Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY9651

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
13-528277-08 (PROMIS); 13-457360-08 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In 2009 is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in haar vervolging. Na hoger beroep wordt de zaak gedeeltelijk terugverwezen. Opnieuw verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens vormverzuimen en onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie. Verweer verworpen, maar geconstateerde vormverzuimen en overschrijding redelijke termijn leiden wel tot substantiële strafvermindering. Geen bewijsuitsluiting. Bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging de Wibra heeft overvallen en daarbij geweld heeft gebruikt. Tevens bewezen dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding een namaakwapen voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/528277-08 (Promis); 13/457360-08 (TUL)

Datum uitspraak: 7 december 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1988],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ter terechtzitting opgegeven postadres: [adres], [postcode] [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2012, met inachtneming van het arrest in deze zaak van het gerechtshof Amsterdam (verder: het hof) d.d. 15 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L. Kwaspen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.A. Monster, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Wibra (vestiging Renswoudestraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A] en/of [B], (een) mederwerker(s) van dat winkelbedrijf, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader een bivakmuts over zijn/hun hoofden heeft/hebben getrokken en/of die [A] éénmaal of meermalen in haar buik, in elk geval tegen het lichaam van die [A] heeft/hebben gestompt en/of die [A] tegen de toonbank heeft/hebben geduwd en/of die [B] eenmaal of

meermalen tegen haar kaak, in elk geval in/tegen haar gezicht, heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of die [B] en/of [A] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [B] eenmaal of meermalen in haar arm, in elk geval in het lichaam van die [B] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, althans met dat mes (een) stekende beweging(en) richting die [B] heeft/hebben gemaakt en/of die [B] en/of [A] heeft/hebben gesommeerd de kassa te openen, althans woorden van die aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 3 september 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet wapens en Munitie, gelet op art. 3 onder b van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm, afmetingen en kleur een

sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een pistool van het merk SIG SAUER type P226, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank merkt op dat in weerwil van wat het gerechtshof in deze zaak heeft bepaald, het openbaar ministerie een nieuwe dagvaarding aan verdachte heeft doen betekenen. Deze dagvaarding heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten. De hierboven weergegeven tenlastelegging is de – gewijzigde – inleidende dagvaarding die is uitgebracht ten behoeve van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2008. Hierin ontbreekt feit 2, omdat het hof te dien aanzien het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verdachte.

3. Voorvragen

3.1. De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft – kort samengevat – betoogd dat sprake is geweest van een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie, waardoor de verdediging in ernstige mate in haar belangen is geschaad. Dientengevolge dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het hof heeft bij arrest van 15 februari 2011 geoordeeld dat inderdaad sprake was van een opeenstapeling van vormverzuimen, maar dat deze niet onherstelbaar waren. Met de aanvullende processen-verbaal en het horen van verschillende getuigen bij de rechter-commissaris zijn volgens de officier van justitie de vormverzuimen alsnog hersteld.

De rechtbank zal de door de verdediging en de officier van justitie aangevoerde argumenten puntsgewijs bespreken.

Proces-verbaal van herkenning verbalisant [C]

De stelling van de raadsvrouw dat het proces-verbaal van herkenning, opgemaakt door verbalisant Schmidt op 4 september 2008, een ernstig verzuim oplevert omdat het een belangrijke rol heeft gespeeld bij de opsporing en vervolging van verdachte, volgt de rechtbank niet. De overval op het filiaal van Wibra heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2008. Met het hof is de rechtbank van oordeel dat op basis van de getuigenverklaring van [D] meteen na de overval en de informatie die de politie voor het opmaken van het proces-verbaal van verbalisant [C] had vergaard, een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte bestond aan de overval op Wibra. Het door het hof geconstateerde vormverzuim met betrekking tot het oorspronkelijke en niet aan het oordeel van de rechtbank onderworpen feit 2 speelt daarom – zo heeft het hof impliciet ook reeds geoordeeld – geen rol bij de beoordeling van de onderhavige feiten.

