden te worden betaald.

IV. [gedaagde] te veroordelen binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan de onder III genoemde uitgeverijen en/of derden een rectificatie te sturen met de inhoud zoals in het petitum van de dagvaarding is opgenomen.

V. [gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van Lemniscaat opgave te doen van en inzicht te geven in alle door [gedaagde] rechtstreeks van derden ontvangen gelden voor het gebruik van de titels van [B] en opgave te doen van en inzicht te geven in de betrokken derden van wie [gedaagde] rechtstreeks vergoedingen heeft ontvangen.

VI. [gedaagde] te veroordelen binnen vier weken na betekening van dit vonnis een door een register accountant als juist gewaarmerkte opgave van de onder V. genoemde informatie aan haar te verstrekken.

Ten slotte vordert Lemniscaat om [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen.

3.2. Lemniscaat heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat [gedaagde] op grond van de met Lemniscaat gesloten overeenkomsten verplicht is om de exclusieve rechten van Lemniscaat ten aanzien van de uitgave van de titels van [B], alsmede ten aanzien van de exploitatie van de nevenrechten te respecteren. Zij doet dit echter niet. Sinds het begin van dit jaar geeft [gedaagde] zonder gegronde reden geen enkele uitvoering meer aan de met Lemniscaat gesloten overeenkomsten. Zij heeft zelfs derden aangeschreven met de mededeling dat Lemniscaat niet meer gerechtigd zou zijn om het werk van haar vader uit te geven en zij heeft inmiddels verschillende andere uitgeverijen benaderd om het werk van haar vader te gaan uitgeven. Dit terwijl zij nog gebonden is aan de met Lemniscaat gesloten overeenkomsten. Volgens Lemniscaat stelt [gedaagde] zich ten onrechte op het standpunt dat zij alle overeenkomsten bij brief van 24 februari 2012 rechtsgeldig heeft opgezegd dan wel ontbonden. Lemniscaat betwist dat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Ook betwist zij dat er sprake is van tekortkomingen die een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking rechtvaardigen. Volgens Lemniscaat hebben partijen slechts meningsverschillen, hetgeen gebruikelijk is in een samenwerkingsverband als deze, en meningsverschillen kunnen volgens haar niet leiden tot een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking. Lemniscaat heeft erkend dat zij in het verleden steken heeft laten vallen bij de betalingen aan [gedaagde] voor de buitenlandse uitgaven en nevenrechten, maar volgens haar is dit vervolgens volledig hersteld. Volgens Lemniscaat stond daarbij het bedrag dat [gedaagde] te laat had ontvangen in geen verhouding tot het bedrag dat zij wel al had ontvangen. Tussen partijen bestaat verder een dispuut over de verdeling van de opbrengsten van de verfilming van ‘[titel 1]’, maar ook dit kan niet een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking rechtvaardigen. Partijen verschillen van mening over wie de overeenkomst tot de verfilming van ‘[titel 1]’ tot stand heeft gebracht, hetgeen van belang is voor de vraag of [gedaagde] 60% of 80% van de opbrengt krijgt. Zodra daarover in een bodemprocedure uitsluitsel wordt gegeven is dat probleem opgelost. Wat betreft het verwijt van [gedaagde] aangaande de theatervoorstelling door Gnaffel van ‘[titel 2]’ geldt volgens Lemniscaat dat het hier om een reprise ging waarvoor geen toestemming van [gedaagde] meer nodig was omdat zij reeds voor de oorspronkelijke voorstelling toestemming had gegeven. Ten slotte heeft Lemniscaat betwist dat zij in strijd met de raamovereenkomst te weinig titels van [B] zou hebben uitgegeven. In dit verband heeft zij verklaard niet 11, zoals [gedaagde] stelt, maar 15 titels te hebben uitgegeven, waarvan enkele in bundels. Bovendien betrof het behalen van 15 tot 20 titels volgens Lemniscaat een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Al met al kan naar de mening van Lemniscaat niet worden gesproken van zodanige tekortkomingen dat [gedaagde] de exploitatie van de werken van [B] door Lemniscaat per direct had mogen stopzetten. De schade die zij door de beëindiging lijdt is aanzienlijk, doordat zij inkomsten misloopt en haar naam en goede eer worden aangetast, aldus Lemniscaat.

