Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8902

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
13/480360-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen. De uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet doen zich hier niet voor. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/480360-06

RK: 12/3249

BESCHIKKING

op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[veroordeelde],

geboren te [plaats] op [1972],

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. B.G.M.C. Peters, Tweede Boerhaavestraat 46, 1091 AN te Amsterdam,

verder te noemen veroordeelde.

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 1 mei 2012 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 27 juli 2012 veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie in besloten raadkamer gehoord.

Op 10 augustus 2012 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gewezen, de behandeling in raadkamer heropend en de behandeling van het bezwaarschrift naar de raadkamerbehandeling van een meervoudige kamer verwezen.

De rechtbank heeft op 5 december 2012 de raadsvrouw van veroordeelde en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in besloten raadkamer gehoord. Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

¬- Feiten -

Bij bevel van 8 maart 2012 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel. Op 18 april 2012 is celmateriaal afgenomen. Het bezwaarschrift is op 1 mei 2012 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen na de dag waarop celmateriaal is afgenomen.

Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 27 juli 2011 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek.

- Standpunt van de verdediging -

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank. De raadsvrouw van veroordeelde heeft in raadkamer van 27 juli 2012 en 5 december 2012 ter aanvulling op het bezwaarschrift aan de hand van schriftelijke pleitnotities - kort samengevat - aangevoerd dat het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld naar zijn aard geen misdrijf betreft waar DNA-onderzoek bij de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van betekenis zal kunnen zijn. DNA-onderzoek kan bij de opheldering van feiten als valsheid in geschrift geen enkele rol spelen. De wetgever heeft een dergelijk feit van toepassing van de Wet willen uitsluiten. De raadsvrouw heeft verschillende beschikkingen van andere rechtbanken overgelegd waarin een bezwaarschrift gelet op de aard van het misdrijf en hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis is bepaald, gegrond is verklaard. Daarnaast zijn er geen omstandigheden die aannemelijk maken dat veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek wel van belang kan zijn. Veroordeelde is in het verleden enkel veroordeeld ter zake van mishandeling tot een geldboete. Een veroordeling tot een geldboete betreft geen veroordeling als bedoeld in de Wet, zodat deze veroordeling niet kan worden meegenomen ter bepaling van het recidivegevaar voor feiten waar DNA-onderzoek wel een rol van betekenis kan spelen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de officier van justitie pas acht maanden nadat het vonnis is gewezen een bevel tot afname van het celmateriaal heeft gegeven. De officier van justitie heeft niet voortvarend gehandeld, hetgeen dient te leiden tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift. De rechtbank te Maastricht heeft op 26 juni 2012 bij beschikking een bezwaarschrift gegrond verklaard, omdat van een zo spoedig mogelijk gegeven bevel geen sprake was nu het bevel 25 maanden na het gewezen vonnis was gegeven.

Voorts heeft de raadsvrouw erop gewezen dat het strafbare feit waarop het bevel tot afname ziet in 2006 is gepleegd en veroordeelde de afgelopen zes jaren niet met politie en justitie in aanraking is geweest.

- Standpunt van de officier van justitie -

De officier van justitie heeft in raadkamer aan de hand van een op schrift gestelde toelichting gevorderd het bezwaarschrift gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De Wet ziet op veroordeelden die zijn veroordeeld voor een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook de Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 bepaald dat de Wet als uitgangspunt heeft dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in de Wet celmateriaal wordt afgenomen en heeft zij een beperkte uitleg gegeven aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet. Indien de wetgever bewust feiten als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv had willen uitsluiten, zou hij dit nadrukkelijk hebben bepaald. Gelet hierop dient de vraag of sprake is van een uitzonderingsgeval altijd te worden bezien in het licht van de onderliggende casus en dient niet enkel te worden gekeken naar het strafbare feit an sich. De in de wetsgeschiedenis bij naam genoemde misdrijven, onder meer valsheid in geschrift, meineed en verduistering, dienen niet bij voorbaat al van toepassing van de Wet te worden uitgesloten, aldus de officier van justitie. Andere rechtbanken, die de door de officier van justitie aangehaalde beschikkingen hebben gewezen, lijken niet naar de concrete casus te kijken, maar slechts naar het feit waarvoor veroordeelde uiteindelijk is veroordeeld, waarmee bepaalde feiten - anders dan de wetgever heeft beoogd - op voorhand worden uitgesloten. Indien een rechtbank in de onderhavige strafzaak een (deels) voorwaardelijke straf heeft opgelegd, met als doel het voorkomen van recidive, is de conclusie in een bezwaarschriftprocedure “dat niet gebleken is dat er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren” onbegrijpelijk. Het vaststellen van een concreet recidivegevaar is volgens de wetsgeschiedenis ook niet vereist. Voorts kan het bepalen en verwerken van het DNA-profiel een preventieve functie hebben.