DNA-onderzoek

Het hof heeft bij arrest van 15 februari 2011 geoordeeld dat de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het DNA-onderzoek zeer summier was gerelateerd en dat de rechter-commissaris en de verdediging niet tijdig zijn geïnformeerd, dat dit een vormverzuim opleverde, maar dat dit vormverzuim niet onherstelbaar is, omdat het mogelijk moet zijn alsnog de feitelijke gang van zaken te verifiëren. Na terugwijzing door het hof zijn daarom de bij het DNA-onderzoek betrokken personen als getuigen door de rechter-commissaris gehoord. De rechtbank stelt vast dat deze getuigen zich weinig van het onderzoek weten te herinneren. Hierdoor valt de feitelijke gang van zaken rondom het DNA-onderzoek niet meer te reconstrueren, waardoor de verdediging in haar belangen is geschaad. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat aldus gebleken is dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Dactyloscopisch onderzoek

Ook ten aanzien van het dactyloscopisch onderzoek was het hof van oordeel dat hierover summier was gerelateerd. Het hof achtte het mogelijk om het dossier te laten aanvullen met nadere informatie over de uitkomst van het onderzoek. De rechtbank stelt vast dat bij proces-verbaal van 2 januari 2012, opgesteld door verbalisant [E], deze informatie alsnog is verstrekt. Hieruit blijkt dat de aangetroffen vingersporen niet overeenkomen met het dactyloscopisch signalement van verdachte en dat dit al enkele dagen na de aanhouding van verdachte bekend was. Ofschoon hiermee het oorspronkelijke verzuim is hersteld – inmiddels kan worden gereconstrueerd hoe het dactyloscopisch onderzoek is verlopen – is de rechtbank van oordeel dat een nieuw verzuim aan het licht is gekomen. De verdediging, de rechter-commissaris en de rechtbank zijn van de resultaten van voornoemd onderzoek ten onrechte niet tijdig op de hoogte gebracht. Het betreft onderzoeksresultaten die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak en de verdediging is door dit verzuim in zijn belangen geschaad. Een dergelijk verzuim kan niet worden hersteld.

Resultaten souche onderzoek

Uit het aanvullend proces-verbaal van 13 januari 2012, opgesteld door de verbalisanten [F] en [G], blijkt dat op 3 september 2008 de nagels van verdachte zijn gefotografeerd, zodat onderzocht kon worden of een souche gemaakt kon worden met de aangetroffen nagel op het plaatsdelict. Door voornoemde verbalisanten is geconcludeerd dat de aangetroffen nagel en de nagels van verdachte ten tijde van het fotografisch vastleggen geen souche vormden. De raadsvrouw heeft bepleit dat, nu voornoemd proces-verbaal pas 3,5 jaar na dato is opgesteld, sprake is van een schending van het voorschrift van artikel 152 Strafvordering (Sv). De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat thans ook hier sprake is van een onherstelbaar verzuim.

Slotsom

Voornoemde (vorm)verzuimen zijn naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van op verschillende momenten onzorgvuldig handelen door politie en openbaar ministerie. Dit heeft ertoe geleid dat de verdediging, de rechter-commissaris en de rechtbank telkenmale onvolledig of te laat zijn geïnformeerd. Daarnaast heeft de procedure hierdoor een zeer aanzienlijke vertraging opgelopen. Dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte hebben gehandeld, is echter niet gebleken. De verzuimen zijn daarnaast niet van dien aard, dat zij het wettelijk systeem in de kern raken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de geconstateerde (vorm)verzuimen, ook wanneer zij in samenhang en onderling verband worden bezien, niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Hieronder zal de rechtbank bespreken welke gevolgen zij wel aan de geconstateerde (vorm)verzuimen verbindt.

Gelet op het voorgaande, verklaart de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3.3. Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Beoordeling van het ten laste gelegde

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Getuige [D] heeft verdachte direct herkend en heeft tevens verklaard dat verdachte bij haar in de buurt woont. Nadat verdachte is aangehouden heeft er een spiegelconfrontatie plaatsgevonden, waarbij [D] verdachte heeft herkend als één van de personen die Wibra heeft overvallen. Daarnaast heeft getuige [I] ook verklaard verdachte te herkennen als één van de overvallers van Wibra. De getuige [J] heeft vlak voor de overval twee jongens de Wibra zien binnengaan. De omschrijving die zij van één van de jongens geeft, past bij de omschrijving die de getuigen [D] en [I] geven. Er is ook een fotobewijsconfrontatie, waarbij [J] uit tien foto’s verdachte aanwijst als degene die zij de Wibra naar binnen zag gaan.