3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat kort gezegd op het volgende neerkomt. Volgens haar is de beëindiging van de samenwerking het gevolg van een optelsom van problemen met Lemniscaat, hetgeen heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Regelmatig heeft [gedaagde] haar ongenoegen uitgesproken over de haperende samenwerking en steeds deed Lemniscaat ([A]) hier niets mee. Zelfs op een mediationvoorstel van [gedaagde] op 24 mei 2011 als laatste poging om de samenwerking te redden is Lemniscaat niet ingegaan. In januari 2012 was, nadat Lemniscaat tegen de wens van [gedaagde] in Theatergroep Gnaffel toestemming had gegeven voor een nieuwe serie voorstellingen (reprise) van ‘[titel 2]’, de maat vol. Op 2 februari 2012 heeft zij Lemniscaat dan ook laten weten dat zij de samenwerking wenst te beëindigen. Zij heeft daarbij aan Lemniscaat voorgesteld om in overleg te treden over de afwikkeling van de samenwerking en bij gebreke daarvan te zullen overgaan tot een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking. Omdat Lemniscaat ([A]) niet bereid was om over een beëindiging te praten, heeft [gedaagde] de overeenkomsten bij brief van 24 februari 2012 opgezegd dan wel ontbonden. Volgens [gedaagde] is de samenwerking daarmee rechtsgeldig beëindigd. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat, als er geen andersluidende afspraken zijn gemaakt, duurovereenkomsten te allen tijde kunnen worden opgezegd. Lemniscaat had volgens [gedaagde] hoogstens schadevergoeding kunnen vorderen als zij meent dat, op grond van alle omstandigheden, onmiddellijke beëindiging van de samenwerking niet gerechtvaardigd was. Volgens [gedaagde] was ook aan de vereisten voor een rechtsgeldige ontbinding voldaan.

Over de tekortkomingen van Lemniscaat, die volgens haar in samenhang met elkaar en in combinatie met de vertrouwensbreuk tot de beëindiging hebben geleid, heeft [gedaagde] het volgende naar voren gebracht. [gedaagde] heeft Lemniscaat diverse keren geconfronteerd met het feit dat zij achterliep met het uitgeven van de afgesproken aantal titels. Wat Lemniscaat daar thans over zegt strookt volgens haar niet met hoe daar toen op werd gereageerd en ook niet met hoe partijen altijd ‘titel’ hebben gedefinieerd. [gedaagde] betwist dat het behalen van 15-20 titels slechts een inspanningsverplichting betrof.

Wat betreft de verdeling van de opbrengst van de verfilming van ‘[titel 1]’ heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat uit de licentieovereenkomst moet worden afgeleid dat een situatie waarin het initiatief voor een verfilming bij de erven heeft gelegen, dient te worden gezien als een situatie waarin de overeenkomst door de erven tot stand is gebracht, als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de raamovereenkomst. Volgens [gedaagde] komt dan ook 80% van de opbrengst aan haar toe. Aanvankelijk was [A] het daarmee eens maar op enig moment heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] slechts 60% toekomt.

Verder is Lemniscaat jaar in jaar uit te laat geweest met de betaling aan [gedaagde] van aan haar toekomende opbrengsten uit nevenrechten en vertalingen en [gedaagde] heeft zich daar ook steeds bij Lemniscaat over beklaagd.

Al met al was er volgens [gedaagde] voldoende grond om op 24 februari 2012 tot een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking over te gaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate voort uit de aard van de vorderingen, die ertoe strekken dat de samenwerking tussen partijen voortduurt.

4.3. Lemniscaat vordert kort gezegd nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomsten. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.4. [gedaagde] heeft bij brief van 24 februari 2012 de samenwerking tussen partijen met onmiddellijke ingang beëindigd dan wel ontbonden. Ten aanzien van de ontbinding wordt het volgende overwogen.

Een overeenkomst kan wegens een wezenlijke tekortkoming in de nakoming geheel of gedeeltelijk worden ontbonden. Voor zover de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, moet wel sprake zijn van verzuim dat pas intreedt als de partij die is tekortgeschoten in gebreke is gesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de stukken niet dat [gedaagde], daar waar nodig, Lemniscaat op enig moment in gebreke heeft gesteld en haar een termijn heeft gegeven voor het herstellen van tekortkomingen. Het kan zo zijn dat [gedaagde] bij Lemniscaat vaker haar beklag heeft gedaan over het handelen van

Lemniscaat maar dat kan niet worden gezien als een ingebrekestelling die voor een rechtsgeldige ontbinding vereist is.

