Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8900

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
13/851093-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen. De uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet doen zich hier niet voor. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/851093-10

RK: 12/4111

BESCHIKKING

op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[veroordeelde],

geboren te [plaats] op [1982],

wonende op het adres [adres], [postcode] te [plaats],

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. W. van Vliet, Roelof Hartstraat 31, 1071 VG Amsterdam,

verder te noemen veroordeelde.

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 7 juni 2012 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft de behandeling van het bezwaarschrift op 21 september 2012 aangehouden en verwezen naar de raadkamerbehandeling van een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft op 5 december 2012 veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in besloten raadkamer gehoord.

Beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

- Feiten -

Bij bevel van 13 april 2012 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel. Op 30 mei 2012 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen. Het bezwaarschrift is op 7 juni 2012 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in zijn bezwaar.

Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 5 oktober 2011 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van het opzettelijk gebruik maken van het vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot onder meer een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

- Standpunt van de verdediging -

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank. De raadsman van veroordeelde heeft in raadkamer ter aanvulling op het bezwaarschrift aan de hand van schriftelijke pleitnotities - kort samengevat - aangevoerd dat, gelet op het specifieke en incidentele karakter van de onderhavige casus en de aard van het misdrijf, niet in enige redelijkheid kan worden gezegd dat het verwerken en bepalen van het DNA-profiel van enige betekenis zal kunnen zijn voor voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van dergelijke strafbare feiten. Dit blijkt ook uit de Memorie van Toelichting, waarin het misdrijf valsheid in geschrift in paragraaf 5.2 expliciet als uitzondering op de Wet wordt genoemd. Daarbij komt dat het oorspronkelijke wetsvoorstel enkel op zwaardere gewelds- en zedenmisdrijven zag en daarnaast bij feiten als de onderhavige in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek wordt afgenomen. De raadsman heeft erop gewezen dat het onderhavige strafbare feit het gebruik maken van een vervalste werkgeversverklaring betrof om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Het betreft een feit uit 2005 toen veroordeelde in woningnood verkeerde. Inmiddels is van een dergelijke situatie geen sprake meer, zodat een in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet genoemde uitzondering zich voordoet. Hoewel blijkens de Memorie van Antwoord de mogelijkheid wordt opengelaten ook in een geval als de onderhavige, als het verleden daartoe aanleiding geeft, het DNA-profiel te verwerken en te bepalen, is dit verleden in de onderhavige zaak hiertoe te weinig concreet. Veroordeelde is eerder met politie en justitie in aanraking geweest, maar de laatste relevante veroordeling dateert van 18 februari 2002, aldus de raadsman.

- Standpunt van de officier van justitie -

De officier van justitie heeft in raadkamer aan de hand van een op schrift gestelde toelichting gevorderd het bezwaarschrift gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De Wet ziet op veroordeelden die zijn veroordeeld voor een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook de Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 bepaald dat de Wet als uitgangspunt heeft dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in de Wet celmateriaal wordt afgenomen en heeft zij een beperkte uitleg gegeven aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet. Indien de wetgever bewust feiten als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv had willen uitsluiten, zou hij dit nadrukkelijk hebben bepaald. Gelet hierop dient de vraag of sprake is van een uitzonderingsgeval altijd te worden bezien in het licht van de onderliggende casus en dient niet enkel te worden gekeken naar het strafbare feit an sich. De in de wetsgeschiedenis bij naam genoemde misdrijven, onder meer valsheid in geschrift, meineed en verduistering, dienen niet bij voorbaat al van toepassing van de Wet te worden uitgesloten, aldus de officier van justitie. Andere rechtbanken, die de door de officier van justitie aangehaalde beschikkingen hebben gewezen, lijken niet naar de concrete casus te kijken, maar slechts naar het feit waarvoor veroordeelde uiteindelijk is veroordeeld, waarmee bepaalde feiten - anders dan de wetgever heeft beoogd - op voorhand worden uitgesloten. Indien een rechtbank in de onderhavige strafzaak een (deels) voorwaardelijke straf heeft opgelegd, met als doel het voorkomen van recidive, is de conclusie in een bezwaarschriftprocedure “dat niet gebleken is dat er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren” onbegrijpelijk. Het vaststellen van een concreet recidivegevaar is volgens de wetsgeschiedenis ook niet vereist. Voorts kan het bepalen en verwerken van het DNA-profiel een preventieve functie hebben.