Tot slot is achter de verkoopbalie een nagel aangetroffen. Er heeft een souche onderzoek plaatsgevonden. Dit leverde met betrekking tot de nagel geen match met verdachte op, maar uit het rapport van het NFI blijkt wel dat er DNA van verdachte onder de nagel is aangetroffen. Gelet op de getuigenverklaringen in combinatie met het aangetroffen DNA van verdachte, kan het niet anders dan dat verdachte degene is geweest die tezamen en in vereniging de overval op de Wibra heeft gepleegd.

De officier van justitie acht ook het onder 3 ten laste gelegde wettig bewezen. Zij baseert zich hierbij op het proces-verbaal van aanhouding en het wapenrapport.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank gemotiveerd verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte een alibi heeft. Op de dag van de overval zou hij bij zijn vriend [K] zijn geweest. Het alibi van verdachte is direct door de verdediging opgegeven.

Voorts stelt zij dat de verklaringen van de getuige [D] aantoonbaar tegenstrijdig zijn, zowel met haar eigen verklaringen als met de verklaringen van anderen. Tevens staat vast dat [D] met anderen, onder meer met de getuige [I], over de zaak heeft gepraat. De verklaringen van [D] zijn hierdoor onbetrouwbaar en dus onbruikbaar. De herkenning bij de spiegelconfrontatie is gelet op het voorgaande eveneens onbruikbaar. Nu de getuige [I] met [D] over de overval heeft gepraat, kan de verklaring van [I] evenmin voor het bewijs worden gebruikt.

De getuige [J] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Haar verklaring bij de rechter-commissaris staat diametraal op haar verklaring bij de politie, waardoor haar verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet kunnen bijdragen aan het bewijs. Ook onbruikbaar is de verklaring van [J] bij het zien van de foto van verdachte tijdens de fotobewijsconfrontatie, aangezien de fotobewijsconfrontatie niet volgens de voorschriften heeft plaatsgevonden. Hierbij is van belang dat [J] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij het gezicht van de jongens niet goed heeft gezien omdat zij capuchons droegen.

Ten aanzien van de DNA-match verzoekt de raadsvrouw primair het resultaat van het DNA-onderzoek van het bewijs uit te sluiten, nu de gang van zaken rondom het DNA-onderzoek niet meer gereconstrueerd en dus geverifieerd kan worden. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat de DNA-match geen enkele bewijswaarde heeft. Het DNA-spoor kan namelijk op diverse manieren onder de nagel terecht zijn gekomen. Het betekent allerminst dat verdachte de overval op de Wibra heeft gepleegd.

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Verzoek bewijsuitsluiting

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft, zoals onder rubriek 3.2. is beschreven, geoordeeld dat ten aanzien van het DNA-onderzoek sprake is van een vormverzuim, maar dat dit specifiek ziet op de gebrekkige verslaglegging van de gang van zaken rondom het DNA-onderzoek. Het vormverzuim ziet niet op het verzamelen en beoordelen van het DNA-materiaal. Uit het dossier blijkt niet dat op dit punt fouten zijn gemaakt. Het resultaat van het DNA-onderzoek kan daarom naar het oordeel van de rechtbank gebruikt worden voor het bewijs.

4.3.2. Gebruikte bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 september 2012.

Het klopt dat ik vier jaar geleden actief was op de website “Partypeeps”. Ik hanteerde op die site de naam “[X]”. U moet dat uitspreken als [X].