Verder is het nog maar de vraag of de door [gedaagde] gestelde tekortkomingen een ontbinding rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dat voorshands niet worden geconcludeerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat het, gelet op hetgeen Lemniscaat over het aantal uit te geven titels van [B] naar voren heeft gebracht, aannemelijk is dat Lemniscaat aan haar verplichting uit de raamovereenkomst heeft voldaan. Lemniscaat heeft immers (ongeveer) 15 titels uitgegeven, waarvan enkele in één band gebundeld, en uit de bewoordingen in de raam- en licentieovereenkomst, te weten ‘een voornemen’ (artikel 1 van de raamovereenkomst) om ‘naar schatting’ (artikel 5 van de licentieovereenkomst) 15 à 20 titels uit te geven, blijkt niet dat zij daarmee niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Het dispuut tussen partijen over de verdeling van de opbrengsten van de verfilming van ‘[titel 1]’, vergt een nader onderzoek naar de feiten waarvoor een kort geding zich niet leent. Het gaat hier immers om de vraag of kan worden aangenomen dat [gedaagde] de overeenkomst tot verfilming tot stand heeft gebracht of dat Lemniscaat dat heeft gedaan. Partijen hebben hierover verschillende standpunten en zonder nader onderzoek kan niet worden vastgesteld wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft. Verder kan voorshands ook niet worden aangenomen dat Lemniscaat ten aanzien van de in het buitenland uitgegeven vertalingen en de reprise van ‘[titel 2]’ zodanig is tekort geschoten dat een ontbinding is gerechtvaardigd. Gelet op hetgeen Lemniscaat in dit verband naar voren heeft gebracht kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat Lemniscaat heeft gehandeld op een wijze die strijdig is met wat tussen partijen is afgesproken. Het is immers nog maar de vraag of Lemniscaat toestemming nodig had voor de reprise en, voor zover Lemniscaat niet altijd (tijdig) royalties heeft afgedragen aan [gedaagde], heeft Lemniscaat aannemelijk gemaakt dat dit volledig is hersteld en dat het bovendien om een in verhouding kleine achterstand ging. Gelet op het voorgaande kan voorshands niet worden geconcludeerd dat de door [gedaagde] gestelde tekortkomingen, al dan niet in samenhang gezien, een ontbinding rechtvaardigen. Het kan zo zijn dat over het geheel gezien de samenwerking tussen partijen in de loop der jaren moeizamer is gaan verlopen en dat daardoor het vertrouwen bij [gedaagde] is komen te ontvallen, maar dat is onvoldoende om tot ontbinding over te gaan.

Onder de gegeven omstandigheden is voorshands dan ook niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] de samenwerkingsovereenkomst met Lemniscaat op 24 februari 2012 rechtsgeldig heeft ontbonden.

4.5. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de samenwerking tussen partijen. Vaststaat dat deze samenwerking is vervat in meerdere overeenkomsten, waaronder een licentieovereenkomst, een raamovereenkomst en afzonderlijke uitgeefovereenkomsten. Lemniscaat heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat het nog maar de vraag is of [gedaagde] door de overdracht van de auteursrechten ook partij bij de licentieovereenkomst is geworden, omdat Lemniscaat als andere contractspartij daarbij niet is betrokken, maar nu zij hier nakoming van alle overeenkomsten vraagt, wordt dit hier verder in het midden gelaten.

Niet in geschil is dat de tussen partijen geldende overeenkomsten duurovereenkomsten zijn die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan.

Dergelijke overeenkomsten kunnen in beginsel worden opgezegd.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de overeenkomsten bij brief van 24 februari 2012 door Lemniscaat rechtsgeldig zijn opgezegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is nu daarbij geen opzegtermijn in acht is genomen.

Bij gebreke van een contractuele en van een wettelijke regeling dient de vraag of rechtsgeldig is opgezegd en of het [gedaagde] vrijstond dat met onmiddellijke ingang te doen, beantwoord te worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. Daarbij dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, en zijn ook de aard en het gewicht van de redenen voor opzegging van belang.