Veroordeelde is veroordeeld voor het gebruik maken van een vervalst geschrift, zijnde een vervalste werkgeversverklaring. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is uit zowel opsporings- als preventieoogpunt van belang. Bovendien kan in zaken met betrekking tot het verhullen van de valsheid van een document sporenonderzoek van belang zijn, juist omdat vaak niet van meet af aan duidelijk is wie de verdachte betreft.

De rechtbank overweegt het volgende.

- Toetsingskader -

De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 (LJN-nummers BC8231 en BC8234) voorop gesteld dat tekst, doel en strekking van de Wet blijkens de wetsgeschiedenis als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet.

Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg. De officier van justitie beveelt de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’.

De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd. Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het bezwaar van veroordeelde uitgaan van het hierboven geschetste toetsingskader.

¬- Aard van het misdrijf -

De rechtbank stelt vast dat de wetgever gelet op de tekst van artikel 2, eerste lid van de Wet geen enkel misdrijf dat wordt genoemd in artikel 67 lid 1 Sv op voorhand heeft willen uitsluiten, zodat in beginsel van iedere veroordeelde als bedoeld in de Wet DNA-materiaal dient te worden afgenomen.

Ten aanzien van de aard van het misdrijf overweegt de rechtbank dat tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel misdrijven zijn genoemd waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, te weten valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering.i Deze delictsomschrijvingen kunnen echter niet categorisch worden uitgesloten, omdat bij deze misdrijven telkens gevallen denkbaar zijn waarin DNA-onderzoek wel van betekenis kan zijn. In deze gevallen dient te worden gekeken naar de aard van het concreet gepleegde delict waarop het bevel tot afname ziet, met de toets of het bepalen en verwerken van een DNA-profiel in dat geval redelijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

De rechtbank stelt vast dat het misdrijf van artikel 225 Sr, waarvoor veroordeelde is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. Aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 onder c van de Wet is dan ook in beginsel voldaan.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde gelet op de aard van dit concrete in de onderliggende strafzaak gepleegde delict redelijkerwijs van belang kan zijn voor het voorkomen, opsporen, vervolgen dan wel berechten van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat in dit concrete geval, waarin veroordeelde gebruik heeft gemaakt van een vervalste werkgeversverklaring teneinde een huurwoning te verkrijgen, DNA-onderzoek in beginsel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de opheldering van dergelijke door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. In een geval als het onderhavige zal in beginsel ook in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek, zodat er sprake is van een door de wetgever bedoelde uitzondering.

- Recidivegevaar -

Indien de aard van het concreet gepleegde delict zich verzet tegen de DNA-afname, dient het DNA-profiel van veroordeelde onder bepaalde in de wetsgeschiedenis genoemde omstandigheden toch te worden bepaald en verwerkt. Zo kunnen er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn of indien de veroordeelde in het verleden ook andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft.ii Hierbij is van belang of in zijn algemeenheid, bijvoorbeeld op grond van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie of andere bijzondere omstandigheden deze persoon betreffend, sprake kan zijn van een concreet recidivegevaar voor misdrijven waar DNA-onderzoek in de toekomst wel kan bijdragen aan het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten daarvan.

Van belang hierbij is dat het niet - als voorwaarde verbonden aan het geven van het bevel - aan het openbaar ministerie is om dit recidivegevaar aan te tonen. De Wet vereist slechts dat op grond van de bijzondere omstandigheden van de persoon kan worden vastgesteld dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van belang kan zijn.

De rechtbank heeft op grond van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende veroordeelde van 3 december 2012 vastgesteld dat veroordeelde eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat het verwerken en bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde wel van betekenis zal kunnen zijn voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten van veroordeelde. Hier doet - anders dan de raadsman heeft betoogd - niet aan af dat de laatste veroordeling van veroordeelde van meer dan vijf jaar geleden dateert.

Nu de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel is dat sprake is van recidivegevaar voor misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn, worden de verweren van de raadsman verworpen.

Conclusie

Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ONGEGROND.

Deze beslissing is op 19 december 2012 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. H.A. van Eijk, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Rigter, griffier.

i. Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, p. 10-11 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14.

ii. Kamerstukken I 2003/04, 28 685, C, p. 9 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14.

Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde géén rechtsmiddel open.