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008241187-4 van 28 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [L], doorgenummerde bladzijden 28 tot en met 33.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangeefster Anoeradha Bechoe, zakelijk weergegeven:

Ik ben vandaag, 28 augustus 2008, te Amsterdam het slachtoffer geworden van een overval, waarbij ik door beide overvallers in mijn buik ben gestompt. Ik bevond mij aan de kassa van de Wibra. Er stonden plotseling twee negroïde mannen bij mijn kassa. Ik hoorde ze zeggen: “Doe dat ding open”. Ik werd door de lichtgekleurde overvaller (verder dader 1) meteen tegen de toonbank geduwd. Ik werd door de donkergekleurde overvaller (verder dader 2) met de vuist krachtig in mijn buik gestompt. Ik voelde hevige pijn als gevolg van de stompen. Ik werd in totaal 5 keer door dader 2 in de buik gestompt. Dader 1 duwde mijn gezicht richting de kassa. Ik drukte op de knop om de bedrijfsleidster op te roepen. Zij verscheen bij ons. Ik zag dat een van de daders de bedrijfsleidster naar de kassa sleurde. Ik zag dat zij in het gezicht geslagen werd. De overvallers bleven mijn bedrijfsleidster slaan. Ik zag dat zij de kassa openmaakte. Toen de kassa open was, zag ik dat de overvallers het geld eruit haalden. Ik zag dat zij eerst de bankbiljetten eruit haalden en daarna ook het muntgeld. Mijn bedrijfsleidster heeft de geldlade nog uit de kassa getild en omgekeerd op de toonbank. Ik heb van de stompen in mijn buik nog steeds pijn. Ik heb tevens een kras op mijn buik.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008241187-1 van 28 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [M], doorgenummerde bladzijden 34 tot en met 38.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangeefster [B], zakelijk weergegeven:

Op 28 augustus 2008 werd bij de Wibra op Renswoudestraat te Amsterdam de overval gepleegd. Ik ben filiaalmanager. Ik zat vandaag in mijn kantoor. Ik hoorde opeens kabaal. Ik wilde gaan kijken wat er aan de hand was. Ik ben vanuit mijn kantoor de winkel ingelopen. Toen ik de winkel inliep, zag ik dat een collega van mij op mij kwam aflopen. Zij heet [D]. Ik ben vervolgens naar de kassa gerend. Ik zag dat mijn collega [A] achter de kassa. Ik zag dat er twee mannen naast haar stonden, achter de toonbank. De man die direct naast [A] stond (NN1) was in het bezit van een klein mesje, vermoedelijk een zakmes. Ik zag dat de jongen (NN2) die naast NN1 stond een plastic tas bij zich had. Ik zag dat NN1 en NN2 op mij af kwamen rennen. Ik voelde dat NN1 mij met kracht vastpakte bij mijn arm en mij richting de kassa trok. Ik hoorde NN1 en NN2 schreeuwen: “Doe die kassa open!” Ik zag en voelde dat ik met kracht twee vuistslagen tegen mijn kaak kreeg. Ik voelde een stekende pijn bij mijn kaak. Ik zag dat NN1 een mes in zijn hand had. Ik zag dat hij stekende bewegingen maakte in de richting van mijn linkerarm. Ik voelde opeens een soort prik. Ik zag dat de punt van het mes mijn linkerarm raakte. Ik zag dat de kassalade openging.

Ik zag dat zowel NN1 als NN2 geld uit de lade pakte. Ik zag dat ze het geld in hun zakken wilden stoppen. Ik zag dat dit niet lukte. Ik zag dat NN2 een plastic tas openhield en dat NN1 het geld vanuit de kassalade in de plastic tas stopte. Ik zag dat dit niet goed ging. Ik pakte de kassalade op zodat het geld makkelijker in de plastic tas kwam.

Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2008241187-3 van 28 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [N], doorgenummerde bladzijden 20 tot en met 23.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [D], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam bij de Wibra gelegen aan de Renswoudestraat te Amsterdam. Ik zag vanmorgen, 28 augustus 2008, opeens twee jongens de winkel binnenkomen. De voorste jongen (NN1) zag ik naar binnen rennen.

Ik herken NN1 als een jongen die bij mij in de buurt woont en vaak bij mij in de straat komt. Ik weet dat deze jongen “[O]” heet.

Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2008241187-14 van 4 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [P], doorgenummerde bladzijden 57 tot en met 58.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [D], zakelijk weergegeven:

De jongen die ik bedoel als overvaller van de Wibra heet [naam 1] (fon) of [naam 2] (fon). Ze noemen hem [naam 3] (fon) of zoiets. Hij woont in [plaats], [adres 1] of [adres 2]. Hij staat ook op Partypeeps met [naam 4] (fon).