Allereerst komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de samenwerking ongeveer 5 jaar heeft geduurd en dat gezien de aard van de werkzaamheden kan worden aangenomen dat Lemniscaat investeringen heeft gedaan die in de loop van de samenwerking terugverdiend dienden te worden. Het is dan ook aannemelijk dat Lemniscaat, doordat de samenwerking op 24 februari 2012 met onmiddellijke ingang is beëindigd en na die datum ook daadwerkelijk geen uitvoering meer is gegeven aan de met Lemniscaat gesloten overeenkomsten, schade heeft geleden. Een opzegtermijn had deze schade kunnen doen verminderen omdat Lemniscaat daarmee de gelegenheid had gekregen om maatregelen te nemen om de aanpassing van haar onderneming gereed te hebben wanneer het einde van de samenwerking daadwerkelijk intreedt. Verder is hier van belang dat, zoals ook al hiervoor is besproken, de door [gedaagde] gestelde tekortkomingen, ook in samenhang gezien, voorshands niet dan wel onvoldoende vaststaan. Het door [gedaagde] gestelde gebrek aan vertrouwen maakt dat niet anders. Van [gedaagde], die reeds jarenlang op een professionele wijze de rechten van de werken van haar vader beheert, mag immers verwacht worden dat zij de samenwerking met Lemniscaat ook op een professionele wijze tot een einde brengt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in dit geval redelijk en billijk was geweest indien [gedaagde] een opzegtermijn van een jaar in acht had genomen. De opzegging van 24 februari 2012 is niet rechtsgeldig nu daarbij geen opzegtermijn in acht is genomen. Deze opzegging komt echter wel in aanmerking voor conversie in een rechtsgeldige opzegging met inachtneming van een wel redelijk te achten termijn. De opzegging van 24 februari 2012 komt dus de werking toe van een rechtsgeldige opzegging tegen 25 februari 2013. Dat betekent dat [gedaagde] tot die datum haar verplichtingen uit de overeenkomst dient na te komen.

4.6. Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen onder 3.1 I en II tot 25 februari 2013 als na te melden toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd.

4.7. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij reeds aan Lemniscaat heeft opgegeven aan wie zij heeft medegedeeld dat de overeenkomsten met Lemniscaat zijn beëindigd. Lemniscaat heeft dan ook geen belang meer bij toewijzing van de vordering om een opgave te verstrekken. De daartoe strekkende vordering wordt dan ook afgewezen.

4.8. Aannemelijk is geworden dat [gedaagde] slechts aan een beperkt aantal derden de zakelijke mededeling heeft gedaan dat de samenwerking met Lemniscaat is beëindigd. Deze mededeling is mogelijk onjuist maar daarmee nog niet onrechtmatig. Een rectificatie daarvan zou te ver voeren. De daartoe strekkende vordering zal dan ook eveneens worden afgewezen.

4.9. Ten slotte heeft Lemniscaat geen belang meer bij een opgave van de door [gedaagde] ontvangen gelden van derden voor het gebruik van de titels van [B], nu [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze reeds heeft verstrekt. Daarmee komt ook het belang bij een verklaring van een registeraccountant te vervallen.

4.10. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lemniscaat worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.467,17

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] met onmiddellijke ingang en tot 25 februari 2013 al haar verplichtingen onder de licentieovereenkomst, de raamovereenkomst en de uitgeefovereenkomsten na te komen, waaronder de verplichting om:

1. mee te werken aan de samenwerking, onder meer door haar toestemming voor het gebruik van de titels van [B] door Lemniscaat en/of derden niet zonder gegronde redenen te weigeren;

2. met Lemniscaat in overleg te treden over de nevenrechten en/of vertalingen van de titels van [B], ofwel de uitoefening van de nevenrechten over te laten aan Lemniscaat;

3. de exclusieve rechten van Lemniscaat onder de overeenkomsten te eerbiedigen, onder meer door zich te onthouden van het zonder toestemming van Lemniscaat benaderen van derden met betrekking tot de exploitatie van de titels van [B];

4. zich te onthouden van het rechtstreeks, buiten Lemniscaat om, bij derden innen van vergoedingen voor het gebruik van de titels van [B];

5. de, zonder toestemming van Lemniscaat, door derden rechtstreeks aan [gedaagde] uitgekeerde vergoedingen, die op grond van de overeenkomsten aan Lemniscaat hadden moeten worden uitgekeerd onmiddellijk over te maken aan Lemniscaat,

5.2. verbiedt [gedaagde] met onmiddellijke ingang en tot 25 februari 2013 zonder toestemming van Lemniscaat (sub)licenties of enige wijze van exploitatie betreffende de titels van [B] aan derden te verlenen,

5.3. veroordeelt [gedaagde] om aan Lemniscaat een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat zij in strijd handelt met hetgeen onder 5.1 en/of 5.2 staat vermeld en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,= is bereikt,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Lemniscaat tot op heden begroot op € 1.467,17,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.P.W. Busch op 20 december 2012.?