Veroordeelde is veroordeeld voor valsheid in geschrift. In alle zaken waarin de werkelijkheid wordt verhuld kan sporenonderzoek van belang zijn voor de opheldering daarvan, zodat de DNA-afname in dit geval wel degelijk van betekenis kan zijn. Voorts is, nu veroordeelde eerder is veroordeeld ter zake van mishandeling, vanuit preventieoogpunt toepassing van de Wet van belang. De officier van justitie heeft dan ook gelet op voornoemde omstandigheden verzocht het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en heeft zij subsidiair de rechtbank verzocht nadrukkelijk te overwegen dat een dergelijk feit als de onderhavige niet an sich is uitgesloten van de toepassing van de Wet.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het verweer dat de officier van justitie niet voortvarend een bevel tot afname heeft afgegeven aangevoerd dat in een casus als de onderhavige, waar binnen een jaar nadat het vonnis is gewezen een bevel wordt afgegeven en de zaak nog in hoger beroep dient te worden afgedaan, niet kan worden gesproken van een dusdanige vertraging dat dit moet leiden tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift.

De rechtbank overweegt het volgende.

- Toetsingskader -

De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 (LJN-nummers BC8231 en BC8234) voorop gesteld dat tekst, doel en strekking van de Wet blijkens de wetsgeschiedenis als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet.

Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg. De officier van justitie beveelt de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’.

De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd. Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het bezwaar van veroordeelde uitgaan van het hierboven geschetste toetsingskader.

¬- Aard van het misdrijf -

De rechtbank stelt vast dat de wetgever gelet op de tekst van artikel 2, eerste lid van de Wet geen enkel misdrijf dat wordt genoemd in artikel 67 lid 1 Sv op voorhand heeft willen uitsluiten, zodat in beginsel van iedere veroordeelde als bedoeld in de Wet DNA-materiaal dient te worden afgenomen.

Ten aanzien van de aard van het misdrijf overweegt de rechtbank dat tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel misdrijven zijn genoemd waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, te weten valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering.i Deze delictsomschrijvingen kunnen echter niet categorisch worden uitgesloten, omdat bij deze misdrijven telkens gevallen denkbaar zijn waarin DNA-onderzoek wel van betekenis kan zijn. In deze gevallen dient te worden gekeken naar de aard van het concreet gepleegde delict waarop het bevel tot afname ziet, met de toets of het bepalen en verwerken van een DNA-profiel in dat geval redelijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

De rechtbank stelt vast dat het misdrijf van artikel 225 Sr, waarvoor veroordeelde is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. Aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 onder c van de Wet is dan ook in beginsel voldaan.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde gelet op de aard van dit concrete in de onderliggende strafzaak gepleegde delict redelijkerwijs van belang kan zijn voor het voorkomen, opsporen, vervolgen dan wel berechten van strafbare feiten.

In dit concrete geval heeft veroordeelde samen met zijn ouders aan de DWI geen juiste informatie verstrekt over de daadwerkelijke woonplaats van zijn vader. Niet kan worden gezegd dat DNA-onderzoek niet van belang kan zijn voor de opheldering van een misdrijf als het onderhavige waarbij wordt verzwegen waar iemand zijn domicilie heeft. Zo kan door middel van DNA-onderzoek worden aangetoond of een persoon al dan niet daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

- Bijzondere omstandigheden van het geval -

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd zich voordoen op grond waarvan sprake is van een uitzonderingsgeval.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat de officier van justitie niet voortvarend heeft gehandeld, nu pas acht maanden na de veroordeling een bevel tot afname is afgegeven. In de Wet is geen termijn bepaald waarbinnen een bevel dient te worden afgegeven, zij het dat de wetgever heeft beoogd dat het bevel zo spoedig mogelijk na de veroordeling wordt gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is een periode van acht maanden, anders dan het in de - door raadsvrouw aangehaalde - beschikking van de rechtbank te Maastricht genoemde tijdsverloop van 25 maanden, tussen het gewezen vonnis en het geven van het bevel niet onredelijk lang te noemen, zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De door de raadsvrouw aangehaalde omstandigheden dat veroordeelde niet eerder is veroordeeld voor een delict op grond waarvan celmateriaal wordt afgenomen, hij derhalve als first offender dient te worden aangemerkt en niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering als bedoeld in de Wet opleveren. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat veroordeelde inmiddels een vaste baan heeft en niet zal recidiveren. Het vaststellen van een concreet recidivegevaar is volgens de wetsgeschiedenis overigens niet vereist voor het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Bovendien blijkt uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 december 2012 dat veroordeelde eerder is veroordeeld, te weten voor mishandeling.

Conclusie

Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ONGEGROND.

Deze beslissing is op 19 december 2012 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. H.A. van Eijk, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Rigter, griffier.

i. Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, p. 10-11 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14.

Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde géén rechtsmiddel open.