Een proces-verbaal relaterende de spiegelconfrontatie met nummer 2008241187-24 van 2 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [P] en [Q], niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 2 december 2008 confronteerden wij middels de zogenaamde confrontatiespiegel de getuige [D] met de verdachte, genaamd [verdachte], waarna de getuige het volgende verklaarde:

“Ja, hij is de jongen die de Wibra heeft overvallen. Hij kwam als eerste de Wibra binnen op de dag van de overval.”

De persoonsgegevens van de verdachte met wie de getuige werd geconfronteerd, luiden:

[verdachte], geboren op [1988], wonende op het [adres 1] te [plaats].

Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 6 mei 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [J], zakelijk weergegeven:

Op 28 augustus 2008 liet ik mijn hondje uit. Ik zag twee jongens staan. De ene jongen wilde duidelijk niet gezien worden. Ik kreeg er een raar gevoel bij en heb staan kijken. Na vijf minuten dacht ik: “ik ga maar eens verder”. Ik liep langs de Wibra. Op dat moment stormden zij naar binnen en hoorde ik een kreet van een dame. Ik ben doorgelopen naar het politiebureau. Daar heb ik gezegd dat de Wibra werd overvallen. Wat mij direct opviel was dat één jongen een vooruitstaande kaak had. Ik heb zijn ogen, neus en mond gezien. Hij heeft mij aangekeken.

Een proces-verbaal fotobewijsconfrontatie met nummer 2008241187 van 2 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [Q], niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 2 december 2008 confronteerde ik, verbalisant [P], de getuige [J], met een fotoselectie van 10 personen. Terwijl de getuige naar de selectie keek, hoorde ik haar niets zeggen. Ik vroeg aan de getuige of de door haar bedoelde persoon zich in de selectie bevond. De getuige antwoordde: “Ooh, moest ik het in een keer zeggen? Kunt u mij de foto’s nog een keer laten zien?” Na afloop van de confrontatie deelde verbalisant [Q] mij mede, dat de foto van de verdachte in de selectie plaats 7 had ingenomen.

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008241187-1 van 27 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [Q], niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik toonde aan de getuige [J] de uitgeprinte versie. Hierbij werden alle foto’s aan haar getoond, waarna zij foto 6 pakte. Foto 6 uit de geprinte foslo versie kwam overeen met foto 7 zoals die via het FCM-systeem was getoond.

Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008241187-5 van 2 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [G] en [F], doorgenummerde bladzijden 1 tot en met 2.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 28 augustus 2008 heeft een overval plaatsgevonden in een winkel, gelegen aan de Renswoudestraat te Amsterdam Zuidoost. Op de vloer, achter de verkoopbalie, zagen wij een afgebroken nagel liggen. Door ons werd de nagel ten behoeve van een nader onderzoek in beslag genomen, verpakt en als volgt omschreven:

Itemnummer Omschrijving goed

3425443 afgebroken nagel, aangetroffen op de vloer achter de verkoopbalie. Identiteitszegel GNA900.

Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, opgesteld door drs. H.N. Bauer, d.d. 10 maart 2009, betreffende het DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Amsterdam op 28 augustus 2008, doorgenummerde bladzijden 27 tot en met 32.

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde Bauer, zakelijk weergegeven:

TR-nummer DNA-identiteitszegel Omschrijving

3425443 GNA900 een afgebroken nagel

Conclusie

Van het DNA in de bemonstering GNA900 van de afgebroken nagel is een DNA-profiel verkregen van een man. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering GNA900 afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2008241187-15 van 4 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [C] en [R], doorgenummerde bladzijden 81 tot en met 82.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij, verbalisanten [C] en [R], zagen de ons ambtshalve bekende [verdachte]. Het was ons bekend dat [verdachte] als Opsporing en Aanhouding gesignaleerd stond in het landelijk opsporingsregister. Ik, verbalisant [R], trof na de aanhouding in de broeksband van [verdachte] een zwartkleurig pistool aan.

Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008243281 van 5 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [S], doorgenummerde bladzijde 22.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik heb onderzoek ingesteld naar het op 4 september 2008 door verbalisant [R] bij de verdachte [achternaam verdachte], [voornaam verdachte], in beslag genomen voorwerp. Het voorwerp is een zogenaamd “balletjespistool” dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een SIG SAUER pistool, model P226. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, Categorie I, onder 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie.

4.3.3. Bewijsoverweging

Alibi

Het door verdachte genoemde alibi vindt weerlegging in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Getuige [D]

Op 28 augustus 2008 verklaart de getuige [D] direct dat zij één van de overvallers heeft herkend als een jongen uit haar buurt. Zij weet dat deze jongen “[naam 5]” heet. Op 2 september 2008 legt zij een aanvullende verklaring af. Zij verklaart dat de overvaller [naam 1] of [naam 2] heet, en dat zijn bijnaam “[naam 3]” is. Volgens de getuige woont hij op het adres [adres 1] of [adres 2]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn bijnaam “[X]” is, fonetisch uitgesproken als “[X]”.

Nu de getuige direct na de overval heeft verklaard dat zij één overvaller heeft herkend als iemand uit haar buurt met de door de politie als “[naam 5]” opgeschreven bijnaam, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij niet uit eigen wetenschap heeft verklaard. Dat [D] in daaropvolgende verklaringen haar eerste verklaring aanpast of aanvult, maakt het voorgaande niet anders. Voorts heeft er een enkelvoudige spiegelconfrontatie plaatsgevonden, waarbij zij de verdachte heeft herkend als één van de overvallers op de Wibra. Van een enkelvoudige spiegelconfrontatie kan volgens de rechtbank een suggestieve werking uitgaan, wat de betrouwbaarheid zwak maakt en de bewijskracht gering. Dit is anders indien de getuige de verdachte reeds kent, bijvoorbeeld uit de buurt of onder een bijnaam, en de enkelvoudige spiegelconfrontatie slechts wordt gebruikt ter identificatie van de verdachte. Dit was bij voornoemde spiegelconfrontatie het geval.

Tot slot is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de door haar genoemde bijnaam “[naam 5]” veel gelijkenissen vertoont met de bijnaam van verdachte (fonetisch uitgesproken).

Getuige [J]

Ten aanzien van de fotobewijsconfrontatie is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat niet de juiste procedure is gevolgd. Dit doet echter niet per definitie af aan de positieve herkenning door [J]. Het niet naleven van de voorschriften leidt er toe dat de rechtbank de nodige behoedzaamheid heeft betracht bij het gebruik van de positieve herkenning als bewijsmiddel. Nu de herkenning in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, is deze wel voor het bewijs gebruikt.

De aangetroffen nagel

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de achter de verkoopbalie aangetroffen nagel van verdachte is. Wel blijkt dat DNA dat matcht met dat van verdachte onder de nagel is aangetroffen. De rechtbank is met de raadsvrouw eens dat de aanwezigheid van dit DNA op zichzelf niet betekent dat verdachte de overval op Wibra heeft gepleegd. Het koppelt verdachte echter wel direct of indirect aan de plek waar de overval heeft plaatsgevonden en meer specifiek, aan de plek waar de overvallers hebben gestaan. In combinatie met de verklaringen en herkenning van de getuige [D] en van de getuige [J], alsmede met de overige gebruikte bewijsmiddelen, leidt het tot het bewijs dat verdachte op 28 augustus 2008 te Amsterdam Wibra heeft overvallen.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 28 augustus 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan winkelbedrijf Wibra, vestiging Renswoudestraat, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [A] en [B], medewerkers van dat winkelbedrijf, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader die [A] meermalen in haar buik hebben gestompt en die [A] tegen de toonbank hebben geduwd en die [B] tegen haar kaak hebben gestompt en die [B] en [A] een mes hebben voorgehouden en die [B] in haar arm hebben gesneden,

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 3 september 2008 te Amsterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op art. 3 onder b van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een pistool van het merk SIG SAUER type P226, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij haar eis onder meer rekening gehouden met de ernst van het feit, de justitiële documentatie van verdachte, het tijdsverloop van de zaak en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw, die zoals hiervoor weergegeven vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde heeft bepleit, heeft zich op het standpunt gesteld dat de vormverzuimen moeten leiden tot compensatie in de strafmaat.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met een ander op klaarlichte dag een overval op Wibra gepleegd, waarbij verdachte en zijn mededader slechts oog hebben gehad voor financieel gewin en zich op geen enkel moment hebben bekommerd om de financiële- en psychische schade en overlast die zij door hun handelen hebben veroorzaakt.

De overval wordt verdachte des te meer kwalijk genomen, nu hij en zijn mededader hierbij geweld hebben gebruikt. Verdachte en zijn mededader hebben de werknemers [A] en [B] geduwd, gestompt en een mes voorgehouden. De werknemer [B] is zelfs met een mes in haar arm gesneden. Verdachte en zijn mededader hebben hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven daar nog lang psychische gevolgen van kunnen ondervinden, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [B]. Overvallen als de onderhavige zorgen voorts voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte ten tijde van zijn aanhouding een op een vuurwapen lijkend voorwerp voorhanden gehad. Veel overvallen worden gepleegd met het soort wapen dat bij de verdachte is aangetroffen. Het bezit van dit soort voorwerpen brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Door dit namaakwapen voorhanden te hebben, heeft verdachte daaraan bijgedragen.

Gelet op de ernst van het feit, de rol die verdachte daarbij verweten wordt en de mate van veronachtzaming van de belangen van de slachtoffers door verdachte, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank weegt bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte mee dat de zogenoemde redelijke termijn is overschreden. In beginsel dient de behandeling van een zaak in eerste aanleg binnen twee jaar na aanvang van die termijn te zijn voltooid. Nu dit in de onderhavige zaak eerst na vier jaar het geval is, terwijl dit niet aan verdachte te wijten is, is sprake van een overschrijding van de termijn met ruim twee jaar.

Voorts heeft de rechtbank reeds onder rubriek 3.2. meerdere (vorm)verzuimen vastgesteld. Verdachte is door deze (vorm)verzuimen in zijn belangen geschaad. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de vormverzuimen, een substantiële compensatie door middel van strafvermindering aangewezen is.

Verder heeft de rechtbank laten meewegen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Al het vorenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de navolgende straf passend en geboden is. Ter compensatie van de vastgestelde (vorm)verzuimen en als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank van de gevorderde gevangenisstraf een aanzienlijk deel in voorwaardelijke vorm opleggen, als gevolg waarvan verdachte nu – meer dan vier jaar na het bewezen verklaarde feit – niet hoeft terug te keren naar de gevangenis.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [B] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 1.600,00 (zegge duizend zeshonderd euro), bestaande uit immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft verzocht, gelet op toegewezen vorderingen in soortgelijke zaken, de vordering van de benadeelde partij te matigen tot een bedrag van € 900,00 (zegge negenhonderd euro). Tevens heeft zij verzocht om, indien de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, de vervangende hechtenis hiervan te matigen tot één week.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [B], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat de immateriële schade van de benadeelde partij, gelet op de hoogte van toegewezen vorderingen in soortgelijke zaken, op een lager bedrag dient te worden begroot dan is gevorderd. Zij ziet echter geen aanleiding om de vervangende hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel te beperken. De rechtbank begroot de schade op € 1.000,00 (zegge duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2008) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, bestaat er geen aanleiding de gevorderde wettelijke rente niet toe te wijzen. Dit zal ertoe leiden dat verdachte een bedrag aan rente zal moeten betalen. Dat dit bedrag inmiddels flink zal zijn opgelopen, is niet iets wat de benadeelde partij kan worden tegengeworpen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [B] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 15 september 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/457360-08, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 15 juli 2008 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens blijkt uit de stukken dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de werkstraf van 20 uren te gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b (oud), 14c, 36f (oud), 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 13 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [B], domicilie kiezende Renswoudestraat 52, toe tot

€ 1.000,00 (zegge duizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [B] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [B], aan de Staat € 1.000,00 (zegge duizend euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 15 juli 2008, zijnde een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 20 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis per 5 augustus 2009.

Deze beslissing is genomen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. W.A.J.P. van den Reek en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2012.